PluginProbe ʕ •ᴥ•ʔ
GiveWP – Donation Plugin and Fundraising Platform / 2.24.0
GiveWP – Donation Plugin and Fundraising Platform v2.24.0
4.16.4 4.16.3 4.16.2 4.16.1 4.16.0 4.15.5 4.15.4 4.15.3 4.15.2 4.15.1 4.15.0 2.3.0 2.3.1 2.3.2 2.30.0 2.31.0 2.31.1 2.32.0 2.33.0 2.33.1 2.33.2 2.33.3 2.33.4 2.33.5 2.4.0 2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.5.0 2.5.1 2.5.10 2.5.11 2.5.12 2.5.13 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.5.6 2.5.7 2.5.8 2.5.9 2.6.0 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.7.0 2.7.1 2.7.2 2.7.3 2.7.4 2.7.5 2.8.0 2.8.1 2.9.0 2.9.1 2.9.2 2.9.3 2.9.4 2.9.5 2.9.6 2.9.7 3.0.0 3.0.1 3.0.2 3.0.3 3.0.4 3.1.0 3.1.1 3.1.2 3.10.0 3.11.0 3.12.0 3.12.1 3.12.2 3.12.3 3.13.0 3.14.0 3.14.1 3.14.2 3.15.0 3.15.1 3.16.0 3.16.1 3.16.2 3.16.3 3.16.4 3.16.5 3.17.0 3.17.1 3.17.2 3.18.0 3.19.0 3.19.1 3.19.2 3.19.3 3.19.4 3.2.0 3.2.1 3.2.2 3.20.0 3.21.0 3.21.1 3.22.0 3.22.1 3.22.2 3.3.0 3.3.1 3.4.0 3.4.1 3.4.2 3.5.0 3.5.1 3.6.0 3.6.1 3.6.2 3.7.0 3.8.0 3.9.0 4.0.0 4.1.0 4.1.1 4.10.0 4.10.1 4.11.0 4.12.0 4.13.0 4.13.1 4.13.2 4.14.0 4.14.1 4.14.2 4.14.3 4.14.4 4.14.5 4.14.6 4.2.0 4.2.1 4.3.0 4.3.1 4.3.2 4.4.0 4.5.0 4.6.1 4.7.0 4.7.1 4.8.0 4.8.1 4.9.0 trunk 1.9.0 2.0.0 2.0.1 2.0.2 2.0.3 2.0.4 2.0.5 2.0.6 2.0.7 2.1.0 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.1.7 2.1.8 2.10.0 2.10.1 2.10.2 2.10.3 2.10.4 2.11.0 2.11.1 2.11.2 2.11.3 2.12.0 2.12.1 2.12.2 2.12.3 2.13.0 2.13.1 2.13.2 2.13.3 2.13.4 2.14.0 2.15.0 2.16.0 2.16.1 2.17.0 2.17.1 2.17.3 2.18.0 2.18.1 2.19.1 2.19.2 2.19.3 2.19.4 2.19.5 2.19.6 2.19.7 2.19.8 2.2.0 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5 2.2.6 2.20.0 2.20.1 2.20.2 2.21.0 2.21.1 2.21.2 2.21.3 2.21.4 2.22.0 2.22.1 2.22.2 2.22.3 2.23.0 2.23.1 2.23.2 2.24.0 2.24.1 2.24.2 2.25.0 2.25.1 2.25.2 2.25.3 2.26.0 2.27.0 2.27.1 2.27.2 2.27.3 2.28.0 2.29.0 2.29.1 2.29.2
give / vendor / fakerphp / faker / src / Faker / Provider / nl_BE / Text.php
give / vendor / fakerphp / faker / src / Faker / Provider / nl_BE Last commit date
Address.php 5 years ago Company.php 5 years ago Internet.php 5 years ago Payment.php 5 years ago Person.php 5 years ago PhoneNumber.php 5 years ago Text.php 5 years ago
Text.php
25348 lines
1 <?php
2
3 namespace Faker\Provider\nl_BE;
4
5 class Text extends \Faker\Provider\Text
6 {
7 /**
8 * The Project Gutenberg EBook of De legende en de heldhaftige, vroolijke en
9 * roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, by Charles de Coster
10 *
11 * This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
12 * almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
13 * re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
14 * with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
15 *
16 *
17 * Title: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden
18 * van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders
19 *
20 * Author: Charles de Coster
21 *
22 * Release Date: July 3, 2005 [EBook #11208]
23 * [Last updated: March 14, 2015]
24 *
25 * Language: Dutch
26 *
27 * @see http://www.gutenberg.org/cache/epub/11208/pg11208.txt
28 * @var string
29 */
30 protected static $baseText = <<<'EOT'
31 De legende en de heldhaftige,
32 vroolijke en roemrijke daden van
33 Uilenspiegel en Lamme Goedzak
34 in Vlaanderenland en elders
35
36
37 door
38
39 Charles de Coster
40
41
42
43 in het Vlaamsch vertaald door
44
45 Richard Delbecq en René de Clercq
46 (voor het proza) (voor de liederen)
47
48 Derde druk
49 met 22 platen van Jules Gondry
50 1919
51
52
53
54
55
56
57
58 KORTE LEVENSBESCHRIJVING VAN CHARLES DE COSTER
59
60 Bewerkt naar Ch. Potvin, Francis Nautet enz.
61
62
63 Charles-Theodore-Henri De Coster werd geboren te München, den 20n
64 Augustus 1827. Zijn vader was intendant van graaf Charles Mercy
65 d'Argenteau, aartsbisschop van Tyrus, die peter des kunstenaars was en
66 hem de markiezin Henriette de la Tour Dupin, vrouw van den Franschen
67 gezant te Turijn, tot meter gaf.
68
69 De kleine De Coster, een engeltje van een knaap, sleet dus zijne
70 eerste levensjaren in het paleis van den aartsbisschop, midden in
71 weelde, in bloemen, geliefkoosd door zijne ouders en zijnen peter. Zijn
72 eerste opvoeding was dus zeer aristocratisch en die indrukken blijven
73 gewoonlijk onuitwischbaar.
74
75 Doch weinig tijds nadien verandert dit alles. Zijne ouders verlaten
76 München en gaan naar Brussel, waar hun tweede kind ter wereld komt;
77 dan sterft zijn vader te Ieperen, bij zijn broeder, die daar geneesheer
78 was. Zijn moeder keert terug naar Brussel bij hare zuster en hare
79 kinderen.
80
81 Charles was reeds in eene kostschool te Etterbeek, waar "ik mij zal
82 moeten schikken naar den wil van een ander", zegt hij, "na zoolang
83 mijn zin te hebben gedaan". Als hij uit de kostschool komt, is het
84 om in het "Collège Saint-Michel" te treden, waar men een oogenblik
85 hoopte dat het kind, dat reeds de droomerijen boven de droge studiën
86 verkoos, zich aan het priesterschap zou wijden.
87
88 Eerst dacht hij in de balie te treden, doch een vriend deed hem
89 opmerken dat de rechten en de kunst moeilijk samengaan, en De Coster,
90 geholpen door machtige beschermers, aanvaardde eene bediening in de
91 "Société Générale".
92
93 In 't lot gevallen, stelde zijne moeder eenen plaatsvervanger, die
94 wegliep; na eenige dagen in het regiment, bij zijn kolonel, vertoefd
95 te hebben, "om den plaatsvervanger te vervangen", maakte de jonge
96 bediende op zijne beurt van de gelegenheid gebruik om zijne plaats
97 te ontloopen. "Het ambtenaarsleven bevalt mij in het geheel niet",
98 zegde hij. In de Bank voelde hij zich als een vreemdeling te midden
99 van de bureaucraten. Hij stikte in die atmosfeer en "overigens wilde
100 hij voor zich zelven werken". De letterkundige roeping verkreeg de
101 bovenhand en hij trad in 1850 in de Hoogeschool van Brussel, waar
102 hij het diploma van candidaat in de letteren behaalde.
103
104 Maar De Coster gaf aan de Hoogeschool noch zijn hart, noch zijnen
105 geest, noch zijne pen. Toen hij ze verliet, was hij noch doctor,
106 noch professor, noch dagbladschrijver, noch tooneeldichter. Maar hij
107 was kunstenaar, meer dan ooit.
108
109 Vervolgens wilde hij in de redactie van een dagblad treden, maar hij
110 aanbad het schoone boven alles en weigerde "een werktuig te maken
111 van zijne pen".
112
113 Dan begint een jammerlijk leven van voortdurenden tegenspoed en
114 onbegrepen arbeid. In 1856 weigert hij eene plaats bij een makelaar
115 in wijnen,--alles wat men hem aanbood.
116
117 Om het even, de jonge kunstenaar heeft wilskracht en, door al zijn
118 kommer heen, maakt hij eervol naam in de Fransche letterkunde. Buiten
119 en behalve menigvuldige gewaardeerde bijdragen in dagbladen en
120 tijdschriften, levert hij, in 1856, les Frères de la bonne trogne
121 (Brabantsche legende); in 1857, de Légendes flamandes et wallones,
122 die een ongemeenen bijval ontmoeten en door de Fransche pers vleiend
123 beoordeeld worden; in 1861, de Contes brabançons.
124
125 Zijn peter, de aartsbisschop, had hem sedert lang zijne bescherming
126 onttrokken, die hem zeker ware bijgebleven, hadde De Coster zijne
127 studiën in de Hoogeschool van Leuven willen doen. Hij had Brussel
128 verkozen, waar hij vrienden vond. Dat was eene keuze doen voor de
129 algeheele vrijheid des geestes. In 1863 wordt het petekind van den
130 aartsbisschop van Tyrus lid van de Vrije Gedachte van Brussel. Hij was
131 toen in den vollen bloei van zijn eersten bijval en gansch vervoerd
132 door zijne liefde voor het schoone.
133
134 Zijne liefde voor het volk, voor het wakkere Vlaamsche volk, stuwt
135 hem voorwaarts en houdt zijn machtig genie bezig. De schilder Dillens
136 zijn vriend, bezat in zijn werkhuis een verzameling oude Vlaamsche
137 boeken. De Coster en Dillens doen verscheidene reizen door Zeeland
138 en Vlaanderen: de "Legende van Uilenspiegel" was van dan af geboren
139 in De Coster's brein.
140
141 De Legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak, in de letterwereld
142 met ongeduld verwacht, verscheen in 1867 in een prachtige uitgave,
143 opgeluisterd met twee en dertig etsen van negentien talentvolle
144 kunstenaars.
145
146 Ziehier wat onder meer drie Fransche bladen zeiden van dat gewrocht:
147
148 La Liberté van 18 December 1868: "'t Is een heldendicht in proza,
149 waarin het bloed zoo rijkelijk vloeit als het bier. Men zou zeggen
150 een kermis rondom eenen brandstapel".
151
152 Le Constitutionnel, 9 December 1868, wijdde drie groote kolommen
153 aan Uilenspiegel, waarin de recensent het boek met Goethe's Faust
154 vergelijkt.
155
156 Le Corsaire: "'t Is een heldendicht in proza, 't is de verheerlijking
157 van den Vlaamschen geest".
158
159 Heel de Fransche pers deelde dit gevoelen en drukte hare bewondering
160 in de vleiendste artikelen uit.
161
162 Onze Busken Huët getuigde: "Hollanders noch Vlamingen bezitten een
163 werk over de XVIe eeuw in Vlaanderen, dat met het meesterwerk van De
164 Coster kan vergeleken worden".
165
166 Na Uilenspiegel verscheen nog: Voyage de noce (1872) en le Mariage
167 de Toulet (1879).
168
169 Edoch De Coster, die in het volle succes van de Légendes flamandes
170 zijne vriendin verloren had, zag zich op 29 Juli 1869, wanneer
171 Uilenspiegel zoo gunstig onthaald werd, nu nog zijne moeder ontrukken.
172
173 Die ramp schokte hem diep in zijn reeds droevig bestaan, want De Coster
174 leefde veelal in armoede, niettegenstaande zijn talent en de gunst
175 waarmede zijne werken ontvangen werden. Schrale schrijversrechten,
176 karige toelagen, luttel betaalde lessen moesten hem vrijwaren voor
177 ellende. Hij kloeg dan ook, steeds denzelfden strijd te moeten
178 herbeginnen. In 1870 schreef hij: "Hoewel ik veel gewerkt heb
179 uit lust en uit liefde, begrijp ik, sedert minder dan drie jaar,
180 de schrikverwekkende waarde van het geld en de noodwendigheid van
181 een arbeid, die, genoegzaam betaald, den mensch, met den welstand,
182 ook vrijheid en vreugde schenkt".
183
184 Maar daarom legde hij zijne fierheid niet af.
185
186 Toen eindelijk de regeering, een tiental jaren vóór zijnen dood, er
187 aan dacht de verstandelijke hulpmiddelen van den grooten schrijver
188 ten behoeve van het onderwijs aan te wenden, was het te laat. Hij
189 stak zoo diep in schulden, dat zijne benoeming geen anderen uitslag
190 opleverde dan eene opschudding te verwekken onder zijne schuldeischers,
191 die zijn traktement aansloegen en hunne prooi niet meer loslieten.
192
193 Toen hij stierf, op 7 Mei 1879, verkeerde hij in de diepste ellende.
194
195 * * * * *
196
197 Den 22n Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Eisene een
198 eenvoudig doch treffend gedenkteeken van den beeldhouwer Samuel ter
199 nagedachtenis van De Coster ingehuldigd.
200
201
202
203
204
205
206
207 DE LAATSTE OOGENBLIKKEN VAN CHARLES DE COSTER.
208
209
210 Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat
211 den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd
212 door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar
213 bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was
214 zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een
215 ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.
216
217 Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan
218 hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren
219 plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot
220 geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt
221 over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy,
222 geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij
223 aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn
224 verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen,
225 bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte,
226 was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten
227 door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden,
228 maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou 's anderen daags
229 namiddags terugkomen.
230
231 's Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te
232 zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne
233 zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden,
234 als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen,
235 die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer,
236 en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn
237 broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het
238 werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den
239 zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid
240 aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te
241 drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De
242 Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in
243 het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré
244 en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat
245 hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche
246 woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd
247 hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken
248 en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om
249 heur te herkennen: "Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!" Daarna
250 werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster,
251 kwam pijnlijk over zijne lippen: "Ca...ro...line". Het was zijn hart,
252 dat ontsnapte. Het was twee uren.
253
254
255 Hector Denis.
256
257
258
259
260
261
262
263 VOORREDE VAN DEN UIL [1]
264
265
266 Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige
267 aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat
268 lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem
269 tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan
270 den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland
271 en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den
272 schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn
273 naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme,
274 waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door
275 samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te
276 spreken. Dat is hunne zaak.
277
278 Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel,
279 de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de
280 spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een
281 tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken
282 met den slenter.
283
284 Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een--naar
285 uwe meening--treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos,
286 een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet
287 hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de
288 Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In
289 menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord,
290 die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.
291
292 Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met
293 zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen
294 bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde,
295 sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.
296
297 Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen
298 te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij de vogeltjes
299 op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die
300 gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin
301 gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over
302 hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun
303 nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij
304 met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij
305 de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij
306 daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten,
307 gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.
308
309 Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te
310 brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij
311 toebehooren [2] de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag
312 toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die
313 men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op
314 die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel
315 en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen
316 uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel
317 of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat
318 eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen
319 op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en
320 dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit
321 aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn
322 menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet,
323 gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.
324
325 Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden
326 koning, wreedaardig van jongs af--daarom is het een mensch--en
327 dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig,
328 gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en
329 dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen
330 bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een
331 uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op
332 voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend
333 verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin,
334 kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een
335 fortuin voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door
336 het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn;
337 uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar
338 een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen,
339 zoo ge mij niet deedt lachen.
340
341 Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er
342 wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen:
343 uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden,
344 uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper,
345 aanklager en weerwolf, uw edelman die 's nachts duivel speelt om eene
346 onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die,
347 geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken,
348 ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker
349 was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van
350 degenen die men doodt.
351
352 Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet
353 niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.
354
355 De uil is hij die in 't geniep, eerroof stookt onder de lieden
356 die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de
357 verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig
358 antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel
359 dat Men onvindbaar is.
360
361 Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als
362 een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld
363 betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.
364
365 Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid,
366 van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te
367 verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.
368
369 Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht,
370 een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,--woede, daar waar
371 vroolijkheid was.
372
373 Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten
374 kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt,
375 de weeze stroopt, en zegepraalt in 't vet, lijk anderen zegepralen in
376 't bloed.
377
378 Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van
379 jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen
380 cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.
381
382 Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw is,
383 moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan
384 moede, in 't water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet
385 verdiende te leven.
386
387 Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze
388 wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht
389 en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer,
390 zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.
391
392 Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid,
393 vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u
394 dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van
395 uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene
396 sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en
397 zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon
398 zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets
399 zal van overblijven. [3]
400
401
402 Bubulus Bubb.
403
404
405
406
407
408
409
410 EERSTE BOEK.
411
412
413 I.
414
415 In meimaand, als de hagedoorn in bloei stond, werd te Damme, in
416 Vlaanderenland, Uilenspiegel, de zoon van Klaas geboren.
417
418 Terwijl Katelijne, de vroedvrouw, hem in warme doeken bakerde, bezag
419 ze zijn hoofd en riep ze blijde uit:
420
421 --Hij is met den helm geboren!
422
423 Maar weldra jammerend, met den vinger een zwart stipje op den schouder
424 van den boorling toonend:
425
426 --Laas! schreide zij, dat is het zwarte merk van den vinger des
427 duivels!
428
429 --Heer Satan is vandaag vroeg opgestaan, antwoordde Klaas, dat hij
430 alreeds den tijd vond om mijn zoon te teekenen?
431
432 --Satan sliep nog niet, zei Katelijne, want luister, nu eerst kraait
433 Kanteklaar de hennen wakker.
434
435 En zij gaf het kind over aan Klaas en ging naar buiten.
436
437 De dageraad verdreef nu het nachtelijk duister, de zwaluwen vlogen
438 kwetterend rakelings over de weide, en de zon kleurde vuurrood
439 de kimme.
440
441 Klaas deed het venster open en sprak tot Uilenspiegel:
442
443 --Kind met den helm, zie, daar is moeder de Zon, die Vlaanderenland
444 komt groeten. Bezie haar als uwe kijkers zullen open zijn; verkeert
445 gij later ooit in twijfel, weet gij niet wat te doen om goed te doen,
446 ga dan om raad bij de Zonne; zij is warm en helder: wees zoo goed
447 als zij warm, zoo eerlijk als zij helder is.
448
449 --Klaas, mijn man, zei Soetkin, ge spreekt tot een doove; kom en drink,
450 mijn jongen.
451
452 En de moeder stak den boorling hare schoone, blanke borsten toe.
453
454
455
456
457 II.
458
459 Terwijl Uilenspiegel zich laafde aan de levensbron, ontwaakten al de
460 vogelkens in 't veld.
461
462 Klaas, die mutsaards bond, bezag zijne vrouw, die Uilenspiegel de
463 borst gaf.
464
465 --Zeg eens, vrouw, sprak hij, hebt ge nog veel van die lekkere melk?
466
467 --De kruiken zijn vol, man, antwoordde zij, maar dat is niet voldoende
468 om mijn hert te verblijden.
469
470 --Gij spreekt zoo treurig en het is zoo vroeg nog in den morgen.
471
472 --Ik denk er aan, dat er geen oortje meer steekt in de tassche,
473 die daar aan den muur hangt.
474
475 Klaas nam de tassche van den wand; maar hij had goed schudden, er
476 rinkelde geen geld in. Hij was er onthutst over; doch hij wilde zijne
477 vrouw moed inspreken, en zei:
478
479 --Waarover bekommert gij U? Hebben wij in de schapraai den koek
480 niet liggen, dien Katelijne ons gisteren gaf? Zie ik daar geen groot
481 stuk vleesch, dat ten minste voor drie dagen goede melk aan 't kind
482 zal geven? Die zak boonen daar in den hoek, is die een voorteeken
483 van hongersnood? En dat kuipje boter bestaat toch niet in mijne
484 verbeelding? In mijne verbeelding ook niet, die appelen, welke,
485 met elven in 't gelid, op onzen zolder liggen? En de dikke tonne
486 schuimende Brugsche kuite, noodt zij ons niet, met haren vollen buik,
487 tot een gulle drinkpartij?
488
489 --Als 't kind gedoopt wordt, zei Soetkin, moeten er twee oortjes zijn
490 voor den pastoor en één gulden voor 't festijn.
491
492 Daarop kwam Katelijne het huis binnen met een grooten bundel kruiden
493 en zij sprak:
494
495 --Aan het kind bied ik de angelica, die den man voor ontucht behoedt
496 en de venkel, die Satan van hem verwijderd houdt....
497
498 --Hebt gij het kruideken niet, vroeg Klaas, dat guldens aantrekt?
499
500 --Neen, zegde zij.
501
502 --Dan ga ik zien of er iets in de vaart is te vinden.
503
504 Hij ging heen, met zijn hengel en zijn net, zeker dat hij niemand
505 ontmoeten zou, want het was nog een heel uur vóór oosterzon, wat in
506 Vlaanderen vijf uren zeggen wil.
507
508
509
510
511 III.
512
513 Klaas kwam aan de Brugsche vaart, niet verre van de zee. Hij schoof
514 het aas aan den haak, wierp de lijn uit en liet ook zijn net in 't
515 water zinken. Op den overkant der vaart lag een goedgekleede knaap
516 vast in slaap, op een bed van mosselen.
517
518 Op het gerucht, dat Klaas maakte, werd de jongen wakker; hij wilde
519 vluchten, meenende dat het een serjant der naburige gemeente was, die
520 kwam om hem te pakken en naar het Steen te brengen voor landlooperij.
521
522 Doch de schrik was verdwenen toen hij Klaas herkende, die hem toeriep:
523
524 --Wilt gij zes duiten verdienen? Ja?... Jaag dan de visch langs hier!
525
526 Op die woorden ging het knaapje, een kleine dikzak, het water in;
527 het trok er eenige lischbladeren, vatte ze tot een bundel samen en
528 joeg er mee de visch naar Klaas.
529
530 Toen de vangst gedaan was, trok Klaas net en lijn uit het water en
531 ging hij de sluis over naar het knaapje.
532
533 --Gij zijt het, zegde hij, die Lamme heet van uw doopnaam, en
534 Goedzak om den wille van uw zachtaardig karakter, en achter Onze
535 Lieve Vrouwekerk in de Reigerstraat woont? Hoe komt het dat gij,
536 zoo jong en zoo netgekleed, onder den blooten hemel slaapt?
537
538 --Laas! baas kooldrager, antwoordde het jongetje, ik heb thuis eene
539 zuster, die een jaar jonger is dan ik en mij troef geeft bij den
540 minsten twist. Maar op haren rug durf ik mijne weerwraak niet nemen,
541 want ik zou haar zeer doen, baas. Gisterenavond, onder het eten,
542 wischte ik met mijne vingers een teil uit, waarin ossenvleesch met
543 boonen geweest was, en zij wou er heur deel van hebben. Daar was niet
544 eens genoeg voor mij, baas. Als ze mij zag likkebaarden om den goeden
545 smaak der saus, werd ze razend en sloeg ze met de volle hand mij zóó in
546 't gezicht, dat ik heel bebloed het huis uitgeloopen ben.
547
548 Klaas vroeg hem wat zijn vader en zijne moeder zeiden, terwijl hij
549 zoo geslagen werd.
550
551 Lamme Goedzak antwoordde:
552
553 --Vader stompte mij op den eenen schouder en moeder klopte mij op den
554 anderen, roepende: "Verweer u, laffe Lamme". Maar ik wil geen meisje
555 slaan en daarom ben ik weggeloopen.
556
557 Eensklaps verbleekte Lamme en beefde hij als een riet.
558
559 En Klaas zag een lange vrouw afkomen, met een mager meisje naast zich,
560 dat er barsch uitzag.
561
562 --Ah! zuchtte Lamme, terwijl hij Klaas bij zijne hooze vastgreep, daar
563 komen moeder en zuster mij halen. Bescherm mij toch, baas kooldrager!
564
565 --Dáár, sprak Klaas, neem eerst die zes duiten voor uwe moeite en
566 heb geen vrees.
567
568 Toen de twee vrouwen Lamme zagen, liepen zij naar hem toe, en beiden
569 wilden hem slaan, de moeder omdat hij haar onrust aangedaan had en
570 de zuster uit gewoonte.
571
572 Lamme verschool zich achter Klaas en riep:
573
574 --Ik heb zes duiten verdiend, ik heb zes duiten verdiend, slaat
575 me niet!
576
577 Doch de moeder kuste haren jongen reeds, terwijl het meisje Lamme's
578 handen wilde openwringen, om hem zijn geld af te nemen. Maar Lamme
579 schreeuwde:
580
581 --'t Is 't mijne, ge zult het niet hebben.... 't Is 't mijne!
582
583 En hij balde de vuisten.
584
585 Toen trok Klaas de kleine meid geducht bij de ooren en sprak:
586
587 --Als het u nog voorvalt leed te doen aan uw broer, die goed en zacht
588 is als een lammeken, steek ik u in een donker kolenhok, en daar zal
589 ik u niet meer bij de ooren trekken, maar de roode duivel uit de hel;
590 hij zal u aan stukken scheuren met zijn groote klauwen en zijne tanden,
591 die op vorken gelijken.
592
593 Op die woorden dorst de meid Klaas niet meer te bezien, noch
594 heuren broeder te naderen; zij verborg zich achter de rokken heurer
595 moeder. Doch in de stad schreeuwde zij het overal uit:
596
597 --De kooldrager heeft mij geslagen; hij heeft een duivel in zijn
598 kelder.
599
600 Nochtans dorst zij Lamme niet meer slaan; maar als zij groot was,
601 deed ze hem haar werk doen. En de goede sul gehoorzaamde gewillig.
602
603 Onderweg had Klaas zijne vangst verkocht aan een pachter, een
604 lekkerbek, en thuis komende, zegde hij tot Soetkin:
605
606 --Zie, dat heb ik gevonden in den buik van vier snoeken, negen karpers
607 en in een volle ben paling.
608
609 En hij smeet twee gulden en een oortje op tafel.
610
611 --Man, waarom gaat gij niet alle dagen visschen? vroeg Soetkin.
612
613 Klaas antwoordde:
614
615 --Wel, omdat ik zelf niet geerne zou spartelen in de netten van de
616 stadsserjanten.
617
618
619
620
621 IV.
622
623 Te Damme werd Uilenspiegel's vader "Klaas de kooldrager"
624 geheeten. Klaas had zwart haar, schitterende oogen; zijn vel was van
625 de kleur zijner koopwaar, uitgenomen op Zon- en feestdagen, als er
626 veel zeep in de stulp was. Hij was klein, hoekig, sterk en blijgezind.
627
628 Als zijn werk gedaan was en hij met den valavond naar eene taveerne
629 van den Brugschen steenweg ging, om met kuite zijn keelgat te spoelen,
630 dat zwart was van koolstof, riepen al de vrouwen, die, op den dorpel
631 van heur deur den koelen avond genoten, hem vriendelijk toe:
632
633 --Goên avond en klaar bier, kooldrager!
634
635 --Goên avond en 'nen man die niet slaapt, antwoordde Klaas.
636
637 De meisjes die in troepjes van het veld kwamen, stelden zich vóór hem,
638 lieten hem niet door en vroegen hem:
639
640 --Wat geeft ge om er door te mogen: een scharlaken lint, een vergulden
641 gesp, fluweelen schoentjes of een gulden in ons beursje?
642
643 Maar Klaas nam er eene om haar middel en kuste heur wangen of heur
644 hals, al naarvolgens zijn mond het dichtst bij de donzige huid was,
645 en dan zegde hij:
646
647 --Vraagt, mijne hertjes, vraagt de rest aan uwe minnaars.
648
649 En schaterlachend gingen de joelende meisjes voort.
650
651 De kinderen herkenden Klaas aan zijn grove stem en aan zijn zwaren
652 stap. Zij liepen naar hem toe en zeiden:
653
654 --'n Avond, kooldrager!
655
656 --Van 's gelijken, mijne engelkens, zei Klaas; maar komt niet te dicht,
657 of 'k maak U zwart als moorkens.
658
659 De stoute kaboutermannekens kwamen toch nader; dan nam Klaas er een
660 bij zijn wambuis, streek zijn zwarte hand over 't gladde gezichtje
661 en liet hem zoo loopen, tot groote vreugd van de schaterende bende.
662
663 Soetkin, Klaas' wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met
664 de zon, en vlug en vlijtig was als een bij.
665
666 Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen
667 vóór den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder
668 nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest
669 scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op
670 de lippen.
671
672 En de grond mocht nog zoo hard zijn en de zon hare heetste stralen
673 op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweeten als zij de
674 egge trokken dat hunne knieën knikten--al hun lijden vergaten zij,
675 als zij even stil stonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas
676 keerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die teedere ziele.
677
678
679
680
681 V.
682
683 Den vooravond had men van de pui van 't gemeentehuis uitgeroepen dat
684 Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden
685 voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.
686
687 Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.
688
689 --Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.
690
691 --Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken,
692 die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.--'k Zag meisjes
693 levend begraven! En de beul danste op de lijken!--De bloedsteen,
694 die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.
695
696 --Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister
697 voorteeken voor Vlaanderenland!
698
699 --Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.
700
701 --Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.
702
703 Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:
704
705 --Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine
706 Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas,
707 die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want
708 hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons
709 land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken,
710 maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere
711 arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer
712 Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door
713 oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt,
714 zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen
715 in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche
716 werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld
717 door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal
718 boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk
719 zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone
720 prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas
721 is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder;
722 Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel's
723 gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak,
724 een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van 't volk gaan,
725 en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovende wespen, omlaag de
726 noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.
727
728 Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.
729
730
731
732
733 VI.
734
735 Uilenspiegel werd ten doop gebracht, toen plotseling een hevige
736 regenbui viel, die hem gansch nat maakte. Zoo werd hij voor de eerste
737 maal gedoopt.
738
739 Als hij nu de kerk binnengebracht werd, kwam de kosterschoolmeester
740 aan peter en meter, vader en moeder zeggen, dat zij zich rond de
741 doopvont moesten scharen, hetgeen zij deden.
742
743 Maar boven de vont, was er in 't gewelf een gat, dat een metser gekapt
744 had om er eene lamp aan een vergulde sterre te hangen. De metser, die,
745 van boven, peter en meter stokstijf rond de toegedekte vont zag staan,
746 goot verraderlijk door het gat een emmer water, dat, tusschen hen, met
747 groot geplas op het deksel van de vont kletste. Doch Uilenspiegel kreeg
748 er het grootste deel van. En zoo werd hij voor de tweede maal gedoopt.
749
750 De deken kwam; zij deden hem hun beklag, maar hij zei hun van zich te
751 haasten, dat het een ongeluk was. Uilenspiegel ging te werk als een
752 bezetene, om den wille van het water, dat op hem gespat was. De deken
753 gaf hem het zout en het water en heette hem Thijlbert, wat zeggen wil:
754 "altijd ongedurig". En zoo werd hij voor de derde maal gedoopt.
755
756 Uit Onze Lieve Vrouwekerk ging men daar rechtover, in de Langestraat,
757 eene taveerne binnen, die voor uithangbord een rozenkrans had, met
758 eene pint in het midden. Zij dronken er zeventien pinten dobbele kuite
759 en nog meer. Want in Vlaanderen, als men nat is, droogt men zich met
760 een vuur van bier in den buik. Zoo werd Uilenspiegel voor de vierde
761 maal gedoopt.
762
763 Met het hoofd zwaarder dan 't lichaam, strompelden ze huiswaarts;
764 zoo kwamen ze aan een brugje over eenen poel; Katelijne, die
765 meter was, droeg het kind; zij struikelde en viel in de modder met
766 Uilenspiegel. Zoo werd hij voor de vijfde maal gedoopt.
767
768 Men trok hem uit den poel. In 't huis van Klaas werd hij met lauw
769 water gewasschen. Dit was zijn zesde doopsel.
770
771
772
773
774 VII.
775
776 Dien dag besloot Zijne Heilige Majesteit keizer Karel, groote feesten
777 te houden, om de geboorte van zijn zoon te vieren. Evenals Klaas,
778 besloot hij uit visschen te gaan, niet in de vaart, doch in de beurzen
779 en tasschen zijner onderdanen. Daaruit is het dat vorstelijke lijnen
780 gouden karolussen, gouden lammeren, rozenobels, dubloenen, zilveren
781 daelders en al die wonderbare visschen trekken, die, naar willekeur
782 van den visscher, veranderen in fluweelen kleederen en schitterende
783 edelgesteenten, in lekkeren wijn en smakelijke gerechten. Want de
784 rivieren, die 't rijkst zijn aan visch, zijn niet die, waarin het
785 meeste water is.
786
787 Nadat Zijne Heilige Majesteit zijn raad bijeengeroepen had, besloot
788 hij, dat de vangst volgenderwijze geschieden zou:
789
790 De genadige infant zou rond negen of tien uren ten doop gebracht
791 worden; ten blijke van groote vreugde, zouden de inwoners van
792 Valladolid heel den nacht, op eigen kosten, feesten en kermissen,
793 en ten bate der armen, hun geld op de Groote Markt strooien.
794
795 Op vijf punten zou eene fontein, tot aan den dageraad toe, goeden
796 wijn spuiten, die door de stad moest betaald worden. Op vijf andere
797 plaatsen zouden, op houten kramen, allerhande worsten, ossetongen en
798 pasteien uitgestald worden, mede ten laste van de stad.
799
800 Op eigen kosten zouden de lieden van Valladolid, op den doortocht van
801 den stoet, in grooten getale zegebogen oprichten, den Vrede, het Geluk,
802 den Overvloed, de Fortuin voorstellend, en allerhande zinnebeeldige
803 toespelingen op de gaven des hemels, waarmede zij onder de regeering
804 van Zijne Heilige Majesteit begunstigd waren.
805
806 Ten slotte en behalve deze bogen van pais, zouden er andere opgericht
807 worden, waarop, in helle kleuren, minder goedertieren kenteekenen
808 zouden prijken, zooals arenden, leeuwen, lansen, hellebaarden,
809 vlammende spiesen, kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond,
810 mitsgaders al ander oorlogstuig, om op zinnebeeldige wijze de macht
811 en de kracht van Zijne Heilige Majesteit voor te stellen.
812
813 En, voor het verlichten der kerk zou, als een blijk van de genade
814 Zijner Majesteit, aan het gilde der keersgieters toegestaan worden,
815 voor niet, over de twintig duizend waskeersen te leveren, waarvan de
816 onopgebrande einden naar 't kapittel zouden gaan.
817
818 Al de andere kosten zou de keizer zelf betalen, om aldus te toonen,
819 dat het Zijner Goedertierenheid behaagde, zijne volkeren niet te zeer
820 te belasten.
821
822 Als de gemeente die bevelen uitvoerde, kwamen jammerlijke tijdingen uit
823 Rome. Oranje, Alençon en Frundsberg, bevelhebbers van den keizer,
824 waren binnen de heilige stede gedrongen en hadden er kerken,
825 kapellen en huizen verwoest en geplunderd, niemand, priesters,
826 nonnen, moeders noch kinderen, sparend. Den Heiligen Vader hadden zij
827 gevangengenomen. De plundering duurde reeds een volle week; ridders en
828 landsknechten doolden door Rome, zwelgend en brassend, met de wapens
829 zwaaiend, op zoek naar de kardinalen, roepende en tierende, dat zij
830 hen allen derwijze verminken zouden, dat geen hunner ooit paus zou
831 worden. Enkelen hadden die bedreiging reeds ten uitvoer gebracht en
832 dweilden langs de straten met halssnoeren van acht-en-twintig of meer
833 bloedige bollen, groot als okkernoten. De wegen leken roode beken,
834 waarin de verminkte lijken der vermoorden lagen.
835
836 Onder het volk werd gezegd, dat de keizer, die geld noodig had, er
837 wilde visschen in het bloed van de priesters, en dat hij bekend met
838 het tractaat, den gevangen paus door zijne bevelhebbers opgelegd, hem
839 dwong afstand te doen van al de versterkte plaatsen zijner Staten,
840 400.000 dukaten te betalen en gevangen te blijven totdat aan die
841 voorwaarden voldaan was.
842
843 Nochtans was de droefheid van Zijne Majesteit zoo groot, dat hij al
844 de toebereidselen van vreugde, feesten en vermakelijkheden afzegde
845 en den heeren en edelvrouwen van zijn huis beval den rouw aan te nemen.
846
847 En de infant werd gedoopt in zijn witte doeken, ten teeken van
848 koninklijken rouw.
849
850 Dat alles aanschouwden de heeren en edelvrouwen als voorteekenen
851 van rampspoed.
852
853 Desniettemin toonde de voedster den infant aan de edelen en edelvrouwen
854 van het koninklijk huis, opdat zij hem, naar aloud gebruik, hunne
855 wenschen en giften zouden bieden.
856
857 Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het
858 vergif, zoo rond en zoo groot als eene hazelnoot, in een gouden
859 ring gevat; Mevrouw de Chaussade bond aan een zijden draadje eene
860 schelp, wolfsmuil geheeten, hangende op zijne maag, voor de goede
861 spijsvertering; messire Van der Steen, uit Vlaanderen, bood hem een
862 Gentsche worst, vijf ellebogen lang en een halven dik, en wenschte
863 daarbij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid, dat hij, alleen op den
864 reuk van de worst, dorst mocht krijgen naar Gentschen klauwaard,
865 daarbij voegende dat, al wie het bier eener stad lust, de brouwers
866 niet kan haten; messire jonker Jacob Christoffel van Castilië bad
867 Zijne Hoogheid den Infant een groenen jaspis aan zijn doorluchtige
868 voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de
869 Paepe, de nar, die daar ook was, sprak toen:
870
871 --Messire, geef hem liever den horen van Jozua, op wiens geschal al de
872 steden, met alles wat er in was aan mannen, vrouwlieden en kinderen,
873 zich in beweging zetten en liepen. Want Zijne Hoogheid moet niet
874 leeren zelf te loopen, maar wel de anderen te doen loopen.
875
876 De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, in leven heer van Veere
877 in Zeeland, schonk aan Zijne Hoogheid Philippus eenen steen die,
878 naar zij zegde, de eigenschap had de mannen verliefd en de vrouwen
879 ontroostbaar te maken.
880
881 Maar de infant schreide zonder ophouden.
882
883 Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak hem een wisschen klater
884 met belletjes in de hand, deed hem op zijne hand dansen en sprak:
885 Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes aan uw kaproen,
886 mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld.
887
888 En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.
889
890
891
892
893 VIII.
894
895 Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd
896 door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel;
897 doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.
898
899 --Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo
900 voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met
901 een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen
902 moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije;
903 dat zou den armen pelgrims versterking geven.
904
905 Katelijne schudde zwijgend het hoofd.
906
907 --Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt
908 er aan?
909
910 Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:
911
912 --De booze geest, de zwarte nacht valt neer.--Daar meldt hij zijne
913 komst, met het geschreeuw van den nachtuil.--Rillend aanroep ik--te
914 vergeefs--de Heilige Maagd.--Voor hem, muren noch hagen, deuren noch
915 vensters.--Licht als een geest, dringt hij overal binnen.--Krakende
916 ladder.--Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.--Hij
917 grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.--IJskoud is zijn
918 gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.--De stroohut schudt en
919 slingert als een schuitje op de woelige zee....
920
921 --Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer
922 Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.
923
924 --Hij is zoo schoon! sprak zij.
925
926
927
928
929 IX.
930
931 Als Uilenspiegel gespeend was, groeide hij op lijk een boom.
932
933 Dan kuste zijn vader hem zoo dikwerf niet meer, maar voedde hem streng
934 op, opdat hij geen weekeling worden zou.
935
936 Als Uilenspiegel thuis kwam en kloeg, dat hij, bij een of anderen
937 twist, klop gekregen had, kreeg hij er nog klop bij van Klaas,
938 omdat hij de anderen niet geklopt had: en, aldus opgebracht, kreeg
939 Uilenspiegel den moed van een jongen leeuw.
940
941 Als Klaas er niet was, vroeg Uilenspiegel aan Soetkin een duit om te
942 spelen. Dan was Soetkin boos en sprak:
943
944 --Waarom moet ge gaan spelen? Blijf liever thuis, om mutsaards
945 te binden.
946
947 En als zij niets gaf, begon Uilenspiegel te blaten als een lam. Maar
948 Soetkin maakte dan veel leven met potten en pannen, om te gebaren
949 dat ze hem niet hoorde. Dan weende Uilenspiegel, en de zoete moeder
950 liet hare geveinsde hardheid af, kwam tot hem, streelde hem en vroeg:
951 "Hebt gij genoeg met een denier?" Nu, gij moet weten, dat een denier
952 zes duiten gold.
953
954 Zoo beminde zij hem te veel en, als Klaas er niet was, was Uilenspiegel
955 baas in huis.
956
957
958
959
960 X.
961
962 Op een morgen zag Soetkin haren man met gebogen hoofd in de keuken
963 staan, in gedachten verdiept.
964
965 --Wat scheelt er toch, man? vroeg zij. Ge ziet bleek, gij zijt kwaad
966 en verstrooid.
967
968 Met eene stem, als een hond die bromt, antwoordde Klaas:
969
970 --De wreede plakkaten des keizers gaan ze weer uithalen. Opnieuw gaat
971 de dood over Vlaanderenland heerschen. De aanbrengers krijgen de helft
972 van de have der slachtoffers, als de have de honderd karolusgulden
973 niet te boven gaat.
974
975 --Wij zijn arm, sprak zij.
976
977 --Arm, zeide hij,... niet arm genoeg. Er zijn lage zielen, gieren
978 en raven, die ons zouden aanklagen, zoowel om een zak kolen als om
979 een zak karolussen met Zijne Majesteit te deelen. Wat bezat het arme
980 Tanneken, de weduw van Sies den kleermaker, die ze te Heist levend
981 begroeven? Een Latijnschen bijbel, drie gouden florijnen en wat potten
982 van Engelsch tin, waarop eene buurvrouw loerde. Wantje Martens werd
983 eerst in 't water geworpen; haar lijf dreef boven, en daarin zag
984 men hekserij, weshalve zij als tooveres verbrand werd. Zij had wat
985 gebroken meubelen, zeven gouden karolussen in een lederen tassche,
986 en de aanklager vroeg er de helft van. Eilaas! nog tot morgen zou ik
987 aldus kunnen spreken: maar wat baat het, vrouw: in Vlaanderen is het
988 leven onhoudbaar om den wille van de plakkaten. Welhaast zal telken
989 nacht de kar van den Dood dof door de straten rijden en wij zullen
990 zijne beenderen hooren rammelen.
991
992 Soetkin sprak:
993
994 --Jaag me geen schrik aan, Klaas. De keizer is de vader van Vlaanderen
995 en Brabant; als dusdanig is hij braaf en grootmoedig, geduldig
996 en genadig.
997
998 --Daarbij zou hij te veel verliezen, antwoordde Klaas, want de
999 verbeurdverklaarde goederen komen hem bij erfenis toe.
1000
1001 Plotseling hoorde men de trompet en de cimbels van den
1002 stadsuitroeper. Op dat geluid kwamen Klaas en Soetkin, die beurt om
1003 beurt Uilenspiegel op den arm droegen, met de volksmenigte toegeloopen.
1004
1005 Zoo kwamen zij aan het schepenhuis. Voor de pui waren de herauten te
1006 peerd, op bazuinen blazend en op cimbels slaande, de provoost met de
1007 roede der justitie in de hand en de stadsprocureur, ook te peerd,
1008 die eene ordonnantie des keizers in de hand hield en zich gereed
1009 maakte ze aan vergaderde volksmenigte voor te lezen.
1010
1011 Klaas vernam, dat het andermaal aan allen in 't algemeen en aan elk in
1012 't bijzonder verboden was, te drukken, te lezen, in bezit te hebben of
1013 voor te staan, de boeken, schriften of leerstellingen van Martinus
1014 Luther, van Joannes Wycliff, Joannes Huss, Marcilius van Padua,
1015 Æcolampadius, Ulricus Zwinglius, Philippus Melanchton, Franciscus
1016 Lambertus, Joannes Pomeranus, Otto Brunselsius, Justus Jonas, Joannes
1017 Pupperis en Gorcianus, de Nieuwe Testamenten gedrukt door Adriaan
1018 van Bergen, Christoffel van Roemonde en Joannes Zell, vol Luthersche
1019 en andere heresiën, verworpen en veroordeeld door de Faculteit der
1020 godgeleerdheid van de Universiteit van Leuven. Mitsgaders te maken of
1021 te doen maken smadelijke konterfeitsels of afbeeldsels van God, van de
1022 heilige Maagd Maria of van de santen; te breken, te scheuren of uit te
1023 wisschen de beelden of konterfeitsels, vervaardigd tot verheerlijking
1024 van en tot aandenken aan God en de Maagd Maria of de heiligen der kerk.
1025
1026 Verder zei het plakkaat, dat het aan niemand toegelaten was, tot welken
1027 staat hij ook mocht behooren, zich te vermeten de Heilige Schrifture te
1028 bespreken of over haar te twisten, zelfs niet op twijfelachtige punten,
1029 tenzij door een godgeleerde van naam, erkend door eene Universiteit,
1030 daartoe gemachtigd.
1031
1032 Onder andere straffen besliste Zijne Heilige Majesteit, dat
1033 de verdachten nooit of nimmer een eerbaar ambt zouden kunnen
1034 bekleeden. En zij, welke in hunne dolingen hervielen of bleven
1035 volharden, zouden veroordeeld worden met een zacht of hard vuur,
1036 in een strooien huis of gebonden aan een paal te worden verbrand,
1037 al naar de sententie van den rechter. De anderen zouden omgebracht
1038 worden door het zweerd als zij edelen of goede burgers waren, de
1039 gemeene manslieden aan de galg geknoopt en de vrouwlieden levend
1040 begraven. Om tot voorbeeld te strekken, zou hun hoofd op een paal
1041 worden gestoken. Ten profijte van den keizer was er verbeurte hunner
1042 goederen, overal waar verbeurdverklaring geschieden kon.
1043
1044 Zijne Heilige Majesteit schonk den aanbrengers de helft van al
1045 hetgene de aflijvigen in eigendom bezeten hadden, zoo die have de
1046 somme van honderd pond grooten, Vlaamsche munte, alles in 't alles,
1047 niet te boven ging. En wat aanging het deel van den keizer, dit
1048 zou hij aanwenden voor werken van godsvrucht en van bermhertigheid,
1049 gelijk bij de plundering van Rome was geschied.
1050
1051 En treurig keerde Klaas naar huis, met Soetkin en Uilenspiegel.
1052
1053
1054
1055
1056 XI.
1057
1058 Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven
1059 florijnen een ezel en negen halsters boonen, en op een morgen besteeg
1060 hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun
1061 oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent
1062 Meiborg, in de Duitsche landen.
1063
1064 Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest,
1065 had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen
1066 opgevat en leefde in eenzaamheid.
1067
1068 Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen
1069 vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst
1070 toegetakeld had.
1071
1072 Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale,
1073 twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en
1074 kruidenwijn.
1075
1076 Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie
1077 ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar
1078 altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En 't was wonderlijk
1079 ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder
1080 de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren
1081 schenden en rooven.
1082
1083 Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen
1084 borstel in 't vuur, die door het schroeien der haren de lucht met
1085 een geweldigen stank vervulde.
1086
1087 Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen
1088 de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen
1089 weldra elkander in 't haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in
1090 het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en
1091 de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer
1092 zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts
1093 halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de
1094 kamer verdreven.
1095
1096 En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken,
1097 van kousen, van hemden en ook oude tanden.
1098
1099 En droefgeestig zei hij tot zich zelven:
1100
1101 --Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong
1102 achtergelaten.
1103
1104
1105
1106
1107 XII.
1108
1109 In het baljuwschap Meiborg ging Klaas door een smal boschje: de
1110 ezel hapte hier en daar naar een distel; Uilenspiegel smeet zijne
1111 kaproen naar de vlinders en ving ze weer op, zonder van den ezel te
1112 komen. Klaas at eene snede brood en nam zich voor, die in de naaste
1113 taveerne te begieten. Van verre hoorde hij een klokje kleppen en een
1114 gedruisch als van vele menschen die altegader spreken.
1115
1116 --'t Is eene bedevaart, en de heeren pelgrims zijn zeker in grooten
1117 getale. Houd u goed vast, mijn zoon, dat zij u niet van het grauwtje
1118 stooten. Wij zullen zien. Komaan, ezeltje, wat gauwer, toe!
1119
1120 En de ezel draafde.
1121
1122 Zij verlieten den zoom van het bosch en daalden naar een groote vlakte,
1123 ten Westen door eene rivier bespoeld. Aan den Oosterkant stond een
1124 kleine kapel, den gevel versierd met een beeld der Lieve-Vrouwe, met
1125 twee stieren aan heure voeten. Op de trappen van de kapel stonden een
1126 heremiet--die giegelend, aan 't kleppen was--vijftig staffieren met
1127 brandende keersen in de hand, spelers, klokluiders en trommelslagers,
1128 klaroenblazers, pijpers, schalmei- en doedelzakspelers, alsmede een
1129 hoop lustige gezellen, die bakken vol oudroest in de handen hielden,
1130 doch voor het oogenblik allen stille zwegen.
1131
1132 Meer dan vijf duizend pelgrims, in gesloten gelederen, elk van zeven
1133 man, met helmen op en stokken van groen hout in de hand, gingen hen
1134 voorbij. Dan schaarden zij zich, telkens zeven, vóór de kapel. Zij
1135 lieten hunne stokken zegenen en kregen elk eene keers uit de handen
1136 der staffieren, in ruil waarvan zij den heremiet een halven florijn
1137 betaalden.
1138
1139 En hunne processie was zoo lang, dat de keersen van de eersten
1140 opgebrand waren, toen die van de laatsten nog hare volle lengte hadden.
1141
1142 Klaas, Uilenspiegel en de ezel verlustigden zich met aldus een groote
1143 verscheidenheid breede, hooge, lange, puntige, fiere, ronde of slappe
1144 buiken te zien voorbijgaan.
1145
1146 Al de pelgrims hadden helmen op. Er waren er die van Troje kwamen,
1147 andere, die phrygische mutsen leken. Sommige pelgrims hoewel met bolle
1148 wangen en dikke buiken, droegen helmen met uitgespreide vleugelen,
1149 doch hadden geenerlei zin tot vliegen. Anderen waren gekapt met
1150 zoogenaamde "salades", door de slakken onwaardig gekeurd omdat ze
1151 niet groen genoeg waren.
1152
1153 Maar het meerendeel had helmen, zoo oud en verroest, dat ze uit den
1154 tijd schenen te zijn van Gambrinus, koning van Vlaanderen en koning
1155 van het bier, dewelke regeerde negenhonderd jaar vóór Christus en eene
1156 pint op zijn hoofd droeg, uit vrees niet op tijd te kunnen drinken,
1157 bij gebrek aan een beker.
1158
1159 Eensklaps begonnen klokken, pijpen, schalmeien, trommelen en het
1160 oudroest te kleppen, te fluiten, te schallen, te slaan en te kletteren.
1161
1162 Het was het sein voor de pelgrims zich omme te keeren en bij groepen
1163 van zeven zich nu tegenover elkaar te plaatsen. Als uitdaging stak elk
1164 de brandende keers in het gelaat van zijn overman. Daardoor ontstond
1165 groot genies en daarna regende het stokslagen.
1166
1167 Ze vochten en sloegen met handen en voeten, met hoofden, met alles. Er
1168 waren er, die, gelijk de rammen, op hunne tegenstrevers vielen, met
1169 den helm vooruit, die bij den eersten schok over hunne ooren schoot,
1170 en als blinden terechtkwamen op zeven andere woedende pelgrims,
1171 die hen verwelkomden, maar niet met zachtheid.
1172
1173 Anderen, schreeuwers en bloodaards, jammerden om de ontvangen slagen,
1174 maar bij het prevelen hunner gebeden werden ze bliksemsnel door nieuwe
1175 zeventallen overvallen en zonder genade omvergeloopen of omvergetrapt.
1176
1177 En de heremiet lachte.
1178
1179 Verderop zag men zeventallen, die als klissen aan elkaar hingen en
1180 van boven naar beneden in het water rolden; maar zij bleven elkaar
1181 toetakelen en ranselen, zonder dat het water hunne woede bekoelde.
1182
1183 En de heremiet lachte.
1184
1185 Zij, die boven gebleven waren, sloegen elkander de oogen blauw en de
1186 tanden vaneen, rukten elkanders haren uit, en scheurden wambuizen en
1187 hoozen aan stukken.
1188
1189 En de heremiet lachte en sprak:
1190
1191 --Dapper aan, vrienden: wie 't hardst slaat, bemint het meest. Aan de
1192 kloekste vechters, de schoonste liefjes! Hier ziet Onze Lieve Vrouw
1193 van Rindbisbels, wie man is!
1194
1195 En de pelgrims sloegen als op kaf.
1196
1197 Middelerwijl was Klaas den heremiet genaderd, terwijl Uilenspiegel
1198 lachend en gierend op de slagen bleef toekijken.
1199
1200 --Eerwaarde vader, vroeg hij, welke misdaad hebben die arme sukkelaars
1201 bedreven, om elkander zoo wreedelijk te mishandelen?
1202
1203 Doch zonder hem te aanhooren, riep de heremiet:
1204
1205 --Luieriken! gij verliest den moed. Als de vuisten moede zijn, zijn
1206 de voeten het immers nog niet! Zijn er onder U, die beenen hebben om
1207 te vluchten als hazen? Wat doet het vuur uit de steenen springen? Het
1208 ijzer, dat er op slaat!
1209
1210 Op die woorden gingen die onnoozele pelgrims voort te vechten met
1211 helmen, met handen en met voeten. 't Was een verwoede strijd, waarvan
1212 Argus met zijn honderd oogen niets hadde gezien dan stofwolken en
1213 hier en daar de punt van een helm.
1214
1215 Doch eensklaps begon de heremiet te kleppen. Pijpen, trommelen,
1216 trompetten en schalmeien en het oudroest staakten hun gedruisch,
1217 tot teeken van vrede.
1218
1219 De pelgrims brachten nu hunne gekwetsten bijeen. Er waren er, wier
1220 tong, gezwollen van gramschap, uit den mond hing. Maar die ging van
1221 zelve in hare verblijfplaats terug. Moeilijker was het om de helmen
1222 af te trekken, die tot ver over de ooren zaten. Zij schudden den kop
1223 en bleven hem schudden: de helmen waren vast gelijk groene pruimen
1224 aan den boom.
1225
1226 Doch toen sprak de heremiet:
1227
1228 --Leest elkeen een ave en keert terug naar uw wijf. En binnen negen
1229 maanden zullen evenveel kinderen meer in het baljuwschap zijn, als
1230 heden 't gevecht dappere strijders telde.
1231
1232 En de heremiet zong het ave voor, en allen zongen het mee. En de
1233 klok klepte.
1234
1235 De heremiet zegende hen in name van Onze Lieve Vrouwe van Rindbisbels
1236 en sprak tot de pelgrims:
1237
1238 --Gaat in vrede!
1239
1240 En roepend en stompend en zingend, trokken zij naar Meiborg terug. Al
1241 de vrouwen, oude en jonge, wachtten hen op den dorpel van de huizen,
1242 waar zij binnenvlogen als soldeniers in een stormenderhand veroverde
1243 stad.
1244
1245 De klokken van Meiborg luidden al te gader: de jongens floten, riepen,
1246 speelden op den rommelpot.
1247
1248 Pinten en stoopen, bekers en glazen gingen lustig aan 't klinken en
1249 rinkelen. En de wijn vloeide in de kelen als een stroom in de zee.
1250
1251 Terwijl de klokken luidden en de wind, bij vlagen, aan Klaas 't gezang
1252 van mannen, vrouwlieden en kinderen bracht, vroeg hij opnieuw aan den
1253 heremiet, welke hemelsche gratie die sukkelaars hoopten te verkrijgen,
1254 na die hardhandige oefeningen.
1255
1256 Lachend antwoordde hem de heremiet:
1257
1258 --Op die kapel daar, ziet ge twee gekapte beelden, die twee stieren
1259 voorstellen. Zij staan daar ter herinnering aan het mirakel van den
1260 heiligen Martinus, die twee ossen in stieren veranderen deed, door
1261 hen met de horens te doen vechten. Daarna streek hij meer dan een
1262 uur keersvet over hunnen snuit, en sloeg er met den stok op.
1263
1264 Welnu, ik kende het mirakel. Ik vroeg Zijne Heiligheid om eene
1265 vergunning, die ik duur betaalde en kwam mij vestigen in dit oord.
1266
1267 Toen preekte ik over het wonder en weldra kregen al de mannen, zoo
1268 ouden als jongen, de zekerheid dat Onze Lieve Vrouwe hun genadig was
1269 als ze goed gevochten hadden met de keers die de zalf, en den stok die
1270 de kracht is. Hierheen is het, dat de vrouwen heuren man sturen. De
1271 kinderen, die uit kracht van de bedevaart verwekt zijn, worden vlug
1272 en wreedaardig, geweldig en roekeloos en, later, vrome soldaten.
1273
1274 Eenklaps vroeg de heremiet aan Klaas:
1275
1276 --Herkent gij mij?
1277
1278 --Ja, sprak Klaas, gij zijt mijn broeder Judocus.
1279
1280 --Gij zijt er, antwoordde de heremiet, maar wie is die bengel daar,
1281 die leelijke gezichten naar mij trekt?
1282
1283 --'t Is uw neef, was 't antwoord van Klaas.
1284
1285 --Welk verschil maakt gij tusschen keizer Karel en mij?
1286
1287 --'t Is groot, sprak Klaas.
1288
1289 --'t Is klein, wedervoer Judocus: de keizer doodt de menschen en bij
1290 mij krijgen ze klop, tot ons beider profijt en vermaak.
1291
1292 Dan bracht hij Klaas en Uilenspiegel naar zijne kluis, waar zij elf
1293 dagen achtereen kermis vierden.
1294
1295
1296
1297
1298 XIII.
1299
1300 Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij op zijn ezel, met
1301 Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande
1302 pelgrims en als zij hen zagen, ontstaken ze in woede en hieven de
1303 stokken dreigend omhoog. En allen riepen "Schelm! Nietdeug!" om
1304 den wille van Uilenspiegel, die zijne hooze losgemaakt en zijn hemd
1305 opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.
1306
1307 Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:
1308
1309 --Wat hebt gij gedaan, dat zij zoo kwaad op u zijn?
1310
1311 --Vadertjelief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel en zeg
1312 tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.
1313
1314 Toen deed Klaas hem langs voren zitten.
1315
1316 In die postuur stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, en
1317 roepend en tierend balden ze hunne vuisten en dreigden met hunne
1318 stokken Klaas en den ezel.
1319
1320 Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Toen de
1321 pelgrims hen met rust lieten, sprak Klaas tot zijn zoon:
1322
1323 --Gij zijt onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit vóór
1324 mij, doet niemand kwaad en toch willen ze u dooden!
1325
1326 Uilenspiegel hield zijn buik vast van 't lachen.
1327
1328 Terwijl Klaas door 't Land van Luik reed, hoorde hij zeggen, dat
1329 die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder
1330 de jurisdictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke
1331 rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters
1332 te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, anderen uit het
1333 land gebannen; dàt was de goedertierenheid van den zachtzinnigen
1334 aartsbisschop, den hoogweerdigen Van de Marck.
1335
1336 Klaas zag onderwege de gebannenen, die de zoete vallei van Luik
1337 ontvloden, en, aan de boomen, omtrent de stad, zag hij de lijken van
1338 hen die gehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden, honger
1339 te hebben. En Klaas schreide over hunnen rampspoed.
1340
1341
1342
1343
1344 XIV.
1345
1346 Toen Klaas op zijn ezel weer thuis kwam met een zak vol oortjes,
1347 dien hij van zijn broeder gekregen had en ook met een schoonen beker
1348 van Engelsch tin, was 't Zondag en weekdag kermis in de arme stulp;
1349 alle dagen at men boonen met vleesch.
1350
1351 Menigmaal vulde Klaas den schoonen beker met schuimende dobbele kuite.
1352
1353 Uilenspiegel at voor drie; hij ging en kwam naar de borden en teilen
1354 als eene musch op een graanzolder.
1355
1356 Eet gij het zoutvat niet mee? vroeg Klaas.
1357
1358 Uilenspiegel antwoordde:
1359
1360 --Wanneer, gelijk hier, het zoutvat gemaakt is van een uitgeholde
1361 korst brood, moet men het soms opeten, anders komen er wormen in.
1362
1363 --Waarom, zegde Soetkin, veegt gij uwe vettige handen af aan uwe hooze?
1364
1365 --Aan mijne hooze? wel, om nooit met natte billen te loopen.
1366
1367 Daarop dronk Klaas een groote teug bier uit zijn tinnen beker.
1368
1369 Uilenspiegel vroeg hem:
1370
1371 --Waarom hebt gij zoo'n grooten beker en ik maar een klein kroezeken?
1372
1373 Klaas antwoordde:
1374
1375 --Omdat ik uw vader en de baas van het huis ben.
1376
1377 Doch Uilenspiegel hernam:
1378
1379 --Gij drinkt al veertig en ik nog maar negen jaar; gij hebt al genoeg
1380 gedronken en mijne beurt is gekomen. Geef mij den beker en neem gij
1381 het kroezeken.
1382
1383 --Zoon, sprak Klaas, men giet geen vat bier in een vaatje over
1384 zonder morsen.
1385
1386 --Nu ga dan te werk met verstand en giet uwe kan in mijn tonne,
1387 want mijn buik is grooter dan uw beker, antwoordde Uilenspiegel.
1388
1389 En lachend liet Klaas hem zijn beker ledigen. En zoo leerde
1390 Uilenspiegel listig worden om bier te krijgen.
1391
1392
1393
1394
1395 XV.
1396
1397 Onder haren gordel droeg Soetkin het kenmerk van een nieuwe
1398 bevruchting; ook Katelijne was zwanger, maar zij dorst heur huis
1399 niet verlaten.
1400
1401 Soetkin ging haar bezoeken.
1402
1403 --Ach! sprak zij jammerend, wat ga ik aanvangen met de ongelukkige
1404 vrucht van mijn lichaam? Moet ik het wichtje versmachten? Ik zou
1405 het besterven! Maar zoo ik een kind heb zonder getrouwd te zijn,
1406 zullen de serjanten mij pakken. Ik zal, als een ontuchtige deerne,
1407 twintig gulden moeten betalen, en op de groote markt gegeeseld worden.
1408
1409 Om haar te troosten, sprak Soetkin heur eenige zoete woorden
1410 toe. Bezorgd en nadenkend keerde zij huiswaarts. Op een morgen sprak
1411 zij tot Klaas:
1412
1413 --Zoudt ge mij slaan, Klaas, als ik u twee kindjes schonk in stee
1414 van maar één?
1415
1416 --Dat weet ik niet, antwoordde Klaas.
1417
1418 --Maar, sprak Soetkin, als het tweede kindje niet uit mijn lichaam
1419 kwam en, gelijk dat van Katelijne, verwekt was door een onbekende,
1420 door den duivel misschien?
1421
1422 --De duivel, antwoordde Klaas, verwekt wel vuur en dood en rook,
1423 maar geen kinderen. Het kind van Katelijne zal ik als het onze aanzien.
1424
1425 --Zoudt gij dat? vroeg zij.
1426
1427 --Gelijk ik u zeg, hernam Klaas.
1428
1429 Soetkin ging die goede mare aan Katelijne kondschappen en uiterst
1430 gelukkig en opgetogen riep deze uit:
1431
1432 --De goede man heeft gesproken voor 't heil van mijn lichaam. God zal
1433 hem zegenen, en ook de duivel, sprak zij huiverd, als 't een duivel
1434 is, die U verwekte, arm schaapje, dat in mijn boezem leeft.
1435
1436 Soetkin bracht een zoon en Katelijne eene dochter ter wereld. Beiden
1437 werden ten doop gebracht als zoon en dochter van Klaas. De knaap werd
1438 Hans genoemd, maar bleef niet in leven; het meisje werd Nele geheeten
1439 en groeide flink op.
1440
1441 Aan vier bekers dronk zij levenssap: aan de borsten van Soetkin en
1442 aan die van Katelijne. En een zoete strijd ontstond tusschen de twee
1443 vrouwen, om de kleine de borst te mogen geven. Maar tot haar groot
1444 leed, moest Katelijne heure melk laten verdrogen, want men hadde heur
1445 gevraagd van waar die kwam, zonder dat zij moeder was.
1446
1447 Als Nele gespeend was, nam Katelijne heure dochter bij zich en liet
1448 haar niet eerder naar Soetkin gaan, dan nadat zij heur "moeder"
1449 genoemd had.
1450
1451 En de buren zeiden, dat het schoon was van Katelijne, die have en
1452 goed bezat, het kind op te voeden, want Soetkin en Klaas leefden
1453 veelal in kommer en armoe.
1454
1455
1456
1457
1458 XVI.
1459
1460 Op zekeren morgen was Uilenspiegel alleen thuis. Hij verdroot zich
1461 geweldig, en nam een schoen van zijn vader, om er een schuitje van
1462 te maken. De groote mast stond reeds vast in de zool en Uilenspiegel
1463 ging een gat snijden in 't overleer, om den boegspriet te plaatsen,
1464 toen hij over 't halfdeurken het hoofd van een ruiter en den kop van
1465 een peerd zag.
1466
1467 --Is hier niemand? vroeg de ruiter.
1468
1469 --Ja, antwoordde Uilenspiegel, een mensch, een halve mensch en een
1470 paardekop.
1471
1472 --Hoezoo? vroeg de ruiter.
1473
1474 Uilenspiegel sprak:
1475
1476 --Wel, ik zie hier een heelen mensch en die ben ik; verder zie ik
1477 een halven mensch, te weten, uw hoofd en borst, en daarbij nog den
1478 kop van uw peerd.
1479
1480 --Waar zijn uw vader en moeder? vroeg de man.
1481
1482 --Vader gaat van kwaad tot erger en moeder is bezig met ons in scha
1483 of schande te brengen.
1484
1485 --Dat begrijp ik niet, sprak de ruiter.
1486
1487 Uilenspiegel hernam:
1488
1489 --Vader graaft de voren van zijn land dieper, om de jagers, die zijn
1490 koren plat trappen, van kwaad in erger te doen vallen. Moeder is geld
1491 gaan leenen: geeft zij te veel weer, dan is het ons scha en geeft ze
1492 te weinig, dan is het ons schande.
1493
1494 Toen vroeg de man hem den weg.
1495
1496 --Daar, waar de eenden gaan, antwoordde Uilenspiegel.
1497
1498 De ruiter ging heen, doch als Uilenspiegel bezig was met van Klaas'
1499 tweeden schoen eene galei te maken, kwam hij terug.
1500
1501 --Gij hebt mij bedrogen, sprak hij; daar waar de eenden zijn, is het
1502 modder en veengrond, waarin zij ploeteren.
1503
1504 Uilenspiegel antwoordde:
1505
1506 --Ik zei u niet van te rijden waar zij ploeteren, doch daar waar
1507 zij gaan.
1508
1509 --Wijs mij ten minste den weg, die naar Heist gaat, sprak toen de man.
1510
1511 --In Vlaanderen, zei Uilenspiegel, zijn 't de menschen die gaan,
1512 en de wegen blijven liggen.
1513
1514
1515
1516
1517 XVII.
1518
1519 Op zekeren dag sprak Soetkin tot Klaas:
1520
1521 --Man, ik heb den dood op het lijf. 't Is nu al drie dagen, dat Thijl
1522 uit den huize is. Waar mag hij wel zijn?
1523
1524 Treurig antwoordde Klaas:
1525
1526 --Hij is waar de straathonden zijn, op den grooten weg, met nietdeugen
1527 van zijne soort. God was vol wreedheid, toen hij ons zulk een zoon
1528 gaf. Toen Thijl ter wereld kwam, zag ik in hem de vreugd van onzen
1529 ouden dag, een werktuig te meer in ons huis; ik meende hem een
1530 handwerk te leeren, maar 't boosaardige noodlot maakt hem tot een
1531 schelm, een dagdief.
1532
1533 --Wees niet te gestreng, man, sprak Soetkin. Onze zoon is maar negen
1534 jaar, hij is nog in den roes van de eerste jeugd. Moet hij, als de
1535 boomen, niet eerst zijne hulsels afwerpen, alvorens zich te kunnen
1536 tooien met zijne bladeren, die, voor den boom des volks, de eer en de
1537 deugd zijn? 't Is een kleine guit, ik weet het, maar zijne slimheid zal
1538 hem later te goede keeren, als hij ze tot een of ander goed ambacht
1539 aanwendt, in stee van ze tot kwade parten te gebruiken. Hij steekt
1540 geerne den draak met een ieder; maar later zal hij zijn plaats vinden
1541 in een lustige broederschap. Hij lacht gedurig; maar de gezichten,
1542 die zuur zien vóór hunne rijpheid, zijn een slecht voorteeken voor
1543 later. Zoo hij loopt, is 't dat hij zulks noodig heeft om te groeien;
1544 zoo hij niet werkt, is het dat hij nog niet begrijpt, dat werken een
1545 plicht is en als hij somwijlen dag en nacht, een halve week uitblijft,
1546 is het dat hij niet beseft hoeveel verdriet hij ons aandoet, want
1547 hij heeft een goed hart en ziet ons geerne.
1548
1549 Klaas schudde het hoofd en antwoordde niet, en toen hij sliep,
1550 lag Soetkin te weenen. En 's morgens, als zij dacht dat haar zoon
1551 wellicht ergens aan den weg ziek lag, ging zij op den dorpel der
1552 deure zien of hij niet afkwam; maar zij zag hem niet en zij zette
1553 zich aan 't venster, om van daar naar de straat te kijken. En meer
1554 dan eens bonsde heur het hert in de borst, als zij den lichten stap
1555 van een kind hoorde; maar als de kleine voorbijging en zij zag dat
1556 het Uilenspiegel niet was, weende zij weer, de arme moeder.
1557
1558 Doch Uilenspiegel was, met zijn deugnieten van kameraden, te Brugge
1559 op de Zaterdagsmarkt.
1560
1561 Daar zag men leerzenmakers en schoenlappers in hunne kramen,
1562 kleermakers met hoozen, wambuizen, bovenkerels; Antwerpsche
1563 meezenvangers, die 's nachts met een uil ter vogelvangst gaan; daar
1564 waren kooplui in wild, hondenvangers, verkoopers van kattevellen voor
1565 handschoenen, borstlappen en kragen, en koopers uit alle standen,
1566 poorters en poorteressen, knechten en dienstmaagden, broodmeesters,
1567 botteliers, eierboeren en -boerinnen en men hoorde ze, ieder op zijn
1568 wijs, vragen en bieden, de waren prijzen en afkeuren.
1569
1570 In een hoek van de markt was een schoone lijnwaden tente opgericht op
1571 vier palen. Aan den ingang van die tente stond een boer uit het Land
1572 van Aalst--met twee monniken naast zich om het geld te ontvangen--die
1573 voor een oortje aan de nieuwsgierigen een stukje van het schouderblad
1574 van de heilige Maria van Egypte liet zien. Met schorre, heesche stemme,
1575 roemde hij de verdiensten der gelukzalige; in zijnen lofzang vergat
1576 hij zelfs niet te zeggen hoe ze eens, bij gebreke aan geld, een jongen
1577 veerman, die haar overgezet had, betaalde met schoone munt der nature,
1578 om Gods gebod, omtrent het loon der werklieden, niet te overtreden.
1579
1580 En de twee monniken knikten om te bevestigen, dat de boer waarheid
1581 sprak. Naast hen stond een groot, dik wijf, met een rood gezicht,
1582 als Astarte zoo wulpsch, een oorverdoovend lawaai te maken op een
1583 gebarsten doedelzak, terwijl een lieftallig meisje naast haar zong
1584 als een nachtegaaltje, doch op haar lette niemand. Aan den ingang
1585 van de tent wiegelde eene kuip, met de beide ooren aan twee staken
1586 vastgemaakt. Als het wijf in hoogdravende woorden vertelde, dat het
1587 eene kuip wijwater was, die van Rome kwam en de monniken weer knikten
1588 om hare woorden te staven, verviel Uilenspiegel in diepe overpeinzing.
1589
1590 Aan een van de palen der tente stond een ezel gebonden, die meer hooi
1591 dan haver kreeg: met hangenden kop zag hij naar de aarde, maar zonder
1592 hoop er distels te zien opschieten.
1593
1594 --Jongens, riep Uilenspiegel, naar het wijf, de twee paters en 't
1595 weemoedige grauwtje wijzend, vermits de meesters zoo goed zingen,
1596 moet de ezel dansen. En hij liep naar een winkel, en kwam met zes
1597 duiten peper. Toen hief hij den steert van den ezel op en wreef er
1598 de peper onder.
1599
1600 Als het beest de peper gevoelde, keek het omme, om te zien van waar
1601 die ongewone warmte kwam. Het meende, dat het den vuurduivel achter
1602 de hielen had en wilde loopen om hem te ontvlieden; dan begon het
1603 dier te balken en te stampen en uit al zijne kracht aan den paal te
1604 trekken. Bij den eersten schok ging de kuip los, die tusschen de
1605 twee haken hing, en al het wijwater kletste op de tent en op hen,
1606 die er in waren. Weldra stortte de tent in en de aanwezigen, die naar
1607 de geschiedenis van Maria van Egypte luisterden, lagen als onder een
1608 natten mantel begraven. En Uilenspiegel en zijne vrienden hoorden van
1609 onder het doek groote beroering en geweeklaag, want de geloovigen,
1610 die binnen waren, beschuldigden malkander de kuip omvergetrokken
1611 te hebben, en wit van woede brachten ze elkander vele vuistslagen
1612 toe. Men zag het doek van de tente op en neer gaan, en telkens als
1613 Uilenspiegel op het doek een ronden vorm zag uitkomen, stak hij er in
1614 met eene speld. Dan hoorde hij grootere kreten en grootere uitdeeling
1615 van vuistslagen onder de tente.
1616
1617 En hij had dolle pret en het meest toen hij den ezel zag wegloopen met
1618 doek, met kuip en met palen achter zich aan, terwijl de baas van de
1619 tent, zijn wijf en zijn kind zich vastklampten aan den sleep van den
1620 ezel. Eindelijk kon het dier niet meer voort, het begon erbarmelijk
1621 te balken en te stampen, en hield maar op om onder zijn steert te
1622 zien of het vuur, dat er brandde, niet haast gebluscht was.
1623
1624 Maar de kwezelaars vochten voort en zonder aan hen te denken,
1625 scharrelden de monniken het geld bijeen, dat uit de schaal gevallen
1626 was.
1627
1628 Uilenspiegel hielp devotelijk mee, doch niet zonder profijt.
1629
1630
1631
1632
1633 XVIII.
1634
1635 Terwijl de zoon van den kooldrager als een schalk opwies, bracht de
1636 ziekelijke zoon van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid
1637 door. Edelvrouwen en heeren zagen hem, door kamers en gangen van 't
1638 paleis van Vallodolid, zijn armzalig lichaam op waggelende beentjes
1639 voortsleepen, alsof hij moeite had de zwaarte te dragen van zijn
1640 groot hoofd, met stekelig blond haar bedekt.
1641
1642 Steeds zocht hij de donkere gangen op en bleef er uren lang zitten, met
1643 de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid
1644 op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van
1645 pijn, deed het hem goed, maar hij lachte niet.
1646
1647 's Anderen daags haalde hij elders in de gangen van het paleis
1648 dezelfde streken uit. Edelvrouwen, heeren en schildknapen, die hem
1649 voorbijgingen, deed hij struikelen, en als zij vielen en zich bezeerden
1650 deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.
1651
1652 En zoo iemand hem aanraakte en niet viel, huilde hij alsof hij geslagen
1653 was: en de ontsteltenis ziende, was hij blij, maar hij lachte niet.
1654
1655 Zijne Majesteit hierover verwittigd, beval, dat men geen acht op den
1656 infant moest geven, zeggende, zoo hij niet wilde dat men hem trapte,
1657 hij zijne voeten niet moest zetten waar eens anders beenen gingen.
1658
1659 Zulks mishaagde Philippus, doch hij zei niets; men zag hem niet meer,
1660 tenzij in den tuin, wanneer hij, bij helderen zomer dag, zijn schraal
1661 lichaampje in de zonne ging warmen.
1662
1663 En als keizer Karel, van den oorlog teruggekeerd, zijn zoon vol
1664 somberheid zag zitten, sprak hij:
1665
1666 --Mijn zoon, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen leeftijd klom ik
1667 op de boomen achter de eekhoorntjes; met een koord liet ik mij langs
1668 steile rotsen glijden om arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven
1669 bij inschieten, maar mijn lichaam werd er des te sterker om. Op de
1670 jacht vluchtten de wilde dieren, als ze mij zagen met mijn vuurroer.
1671
1672 --Ach! zuchtte de infant, 'k heb buikpijn, heer vader.
1673
1674 --Paxarete-wijn is een uitstekend geneesmiddel tegen de buikpijn,
1675 sprak Karel.
1676
1677 --Dien wijn lust ik niet; 'k heb hoofdpijn, heer vader.
1678
1679 --Mijn zoon, zei Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals
1680 de andere kinderen van uwen leeftijd doen.
1681
1682 --Mijne beenen zijn stijf, heer vader.
1683
1684 --Kan het anders? sprak Karel, gij maakt er houten beenen van. Wacht,
1685 ik ga u vastbinden op een vurig peerd.
1686
1687 De infant weende.
1688
1689 --Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.
1690
1691 --Maar, vroeg Karel, hebt gij dan overal pijn?
1692
1693 --Het zou niets zijn, zoo men mij gerust liet, zegde de infant.
1694
1695 --Denkt gij soms, hernam de keizer ongeduldig, uw koninklijk leven als
1696 de poëten in mijmering door te brengen? Laat hen hunne perkamenten
1697 met inkt bemorsen, in stilte, eenzaamheid en bespiegeling; aan u
1698 zoon van het zweerd, behoort het warme bloed, het oog van den arend,
1699 de list van den vos, de kracht van een Hercules. Waarom maakt gij het
1700 teeken des kruises? Een leeuwenwelp mag geen paternosterknauwer zijn!
1701
1702 --Het Angelus, heer vader, antwoordde de infant.
1703
1704
1705
1706
1707 XIX.
1708
1709 Bloei- en Zomermaand waren dat jaar oprecht de maanden der
1710 bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen,
1711 in de hovingen zooveel rozen, jasmijn en kamperfoelie. Als de
1712 Westenwind de geuren van dat bloemenland naar 't Oosten dreef, stak
1713 iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus omhoog, zeggende:
1714
1715 --Riekt gij dien goeden wind, die uit Vlaanderen waait?
1716
1717 Onverpoosd waren de vlijtige bijen bezig met honig uit de bloemen te
1718 zuigen, was te maken, het broedsel te verzorgen in de korven, te weinig
1719 in aantal om al de zwermen te bergen. Heerlijke muziek van den arbeid
1720 onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!
1721
1722 Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers,
1723 kuipers, stroovlechters arbeidden van den vroegen morgen. En de
1724 kastenmakers konden bijlange het bestelde werk niet afdoen.
1725
1726 De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend
1727 zevenhonderd hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke
1728 zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer
1729 Karel, als dankzegging omdat hij, door zijne ordonnantiën de Heilige
1730 Inquisitie weder ingevoerd had. Philippus at de honigraten op, maar
1731 hij had er geen genot van.
1732
1733 Schooiers, bedelaars, rabauwen en heel die bende luiaards, die vadsig
1734 langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan
1735 eenigerhande bezigheid over te leveren, kwamen van heinde en verre
1736 aanloopen, verlekkerd door den honiggeur. En 's nachts zwierven zij
1737 in groote menigte door velden en hoven.
1738
1739 Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige
1740 waren gevuld, andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om
1741 op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij tot Uilenspiegel
1742 zijne plaats in te nemen. Deze deed het gewillig.
1743
1744 Nu, op een nacht dat het koel was, kroop Uilenspiegel in een ledigen
1745 korf, en gansch ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van
1746 boven in waren.
1747
1748 Op 't punt van insluimeren, hoorde hij de haag kraken en de stemmen
1749 van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een
1750 der gaten van den bijenkorf en zag, dat de beide mannen lang haar
1751 en een langen baard hadden, hoewel een lange baard te dien tijde een
1752 teeken van adel was.
1753
1754 Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijnen en
1755 hem optillende, spraken zij:
1756
1757 --Deze is de zwaarste; vervolgens staken zij er hunne stokken onder
1758 en droegen hem mee.
1759
1760 Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf
1761 vervoerd te worden. De nacht was donker en de dieven spraken geen
1762 woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en
1763 zich vervolgens weder op weg te begeven. Die vóór ging gromde van
1764 kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achteren, kermde
1765 weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten luiaards: zij, die
1766 kwaad zijn op den arbeid, en zij, die jammeren als er te werken valt.
1767
1768 Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief, die vóór ging,
1769 bij zijn haar, en den anderen bij zijnen baard, zoodat de grommer
1770 den janker toeschreeuwde:
1771
1772 --Als gij niet ophoudt, aan mijn haar te trekken, geef ik u eene smete
1773 op den kop, dat hij in uwe borstkas valt en gij door uwe ribben kunt
1774 zien, als een dief door de traliën van het Steen.
1775
1776 --Ik deed het niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan
1777 mijnen baard trekt.
1778
1779 De grommer antwoordde:
1780
1781 --Ik zoek geen ongedierte in een schurftigen baard!
1782
1783 --Maat, sprak de janker, doe de korf niet zoo schommelen, mijne armen
1784 houden het niet langer uit.
1785
1786 --Hewel, ik zal ze u van het lijf rukken. En hij trok zijnen riem over
1787 zijn hoofd, zette den korf op den grond en sprong op zijn makker. En
1788 zij vochten, de eene vloekend, de andere om genade smeekende.
1789
1790 Toen Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf,
1791 sleepte dien in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde
1792 toen huiswaarts.
1793
1794 En zoo is het, dat de slimmen voordeel halen uit twist en krakeel.
1795
1796
1797
1798
1799 XX.
1800
1801 Als Uilenspiegel vijftien jaar oud was, bouwde hij te Damme, met
1802 vier palen, eene kleine tent op, en riep dat een iegelijk er zijn
1803 tegenwoordig en toekomstig gelaat kon afgebeeld zien, in een schoone
1804 lijst van hooi.
1805
1806 Wanneer een opgeblazen rechtsgeleerde binnen kwam, zot van eigenwaan,
1807 stak Uilenspiegel zijn hoofd door de lijst en bootste het gezicht
1808 van een ouden aap na; dan sprak hij:
1809
1810 --Een ouden snuit kan rotten, maar geenszins bloeien; ben ik uw
1811 spiegel niet, heer dokter in de rechten?
1812
1813 Als Uilenspiegel tot klant een oudgediende kreeg, liet hij, in stee
1814 van zijn gezicht, in 't midden van de lijst een schotel vleesch en
1815 brood zien, en sprak hij:
1816
1817 --De oorlog zal u tot gehakt maken; wat geeft gij mij om de
1818 voorzegging, o snorrebaard, verzot op sakkers met wijden mond?
1819
1820 En als een oud heertje aan Uilenspiegel zijn poezelig wijfje liet
1821 zien, verborg de snaak zijn gelaat nogmaals en toonde in de lijste een
1822 boompje, aan welks takken messen, koffertjes, kammen en schrijfgerei
1823 hingen, alles van hoorn vervaardigd, en zeide:
1824
1825 --Vanwaar komen die schoone snuisterijen, messire? is het niet van den
1826 horenboom, die groeit in den boomgaard der oude manslieden? Wie zal
1827 nog zeggen, dat horendragers van geenerlei nut zijn in de samenleving?
1828
1829 En Uilenspiegel toonde in de lijste, nevens den boom, zijn jeugdig
1830 gezicht.
1831
1832 Als de ouderling hem hoorde, ontstak hij in hevige woede, doch zijn
1833 vrouwtje paaide hem, en glimlachend vroeg zij aan Uilenspiegel:
1834
1835 --En mijn spiegel, wilt ge hem mij toonen?
1836
1837 --Kom nader, was 't antwoord.
1838
1839 Zij deed het. Toen kuste hij haar waar hij maar kon.
1840
1841 --Uw spiegel, sprak hij, is bloeiende jeugd in trotschheid gehuld.
1842
1843 En de schoone ging heen, en vergat niet hem een paar gulden te geven.
1844
1845 Aan een dikken monnik, die hem vroeg om zijn tegenwoordig en toekomstig
1846 gezicht te zien, antwoordde Uilenspiegel:
1847
1848 --Gij zijt eene hespenkast, en een bierkelder zult gij ook zijn,
1849 want zout noodt tot drinken, niet waar, dikzak? Geef mij een oortje,
1850 omdat ik de waarheid zei.
1851
1852 --Mijn zoon, sprak de monnik, nooit dragen wij geld op ons.
1853
1854 --Dan is het, antwoordde Uilenspiegel, dat het geld u op zich draagt,
1855 want mij is 't bekend, dat gij het steekt tusschen twee zolen, onder
1856 den voet! Geef mij uw riemschoen.
1857
1858 Maar de monnik hernam:
1859
1860 --Mijn zoon, 't is het goed van het klooster. Maar als 't moet,
1861 zal ik u toch twee oortjes geven voor uwe moeite.
1862
1863 De monnik gaf ze en Uilenspiegel nam ze minzaam aan.
1864
1865 Daarna toonde hij ook aan de lieden van Damme, van Brugge, van
1866 Blankenberge, tot zelfs van Oostende, hunnen spiegel.
1867
1868 En in stee van te zeggen in Vlaamsche sprake: "Ik ben Ulieden spiegel",
1869 zei hij kortweg: "Ik ben Ulen spiegel", gelijk thans nog gezegd wordt
1870 in Oost- en West-Vlaanderen.
1871
1872 En zóó kwam hij aan zijn bijnaam Uilenspiegel.
1873
1874
1875
1876
1877 XXI.
1878
1879 Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en
1880 jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler,
1881 dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen
1882 welluidende tonen kan halen.
1883
1884 Zeer behendig werd hij in 't bespelen van den rommelpot, een speeltuig
1885 gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt:
1886 over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje
1887 wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het
1888 ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot
1889 barstens toe om den pot gespannen. 's Anderen morgens, als de blaas
1890 droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo
1891 men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.
1892
1893 En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden
1894 nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in
1895 gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende
1896 papieren ster droeg.
1897
1898 Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander
1899 gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te
1900 zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven,
1901 en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene
1902 pint kuite aanveerden.
1903
1904 Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters
1905 na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek
1906 hij scharlakenrood. Hij probeerde ook 't portret te maken van Klaas,
1907 Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas
1908 hem aan 't werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou
1909 zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften
1910 te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.
1911
1912 Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser,
1913 terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel
1914 kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder
1915 dat iemand het merkte.
1916
1917 Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de
1918 Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van,
1919 met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen
1920 zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.
1921
1922 En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken,
1923 want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook
1924 edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren
1925 pinten in een veld van bruinbier.
1926
1927 Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat
1928 spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.
1929
1930
1931
1932
1933 XXII.
1934
1935 De keizer, van den oorlog teruggekeerd, vroeg waarom zijn zoon
1936 Philippus hem niet was komen begroeten.
1937
1938 De aartsbisschop-leermeester van den infant antwoordde, dat hij niet
1939 gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hield.
1940
1941 De keizer vroeg, wáár hij zich ophield.
1942
1943 De leermeester antwoordde, dat men hem overal zoeken moest, waar het
1944 duister was. Zoo deden zij.
1945
1946 Als zij door menige zalen gegaan waren, kwamen zij eindelijk in een
1947 somber verblijf, door een smal venster verlicht. En op den grond
1948 stond een staak, waaraan een jong en lief aapje vastgemaakt lag,
1949 een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede te
1950 spelen. Smeulende takkebossen lagen rondom en in het vertrek hing
1951 een walm van verkoold haar.
1952
1953 Het diertje, levend verbrand, had zoo verschrikkelijk geleden, dat
1954 zijn lichaampje niet geleek op dat van een wezen dat geleefd had,
1955 maar op een stuk gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mondje,
1956 dat open was, als om genade te vragen, stond een bloedig schuim,
1957 en zijn arm gezichtje was nat van zijne tranen.
1958
1959 --Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.
1960
1961 De leermeester dorst niet antwoorden en beiden bleven sprakeloos,
1962 droef en grammoedig staan.
1963
1964 Maar onverwacht werd de stilte door een lichten kuch gestoord, die uit
1965 den donkersten hoek kwam. Zijne Majesteit keerde zich om en zag den
1966 infant Philippus, in 't zwart gekleed bezig een citroen uit te zuigen.
1967
1968 --Don Philippus, sprak hij, kom hier om mij te groeten.
1969
1970 Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige
1971 oogen, waar geenerlei liefde in blonk.
1972
1973 --Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?
1974
1975 De infant boog het hoofd.
1976
1977 --Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank
1978 genoeg om het te bekennen.
1979
1980 De infant zweeg.
1981
1982 Zijne Majesteit ontnam hem den citroen, wierp dien op den grond
1983 en wilde zijn zoon slaan, maar de aartsbisschop hield hem terug,
1984 en fluisterde hem toe:
1985
1986 --Zijne Hoogheid zal later een groote ketterbrander zijn!
1987
1988 De keizer glimlachte en beiden gingen, den infant met zijn aapje
1989 alleen latend.
1990
1991 Maar ook anderen, die geen aapjes waren, kwamen in vlammen om.
1992
1993
1994
1995
1996 XXIII.
1997
1998 De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.
1999
2000 't Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden
2001 heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren,
2002 die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.
2003
2004 Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam,
2005 hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij
2006 bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.
2007
2008 --Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?
2009
2010 Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij
2011 dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen,
2012 om hem te drogen en te koesteren.
2013
2014 Thuis gekomen, sprak hij:
2015
2016 --Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?
2017
2018 --Hem verbinden, antwoordde Klaas.
2019
2020 Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen
2021 toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de
2022 rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op en bond er een doek
2023 om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in
2024 't hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een
2025 duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.
2026
2027 Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó
2028 goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner
2029 verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.
2030
2031 En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie
2032 van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht
2033 op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite
2034 en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in
2035 rattenholen en mollenritten aan 't snuffelen was.
2036
2037
2038
2039
2040 XXIV.
2041
2042 Aan het einde van de Onze-Lieve-Vrouwestraat stonden twee wilgeboomen
2043 aan den boord van een diepe gracht.
2044
2045 Tusschen de twee wilgen spande Uilenspiegel eene koorde, waarop hij
2046 op een Zondag na de vespers danste, zoo vlug, dat heel de menigte
2047 van straatloopers in de handen kletste. Toen kwam hij beneden en ging
2048 rond met zijn schaaltje, dat met geld gevuld werd, maar hij ledigde
2049 het in de schorte van Soetkin, en hield elf duiten voor zich.
2050
2051 Den volgenden Zondag wilde hij weer op de koorde dansen, maar eenige
2052 bengels, uit nijd over zijne behendigheid, hadden eene snee in de
2053 koorde gegeven, zoodat zij na eenige sprongen brak en Uilenspiegel in
2054 't water tuimelde.
2055
2056 Terwijl hij naar den oever zwom, riepen de kleine koordesnijders
2057 hem toe:
2058
2059 --Hoe gaat het, Uilenspiegel-vlug? Gaat gij nu in den vijver den
2060 karpers leeren dansen?
2061
2062 Uilenspiegel kwam uit het water en schudde zich af. En daar zij uit
2063 angst voor een pak slaag wegliepen, riep hij hun toe:
2064
2065 --Vreest niets; komt Zondag terug, 'k zal U andere kunsten toonen en
2066 gij zult uw deel in de winst hebben!
2067
2068 's Zondags nadien sneden de bengels de koorde niet door, doch hielden
2069 er de wacht bij, opdat niemand ze aanraakte, want er waren toeschouwers
2070 in groote menigte.
2071
2072 Uilenspiegel zei hun:
2073
2074 --Dat ieder mij een zijner schoenen geve, en 'k wed dat ik er mee dans,
2075 zoowel met den grootsten als met den kleinsten.
2076
2077 --En wat betaalt gij, als gij verliest? vroegen zij hem.
2078
2079 --Veertien pinten bruinbier, antwoordde Uilenspiegel, maar gij betaalt
2080 mij drie oortjes als ik win.
2081
2082 --Goed! riepen zij.
2083
2084 En zij gaven hem elk een hunner schoenen. Uilenspiegel legde ze alle
2085 in het voorschoot dat hij aan had en, met dien last, danste hij op
2086 de koorde, doch niet zonder moeite.
2087
2088 Van beneden riepen de koordesnijders:
2089
2090 --Gij hebt gezegd met elk onzer schoenen te zullen dansen; trek ze
2091 aan en houd uwe wedding.
2092
2093 Uilenspiegel danste voort en antwoordde:
2094
2095 --Ik heb niet gezegd uwe schoenen aan te trekken, doch er mee te
2096 dansen. Nu, ik dans, en alles danst mee in mijn voorschoot. Ziet gij
2097 het niet met uwe paddenoogen? Betaalt mij mijn drie oortjes.
2098
2099 Doch zij jouwden hem uit en schreeuwden, dat zij hunne schoenen
2100 moesten terughebben.
2101
2102 Uilenspiegel smeet ze alle te gelijk in een worp naar beneden. Een
2103 woedend gevecht volgde, daar niemand zijn schoen dadelijk terugvinden
2104 kon.
2105
2106 Uilenspiegel kwam naar beneden en begoot de vechters, maar niet met
2107 klaar water.
2108
2109
2110
2111
2112 XXV.
2113
2114 De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen
2115 en trappen en zalen van 't slot. Doch meestal slenterde hij rond de
2116 vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die,
2117 gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen. Andere jonkers
2118 waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade
2119 van minne.
2120
2121 Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der
2122 vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke
2123 tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.
2124
2125 Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een
2126 Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in
2127 de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin, en rossig, krullend
2128 haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard,
2129 verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op
2130 heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De
2131 uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag
2132 op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.
2133
2134 Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En
2135 als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen,
2136 en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat,
2137 zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen,
2138 tot haar zegde:
2139
2140 --Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?
2141
2142 Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op 't oogenblik
2143 dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt,
2144 antwoordde zij:
2145
2146 --Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.
2147
2148 --Zet U naast mij, sprak de infant.
2149
2150 Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:
2151
2152 --Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd,
2153 laas! ik heb het vergeten.
2154
2155 De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong
2156 haar telkens tot langzamer spreken.
2157
2158 En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar,
2159 die op dit uur aan andere gebeden dacht.
2160
2161 Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure
2162 heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van
2163 heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem,
2164 noch van iets anders.
2165
2166 Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij
2167 haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden
2168 der vrouw zijn?
2169
2170 Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed
2171 hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:
2172
2173 --Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.
2174
2175 Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was,
2176 zorgvuldiglijk te verbergen.
2177
2178 Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor
2179 Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tien berenhuiden dan met
2180 eene el neteldoek bedekken zou.
2181
2182 En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende
2183 de vlucht.
2184
2185 Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand:
2186 maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote
2187 daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen:
2188 't was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het
2189 glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in
2190 winternacht. En het brandde hem wreedelijk.
2191
2192 Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de
2193 edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje,
2194 in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk
2195 zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den
2196 wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de
2197 vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde,
2198 totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid
2199 voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot,
2200 mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij
2201 uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder
2202 ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.
2203
2204 En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
2205
2206
2207
2208
2209 XXVI.
2210
2211 De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele,
2212 in Vlaanderen, te gaan.
2213
2214 Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een
2215 veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen
2216 doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk
2217 huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend
2218 aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij
2219 elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.
2220
2221 Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen,
2222 bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus
2223 Snuffius, die jankte.
2224
2225 --Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden
2226 dien armen hond zoo te doen huilen!
2227
2228 Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen
2229 doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele
2230 schaterlachte nog luider.
2231
2232 De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot
2233 de edelvrouwe:
2234
2235 --Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn
2236 degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!
2237
2238 Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille
2239 van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De
2240 bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus
2241 Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel
2242 de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.
2243
2244 De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:
2245
2246 --Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar
2247 Dudzele leidt, niet veranderd is?
2248
2249 Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.
2250
2251 --Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.
2252
2253 Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur
2254 in bewondering stond.
2255
2256 --Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen
2257 aldus te bezien?
2258
2259 Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.
2260
2261 --Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die
2262 van Damme naar Dudzele leidt?
2263
2264 --Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij
2265 het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.
2266
2267 --Wilt ge mij leiden?
2268
2269 Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem
2270 zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne
2271 zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.
2272
2273 --Waar gaat gij?
2274
2275 --Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.
2276
2277 --Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.
2278
2279 Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed
2280 zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet,
2281 want zij was jaloersch.
2282
2283 Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een
2284 bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.
2285
2286 --Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.
2287
2288 --Ik ben dadelijk terug.
2289
2290 --Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.
2291
2292 --Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.
2293
2294 --Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom,
2295 kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?
2296
2297 Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure
2298 oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.
2299
2300 Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei
2301 met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik;
2302 Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus
2303 Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester
2304 stapte.
2305
2306 Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was
2307 niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk
2308 op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip,
2309 heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook
2310 heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen
2311 boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.
2312
2313 --Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.
2314
2315 Hij antwoordde niet.
2316
2317 --'t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want 'k had U geerne
2318 met een boodschap belast.
2319
2320 --Welke? vroeg Uilenspiegel.
2321
2322 --Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan,
2323 aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman,
2324 half in 't zwart, half in 't rood gekleed, dat hij mij vandaag niet
2325 mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht,
2326 in mijn slot, langs de sluippoort.
2327
2328 --Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
2329
2330 --Waarom niet? vroeg de dame.
2331
2332 --Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.
2333
2334 De dame sprak toen:
2335
2336 --Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt
2337 niet gaan?
2338
2339 --Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
2340
2341 --Maar als ik U een gulden gaf?
2342
2343 --Neen! sprak hij.
2344
2345 --Een dukaat?
2346
2347 --Neen.
2348
2349 --Een karolus?
2350
2351 --Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met
2352 een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur
2353 tassche zien.
2354
2355 De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:
2356
2357 --Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van
2358 zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan
2359 mijne ceintuur bevestigd.
2360
2361 Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de
2362 edelvrouwe:
2363
2364 --Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet
2365 gij hem nimmer terug.
2366
2367 --En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.
2368
2369 --Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.
2370
2371 En terstond ging hij op zoek.
2372
2373 Middag sloeg de klok; 't was drukkend warm en stille en eenzaam in
2374 het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis
2375 uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten,
2376 zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef
2377 rechtstaan in verzuchting, naast heur.
2378
2379 Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen,
2380 en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen
2381 te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en
2382 zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem,
2383 en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde,
2384 hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,
2385
2386 De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche
2387 niet gevonden had.
2388
2389 --Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn
2390 peerd steeg; in 't vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En
2391 nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en
2392 zeg mij uw naam.
2393
2394 --Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam,
2395 die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is
2396 Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt
2397 aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland
2398 door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige
2399 bekoorlijkheid.
2400
2401 De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.
2402
2403 En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
2404
2405
2406
2407
2408 XXVII.
2409
2410 Toen Uilenspiegel van Dudzele terugkwam, zag hij Nele, aan den
2411 inkoom van de stad, met den rug tegen een hek geleund, en een tros
2412 blauwe druiven in de hand. Een voor een at zij de vruchten, die
2413 haar verfrischten, maar blijken liet zij dit niet. Integendeel, zij
2414 scheen verstoord, want driftig beet zij de druiven van de rist. Zij
2415 was weemoedig, en had zulk een droevig en spijtig gezicht, dat
2416 Uilenspiegel, vol liefde, medelijden kreeg en, stille achter haar,
2417 heur eenen kus in den hals gaf.
2418
2419 Maar zij gaf hem een klinkenden kaakslag in de plaats.
2420
2421 --Die was raak, zei Uilenspiegel.
2422
2423 Zij weende dat de tranen over heure wangen rolden.
2424
2425 --Nele, sprak hij, gaat gij nu de fonteinen aan den ingang van de
2426 stad stellen?
2427
2428 --Loop heen! zegde zij.
2429
2430 --Maar ik kan niet heengaan, als gij zoo weent, liefste?
2431
2432 --Ik ben geene liefste, sprak Nele, en weenen doe ik niet.
2433
2434 --Neen, gij weent niet, maar er komt water uit uwe oogen.
2435
2436 --Wilt gij gaan, sprak zij.
2437
2438 --Neen! zegde hij.
2439
2440 Maar met heure bevende handjes, hield zij heur schort voor 't gezicht;
2441 zij beet er de stof van aan stukken, en heure tranen maakten het nat.
2442
2443 --Nele, vroeg Uilenspiegel, zeg eens, zal het straks schoon weder zijn?
2444
2445 En glimlachend zag hij heur liefderijk aan.
2446
2447 --Waarom vraagt ge mij dat? sprak zij.
2448
2449 --Omdat het spreekwoord zegt: na regen komt zonneschijn, antwoordde
2450 Uilenspiegel.
2451
2452 --Ga, sprak zij, ga bij uw schoone dame met haar zijden kleed, die
2453 hebt gij genoeg doen lachen.
2454
2455 Toen zong Uilenspiegel:
2456
2457
2458 Hoor ik mijn lieveken krijschen
2459 't Doet mijn herteken groot verdriet.
2460 Honig zoo gij haar lachen hoort,
2461 Peerlen zoo gij heur traantjes ziet....
2462 Ei, mijn lieveken laat ik niet!...
2463 En ik geef een bottel ten beste
2464 Lekkeren Leuvenschen wijn.
2465 En ik geef een bottel ten beste
2466 Als Nele vroo wil zijn....
2467
2468
2469 --Gemeene man, sprak zij, gij lacht mij dan noch uit!
2470
2471 --Nele, sprak Uilenspiegel, ik ben een man, dat is waar, maar gemeen
2472 ben ik niet, want onze adellijke familie, eene schepenfamilie, voert
2473 drie zilveren pinten in een veld van bruinbier. Nele, is 't waar,
2474 dat men, in Vlaanderenland, kaaksmeten maait als men kussen zaait?
2475
2476 --Ik spreek u niet aan, zegde zij.
2477
2478 --Waarom doet ge dan uw mondje open om het mij te zeggen?
2479
2480 --Ik ben kwaad, sprak zij.
2481
2482 Uilenspiegel klopte heel zachtjes op heuren rug en sprak:
2483
2484 --Kus een vrouwtje en ze zal u kloppen; klop een vrouwtje en ze zal
2485 u kussen. Kus mij dan, liefste, vermits ik u klopte.
2486
2487 Nele keerde zich om. Hij opende zijne armen en, nog weenend, wierp
2488 zij er zich in en vroeg:
2489
2490 --Zult ge ginder niet meer gaan, Thijl?
2491
2492 Maar hij antwoordde niet, want hij had het te druk met heure bevende
2493 vingeren in de zijne te drukken en, met de lippen, de heete tranen
2494 te wisschen, die uit Nele's oogen vielen als de dikke droppelen van
2495 een stormregen.
2496
2497
2498
2499
2500 XXVIII.
2501
2502 In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen
2503 in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet
2504 betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel
2505 zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon
2506 te gaan kastijden.
2507
2508 Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren
2509 zoon.
2510
2511 Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om
2512 door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te
2513 worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en
2514 gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om 't volk
2515 te onderdrukken.
2516
2517 Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teeken van
2518 toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in
2519 het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld
2520 had volgens recht.
2521
2522 Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva
2523 was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine
2524 ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig
2525 duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de
2526 hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk
2527 de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne
2528 vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog,
2529 en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.
2530
2531 Karel ook had haar lief, maar 't was om het geld, dat hij van haar
2532 in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.
2533
2534 Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal
2535 krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij,
2536 in groote statie, de sententie over de stede uit.
2537
2538 De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen
2539 vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan
2540 de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten,
2541 ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer
2542 verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen
2543 en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf
2544 was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als
2545 landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende
2546 Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.
2547
2548 De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting
2549 te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met
2550 kogels kon doorboren.
2551
2552 Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen
2553 wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten
2554 en panden, geschut en oorlogstuig.
2555
2556 En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den
2557 Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort,
2558 de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke
2559 als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.
2560
2561 En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd
2562 tot elkaar:
2563
2564 --Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons
2565 wonderen van: men heeft ons bedrogen.
2566
2567 En die van Gent antwoordden:
2568
2569 --Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.
2570
2571 En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin
2572 van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.
2573
2574 Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid,
2575 noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten
2576 verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het
2577 geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden
2578 karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in
2579 eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had
2580 geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve
2581 eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed
2582 hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die
2583 manier betaalde hij zijne schuld.
2584
2585 In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar
2586 hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij
2587 geene melk meer vond.
2588
2589 Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij
2590 den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde
2591 te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij
2592 voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij
2593 tot Vlaanderen sprak:
2594
2595
2596 Als men my slaat dan is 't brandt,
2597 Als men my luydt dan is 't storm in Vlaenderland.
2598
2599
2600 Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van
2601 't platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang,
2602 heure tong uit heuren mond had gerukt.
2603
2604
2605
2606
2607 XXIX.
2608
2609 Op een van die dagen,--heldere en frissche lentedagen, als heel de
2610 aarde liefde ademt,--zat Soetkin bij het open venster te naaien,
2611 neurde Klaas een deuntje, terwijl Uilenspiegel bezig was met Titus
2612 Bibulus Snuffius eene rechterskap op te zetten. De hond ging met
2613 zijne pooten te werk, alsof hij eene sententie moest uitspreken, maar
2614 't was alleen om den hoed af te krijgen.
2615
2616 Doch eensklaps sprong Uilenspiegel naar het venster en deed het
2617 dicht. Klaas en Soetkin keken op en zagen hun zoon rond de kamer
2618 loopen, op tafels en stoelen springen om een vogeltje te vangen,
2619 dat, met trillende vleugelen en piepend van angst, in den hoek van
2620 een balk aan de zoldering eene schuilpaats ging zoeken.
2621
2622 Uilenspiegel wilde het diertje grijpen, toen Klaas hem met ruwe
2623 stemme vroeg:
2624
2625 --Waarom springt gij aldus?
2626
2627 --Om het te vangen, antwoordde Uilenspiegel, het in eene kevie te
2628 zetten, zaad te geven en voor mij te doen zingen.
2629
2630 Maar de vogel piepte van angst, vloog weer rond de kamer en bezeerde
2631 zijn kopje tegen de ruiten.
2632
2633 Daar Uilenspiegel niet ophield met grijpen en springen, pakte Klaas
2634 hem ruw bij den schouder.
2635
2636 --Vang het beestje, sprak hij, doe het voor u zingen, maar ik zal
2637 u ook in eene kooi steken, met kloeke ijzeren staven gesloten en ik
2638 zal ook u doen zingen. Gij, die zoo geerne loopt, wordt opgesloten;
2639 in de schaduw gestoken als gij koude hebt, in den zonneschijn als
2640 gij het warm hebt. En op een Zondag zullen wij uitgaan en vergeten u
2641 eten te geven, en als wij 's Donderdags terugkomen, zullen wij Thijl,
2642 gestorven van honger, met de beenen uitgestrekt vinden.
2643
2644 Soetkin weende, Uilenspiegel vloog naar het venster.
2645
2646 --Wat doet gij? vroeg Klaas.
2647
2648 --Het venster open doen om den vogel buiten te laten, antwoordde hij.
2649
2650 Inderdaad, de vogel, een distelvink, vloog het venster uit, tjilpte
2651 blijde in de vrije lucht, en steeg als een pijl naar omhoog. Dan
2652 ging hij op een perelaar zitten, waar hij zijne vleugelen streek en
2653 zijne pluimen schudde en grammoedig, in zijne vogeltaal, Uilenspiegel
2654 allerlei verwenschingen naar het hoofd stuurde.
2655
2656 Toen sprak Klaas:
2657
2658 --Mijn zoon, nooit moogt ge aan mensch of dier de vrijheid ontnemen,
2659 want die is het hoogste goed. Laat een iegelijk de zonne zoeken als hij
2660 koude heeft, en de schaduw als hij het warm heeft. En God oordeele
2661 Zijne Heilige Majesteit, die het vrije geloof in Vlaanderenland
2662 aan ketenen legt en Gent, de edele stad, in een ijzeren kooi van
2663 slavernije sluit!
2664
2665
2666
2667
2668 XXX.
2669
2670 Philippus was getrouwd met Maria van Portugal, wier bezittingen hij
2671 bij de Spaansche krone gevoegd had; van haar had hij don Carlos,
2672 den wreedaardigen zot. Maar liefde gevoelde hij voor zijne vrouw niet.
2673
2674 De koningin leed aan de gevolgen van heure kraam. Zij bleef te bed en
2675 bij haar waren heure eeredames, onder dewelke de hertoginne van Alva.
2676
2677 Philippus liet heur dikwijls alleen, om ketters om hals te zien
2678 brengen. De edelvrouwen en kamerheeren deden als hij. En zoo ook de
2679 hertoginne van Alva, de adellijke baker van Maria.
2680
2681 In dien tijd vatte de officiaal een Vlaamschen beeldhouwer,
2682 Roomsch-katholiek van geloove, omdat een monnik hem den overeengekomen
2683 prijs voor een houten Lieve-Vrouwenbeeld geweigerd had, en nu het
2684 aangezicht van het beeld met zijnen beitel had geschonden, zeggende:
2685 dat hij liever zijn werk vernielde, dan het te laten onder den prijs.
2686
2687 Door den monnik als beeldschenner aangeklaagd, werd hij zonder genade
2688 op de pijnbank gelegd, en veroordeeld om levend te worden verbrand.
2689
2690 Op de pijnbank had men hem de voetzolen geroosterd en onderwege,
2691 van het gevang naar den brandstapel, met den san benito op het hoofd,
2692 riep hij gedurig:
2693
2694 --Snijdt mijne voeten af! Snijdt mijne voeten af!
2695
2696 En van verre hoorde Philippus die bange kreten, en hij trilde van
2697 genot, maar hij lachte niet.
2698
2699 De eeredames verlieten koningin Maria om de voltrekking van het vonnis
2700 bij te wonen: na haar volgde de hertoginne van Alva, die bij het hooren
2701 van de kreten van den Vlaamschen kunstenaar, ook het schouwspel wilde
2702 zien en de Koningin alleen liet.
2703
2704 Toen Philippus, zijne hooge dienaren, prinsen, graven, schildknapen en
2705 hofdames dáár waren, werd de beeldhouwer met een lange keten aan een
2706 paal geklonken, te midden van een vuur, gemaakt van rijshout en stroo,
2707 dat hem langzaam moest braden, terwijl hij zich zoo verre mogelijk
2708 van het laaie vuur wilde houden.
2709
2710 Hij was zoo goed als naakt, en nieuwsgieriglijk keek men hoe hij
2711 beproefde zijne zielskracht te stellen tegen de hitte des vuurs.
2712
2713 En middelerwijl had Maria dorst. Zij zag een halven meloen op eene
2714 schaal liggen, sleepte zich uit heur bedde, greep de vrucht en verslond
2715 die gulzig.
2716
2717 De verkoelende vrucht deed de kraamvrouw huiveren. Zij bleef op de
2718 vloer liggen, ze kon zich niet bewegen.
2719
2720 --Ik zou mij verwarmen, was hier iemand om mij te bedde te leggen?
2721
2722 Toen hoorde zij den armen beeldhouwer schreeuwen:
2723
2724 --Snijdt mijne voeten af!
2725
2726 --Ach! riep de arme vorstinne, is dat een hond, die huilt om mijnen
2727 dood te voorspellen?
2728
2729 Op dat oogenblik zag de beeldhouwer rondom zich; doch hij bespeurde
2730 niets dan vijandige Spaansche gezichten, en hij dacht aan Vlaanderen,
2731 het land van de dapperen; en, zijne lange keten achter zich sleepend,
2732 stapte hij naar den vuurgloed van stroo en van rijshout. Zich in zijn
2733 gansche lengte verheffend en de armen kruisend sprak hij:
2734
2735 --Ziet hoe de Vlamingen sterven onder het oog van de Spaansche
2736 beulen! Snijdt niet mijne, maar hunne voeten af, opdat ze naar
2737 geen nieuwe euveldaden loopen! Leve Vlaanderen! Vlaanderen in der
2738 eeuwigheid!
2739
2740 En de edelvrouwen juichten hem toe, vroegen genade voor hem, als ze
2741 zijne fiere houding zagen.
2742
2743 En de kunstenaar stierf.
2744
2745 Koningin Maria rilde over gansch heur lichaam, heure tanden klapperden
2746 van koude en, armen en beenen uitrekkend, kreunde zij:
2747
2748 --Legt mij te bedde, dat ik mij verwarme. En zij stierf.
2749
2750 En alzoo, volgens de voorzegging van Katelijne, de goede tooveres,
2751 zaaide Philippus overal dood, bloed en tranen.
2752
2753
2754
2755
2756 XXXI.
2757
2758 Maar Uilenspiegel en Nele hadden elkander innig lief.
2759
2760 Het was op 't einde van de Grasmaand; al de boomen stonden in bloei,
2761 de planten waren in lichtgroen gedost, de nachtegalen kwinkeleerden
2762 in het loover: de heele natuur had zich gereedgemaakt om de Meimaand
2763 waardig te ontvangen.
2764
2765 Dikwerf dwaalden Uilenspiegel en Nele getweeën langs de wegen. Nele
2766 ging aan Uilenspiegel's arm en hield hem met hare twee handjes
2767 vast. Uilenspiegel had dit geerne en sloeg soms zijn arm om Nele's
2768 middel, om heur beter vast te houden, zegde hij. En dit deed heur
2769 genoegen, doch zij uitte geen woord.
2770
2771 De wind voerde den balsemgeur der beemden over de wegen; in de verte
2772 loeide traagzaam de zee. Uilenspiegel stapte fier vooruit; als een
2773 jonge duivel, en Nele volgde schuchter als eene heilige uit den hemel,
2774 beschaamd over 't genot dat zij smaakte.
2775
2776 Zij leunde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel: hij nam
2777 heure handjes in de zijne en kuste heur, al gaande, op het voorhoofd,
2778 op de koonen en op heuren liefelijken mond. Doch zij uitte geen woord.
2779
2780 Het werd warm en zij kregen dorst; zij gingen melk drinken bij eenen
2781 boer, maar zij waren niet verkoeld.
2782
2783 En zij zetten zich neer in het gras, aan den boord eener gracht. Nele's
2784 gelaat was bleek en zij scheen bekommerd; angstig keek Uilenspiegel
2785 heur aan.
2786
2787 --Zijt ge droef? sprak zij.
2788
2789 --Ja, antwoordde hij.
2790
2791 --Waarom? vroeg zij.
2792
2793 --Ik weet het niet, sprak hij, maar die bloesem van appelaars en
2794 kriekelaars, die zoele lucht als bezwangerd met het vuur van den
2795 bliksem, die blozende madeliefjes in de beemden, die witte hagedoorn,
2796 hier dicht bij ons....
2797
2798 ... Wie zal mij zeggen waarom ik heel ontroerd ben, waarom ik mij
2799 steeds bereid voel tot sterven of slapen? En mijn hert klopt hevig als
2800 ik de vogelen hoor zingen, als ik zie dat de zwaluwen terugkeeren; ik
2801 zou willen vliegen, verder dan zon en mane. En nu eens heb ik koud,
2802 dan weer heb ik warm. Ha, Nele! Ik zou niet meer van deze wereld
2803 willen zijn, of duizend levens geven voor haar, die mij heure minne
2804 schenken zou....
2805
2806 Maar zij uitte geen woord en, glimlachend van geluk, keek zij naar
2807 Uilenspiegel.
2808
2809
2810
2811
2812 XXXII.
2813
2814 Op Allerzielen kwam Uilenspiegel uit Onze Lieve Vrouwekerk met eenige
2815 deugnieten van zijn leeftijd. Lamme Goedzak was onder hen verdwaald,
2816 als een lam te midden van de wolven.
2817
2818 Lamme, die op alle Zon- en feestdagen van zijne moeder drie oortjes
2819 kreeg, trakteerde de jonge snaken.
2820
2821 Hij trok dus met hen in het Roode Schild, bij Jan van Liebeke, die
2822 Kortrijkschen dobbelen knollaard opbracht.
2823
2824 De drank verhitte hunne hersenen en, wijl zij over kerken en gebeden
2825 spraken, uitte Uilenspiegel de meening, dat zielmissen enkel voordeel
2826 brengen aan de priesters.
2827
2828 Maar er was een judas onder 't gezelschap: hij ging Uilenspiegel als
2829 ketter verklikken. En ondanks de tranen van Soetkin en het smeeken van
2830 Klaas, werd Uilenspiegel gepakt en gevangengezet. Eene maand en drie
2831 dagen bleef hij in den kerker opgesloten, zonder iemand te zien. De
2832 cipier at de drie kwart van zijn eten op. Intusschentijd deed men
2833 onderzoek over het gedrag van den beklaagde. Er werd alleen bevonden,
2834 dat hij een meedoogenlooze spotter was, die met iedereen gekscheerde,
2835 maar dat hij nooit het minste kwaad gesproken had noch van den Heere
2836 God, noch van de Maagd Maria, noch van de santen. Weshalve de sententie
2837 dan ook zacht was; want men hadde hem kunnen brandmerken of geeselen
2838 met schorpioenen.
2839
2840 Om den wille van zijn jeugdigen leeftijd, veroordeelden de rechters
2841 hem enkel om, in zijn hemde, barrevoets en blootshoofds en met eene
2842 waskeers in de hand, achter de priesters te stappen, in 't midden
2843 van de eerste processie, die zou uitgaan.
2844
2845 Het was Ons-Heeren-Hemelvaart.
2846
2847 Als de processie binnentrok, moest hij in 't portaal van
2848 Onze-Lieve-Vrouwekerk blijven staan en uitroepen:
2849
2850 --Dank zij Jezus-Christus! Dank zij de eerweerde geestelijken! Hunne
2851 gebeden zijn zoet en verkwikkend voor de zielen in 't vagevuur; want
2852 elk ave is een emmer water, die haar op den rug valt, en elk pater
2853 eene kuip.
2854
2855 En het volk aanhoorde hem devotelijk, doch niet zonder lachen.
2856
2857 Op den Eersten-Sinksendag, moest hij nogmaals de processie volgen; hij
2858 was barrevoets en blootshoofds, in zijn hemde, met eene waskeers in de
2859 hand. Bij het binnengaan in 't portaal, met zijne keers eerbiediglijk
2860 in de hand, hoewel hij moeite deed om niet in lachen uit te bersten,
2861 sprak hij met een luide en heldere stem:
2862
2863 --Zoo de gebeden der christenen veel verlichting brengen
2864 aan de zielen van 't vagevuur, zoo geven die van den deken van
2865 Onze-Lieve-Vrouwekerk--een heilig man die alle deugden beoefent--zulk
2866 eene verkwikking aan de smerten des vuurs, dat dit laatste seffens in
2867 ijs verandert. Maar de duivelen, die het vuur moeten poken, krijgen
2868 er geen zier van.
2869
2870 En weer luisterde het volk devotelijk, doch niet zonder lachen,
2871 en de deken glimlachte inwendiglijk.
2872
2873 Verder werd Uilenspiegel voor drie jaren uit Vlaanderenland gebannen;
2874 hem werd tevens opgelegd eene bedevaart naar Rome te doen en terug
2875 te komen met de Pauselijke absolutie.
2876
2877 Klaas moest drie gulden voor deze sententie betalen, maar hij gaf er
2878 nog eenen aan zijn zoon en daarboven eene pelgrimspij.
2879
2880 Op den dag van 't vertrek was Uilenspiegel 't hert in, toen hij
2881 Klaas en Soetkin kuste, want ze schreide bitter, de arme moeder. Zij
2882 deden hem uitgeleide tot verre op den weg, in gezelschap van meerdere
2883 poorters en poorteressen.
2884
2885 Toen Klaas terug in de hut trad, sprak hij tot Soetkin:
2886
2887 --Vrouwe, 't is toch wreed een zoo jongen knaap tot zulke strenge
2888 straf te veroordeelen, en dit voor eenige lichtzinnige woorden.
2889
2890 --Gij weent, man, sprak Soetkin; gij bemint hem meer dan ge wilt laten
2891 blijken, want daar berst gij uit in mannelijke snikken, die de tranen
2892 van den leeuw zijn.
2893
2894 Maar hij antwoordde niet.
2895
2896 Nele was zich in de schuur gaan verbergen, opdat niemand zien zou,
2897 dat ook zij weende om Uilenspiegel. Van verre volgde zij Soetkin en
2898 Klaas, de poorters en poorteressen; en toen zij heuren vriend alleen
2899 zag voortgaan, liep ze naar hem en sprong hem om den hals:
2900
2901 --Ginder zult gij schoone vrouwen vinden, sprak zij.
2902
2903 --Schoon, misschien, antwoordde Uilenspiegel, maar toch zoo frisch
2904 niet als gij, want zij zijn allen verbrand van de zonne.
2905
2906 Lang nog stapten zij samen voort: Uilenspiegel was nadenkend en
2907 prevelde van tijd tot tijd:
2908
2909 --Die zielmissen zullen ze mij betalen.
2910
2911 --Welke missen en wie zal betalen? vroeg Nele.
2912
2913 Uilenspiegel antwoordde:
2914
2915 --Alle dekenen, parochiepapen, geestelijken, kosters en andere
2916 hooge en lage zotskappen, die ons allerhande domheden willen doen
2917 slikken. Was ik een noeste arbeider geweest, dan was ik voor drie jaar
2918 mijn dagloon bestolen, met hunne bedevaart. Maar 't is de arme Klaas,
2919 die betaalt. Mijne drie jaar zal ik hun honderdvoudig betaald zetten;
2920 ik zal hun eene zielmis zingen, die hun aan de ribben zal hangen.
2921
2922 --Laas! Thijl, wees toch voorzichtig, zij zouden u levend verbranden,
2923 antwoordde Nele.
2924
2925 Ik ben vuurvast, antwoordde Uilenspiegel.
2926
2927 En zij namen afscheid van elkander: zij badend in tranen, hij
2928 droefgeestig en gram.
2929
2930
2931
2932
2933 XXXIII.
2934
2935 Toen Uilenspiegel door Brugge, over de Woensdagmarkt kwam, zag hij
2936 daar eene vrouw, die rondgeleid werd door den beul en zijne knechten,
2937 en een groote menigte andere vrouwen, die rondom haar tierden en heur
2938 allerhande vuile beleedigingen toewierpen.
2939
2940 Daar zij boven aan heur kleed roode lapjes en den steen der justitie
2941 met zijne ijzeren ketenen om den hals droeg, begreep Uilenspiegel,
2942 dat het eene vrouw was, die het jeugdig en maagdelijk lichaam van hare
2943 dochteren verkocht had. Men zei hem, dat zij Barbara hiet en getrouwd
2944 was met Jason Darue; dat ze in dit gewaad van de eene plaats naar
2945 de andere gesleurd werd, totdat zij terugkwam op de Groote Markt,
2946 waar het schavot voor haar gereed stond. Uilenspiegel volgde haar
2947 met de menigte, die achter heur huilde en tierde. Op de Groote Markt
2948 teruggekomen, werd zij op het schavot gebracht, aan eenen paal
2949 gebonden, en de beul legde voor hare voeten een hoop gras en een
2950 klomp aarde: de bediedenis van het graf.
2951
2952 Ook zei men aan Uilenspiegel, dat ze vooraf in 't gevang gegeeseld was.
2953
2954 Voortgaande, ontmoette hij Hendrik Marischal, schooier, die in de
2955 kasselrij West-Ieperen gehangen was geweest; rond den hals toonde
2956 hij nog het merk van de koorden. Hij hing al in de lucht, zegde hij,
2957 en was verlost geworden alleenlijk door een goed gebed te doen tot
2958 Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, zoodanig, dat, toen de baljuws en de
2959 rechters vertrokken waren, door een echt mirakel de koorden braken
2960 en hij ongedeerd ten gronde viel.
2961
2962 Maar later hoorde Uilenspiegel zeggen, dat die van de koorden verloste
2963 bedelaar een valsche Hendrik Marischal was, en dat men hem zijne
2964 leugen liet rondventen, omdat hij een perkament had, afgegeven door
2965 den deken van Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, die, door het vertelsel
2966 van dien Hendrik Marischal, de galgenazen in grooten getale met rijke
2967 offeranden naar zijne kerk lokte. En Onze-Lieve-Vrouwe van Halle werd,
2968 zeer lang nog, Onze-Lieve-Vrouwe der Gehangenen genoemd.
2969
2970
2971
2972
2973 XXXIV.
2974
2975 In dien tijd moesten kettermeesters en godgeleerden keizer Karel
2976 voor de tweede reis vermanen: dat de Kerke ten onder ging; dat haar
2977 gezag miskend werd; dat zoo hij menigvuldige zegepralen behaald had,
2978 hij dit verschuldigd was aan de gebeden der Katholieke Kerk, die de
2979 keizerlijke macht op haren troon in stand hield.
2980
2981 Een aartsbisschop van Spanje vroeg hem om zes duizend hoofden te
2982 laten afkappen en evenveel lichamen te laten verbranden, ten einde
2983 de kwaadaardige Luthersche ketterije in de Nederlanden uit te
2984 roeien. Zijne Heilige Majesteit oordeelde, dat dit niet voldoende was.
2985
2986 Overal waar de ontzette Uilenspiegel dan ook voorbij kwam, zag hij
2987 niets dan hoofden op palen, meisjes in zakken genaaid en levend in 't
2988 water gesmeten, mannen naakt op het rad gebonden en met ijzeren staven
2989 geslagen, vrouwen levend in eenen kuil gelegd, met aarde boven haar
2990 en den beul op haren boezem dansen om dien te verpletteren. Maar de
2991 biechtvaders van hen die zich vooraf bekeerd hadden, kregen telkenmale
2992 twaalf stuivers voor hunne moeite.
2993
2994 Te Leuven zag hij de beulen dertig Lutheranen tegelijk verbranden
2995 en den brandstapel met schietpoeder aansteken. Te Limburg zag hij
2996 een gansche familie, mannen en vrouwen, dochteren en zonen, ter
2997 strafplaatse leiden. Allen zongen psalmen. Alleen de oude vader
2998 schreeuwde, terwijl hij verbrandde.
2999
3000 En Uilenspiegel ging zijns weegs, met beklemd en toegenepen herte.
3001
3002
3003
3004
3005 XXXV.
3006
3007 In het open veld gekomen schudde hij zich als een vogeltje, als een
3008 hond die den band ontloopen is, en zijn herte was verkwikt bij het
3009 aanschouwen van de boomen, van de beemden, van de heldere zonne.
3010
3011 Als hij drie dagen lang gegaan had, kwam hij omtrent Brussel, in de
3012 machtige gemeente Ukkel. Vóór het gasthof de Trompet, werd zijn neus
3013 gestreeld door een hemelschen geur van stoverije. Aan een kleinen
3014 schooier, die den reuk van de saus opsnoof, vroeg hij ter eere van
3015 welken heilige die wierook omhoog steeg? De kleine antwoordde, dat
3016 de broeders van de Goede Tronie na de vespers moesten bijeenkomen
3017 om de herinnering te vieren van de verlossing der gemeente door hare
3018 vrouwen en meisjes.
3019
3020 Uilenspiegel zag van verre eenen staak met een gaai erop, rond
3021 denwelken vrouwen met bogen liepen; hij vroeg of de vrouwlieden nu
3022 boogschieters waren geworden?
3023
3024 De jongen snoof nog eens den reuk van de keuken op en antwoordde, dat,
3025 in den tijd van den goeden hertog, die zelfde bogen, in de handen der
3026 Ukkelsche vrouwen, meer dan honderd baanstroopers van het leven naar
3027 den dood hadden gestuurd.
3028
3029 Uilenspiegel wilde meer weten, doch de kleine schooier zei dat hij
3030 geen woord meer zeggen zou, zoolang hij honger en dorst had, ten ware
3031 hij een oortje kreeg om zich te verzadigen. Uilenspiegel gaf het hem
3032 uit medelijden.
3033
3034 Zoodra de jongen het oortje had, trok hij, als een vos in een
3035 hoenderhok, het gasthof binnen, om weldra, met een halve worst en
3036 eene dikke snee brood triomfantelijk te voorschijn te komen.
3037
3038 Plotseling hoorde Uilenspiegel een zoete muziek van tamboerijnen en
3039 violen en zag hij vele dansende vrouwen, en onder haar een schoon
3040 wijf met een gouden ketting om den hals.
3041
3042 De schooier, in zijn schik, omdat hij zoo lekker gegeten had, zegde
3043 tot Uilenspiegel dat die jonge, schoone vrouw de koningin van de
3044 gaaischieting was, dat zij Mietje heette en de vrouw was van messire
3045 Renonckel, schepene van de gemeente. Dan vroeg hij aan Uilenspiegel
3046 nog zes duiten om te drinken: Uilenspiegel gaf ze hem. Toen hij
3047 gegeten en gedronken had, zette hij zich in de zonne op de hurken,
3048 en kuischte met zijne nagelen zijne tanden.
3049
3050 Als de boogschietsters Uilenspiegel in zijne pelgrimspij zagen,
3051 begonnen zij rond hem te dansen, zeggende:
3052
3053 --Dag, schoone pelgrim; komt gij van verre, jonge pelgrim?
3054
3055 Uilenspiegel antwoordde:
3056
3057 --Ik kom uit Vlaanderen, het schoone land der verliefde meidekens.
3058
3059 En droefgeestig dacht hij aan Nele.
3060
3061 --Wat was uwe misdaad? vroegen zij, terwijl zij haren dans staakten.
3062
3063 --Ik durf het niet zeggen, daar ze zoo groot is, sprak hij. Bij mij,
3064 mijne hertjes, is niemendal klein.
3065
3066 Zij lachten en vroegen waarom hij aldus moest reizen met den
3067 pelgrimsstaf, den bedelzak en de oesterschelpen?
3068
3069 --'t Is, antwoordde hij, omdat ik gezegd heb, dat de zielmissen
3070 voordeelig zijn voor de priesters.
3071
3072 --Zij brengen hun klinkende munt op, antwoordden de vrouwen, maar
3073 toch zijn zij ook voordeelig voor de zielen in 't vagevuur.
3074
3075 --Daar was ik niet bij, antwoordde Uilenspiegel.
3076
3077 --Komt gij met ons eten? vroeg de schoonste.
3078
3079 --Ik wil, sprak hij, met u eten, en u eten, u en uwe vriendinnen,
3080 de eene na de andere, want gij zijt fijne brokjes, lekkerder dan
3081 ortolanen, lijsters of sneppen.
3082
3083 --De Hemel vergeve u, dat wild is buiten prijs, zeiden zij.
3084
3085 --Zooals gij allen, mijne hertjes, antwoordde hij.
3086
3087 --'t Is te zien, spraken zij, maar wij zijn niet te koop.
3088
3089 --Noch te geven? vroeg hij.
3090
3091 --Ja, zegden zij, wij geven slagen aan degenen die te stout zijn. Hebt
3092 gij er van doen, wij zullen op u slaan lijk op kaf.
3093
3094 --Ik doe niet mee, sprak hij.
3095
3096 --Kom dan mee-eten, zegden zij.
3097
3098 Blijde als hij was rond zich vroolijke, lachende gezichten te zien,
3099 volgde hij heur naar de binnenplaats van het gasthof. Plotseling
3100 zag hij de broeders van de Goede Tronie, in groote staatsie, met
3101 vaandel, fluit, bazuin en tamboerijn, in het binnenhof komen; zij
3102 droegen waardiglijk den naam van hunne broederschap. Daar zij hem
3103 nieuwsgieriglijk bekeken, zeiden de vrouwen dat het een pelgrim was,
3104 dien ze op den weg ontmoet en meegebracht hadden naar 't festijn,
3105 omdat zijne tronie haar aanstond.
3106
3107 De mannen stemden hiermee in, en een hunner sprak:
3108
3109 --Reizende pelgrim, wilt gij eene bedevaart doen in sausen en
3110 stoverije?
3111
3112 --Daarvoor wil ik de leerzen van Duimken aantrekken, antwoordde
3113 Uilenspiegel.
3114
3115 Als hij met hen de zaal van 't festijn binnenging, zag hij op den
3116 Parijschen steenweg een twaalftal blinden. En toen zij voorbij hem
3117 kwamen, kloegen zij van honger en dorst. Uilenspiegel zei tot zich
3118 zelven, dat zij dien dag zouden avondmalen als prinsen, en wel ten
3119 koste van den deken van Ukkel, op afkorting van de zielmissen.
3120
3121 Hij ging tot hen en sprak:
3122
3123 --Hier zijn negen gulden, gij kunt komen eten. Riekt gij den geur
3124 niet van de stoverije?
3125
3126 --Laas! spraken zij, reeds een half uur lang, doch zonder hope.
3127
3128 --Gij zult eten, zegde Uilenspiegel, vermits gij nu negen gulden
3129 hebt. Maar hij gaf ze hun niet.
3130
3131 --Wees gezegend! spraken zij.
3132
3133 En, door Uilenspiegel geleid, zetten zij zich rond een kleine tafel,
3134 terwijl de broeders van de Goede Tronie met hunne wijven en dochteren
3135 aan de groote tafel gingen zitten.
3136
3137 Met een zelfvertrouwen van negen gulden, riepen de blinden luide
3138 en stout:
3139
3140 --Baas, geef ons te eten en te drinken, alles van 't beste!
3141
3142 De weerd, die van negen gulden had hooren spreken, dacht, dat die in
3143 hunne tasschen staken en vroeg wat de gasten wenschten.
3144
3145 Toen riepen allen tegelijk:
3146
3147 --Boonen met spek, hutspot met rundvleesch, kiekens, kalfsvleesch en
3148 hamelbout. Zijn de worsten voor de honden gemaakt?
3149
3150 --'k Heb witte en zwarte pensen geroken; 'k zou ze zien als ik nog
3151 mijne lanteernen had.--Waar zijn de koekebakken met Anderlechtsche
3152 boter? Zij zingen in de pan, sappig, knappend en hijgend naar het bier,
3153 waarmede wij ze zullen begieten.--Wie geeft de hesp met eieren die
3154 onzen mond placht te streelen?--Waar zijt gij, hemelsche soezels, die
3155 zwemmen midden in de nieren, hanekammen, kalfszwezeriken, ossesteerten,
3156 schapepooten, met veel ajuin, peper, kruidnagelen, muskaat, goed
3157 ondereengestoofd met drie pinten witten wijn als saus?--Wie brengt
3158 u tot mij, goddelijke kalfsworsten, die zoo goed zijt dat ge niets
3159 zegt als men u opeet? Kwaamt gij recht uit Luilekkerland, waar niet
3160 te werken valt, en eten en drinken een ambacht is? Gij zijt verdwenen
3161 lijk de droge bladeren van den jongsten herfst.--Ik wil een hamelbout
3162 met erwtjes.--Ik, verkensooren.--Ik, een rozenkrans van ortolanen,
3163 met sneppen als paters en een vetten kapoen als credo.
3164
3165 De weerd antwoordde bedaard:
3166
3167 --Gij krijgt een pannekoek van zestig eieren en, als wegwijzers om
3168 uwe vorken te bestieren, vijftig zwarte pensen, rookend op dien berg
3169 van eieren gestoken, en als drank dobbelen peeterman: dat zal de
3170 riviere wezen.
3171
3172 Het water kwam in den mond van de arme blinden.
3173
3174 Breng ons den berg, de wegwijzers en de rivier!
3175
3176 En de broeders van de Goede Tronie en hunne vrouwen, die reeds
3177 met Uilenspiegel aan tafel zaten, zeiden, dat deze voor de blinden
3178 onzichtbare smulpartij hun slechts de helft van het genot deed smaken.
3179
3180 Toen de weerd en vier koks den pannekoek opdienden, opgesmukt met
3181 peterselie en keur van kruiden, wilden de blinden er zich op werpen,
3182 maar de weerd gaf, niet zonder moeite, eerlijk aan elk zijn deel.
3183
3184 De boogschietsters waren verrukt als zij hen zagen slempen en zuchten
3185 van genoegen, want zij hadden grooten honger en sloegen de pensen
3186 binnen lijk oesters. De dobbele peeterman liep in hunne magen gelijk
3187 een waterval van het hooggebergte.
3188
3189 Toen de blinden hunne teilen uitgewischt hadden, vroegen zij opnieuw
3190 koekebakken, ortolanen en weer stoverije. De weerd bracht hun slechts
3191 een grooten schotel ossen-, kalfs- en schapenbeenderen, die in goede
3192 saus zwommen. Maar hij deelde niet rond.
3193
3194 Als zij hun brood en hunne handen, tot over de polsen, in de saus
3195 gedoopt hadden, en niets vonden dan hamel-, kalfs- en andere beenderen,
3196 meende een iegelijk dat zijn buurman al het vleesch had, en verwoed
3197 sloegen zij met de beenderen op elkanders gezicht.
3198
3199 Bij dat schouwspel lachten de broeders van de Goede Tronie naar
3200 hertelust en legden goedhertig een deel van 't festijn op de teil van
3201 de arme blinden, en een iegelijk die een been zocht om er mee te slaan,
3202 legde de hand op eene lijster, een kieken, een koppel leeuwerikken,
3203 terwijl de vrouwen hun het hoofd achterover hielden en hun Brusselschen
3204 wijn lieten drinken, zooveel zij konden. En als de arme lieden op den
3205 tast zochten van waar die stroom godendrank kwam, grepen zij een rok,
3206 die gezwind uit hunne handen glipte.
3207
3208 Zij lachten, aten, dronken en zongen zoo heerlijk! Eenigen vermoedden
3209 dat er poezele wijfjes moesten zijn en liepen, dol van liefde,
3210 de eetzale rond, maar de plaagzieke vrouwen draaiden zich om en
3211 verborgen zich achter een broeder van de Goede Tronie, roepende:
3212 "Kus mij, toe!" En als de blinden het deden, kusten zij in stee van
3213 de donzige huid eener vrouw, het harig gezicht van een man--maar niet
3214 zonder kletsen te krijgen.
3215
3216 De broeders van de Goede Tronie zongen, en zij zongen insgelijks. En
3217 de vrouwen glimlachten teeder, met stil genoegen, als zij hen zoo
3218 vol vroolijkheid zagen.
3219
3220 Toen die heerlijke uren voorbij waren, sprak de baas:
3221
3222 --Gij hebt goed gegeten en gedronken, geef mij nu zeven gulden.
3223
3224 Elk hunner zwoer dat hij de beurze niet had en beschuldigde zijn
3225 buurman. Een nieuw gevecht ontstond, in hetwelk zij elkaar trachtten
3226 te schoppen, te slaan en te stompen, maar de broeders van de Goede
3227 Tronie hielden de vechtenden van elkaar. En 't regende slagen in de
3228 lucht, behalve een die bij ongeluk terecht kwam op 't aangezicht van
3229 den baas, die, verwoed, nu allen aftastte en niets anders vond dan een
3230 versleten schapulier, zeven duiten, drie knoopen en hunne paternosters.
3231
3232 Hij wilde hen in het verkenskot steken en hen daar op water en brood
3233 zetten, totdat liefdadige zielen voor hen betaald hadden.
3234
3235 --Wilt gij, vroeg Uilenspiegel, dat ik borg voor hen blijve?
3236
3237 --Ja, antwoordde de baas, als iemand ook voor u borg is.
3238
3239 De Goede Tronies wilden borg zijn, maar Uilenspiegel voorkwam hen
3240 en zei:
3241
3242 --De deken zal borg zijn, ik ga het hem vragen.
3243
3244 Gedachtig aan de zielmissen, trok hij naar den deken en vertelde hem
3245 dat de baas uit de Trompet van den duivel bezeten was, en dat hij
3246 van anders niets sprak dan van verkens en blinden; dat de verkens de
3247 blinden opaten en de blinden de verkens. Middelerwijl, zoo vertelde
3248 hij, brak de baas thuis alles aan stukken, en hij bad hem den armen
3249 man van dien boozen duivel te komen verlossen.
3250
3251 De deken beloofde het, maar zei, dat hij niet dadelijk kon komen,
3252 mits hij bezig was met de rekening van 't kapittel te maken en dat
3253 dit zeer lastig was, zoo hij zijn garande wilde hebben.
3254
3255 Toen Uilenspiegel zag dat hij ongeduldig werd, zegde hij dat hij
3256 zou terugkomen met het wijf van den baas en dat de deken haar zelve
3257 kon spreken.
3258
3259 --'t Is goed, antwoordde de deken.
3260
3261 Uilenspiegel keerde terug bij den baas en zegde:
3262
3263 --Ik heb den deken gesproken, hij blijft borg voor de blinden. Terwijl
3264 gij op hen let, kan de bazinne meekomen, en hij zal heur herhalen
3265 wat ik u zegde.
3266
3267 --Ga mee, vrouw, sprak de baas.
3268
3269 De bazinne ging met Uilenspiegel bij den deken, die maar altijd aan
3270 't cijferen was, om zijn aandeel te vinden. Toen zij binnenkwam met
3271 Uilenspiegel, maakte hij met de hand een driftig gebaar, zeggende:
3272
3273 --Ga heen en wees gerust: morgen of overmorgen kom ik bij uwen man.
3274
3275 En toen Uilenspiegel naar de Trompet terugkeerde, sprak hij onderweg
3276 in zich zelven: "Hij zal honderd gulden betalen en dat zal mijn eerste
3277 zielmisse zijn."
3278
3279 En hij ging zijns weegs, en de blinden insgelijks.
3280
3281
3282
3283
3284 XXXVI.
3285
3286 's Anderen daags kwam Uilenspiegel op eene baan vol volk. Hij volgde
3287 de menigte en vernam, dat het dien dag beeweg naar Alsemberg was.
3288
3289 Hij zag er arme oude vrouwen, die, voor een gulden en om de zonden van
3290 voorname dames te boeten, barrevoets achterweerts gingen. Terzijde
3291 van den weg deed meer dan één pelgrim zich te goed aan wafelen en
3292 bruinbier, bij geschal van lieren, violen en doedelzakken. En de reuk
3293 van allerhande spijzen steeg ten hemel als een zoete wierook.
3294
3295 Maar daar waren ook pelgrims, die er gemeen en ellendig uitzagen;
3296 die hadden zes stuivers van de Kerk gekregen, om achterweerts den
3297 beeweg te doen.
3298
3299 Een kaalhoofdig manneken, met opengesperde oogen, volgde hen insgelijks
3300 achterweerts springend en vaderonzen zeggend.
3301
3302 Uilenspiegel, die wilde weten waarom hij aldus de kreeften naäapte,
3303 ging voor hem staan en sprong glimlachend lijk hij. Lieren, pijpen,
3304 violen en doedelzakken, waren met het geschreeuw van de pelgrims,
3305 de muziek van dien dans.
3306
3307 --Zeg eens, Jan van den Duivel, sprak Uilenspiegel, is het om zeker
3308 te zijn van vallen, dat gij averechts gaat?
3309
3310 De man antwoordde niet en bad voort.
3311
3312 --Of is het om de boomen te tellen, vervolgde Uilenspiegel, en
3313 misschien ook de bladeren er bij?
3314
3315 De man, die een credo zei, deed Uilenspiegel teeken dat hij zwijgen
3316 moest.
3317
3318 --Of, sprak deze, altijd vóór hem springend en zijne gebaren
3319 nabootsend, zijt gij misschien eensklaps zot geworden, dat gij
3320 loopt lijk de kreeften? Maar wie van een zot een verstandig antwoord
3321 verwacht, is zelf niet wijs. Niet waar, mijnheer de kaalkop?
3322
3323 Daar de man nog niet antwoordde, danste en sprong Uilenspiegel voort,
3324 doch hij maakte daarbij zooveel lawijd met zijne zolen, dat de weg
3325 klonk als een houten kist.
3326
3327 --Of zijt gij stom, mijnheer? vroeg Uilenspiegel ten slotte.
3328
3329 --Ave Maria, sprak de man, gratia plena et benedictus fructus ventris
3330 tui, Jesu.
3331
3332 --Of misschien doof? zei Uilenspiegel. Dat gaan wij dadelijk zien:
3333 men zegt, dat dooven vleierij noch beleediging hooren. Laat zien of
3334 de trommel van uw ooren van vel of van ijzer is: Meent gij, lanteerne
3335 zonder keers, mislukte voetganger, dat gij een mensch gelijkt? Ge
3336 kunt wachten totdat wij van vodden gemaakt zijn. Zag men ooit zulke
3337 gele tronie, zulk een kletshoofd, elders dan op een galgeveld? Zijt
3338 ge in uw leven nooit gehangen geweest?
3339
3340 En Uilenspiegel danste steeds voort, en de man, die kwaad werd,
3341 stapte boosaardig achterwaarts en bad zijn vaderonzen met heimelijke
3342 verbolgenheid.
3343
3344 --Of misschien, sprak Uilenspiegel, verstaat gij geen Hoogvlaamsch;
3345 daarom ga ik u in 't Platvlaamsch aanspreken: Zijt gij geen gulzigaard,
3346 dan zijt gij een dronkaard; zijt gij geen dronkaard, dan zijt gij
3347 verstopt; zijt gij niet verstopt, dan hebt gij den afgang; als er
3348 matigheid is, dan is zij het niet, die de tonnen van uw buik vult;
3349 zijt gij geen losbol, dan zijt gij een kapuin en als er op de duizend
3350 millioen mannen der aarde maar één horendrager was, dan zoudt gij
3351 het zijn....
3352
3353 Op die rede, viel Uilenspiegel op zijn achterste, met de beenen omhoog,
3354 want de man had hem zulk een vuistslag op den neus toegediend, dat
3355 het vuur hem uit zijne oogen sprong. Dan liet de man zich, ondanks
3356 zijn dikken buik, verraderlijk op hem vallen en sloeg hem overal,
3357 dat de slagen als hagelsteenen op het magere lichaam van Uilenspiegel
3358 vielen. En Uilenspiegels stok rolde mede ten gronde.
3359
3360 --Dat zal u leeren, sprak de man, eerlijke menschen kwellen die
3361 op bedevaart gaan. Want--gij moogt het wel weten--ik ook ga naar
3362 Alsemberg, volgens aloud gebruik, om Onze-Lieve-Vrouwe te bidden,
3363 een kind te willen doen afkomen, dat mijne vrouw ontving terwijl
3364 ik op reis was. Om zulk een groote genade te verkrijgen, moet men,
3365 zonder spreken, achterweerts loopen en dansen van den twintigsten
3366 stap voorbij zijn huis tot aan de trappen der kerk. Laas! nu moet ik
3367 geheel opnieuw beginnen.
3368
3369 Uilenspiegel, die zijn stok opgeraapt had, sprak:
3370
3371 --Ik zal u helpen, deugniet, die Onze-Lieve-Vrouwe wilt smeeken om
3372 de kinderen vóór hun geboorte te vermoorden.
3373
3374 En meteen sloeg hij den leelijken horendrager zoo deerlijk, dat hij
3375 hem voor dood op den weg liet.
3376
3377 En nog altijd steeg het gehuil der pelgrims en het geluid van pijpen,
3378 lieren, violen en doedelzakken omhoog, met den geurigen wierook van
3379 gekook en gebraad.
3380
3381
3382
3383
3384 XXXVII.
3385
3386 Klaas, Soetkin en Nele zaten samen rond den heerd en praatten over
3387 den reizenden pelgrim.
3388
3389 --Meisje, sprak Soetkin, kondet gij hem voor altijd bij ons houden
3390 door uwe jeugd en uwe schoonheid!
3391
3392 --Laas! sprak Nele, ik kan niet.
3393
3394 --Omdat hij, antwoordde Klaas, meer behagen vindt in loopen, zonder
3395 ooit te rusten, tenzij om te eten.
3396
3397 --De leelijke stouterik! zuchtte Nele.
3398
3399 --Ik geef toe dat hij stout is, sprak Soetkin, maar leelijk is
3400 hij niet. Als Uilenspiegel Grieksch noch Romeinsch van gezicht is,
3401 is hij des te schooner; want Vlaamsch zijn zijne vlugge voeten, van
3402 't Brugsche Vrije zijn levendige bruine oogen; en zijn neus en mond
3403 zijn gemaakt door twee vossen, ervaren in de kunsten van slimheid
3404 en verstand.
3405
3406 --Wie dan, vroeg Klaas, maakte hem zijne armen van luierik en zijne
3407 beenen, die al te vlug loopen naar vermaak en pleizier?
3408
3409 --Zijn al te jeugdig herte, was 't antwoord van Soetkin.
3410
3411
3412
3413
3414 XXXVIII.
3415
3416 In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een
3417 verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze
3418 niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat
3419 zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden
3420 gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale,
3421 want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.
3422
3423 Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman,
3424 wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne
3425 koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die
3426 jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder
3427 opbrachten dan de zijne--van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter
3428 Meulemeester, een man van goed gedrag en zeden, en ook van Jan Beloen,
3429 die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres,
3430 en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden
3431 en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare
3432 misdaden bekende.
3433
3434 Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want
3435 heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de
3436 Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.
3437
3438 De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen
3439 hield.
3440
3441 Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen
3442 zegde zij:
3443
3444 --Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid
3445 aan die mannen niet hoeve te toonen!
3446
3447 Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure
3448 armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in
3449 heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen
3450 scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.
3451
3452 De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij
3453 schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond,
3454 maar Katelijne gaf het allemaal over.
3455
3456 Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij
3457 sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet
3458 water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste
3459 foltering bekomen was, sprak hij:
3460
3461 --Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.
3462
3463 --Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn
3464 zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed
3465 aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om
3466 de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.
3467
3468 Maar de schout sprak:
3469
3470 --Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.
3471
3472 --Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe
3473 macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch,
3474 van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en
3475 heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het
3476 kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb,
3477 doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.
3478
3479 Woedend sprak toen de schout:
3480
3481 --Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een
3482 andere pijnbank!
3483
3484 En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.
3485
3486 De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist,
3487 die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp
3488 als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was
3489 toen in de slachtmaand.
3490
3491 Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet,
3492 en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó
3493 schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist
3494 en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van
3495 't vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:
3496
3497 --Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?
3498
3499 --Breng haar dichter bij 't vuur, sprak de schout.
3500
3501 Toen ondervroeg hij Katelijne.
3502
3503 --Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den
3504 heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht
3505 op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet
3506 gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?
3507
3508 Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare
3509 handen als om "neen" te bedieden. Toen zegde de schout:
3510
3511 --Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen
3512 smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.
3513
3514 Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:
3515
3516 --Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.
3517
3518 Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten
3519 ten gevolge van de hitte des vuurs.
3520
3521 --Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.
3522
3523 Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard;
3524 hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet
3525 Katelijne alleen bij 't vuur, in de folterkamer.
3526
3527 Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en
3528 onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:
3529
3530 --Ik geloof, dat zij dood is.
3531
3532 De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen
3533 uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne's voeten
3534 waren rood en bloedden.
3535
3536 En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen
3537 woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde
3538 zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning,
3539 en sprak tot den schout:
3540
3541 --Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet
3542 meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is
3543 de echtgenoot.
3544
3545 Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:
3546
3547 --Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel
3548 de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo
3549 spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen,
3550 die mij willen vervolgen.
3551
3552 De schout sprak:
3553
3554 --Zij ontvangt den duivel in heur bedde.
3555
3556 --Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak
3557 de schrijver.
3558
3559 Katelijne werd terug naar 't gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen
3560 de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging,
3561 werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.
3562
3563 De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van
3564 Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de
3565 Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.
3566
3567 Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot
3568 het volk:
3569
3570 --De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe
3571 Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid
3572 van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur
3573 haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete
3574 betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme,
3575 op verbeurte van een lid.
3576
3577 En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.
3578
3579 De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren
3580 hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde
3581 lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.
3582
3583 Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het
3584 grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.
3585
3586
3587
3588
3589 XXXIX.
3590
3591 Terwijl Uilenspiegel te 's-Hertogenbosch in Brabant was, wilden de
3592 heeren van de stad hem tot hunnen nar benoemen, maar die weerdigheid
3593 weigerde hij, zeggende: "Reizende pelgrims mogen zich nergens vestigen;
3594 hun verblijf is de groote baan."
3595
3596 Rond dien tijd kwam Philippus, die koning van Engeland was, zijne
3597 toekomstige erfstaten Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland en
3598 Zeeland bezoeken. Hij was in zijn negen en twintigste jaar; in zijne
3599 grijze oogen las men bittere droefgeestigheid, woeste geveinsdheid
3600 en wreedaardige vastberadenheid. Koud was zijn aangezicht, stijf
3601 zijn hoofd met vaalrood haar, alsmede zijn mager lichaam en zijne
3602 schrale beenen. Langzaam en slijmerig sprak hij, alsof hij wolle in
3603 den mond had.
3604
3605 Te midden van tornooien, steekspelen en feesten, bezocht hij
3606 achtereenvolgens het vroolijke hertogdom Brabant, het rijke graafschap
3607 Vlaanderen en zijne andere heerlijkheden. Overal beloofde hij onder
3608 eede de privileges te zullen eerbiedigen; maar toen hij te Brussel
3609 op 't Evangelie zwoer de Brabantsche gouden bul te zullen in stand
3610 houden, trok zijne hand zoodanig te zamen, dat men hem het heilige
3611 boek moest afnemen.
3612
3613 Hij ging naar Antwerpen, waar men drie en twintig zegebogen
3614 oprichtte om hem te ontvangen. De stad gaf tweehonderd zeven en
3615 tachtig duizend gulden uit om die bogen te betalen, alsmede voor
3616 de kleedij van achttien honderd negen en zeventig kooplieden, allen
3617 in karmozijnpanne, en voor de rijke livrei van vierhonderd zestien
3618 lakeien en den schitterenden zijden dos van vier duizend poorters,
3619 allen eender gekleed. Menigvuldige feesten werden gegeven door de
3620 rederijkerskamers van bijna al de steden der Nederlanden.
3621
3622 Daar werden gezien met hunne narren: de Prins van Liefde, van Doornijk,
3623 rijdende op eene zeuge, die Astarte hiet; de Koning der Zotten, van
3624 Rijsel, die een peerd bestierde bij den steert en achter hetzelve
3625 ging; de Prins van Genuchte, van Valencijn, die zich vermaakte met
3626 de veesten van zijnen ezel te tellen; de Abt van Vroolijkheid, van
3627 Atrecht, die zijn Brusselschen wijn dronk uit eene flesch, in de
3628 gedaante van een getijdenboek, en het boek lustig om lezen vond; de
3629 Abt der Gevulde Buiken van Ath, die gescheurde kleederen en versleten
3630 schoenen aanhad, maar eene worst droeg, met dewelke hij zijn buiksken
3631 vulde; de Proost van Onbezonnenheid, jonge knaap, die op een schuwe
3632 geit zat en aldus door het volk reed, ten gevolge waarvan hij slagen
3633 en stompen in groote menigte ontving; de Abt van den Zilveren Schotel,
3634 van de stad Le Quesnoy die, te peerd, gebaarde zich neder te zetten
3635 in eenen schotel, zeggende: hoe groot een beest ook weze, het toch
3636 kan gebraden worden.
3637
3638 En zij vertoonden allerhande onschuldige gekheden, maar de vorst
3639 bleef somber en stuursch.
3640
3641 's Avonds nog kwamen de markgraaf van Antwerpen, de burgemeesteren,
3642 hoofdmannen en dekenen bijeen om toch iets te vinden, dat Philippus
3643 zou doen lachen.
3644
3645 De markgraaf sprak:
3646
3647 --Hebt gij nooit hooren spreken van zeker Pierken Jacobsen, den nar
3648 van 's-Hertogenbosch, die bekend is voor zijn aardige streken?
3649
3650 --Ja, spraken zij.
3651
3652 --Hewel, zei de markgraaf, laat ons hem ter stede ontbieden, en dat hij
3653 iets aardigs vertoone, vermits onze nar lood in zijn schoenen heeft.
3654
3655 --Laat ons hem ontbieden! spraken zij.
3656
3657 Toen de bode van Antwerpen naar 's-Hertogenbosch kwam, zegde men hem,
3658 dat de nar Pierken gebersten was van 't lachen; maar dat er voor
3659 eenigen tijd een andere nar in de stad was, met name Uilenspiegel.
3660
3661 De bode ging hem zoeken in eene taveerne, waar hij gestoofde mosselen
3662 aan 't eten was.
3663
3664 Uilenspiegel was verrukt toen hij vernam, dat het voor hem was,
3665 dat de schepenbode van Antwerpen kwam, op een schoon peerd van het
3666 Veurne-Ambacht en een ander peerd bij den toom houdend.
3667
3668 Zonder af te stijgen, vroeg de bode hem of hij geen nieuwe poetsen
3669 kende om koning Philippus te doen lachen.
3670
3671 --Onder mijn haar liggen poetsen met de macht, antwoordde Uilenspiegel.
3672
3673 En zij reden weg. De twee peerden liepen spoorslags tot Antwerpen,
3674 met den bode en met Uilenspiegel.
3675
3676 Uilenspiegel verscheen vóór den markgraaf, de beide burgemeesters en
3677 de poorters van Antwerpen.
3678
3679 --Wat schikt gij te doen? vroeg de markgraaf hem.
3680
3681 --In de lucht vliegen, antwoordde Uilenspiegel.
3682
3683 --Hoe gaat gij dat aanleggen? vroeg de markgraaf.
3684
3685 --Weet gij wat nog minder weerd is dan eene blaas die berst?
3686
3687 --Neen, sprak de markgraaf.
3688
3689 --'t Is een geheim dat men uitbrengt, was 't antwoord van Uilenspiegel.
3690
3691 De feestherauten reden op hunne schoone peerden met karmozijnpanne
3692 getoomd, door de straten, markten en pleinen van de stad met slaande
3693 trom en schallenden hoorn. Op die wijze maakten zij bekend aan de
3694 signoorkens en signorinnekens, dat Uilenspiegel, de nar van Damme,
3695 op de kaai in de lucht zou vliegen, in de aanwezigheid van koning
3696 Philippus en zijn eerweerdig, doorluchtig en adelijk gezelschap.
3697
3698 Rechtover de estrade des konings stond een huis op Italiaansche wijze
3699 gebouwd, onder welks dak eene regengoot liep. En op die goot kwam
3700 een zoldervenster uit.
3701
3702 Dien dag reed Uilenspiegel door de stad op een ezel. Een voetknecht
3703 ging nevens hem. Uilenspiegel had het schoon karmozijnzijden kleed
3704 aangetrokken, hetwelk de heeren van de stad hem gegeven hadden. Tot
3705 hoofddeksel droeg hij eene kap, mede van karmozijnzijde, waaraan twee
3706 ezelsooren met een belleken aan. Hij droeg een halssnoer van koperen
3707 penningen, waarop het schild van Antwerpen prijkte. Aan de mouwen
3708 van zijn kleed zag men aan een puntigen elleboog een paar vergulde
3709 bellekens. Ook droeg hij puntleersjes, met een belleken aan elken top.
3710
3711 Zijn ezel, getoomd met karmozijnzijde, droeg op elke bil het schild
3712 van Antwerpen, met fijn goud geborduurd.
3713
3714 De knecht hield met de eene hand den ezel bij den kop en met de andere
3715 eenen tak, aan denwelken een koebelletje klingelde.
3716
3717 Uilenspiegel liet zijn knecht en zijn ezel op straat en klom in
3718 de dakgoot.
3719
3720 Daar deed hij de bellekens klinken en strekte de armen wijd open, alsof
3721 hij vliegen ging. Dan bukte hij zich naar koning Philippus, zeggende:
3722
3723 --Ik dacht, dat niemand dan ik in Antwerpen zot was, maar ik zie,
3724 dat de stad vol gekken is. Hadt gij mij gezegd dat gij vliegen zoudt,
3725 dan had ik u niet geloofd; maar een zot komt u zeggen dat hij het zal
3726 doen, en gij gelooft hem! Hoe wilt gij dat ik vliege, daar ik geene
3727 vleugelen heb?
3728
3729 De eenen lachten, de anderen vloekten, maar allen zegden:
3730
3731 --'t Is toch de waarheid.
3732
3733 Maar koning Philippus bleef stijf als een koning van steen.
3734
3735 En die van de gemeente fluisterden tot elkaar:
3736
3737 --'t Was de moeite niet, al die vermakelijkheden in te richten voor
3738 zulk een zuur gezicht.
3739
3740 En zij gaven drie gulden aan Uilenspiegel die heenging, nadat hij
3741 hun het karmozijnzijden kleed had teruggegeven.
3742
3743 --Wat zijn drie gulden in de tassche van een jonkman anders dan
3744 een sneeuwbal vóór 't vuur, dan een volle flesch vóór uw aanschijn,
3745 drinkebroers? Drie gulden! De bladeren vallen van de boomen, doch er
3746 schieten nieuwe op hunne plaats; maar de guldens gaan uit de zakken
3747 en keeren er nimmermeer in; de vlinders verdwijnen met den zomer,
3748 en de guldens ook, hoewel zij meer dan twee esterlings wegen.
3749
3750 Dus sprekende, staarde Uilenspiegel naar zijne drie gulden.
3751
3752 --Welk fier gezicht, murmelde hij, heeft, op de zijde van den
3753 beeldenaar, die gehelmde, geharnaste keizer Karel, met een zweerd
3754 in eene hand en den aardbol in de andere! Door de genade Gods is
3755 hij Roomsch keizer, koning van Spanje enz., en hij is wel genadig
3756 voor ons, de geharnaste keizer! En hier op de keerzijde, hebt ge een
3757 schild, op hetwelk de wapenen van zijne verschillende graafschappen,
3758 hertogdommen en heerlijkheden prijken, met die schoone spreuke:
3759 Da mihi virtutem contra hostes tuos: "Geef mij dapperheid tegen uwe
3760 vijanden". Hij was dapper, inderdaad, tegen de protestanten, die have
3761 en goed hadden, om van dezelven te erven. Ha! was ik keizer Karel,
3762 ik liet guldens voor een iegelijk slaan; zoo iedereen rijk was,
3763 zou niemand meer hoeven te werken.
3764
3765 Maar Uilenspiegel had niet lang genoegen in 't bezien van zijn geld:
3766 weldra verzwond het in 't gerinkel van bottels en pinten.
3767
3768
3769
3770
3771 XL.
3772
3773 Terwijl Uilenspiegel zich in karmozijnzijde op de dakgoot vertoonde,
3774 had hij Nele niet gezien, die hem, onder de menigte, glimlachend
3775 toekeek. Zij woonde te Borgerhout, omtrent Antwerpen, en zij had
3776 gedacht, dat, als een nar voor koning Philippus moest vliegen, het
3777 niemand anders kon zijn dan haar Uilenspiegel.
3778
3779 Terwijl hij droomend heenging, hoorde hij niet 't gerucht van haastige
3780 stappen achter zich, doch hij voelde de twee handjes wel, die langs
3781 achteren vóór zijne oogen werden gebracht. Aan Nele denkend, vroeg hij:
3782
3783 --Zijt gij het?
3784
3785 --Ja, sprak zij, ik loop achter u sedert dat gij uit de stad zijt. Kom
3786 mede met mij.
3787
3788 --Maar, antwoordde hij, waar is Katelijne?
3789
3790 --Gij weet niet, sprak zij, dat zij onrechtveerdig als tooveres
3791 gefolterd werd, vervolgens voor drie jaar uit Damme gebannen,
3792 en men haar pijnigde en brandde. Ik zeg u dit, opdat gij niet
3793 zoudt verschieten, want zij is uitzinnig ten gevolge van de hevige
3794 smerten. Gansche nachten soms beziet ze heure voeten, zeggende:
3795 Hansken, mijn zoete duivel, zie eens wat zij gedaan hebben met uwe
3796 vriendinne. En heur arme voeten gelijken twee bloedige wonden. Dan
3797 weent zij, zeggende: Andere vrouwen hebben een man of een minnaar,
3798 ik, ik leef op deze wereld als een weduwe. Maar dan zeg ik tot haar,
3799 dat haar Hansken boos zal wezen, als zij van hem tot anderen durft
3800 spreken. En zij luistert naar mij gedwee als een kind, behalve wanneer
3801 zij een os of eene koe, oorzake harer foltering, ziet; dan neemt zij
3802 ijlings de vlucht, zonder dat iets, barreelen of beken of grachten,
3803 haren loop kunne stuiten, totdat zij eindelijk nederzijgt aan den
3804 zoom van een weg of tegen den muur van eene hoeve, waar ik haar ga
3805 oprapen om heure bloedende voeten te verbinden. En ik geloof, dat
3806 zij met het brandende werk, ook heure hersenen verbrand hebben.
3807
3808 En beiden waren zeer bedroefd, terwijl zij dachten aan Katelijne.
3809
3810 Zij kwamen bij haar en zagen heur op eene bank in de zonne zitten,
3811 tegen den muur van heur huis. Uilenspiegel vroeg:
3812
3813 --Herkent gij mij?
3814
3815 Viermaal drie, sprak zij, is een heilig getal, en de dertiende is
3816 Thereb. Wie zijt gij, kind dezer booze wereld?
3817
3818 --Ik ben Uilenspiegel, antwoordde hij, de zoon van Klaas en van
3819 Soetkin.
3820
3821 Zij knikte tot teeken dat zij hem herkende; vervolgens wenkte zij
3822 hem om nader te komen en fluisterde hem in 't oor:
3823
3824 --Als gij hem ziet, wiens kussen koud als de sneeuw zijn, zeg hem
3825 dan te komen, Uilenspiegel.
3826
3827 Vervolgens heur verbrand haar toonende, sprak zij:
3828
3829 --Ik heb zeer; zij hebben mij mijnen geest afgenomen, maar als hij
3830 komt zal hij mijn hoofd vullen, dat nu hol is van binnen. Hoort
3831 gij? het klinkt als een klokke; 't is mijne ziel, die aan de deur
3832 klopt om henen te gaan, daar het brandt in de helle. Als Hansken komt
3833 en hij mijn hoofd niet wil vullen, zal ik hem zeggen er een gat in
3834 te snijden: de ziel, die daar binnen is en klopt om buiten te komen,
3835 bedrukt mij zoo deerlijk, dat ik het besterven zal. En nimmer slaap
3836 ik meer, steeds wacht ik op hem, dat hij mij mijn geest teruggeve.
3837
3838 En nederzijgend, zuchtte zij diep.
3839
3840 En de boeren, die van het veld kwamen op etenstijd, als de klokken
3841 luiden, gingen voorbij Katelijne en spraken:
3842
3843 --Daar is de zottinne.
3844
3845 En zij maakten het teeken des kruises.
3846
3847 En Nele en Uilenspiegel weenden, en Uilenspiegel moest zijne bedevaart
3848 voortzetten.
3849
3850
3851
3852
3853 XLI.
3854
3855 Zijn beeweg vervolgend, trad hij in dienst bij zekeren Judocus, de
3856 kwabakker geheeten, om den wille van zijne zure en norsche tronie. De
3857 kwabakker gaf hem voor eten drie oudbakken brooden per week en deed
3858 hem slapen in een kot onder het dak, waar het regende en waaide dat
3859 het een pleizier was.
3860
3861 Als Uilenspiegel zag, dat hij zoo slecht behandeld werd, bakte hij
3862 zijnen baas verscheidene poetsen en onder andere deze: als men 's
3863 morgens heel vroeg bakt, moet men 's nachts het meel builen. Nu op
3864 een nacht dat de mane scheen, vroeg Uilenspiegel een keers om te zien,
3865 en hij kreeg van zijn meester het volgende antwoord:
3866
3867 --Buil het meel in den maneschijn.
3868
3869 Uilenspiegel gehoorzaamde, en builde het meel op den grond, daar waar
3870 de maan scheen.
3871
3872 Als de kwabakker 's morgens kwam zien naar Uilenspiegel's werk,
3873 vond hij hem nog aan 't builen.
3874
3875 --Kost het meel dan geen geld meer, sprak hij, dat gij het nu op den
3876 grond built?
3877
3878 --Ik heb het meel in den maneschijn gebuild, gelijk gij mij geheeten
3879 hebt, antwoordde Uilenspiegel.
3880
3881 De bakker antwoordde:
3882
3883 --Ezel, die ge zijt: 't was door eene zeef dat gij het moest doen.
3884
3885 --Ik meende, dat de maan eene zeef van uwe vinding was, antwoordde
3886 Uilenspiegel. Maar er zal niet veel verloren gaan, ik zal het meel
3887 opscheppen.
3888
3889 --'t Is nu te laat, antwoordde de bakker, om deeg te maken en te
3890 bakken.
3891
3892 Uilenspiegel sprak:
3893
3894 --Baas, het deeg van onzen buurman is gereed in den trog, wil ik het
3895 gaan nemen?
3896
3897 --Loop naar de galg, antwoordde de kwabakker, neem wat er te vinden is.
3898
3899 --Ik ga, baas, antwoordde Uilenspiegel.
3900
3901 Hij liep naar het galgeveld en vond er de verdroogde hand van een
3902 dief. Hij bracht ze aan den kwabakker en sprak:
3903
3904 Dit is eene gelukshand, die onzichtbaar maakt, wie ze draagt. Wilt
3905 gij uwe slechte inborst verbergen?
3906
3907 --Ik zal u zwart maken bij het gerecht, antwoordde de kwabakker,
3908 en gij zult zien dat gij het heerenrecht hebt overtreden.
3909
3910 Toen zij getweeën vóór den burgemeester stonden, wilde de kwabakker al
3911 de misdaden van Uilenspiegel opsommen, maar deze zette groote oogen
3912 op en maakte den kwabakker zoo grammoedig, dat hij zijne aanklacht
3913 onderbrak om te vragen:
3914
3915 --Wel, wat is er?
3916
3917 Uilenspiegel antwoordde:
3918
3919 --Gij hebt mij gezegd, dat gij mij zoodanig zwart gingt maken, dat
3920 ik zou zien. Wel, ik zie niemendal....
3921
3922 --Uit mijne oogen! riep de bakker.
3923
3924 --Was ik in uw oogen, antwoordde Uilenspiegel, dan zou ik, als gij
3925 ze toedeedt, er langs de neusgaten moeten uitkruipen.
3926
3927 De burgemeester dacht dat men hem voor den aap hield en wilde hen
3928 niet langer aanhooren.
3929
3930 Uilenspiegel en de kwabakker kwamen samen buiten, de bakker hief zijn
3931 stok op, doch Uilenspiegel sprong ter zijde en sprak:
3932
3933 --Baas, daar het met slagen is dat men mijn meel built, neem gij
3934 de zemelen: dat is uwe norschheid; ik houd de bloem: dat is mijne
3935 vroolijkheid.
3936
3937 En zich omkeerende, zei hij: Als ge bakken wilt--hier is de oven.
3938
3939
3940
3941
3942 XLII.
3943
3944 De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden, maar hij
3945 zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.
3946
3947 Hij stapte op goed valle 't uit naar Oudenaarde, waar toen een
3948 garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de
3949 Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.
3950
3951 De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij
3952 ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als
3953 naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.
3954
3955 Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren
3956 en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen
3957 terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen,
3958 die sliep en zeker van stoverije droomde.
3959
3960 --Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.
3961
3962 --Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.
3963
3964 --Wat is uw ambacht?
3965
3966 --Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde
3967 dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den
3968 rommelpot spelen en op de trompet blazen.
3969
3970 Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen,
3971 was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde,
3972 de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van
3973 den ouden man welke die bediening vervulde.
3974
3975 Kornjuin zei hem:
3976
3977 --Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.
3978
3979 Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste
3980 torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor
3981 alle winden, behalve voor dien uit 't Zuiden.
3982
3983 Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen
3984 en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden,
3985 weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.
3986
3987 De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten
3988 heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan
3989 een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en
3990 opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden
3991 moest houden met zijn mageren disch, vond in 't heel geen behagen
3992 in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee,
3993 doch Uilenspiegel blies het alarm niet.
3994
3995 Kornjuin kwam boven en vroeg:
3996
3997 --Waarom hebt gij niet geblazen?
3998
3999 Uilenspiegel sprak:
4000
4001 --Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.
4002
4003 's Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en
4004 zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen
4005 zich deugd doen aan 't lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.
4006
4007 Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren,
4008 verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de
4009 stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne
4010 herkauwde, en dien zij meenamen.
4011
4012 Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met
4013 wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende
4014 beenen staan aan de deur van de zaal van 't festijn. Hij sprak:
4015
4016 --'t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet,
4017 en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.
4018
4019 --Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om
4020 mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van
4021 wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen,
4022 nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.
4023
4024 De hoofdman ging henen en zei geen woord.
4025
4026 Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede
4027 zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid
4028 gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit
4029 beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra
4030 hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van
4031 de Borgpoort.
4032
4033 Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden,
4034 het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te
4035 zetten, de vaten aan te steken.
4036
4037 Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was,
4038 zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op
4039 fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen
4040 banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche
4041 muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne,
4042 met bloemen geborduurd.
4043
4044 Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was,
4045 die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwam toestaan hem hunne
4046 beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.
4047
4048 Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die
4049 eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die
4050 lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo
4051 zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze
4052 dus komen, maar blies niet op de trompet.
4053
4054 Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit
4055 het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats
4056 genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch
4057 hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om
4058 zijne komst te kondschappen.
4059
4060 Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij
4061 in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde
4062 aanrukte, om alles te stelen en te rooven.
4063
4064 Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere
4065 poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht
4066 kermiste zonder van iets te weten.
4067
4068 Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of
4069 kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde
4070 hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de
4071 poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan
4072 te worden.
4073
4074 En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden
4075 bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond,
4076 riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels
4077 zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.
4078
4079 Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:
4080
4081 --Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?
4082
4083 De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd
4084 de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen
4085 spotters van nature waren, en keizer Karel voor 't oogenblik oorloogde
4086 in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.
4087
4088 Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:
4089
4090 --Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst
4091 zult gij uwe sleutels inslikken.
4092
4093 Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar
4094 't geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:
4095
4096 --Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij
4097 verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar 't kasteel
4098 van Lalaing voerde.
4099
4100 De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels
4101 en deed de poort open.
4102
4103 De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de
4104 soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort
4105 weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed
4106 ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.
4107
4108 Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te
4109 bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk
4110 lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het
4111 stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de
4112 zaal binnen en riep:
4113
4114 --Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!
4115
4116 Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen
4117 burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer
4118 Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het
4119 vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op 't vuur te zetten
4120 en de tonnen aan te steken.
4121
4122 Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:
4123
4124 --Keizer Karel is op de Groote Markt!
4125
4126 Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.
4127
4128 Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet
4129 verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den
4130 eerbied, den vorst verschuldigd.
4131
4132 De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden,
4133 maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits
4134 hij, op de mare van 't bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet
4135 werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen,
4136 zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had
4137 het niet gedaan.
4138
4139 De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.
4140
4141 --Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl
4142 gij een goeden bril hadt?
4143
4144 Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de
4145 zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.
4146
4147 Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert
4148 hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril
4149 meer wilde bezigen.
4150
4151 De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei
4152 dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om
4153 die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met
4154 schrik vervuld.
4155
4156 De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder
4157 en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem
4158 vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust
4159 te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en
4160 te plagen.
4161
4162 Het gemeen, dat volgde, zegde:
4163
4164 --'t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een
4165 gering vergrijp ter dood te veroordeelen.
4166
4167 En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden,
4168 zegden:
4169
4170 --Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de
4171 costume van Oudenaarde.
4172
4173 Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder
4174 getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers
4175 drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie
4176 bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de
4177 uitvoering moest geven.
4178
4179 Heel het vergaderde volk riep:
4180
4181 --Genade! genade voor Uilenspiegel!
4182
4183 Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:
4184
4185 --Medelijden! genadige keizer!
4186
4187 De keizer hief de hand op en sprak:
4188
4189 --Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik
4190 hem het leven!
4191
4192 --Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.
4193
4194 De vrouwen weenden en zeiden:
4195
4196 --Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.
4197
4198 En allen riepen:
4199
4200 --Spreek, Uilenspiegel!
4201
4202 --Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het
4203 leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als
4204 ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken,
4205 vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.
4206
4207 --Dat beloof ik, sprak de keizer.
4208
4209 --Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde,
4210 gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....
4211
4212 De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:
4213
4214 --Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen
4215 worden, Uilenspiegel.
4216
4217 Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden
4218 lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde
4219 hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van
4220 achteren zouden zien.
4221
4222 En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen
4223 van de stad.
4224
4225 En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld,
4226 dat de vrouwen hem hadden gegeven.
4227
4228
4229
4230
4231 XLIII.
4232
4233 Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken
4234 jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg
4235 en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.
4236
4237 Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.
4238
4239 --Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.
4240
4241 --Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het
4242 zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?
4243
4244 --Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.
4245
4246 --'t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene
4247 lijster, als credo, staat verre daarboven.
4248
4249 --Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.
4250
4251 Lamme Goedzak antwoordde:
4252
4253 --'k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij
4254 altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd,
4255 die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.
4256
4257 --Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.
4258
4259 --Ja, sprak Lamme.
4260
4261 En beiden slenterden voort langs de markt.
4262
4263 Eensklaps vroeg Lamme:
4264
4265 --Weet gij waarom gij niet wijs zijt?
4266
4267 --Neen, antwoordde Uilenspiegel.
4268
4269 Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.
4270
4271 --Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood
4272 meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.
4273
4274 --Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij
4275 dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.
4276
4277 Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone,
4278 lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en
4279 Lamme toelonkte.
4280
4281 Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met
4282 visch, het ander met wild.
4283
4284 --Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.
4285
4286 --Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, 't is een Vlaamsche van
4287 Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d'Isle, en de buren zeggen,
4288 dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat
4289 heur vader heure hemdenen strijkt.
4290
4291 Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:
4292
4293 --Zij heeft mij bezien.
4294
4295 Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over
4296 de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam
4297 opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.
4298
4299 --Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te
4300 helpen in uw werk?
4301
4302 --Ik zal hem probeeren, sprak zij.
4303
4304 --Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken
4305 proeven.
4306
4307 Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene
4308 homp brood.
4309
4310 Terwijl Uilenspiegel aan 't eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.
4311
4312 --Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?
4313
4314 --Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.
4315
4316 --In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd
4317 om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn
4318 onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van
4319 de Maas.
4320
4321 --Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een
4322 eenzame ziele.
4323
4324 --Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.
4325
4326 Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.
4327
4328 Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten
4329 verslonden:
4330
4331 --Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden,
4332 in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met
4333 een slappen en ledigen buik.
4334
4335 --De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.
4336
4337 --Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.
4338
4339 --Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden,
4340 en eten lijk ik.
4341
4342 --Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.
4343
4344 Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen
4345 die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels,
4346 potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.
4347
4348 Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en
4349 keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee
4350 kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien,
4351 terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.
4352
4353 Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.
4354
4355 Sanginne kwam terug en ze sprak:
4356
4357 --Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.
4358
4359 --Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde
4360 Uilenspiegel.
4361
4362 Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken
4363 kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:
4364
4365 --Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.
4366
4367 --Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam,
4368 hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee
4369 kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is
4370 voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?
4371
4372 --Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u
4373 zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.
4374
4375 --Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.
4376
4377 Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half,
4378 als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar
4379 een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen,
4380 goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.
4381
4382 Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die
4383 deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.
4384
4385 Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:
4386
4387 --Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed
4388 waart in huis. Hoor dien haan kraaien, 't is twee uren na middag,
4389 dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er
4390 slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met
4391 heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat,
4392 moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze
4393 drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.
4394
4395 En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde
4396 Lamme en zijne keuken.
4397
4398
4399
4400
4401 XLIV.
4402
4403 De slachtmaand kwam te Damme en elders, maar 't was een late
4404 winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's
4405 morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en
4406 wegen; en kooplieden, kramers, goudsmeden, wagenmakers en werklieden
4407 kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den
4408 immerblauwen hemel, naar de boomen, die nog hunne bladeren hadden,
4409 naar de ooievaars, die op de daken zaten en de zwaluwen, die nog
4410 niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en botten
4411 voor de vierde reize; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden
4412 in de bosschen.
4413
4414 Die van Damme zegden:
4415
4416 --De winter is dood, laat ons hem verbranden.
4417
4418 En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen
4419 baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en
4420 verbrandden hem in groote plechtigheid.
4421
4422 Klaas was weemoedig; hij zegende geenszins den immerblauwen hemel,
4423 noch de zwaluwen die niet wilden vertrekken. Want te Damme brandde
4424 niemand meer kolen, tenzij voor de keuken, en daar iedereen er
4425 daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne
4426 spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.
4427
4428 De kooldrager stond op de zulle zijner deur, toen hij zijn neus door
4429 een koel windeken voelde streelen,
4430
4431 --Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.
4432
4433 Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer
4434 blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn
4435 wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard
4436 Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek
4437 in de arme stulp.
4438
4439
4440
4441
4442 XLV.
4443
4444 Doch koning Philippus had geen honger; hij at gebakjes bij zijne
4445 gemalin, Maria de leelijke, van het koninklijk huis der Tudor's. Hij
4446 beminde heur niet, doch hoopte die tengere vrouw te bevruchten om
4447 aan de Engelsche natie een Spaanschen koning te geven.
4448
4449 Maar de verbintenis van een steen met een brandende kool mislukte haar
4450 doel. Toch waren Philippus en Maria genoeg verbonden om protestanten
4451 met honderden te doen sterven door het vuur en het water.
4452
4453 Als Philippus niet uit Londen was, of als hij niet, onder eenige
4454 vermomming, in het een of ander slecht kot zijn vermaak zocht, bracht
4455 de nacht de beide echtgenooten bij elkander.
4456
4457 Dan leunde koningin Maria, in schoone Iersche kant en fijn Doornijksch
4458 lijnwaad gehuld, tegen het echtelijk bed, terwijl Philippus keek of
4459 hij bij zijne vrouw geenerlei teeken van zwangerschap zag; doch niets
4460 ziende, werd hij kwaad en bekeek de toppen zijner vingeren zonder
4461 een woord te uiten. Teederlijk zag de vorstinne hem aan; smeekte
4462 den ijskouden Philippus om liefde. Niets ontzag zij, tranen, kreten,
4463 noch smeekingen om een kus te ontvangen van hem, die heur zijn minne
4464 niet schonk.
4465
4466 Als een uitzinnige vrouw lachte en weende zij tegelijk om hem te
4467 verteederen; doch lachen noch tranen vermochten dit steenen herte
4468 te smelten.
4469
4470 Als een verliefde slang, kronkelde zij zich, sloeg zij te vergeefs
4471 hare armen rond hem en trok zij tegen heur hert de smalle borstkas,
4472 waar de wanstaltige ziel van den bloedigen koning in huisde; maar
4473 hij verroerde zich niet.
4474
4475 De arme vrouw deed heur best lieftallig te zijn; zij gaf hem al de
4476 zoete namen, die de minnezieken geven aan de verkorene heurs herten:
4477 Philippus bekeek de toppen zijner vingeren.
4478
4479 Soms antwoordde hij:
4480
4481 --Zult gij nooit kinderen hebben?
4482
4483 Op die rede boog Maria het hoofd.
4484
4485 --Is het mijne schuld, sprak zij, zoo ik onvruchtbaar ben? Heb
4486 medelijden met mij: ik leef als eene weduwe.
4487
4488 --Waarom hebt gij geene kinderen? sprak Philippus.
4489
4490 Toen viel de vorstinne op het tapijt, als door den dood getroffen. En
4491 hare oogen baadden in tranen, en zij hadde bloed geweend, hadde
4492 zij gekunnen.
4493
4494 En aldus wreekte God de slachtofferen, waarmede de beulen Engelands
4495 bodem hadden bedekt.
4496
4497
4498
4499
4500 XLVI.
4501
4502 Het gerucht liep, dat keizer Karel van zins was het recht van
4503 erflating te ontnemen aan al degenen, die in de kloosters stierven,
4504 hetgeen den Paus grootelijks mishaagde.
4505
4506 Uilenspiegel, die toen in de vallei der Maas was, dacht dat de keizer
4507 aldus te allen kant voordeel halen zou, want hij erfde als de familie
4508 niet erfde. Hij zette zich neder aan den oever van den stroom en
4509 wierp zijne lijn met het aas uit. Vervolgens knaagde hij aan een oude
4510 broodkorst; het speet hem wel, dat hij er geen kroes wijn bij had, maar
4511 hij zegde tot zich zelven: men kan 't niet altijd naar wensch hebben.
4512
4513 Toen wierp hij een stuk van zijn brood in 't water, want wie zijn
4514 maaltijd niet deelt met zijn evennaaste, is niet weerd dat hij leeft.
4515
4516 Een grondeling kwam het brood rieken en opende onnoozel den bek, in
4517 den waan, dat het brood er van zelf ging in vallen. Terwijl hij aldus
4518 in de lucht keek, werd hij eensklaps ingeslikt door een verradelijken
4519 snoek, die als een pijl op hem was toegeschoten.
4520
4521 Een karper, die argeloos in de lucht naar de vliegen hapte, onderging
4522 hetzelfde lot. Als de snoek verzadigd was, bleef hij onbeweeglijk stil,
4523 de kleine vischjes versmadend, die pijlsnel van hem wegzwommen. Terwijl
4524 hij aldus in trotschheid zijn gemak nam, schoot een hongerige,
4525 vraatzuchtige snoek met open muil op hem toe. Een woedend gevecht
4526 ontstond en weldra zag het water rondom hen rood van bloed. De
4527 verzadigde snoek verdedigde zich slecht tegen den hongerige, die wat
4528 achteruit zwom, zijn aandrift nam en op zijn tegenstrever toeschoot,
4529 welke hem met open muil afwachtte en de helft van zijn kop inslikte;
4530 hij wilde hem weder uit den muil stooten, doch hij slaagde er niet in,
4531 om den wille van zijne haaktanden. En beide spartelden wanhopiglijk.
4532
4533 Aldus aaneengehecht, zagen zij den sterken angel niet, die, aan een
4534 zijden snoer gebonden, langzaam omhoog kwam en in de vinne drong van
4535 den verzadigden snoek, beide optrok en ze met krachtigen zwenk op
4536 het gras smeet.
4537
4538 Uilenspiegel sneed hun de keel af en sprak:
4539
4540 --Snoeken, mijne vrienden, mocht gij de paus en de keizer zijn, die
4541 elkander verslinden, en ik het wakkere volk dat u beiden opscheert,
4542 op het uur dat God zal believen!
4543
4544
4545
4546
4547 XLVII.
4548
4549 En Katelijne, die Borgerhout niet verlaten had, dwaalde steeds door
4550 de velden en herhaalde gedurig: "Hansken, mijn man, zij hebben
4551 vuur op mijn hoofd gelegd; maak er een gat in, dat mijne ziel er
4552 uit kome. Helaas! zij klopt altijd en elke klop doet zeer als een
4553 hamerslag."
4554
4555 En Nele verzorgde de arme uitzinnige, en treurig dacht zij aan heuren
4556 vriend Uilenspiegel.
4557
4558 En te Damme bond Klaas zijne mutsaards en verkocht zijne kolen;
4559 en menigwerf werd hij droefgeestig als hij dacht aan Uilenspiegel,
4560 den banneling, die nog in langen tijd niet zou mogen terugkeeren naar
4561 de ouderlijke stulp.
4562
4563 Soetkin zat heele dagen aan het venster te kijken of zij heuren zoon
4564 niet zag aankomen.
4565
4566 Deze was nu bij Keulen en kreeg lust in 't hovenieren.
4567
4568 Hij ging zich als knecht verhuren bij Jan van Zuursmoel, die, ten
4569 tijde dat hij kapitein der landsknechten was, wegens wanbetaling van
4570 soldij bijna gehangen geweest was, weshalve hij een grooten afkeer
4571 had van hennep, door de boeren kennep genoemd.
4572
4573 Op zekeren dag nam Jan van Zuursmoel Uilenspiegel mede naar zijn akker,
4574 waarnaast een dagwand, geheel met kennep beplant.
4575
4576 Jan van Zuursmoel sprak tot Uilenspiegel:
4577
4578 --Telkenmale dat gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel
4579 verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en
4580 tot galg.
4581
4582 --Ik zal het onthouden, antwoordde Uilenspiegel.
4583
4584 Eens nu dat Jan van Zuursmoel met eenige vrienden aan tafel zat,
4585 zei de keukenmeid tot Uilenspiegel:
4586
4587 --Ga naar den kelder en haal er den zennep, wat toen mosterd bediedde.
4588
4589 Uilenspiegel opzettelijk kennep in plaats van zennep verstaande,
4590 bejegende den mosterdpot met de meest mogelijke verachting en kwam
4591 hem vervolgens op de tafel stellen, heimelijk lachend.
4592
4593 --Waarom lacht gij? vroeg Jan van Zuursmoel. Meent gij dat onze
4594 neuzen van koper zijn? Eet zelf dien zennep, mits gij hem zelven
4595 gereedgemaakt hebt.
4596
4597 --Ik eet liever kaneelkoekjes, antwoordde Uilenspiegel.
4598
4599 Jan van Zuursmoel stond recht om hem te slaan.
4600
4601 --Wat hebt gij in dien mosterdpot gedaan? sprak hij.
4602
4603 --Wel baas, antwoordde Uilenspiegel, herinnert gij u niet den dag, toen
4604 ik u moest volgen naar den akker en gij mij, den zennep aanwijzende,
4605 zegdet: "Overal waar gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met
4606 zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot
4607 rad en tot galg." En ik heb het gedaan, baas, ik heb ze al mijne
4608 verachting uitgedrukt; gaat ge mij nu slaan omdat ik gehoorzaam was?
4609
4610 --Ik heb kennep gezeid en niet zennep, riep Jan van Zuursmoel.
4611
4612 --Baas, ge hebt zennep gezeid en niet kennep, antwoordde Uilenspiegel.
4613
4614 Nog langen tijd twistten zij aldus voort, Uilenspiegel op nederigen
4615 toon, Jan van Zuursmoel met een woedend geschreeuw, waarin hij de
4616 woorden hennep, zennep, kemp-zemp, zemp-kemp ondereen mengde als een
4617 verwarde streng zijde.
4618
4619 En de gasten lachten als duivels, die zich goed doen aan
4620 preekheerenribben en kettermeestersnieren.
4621
4622 Maar Uilenspiegel moest de deur uit.
4623
4624
4625
4626
4627 XLVIII.
4628
4629 Nele was nog zeer bedroefd voor heur zelve en voor heure uitzinnige
4630 moeder.
4631
4632 Als Uilenspiegel zich bij een kleermaker verhuurde, zei deze tot hem:
4633
4634 --Als gij naait, naai dicht aaneen, dat ik de steken niet
4635 zie. Uilenspiegel ging zich onder eene tonne zetten en begon daar
4636 te naaien.
4637
4638 --Wat is dàt nu? riep de kleermaker.
4639
4640 --Ik ben in de ton gekropen om te naaien, dan kunt gij immers de
4641 steken niet zien? antwoordde Uilenspiegel.
4642
4643 --Kom, sprak de kleermaker, zet u hier neer op de tafel, en stik uwe
4644 steken dicht bij elkander, en maak het kleed als deze wolf.--Wolf
4645 was de naam van een boerenwambuis.
4646
4647 Uilenspiegel nam het wambuis, sneed het aan stukken, naaide het aaneen,
4648 zooveel als hij kon in de gedaante van een wolf.
4649
4650 Toen de kleermaker dat zag, riep hij uit:
4651
4652 --Wat duivel? maakt gij daar?
4653
4654 --Een wolf, antwoordde Uilenspiegel.
4655
4656 --Leelijke spotter, sprak de kleermaker, ik had u gezegd van een
4657 wolf te maken, 't is waar, maar gij weet toch wel, dat een wolf een
4658 boerenwambuis is.
4659
4660 Eenigen tijd naderhand zegde hij hem:
4661
4662 --Jongen, gooi nog eens gauw de mouwen aan dien bovenkerel daar,
4663 eer gij slapen gaat.
4664
4665 Uilenspiegel hing den bovenkerel aan eenen nagel en bracht heel den
4666 nacht door met de mouwen naar het kleedingstuk te werpen.
4667
4668 Op het leven dat hij maakte, kwam de kleermaker kijken.
4669
4670 --Deugniet, sprak hij, welke kwade poets zijt gij mij nu aan 't bakken?
4671
4672 --Gij heet dat een kwade poets? antwoordde Uilenspiegel. Bezie die
4673 mouwen, heel den nacht gooi ik ze naar den bovenkerel, en ze blijven
4674 er nog niet op.
4675
4676 --Dat spreekt van zelf, zei de kleermaker, daarom gooi ik u op straat,
4677 misschien blijft gij er op.
4678
4679
4680
4681
4682 XLIX.
4683
4684 Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde
4685 letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen
4686 de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de
4687 stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.
4688
4689 Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij
4690 overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en
4691 schacheraars.
4692
4693 Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige
4694 peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, 't is te zeggen naar een
4695 hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht
4696 hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin
4697 stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint,
4698 alsof er muskus in stak.
4699
4700 Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord
4701 om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode
4702 en groene zakjes, 's Avonds stelde hij een keersken midden tusschen
4703 de zakjes, om ze te verlichten.
4704
4705 Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op
4706 geheimzinnigen toon:
4707
4708 --Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.
4709
4710 --Wat is het dan? vroegen de klanten.
4711
4712 --Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die
4713 recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste
4714 gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten
4715 Mahomed.
4716
4717 De klanten zeiden tot elkander:
4718
4719 't Is een Turk.
4720
4721 Anderen spraken:
4722
4723 --Maar neen, 't is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij
4724 't niet aan zijne tale?
4725
4726 En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:
4727
4728 --Geef ons eenige profetische zaadkorrels.
4729
4730 --Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.
4731
4732 En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen,
4733 zeggende:
4734
4735 --Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!
4736
4737 Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een
4738 Vlaming was met profetische zaadkorrels.
4739
4740 --Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf
4741 van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.
4742
4743 En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne
4744 zaadkorrels.
4745
4746 Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat
4747 zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden,
4748 die langs de markt slenterden.
4749
4750 --Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden
4751 zal van mijn schip, dat op zee is.
4752
4753 --Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde
4754 Uilenspiegel.
4755
4756 Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid,
4757 en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.
4758
4759 --Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel,
4760 want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man,
4761 die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:
4762
4763 --Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of
4764 ik dezen nacht alleene zal slapen.
4765
4766 --Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait,
4767 zal horens maaien.
4768
4769 De jonge snaak was grammoedig en vroeg:
4770
4771 --Wat wilt gij zeggen?
4772
4773 --De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen
4774 een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed
4775 opzet. Kent gij dat hoofddeksel?
4776
4777 Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:
4778
4779 --Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop,
4780 geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.
4781
4782 Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:
4783
4784 --Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?
4785
4786 --Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur
4787 stil in het oor.
4788
4789 Maar de jongeling was weg met den sleutel.
4790
4791 Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter
4792 eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel
4793 verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij
4794 Uilenspiegel, en hij vroeg hem:
4795
4796 --Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?
4797
4798 --Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar
4799 de galg zal brengen.
4800
4801 Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen
4802 koopman riep:
4803
4804 --Houdt den dief! houdt den dief!
4805
4806 Maar deze was de gaten uit.
4807
4808 Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met
4809 aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:
4810
4811 --Wat verkoopt gij daar, Vlaming?
4812
4813 --Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.
4814
4815 --En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.
4816
4817 --Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde
4818 Uilenspiegel.
4819
4820 De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot
4821 den anderen:
4822
4823 --Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons
4824 een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.
4825
4826 --Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.
4827
4828 --Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trekt dan
4829 maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet
4830 van noode.
4831
4832 Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de
4833 somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar
4834 hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte
4835 heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim
4836 hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden
4837 voorzeggen.
4838
4839 Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje
4840 zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu
4841 hiet, wilde alleen de eer en 't genot hebben.
4842
4843 --Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de
4844 Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter
4845 ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen
4846 ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in 't gelaat,
4847 want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere,
4848 God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad
4849 ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de
4850 duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke
4851 Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de
4852 Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de
4853 kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?
4854
4855 En de joden riepen:
4856
4857 --Kom Messias! Zuig, Jehu!
4858
4859 Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:
4860
4861 --Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim
4862 is een dief.
4863
4864 Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen
4865 wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel
4866 te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.
4867
4868
4869
4870
4871 L.
4872
4873 Een man van Damme, die aan Klaas zijne kolen niet kon betalen, had
4874 hem het schoonste van zijn kateil gegeven, zijnde een handboog met
4875 twaalf goed aangezette pijlen.
4876
4877 En als er niet te werken was, ging Klaas op jacht: meer dan één
4878 beestje, te groot liefhebber van kool, werd door hem gedood en
4879 veranderd in hazepeper.
4880
4881 Klaas zette zich toen gretig te eten, en Soetkin zag naar den eenzamen
4882 weg en zeide:
4883
4884 --Thijl, mijn zoon, riekt gij den lekkeren geur van de saus
4885 niet?... Ongetwijfeld heeft hij nu honger.
4886
4887 En droomerig, had zij hem zijn deel van 't festijn willen wegzetten.
4888
4889 --Als hij honger heeft, sprak Klaas, is het zijne schuld; dat hij
4890 terugkome en hij zal eten als wij.
4891
4892 Klaas hield duiven; ook hoorde hij geerne, rondom zich, distelvinken,
4893 leeuwerikken, musschen en andere vogelen zingen en piepen, en
4894 schoot hij geerne muizenvalken en speurgalen, die de kleine vogelen
4895 verslinden.
4896
4897 Nu, eens dat hij in zijne lochting kolen mat, toonde Soetkin hem een
4898 grooten vogel, die in de lucht boven het duivenhok zweefde.
4899
4900 Klaas nam zijn handboog en sprak:
4901
4902 --De duivel redde Zijne Sperwerachtigheid!
4903
4904 Toen hij den pijl in den boog had gestoken, hield hij zich in de
4905 lochting, alwaar hij al de bewegingen van den vogel met de oogen
4906 volgde om hem niet te missen. Het was valavond. Klaas kon enkel een
4907 zwarte stip onderscheiden. Hij schoot den pijl af en zag een ooievaar
4908 in de lochting vallen.
4909
4910 Klaas was er droef om, maar Soetkin nog meer, en zij riep:
4911
4912 --Nu hebt gij den vogel Gods gedood!
4913
4914 Zij nam toen den ooievaar en zag dat hij maar aan den vleugel gewond
4915 was; zij ging ongel halen en sprak, terwijl ze zijne wonde vermaakte:
4916
4917 --Ooievaar lief, 't is niet behendig voor u, die geerne gezien wordt,
4918 van in de lucht te zweven als een steekvogel, die gehaat wordt. Aldus
4919 treffen de pijlen des volks soms den verkeerden man. Hebt gij zeer aan
4920 uwen vleugel, arme ooievaar, dat gij mij zoo gewillig laat begaan? Hoe
4921 weet gij dat onze handen handen van vrienden zijn?
4922
4923 Als de ooievaar genezen was, kreeg hij alles te eten wat hem lustte;
4924 doch liefst at hij de visch, die Klaas voor hem in de vaart ging
4925 vangen. En telkens dat de vogel Gods hem zag komen, opende hij gretig
4926 den bek.
4927
4928 Hij volgde Klaas als een hondje, maar liefst bleef hij in de keuken,
4929 alwaar hij zijne maag warmde en met den snavel op Soetkin sloeg,
4930 terwijl zij het noenmaal bereidde, als om heur te vragen:
4931
4932 --Is er niets bij voor mij?
4933
4934 En 't was aardig dien ernstigen geluksbode op zijne lange pooten de
4935 hut te zien rondloopen.
4936
4937
4938
4939
4940 LI.
4941
4942 Maar de slechte dagen waren teruggekomen: droevig wrocht Klaas alleen
4943 op zijn akker, want er was geen werk voor hen beiden. Soetkin bleef in
4944 de stulp en bereidde op allerhande manieren de boonen, hun dagelijksch
4945 maal, om Klaas' eetlust te streelen. En zij zong en zij lachte, opdat
4946 hij heure droefheid niet merken zou. De ooievaar stond bij heur,
4947 op één poot en met den bek in de pluimen.
4948
4949 Een man te peerd hield voor hunne woning stil; hij was heel in 't
4950 zwart gekleed en had een mager en droevig gezicht.
4951
4952 --Is hier iemand thuis? vroeg hij.
4953
4954 --God zegene Uwe Droefgeestigheid, antwoordde Soetkin; ben ik dan
4955 een schimme, dat gij mij vraagt of iemand thuis is?
4956
4957 --Waar is uw vader? vroeg de ruiter.
4958
4959 --Als mijn vader den naam draagt van Klaas, is hij ginder, antwoordde
4960 Soetkin, en bezig met koren te zaaien.
4961
4962 De ruiter ging weg, en Soetkin toog ook henen vol droefheid, want
4963 voor de zesde reize moest ze, zonder geld, brood bij den bakker gaan
4964 halen. En toen ze met ledige handen terugkwam, was zij versteld Klaas
4965 triomfantelijk te zien terugkomen op het peerd van den zwarten man, die
4966 te voet naast hem ging en het dier bij den toom hield. Klaas hield vol
4967 trotschheid in de hand een lederen tassche, dewelke goed gevuld scheen.
4968
4969 Toen hij van 't peerd steeg, omhelsde hij den man en klopte hem
4970 vervolgens vriendelijk op den schouder.
4971
4972 --Leve mijn broeder Judocus, de goede heremijt! riep hij uit, terwijl
4973 hij de tassche deed rinkelen. God beware hem in vreugd, in vet en in
4974 gezondheid. 't Is Judocus vol zegen, Judocus vol overvloed, Judocus
4975 met zijne vette soep! De ooievaar heeft geenszins gelogen!
4976
4977 En hij legde de tassche op de tafel. Jammerend sprak Soetkin toen:
4978
4979 --Man, wij hebben geen eten vandaag: de bakker heeft mij brood
4980 geweigerd.
4981
4982 Brood? sprak Klaas, de tassche openend en goudstukken op de tafel
4983 gietend, brood? Daar is brood, boter, vleesch, wijn, bier! Daar zijn
4984 hespen, mergpijpen, reigerpastijen, ortolanen, ganzen, krakelingen,
4985 daar is ambrozijn, lijk bij de groote heeren! daar is bier met tonnen
4986 en wijn met vaten! Gestraft wordt de bakker, want wij zullen bij hem
4987 niets meer koopen.
4988
4989 --Maar man, sprak Soetkin verbaasd.
4990
4991 --Nu luister, sprak Klaas, en wees verblijd. Katelijne, in stee
4992 van in 't markgraafschap Antwerpen hare ballingschap uit te doen,
4993 is vergezelschapt door Nele, te voet naar Meiborg gegaan. Daar heeft
4994 Nele tot mijn broeder Judocus gezegd, dat wij ondanks onzen harden
4995 arbeid, veelal in armoe verkeeren. En naarvolgens die goede bode mij
4996 zooeven gezegd heeft--en Klaas wees naar den zwarten ruiter--heeft
4997 Judocus den heiligen Roomschen godsdienst verlaten, om de Luthersche
4998 ketterije aan te hangen.
4999
5000 De zwarte man sprak:
5001
5002 --Ketters zijn zij, die de Groote Hoer volgen. Want de Paus vergeet
5003 zijne plichten en drijft handel in de heilige zaken.
5004
5005 --Stil! zei Soetkin, spreek niet zoo luide, gij zoudt ons gedrieën
5006 op den brandstapel brengen!
5007
5008 --Dus, vervolgde Klaas, Judocus heeft aan dezen braven bode gezegd,
5009 aangezien hij strijden ging onder de troepen van Frederik van Saksen,
5010 wien hij vijftig goed gewapende mannen bezorgde, hij zooveel geld
5011 niet van noode had, want dat het, bij rampspoed, toch zou worden
5012 gestolen door een of anderen landsknecht. Breng dus, zoo sprak hij,
5013 met mijnen zegen, die zevenhonderd karolusgulden aan Klaas, mijnen
5014 broeder en zeg hem dat hij goed leve en het heil zijner ziel gedenke.
5015
5016 --Ja, sprak de ruiter, want 't is tijd: God geeft een ieder naar zijne
5017 werken en handelt met een iegelijk volgens de verdiensten zijns levens.
5018
5019 --Heer, sprak Klaas, 't zal mij ondertusschen toch niet verboden
5020 zijn mij in de goede tijding te verblijden? Verweerdig u hier te
5021 blijven. Om uwe boodschap te vieren, zullen wij eten heerlijke pensen,
5022 menigvuldige karbonaden, een hammetje dat daar even zoo rond en zoo
5023 lekker bij den spekslager lag, dat mijne tanden wel een voet lang
5024 uit mijnen mond kwamen.
5025
5026 --Laas! sprak de man, alleen de goddeloozen denken aan genuchten,
5027 terwijl de blikken des Heeren op hen zijn gevestigd.
5028
5029 --Nu, bode, sprak Klaas, wilt gij met ons eten en drinken of niet?
5030
5031 De man antwoordde:
5032
5033 --De geloovigen zullen hunne zielen aan de aardsche genoegens mogen
5034 wijden, als de Babylonische Hoer ten gronde zal liggen!
5035
5036 Daar Klaas en Soetkin een kruis sloegen, wilde hij heengaan.
5037
5038 Klaas sprak tot hem:
5039
5040 --Zoo het U behaagt aldus met een slecht onthaal te vertrekken,
5041 geef dan den vredekus aan mijn broeder Judocus en waak over hem in
5042 't gevecht.
5043
5044 --Ik zal het doen, sprak de man.
5045
5046 En hij toog henen, terwijl Soetkin eten ging halen om dit uit de
5047 lucht gevallen fortuin te vieren. Dien avond kreeg de ooievaar twee
5048 grondelingen en een kabeljauwskop.
5049
5050 De mare verspreidde zich weldra te Damme, dat de arme Klaas, door
5051 het toedoen van zijn broeder Judocus, de rijke Klaas was geworden. En
5052 de deken zei, dat Katelijne zeker Judocus betooverd had, daar Klaas
5053 van hem een groote somme gelds had gekregen en dat hij niet eens een
5054 kleedje aan Onze-Lieve-Vrouw had geofferd.
5055
5056 Klaas en Soetkin waren gelukkig; Klaas wrocht op het veld of verkocht
5057 zijne kolen, en Soetkin bleef de wakkere huisvrouw.
5058
5059 Maar Soetkin, altoos droefgeestig, zocht steeds, met de oogen, heuren
5060 zoon Uilenspiegel op de wegen.
5061
5062 En alle drie smaakten het geluk, dat God hun zond, in afwachting van
5063 hetgeen de menschen hun zouden jonnen.
5064
5065
5066
5067
5068 LII.
5069
5070 Keizer Karel ontving dien dag uit Engeland een brief, in denwelken
5071 zijn zoon hem schreef:
5072
5073
5074
5075 "Heer en Vader,
5076
5077 "Het mishaagt mij grootelijks te moeten leven in een land, waar
5078 de gevloekte ketteren vermenigvuldigen als vlooien, rupsen en
5079 sprinkhanen. Het vuur en het zweerd zouden niet te veel zijn om ze
5080 te rukken van den stam des levendmakenden booms die onze Moeder de
5081 Heilige Kerk is. Alsof mijn leed nog niet voldoende ware, beschouwen
5082 mijne onderdanen mij niet als een koning, maar als den echtgenoot
5083 van hunne koningin, die zonder haar geenerlei gezag zou hebben. Zij
5084 spotten met mij, zeggende in kwaadwillige boekskens, waarvan niemand
5085 den schrijver of drukker kan vinden, dat de Paus mij betaalt om
5086 stoornis en verderf te brengen in het koninkrijk, door ketteren te
5087 hangen en te branden en, zoo ik een dringende schatting opleggen
5088 wil--want meermaals laten zij mij met opzet zonder geld--antwoorden
5089 zij in boosaardige paskwils, dat ik er maar te vragen heb aan Satan,
5090 voor denwelken ik werk. Die van 't Parlement bieden mij, uit vreeze,
5091 hoogst nederig hunne verontschuldiging aan, maar zij geven toch niets.
5092
5093 "Doch de muren van Londen zijn bedekt met opschriften, waarin ik
5094 voorgesteld word als een vadermoorder, gereed om Uwe Majesteit te
5095 treffen, om van hem te erven.
5096
5097 "Maar gij weet, Heer en Vader dat onaangezien rechtmatigen trots,
5098 ik aan Uwe Majesteit nog lange en glorierijke dagen wensch.
5099
5100 "Ook verspreiden zij in de stad eene prent, geëtst op koper,
5101 waarop ik afgebeeld word staande bij eene klavecimbel, in dewelke
5102 katten opgesloten zijn, die met hare pooten op de snaren slaan
5103 en wier steerten steken uit ronde gaten, waaraan zij met ijzeren
5104 roeden vastgemaakt zijn. Een man, die ben ik, verbrandt de steerten
5105 met een gloeiend ijzer, om de dieren met de pooten op de toetsen
5106 te doen slaan en erbarmlijk te doen kermen. Ik ben afgebeeld zoo
5107 wanstaltig en met zulken grijnslach, dat ik mij niet wil bezien. En
5108 gij weet, Heer en Vader, of ik mij ooit aan zulk onheilig vermaak
5109 overleverde. Ongetwijfeld deed ik wel eens, voor mijn pleizier,
5110 katten mauwen, doch ik lachte niet. Als echte muitmakers, rekenen
5111 zij mij dit alles als eene misdaad aan, hoewel de dieren geene ziel
5112 hebben, en een iegelijk, en inzonderheid vorstelijke personen, zich
5113 van hen mag bedienen tot nut en verzet. Maar in Engeland is men zoo
5114 verzot op dieren, dat men ze beter behandelt dan de dienstknechten;
5115 stallen en hondehokken zijn hier paleizen en hier zijn heeren, die
5116 in den stal bij hun peerd slapen.
5117
5118 "Daarenboven is mijne gade en koningin onvruchtbaar. Om mij te
5119 beleedigen zeggen ze, dat ik, niet zij--die jaloersch, onhandelbaar,
5120 en bovenmate minneziek blijft--daarvan de schuld is. Mijnheer en Vader,
5121 alle dagen bid ik deemoedig Onzen Heere, dat Hij mij Zijne genade
5122 schenke, in de hoop dat Hij mij een anderen troon geve, al was het
5123 bij de Turken, in afwachting van dien tot denwelken eenmaal geroepen
5124 zal worden de zoon Uwer Allerglorierijkste en Allerzegevierendste
5125 Majesteit.
5126
5127 "Ondertekend: Philippus."
5128
5129
5130 De keizer antwoordde als volgt:
5131
5132
5133
5134 "Mijnheer en Zoon,
5135
5136 "Uwe vijanden zijn groot, ik betwist het geenszins, doch tracht
5137 zonder grammoedigheid een schitterender kroon te verbeiden. Reeds
5138 meermalen heb ik het voornemen uitgedrukt, mij terug te trekken uit
5139 de Nederlanden en uit mijne andere bezittingen, want ik voel dat ik,
5140 oud en jichtig als ik word, niet meer zal kunnen wederstaan aan Hendrik
5141 van Frankrijk, den tweeden van dien naam, want de Fortuin lacht steeds
5142 den jongeren toe. Verlies ook niet uit het oog, dat gij, meester van
5143 Engeland, door uwe macht, Frankrijk, onzen vijand, kwetst en vernedert.
5144
5145 "Ik werd deerlijk verslagen vóór Metz, alwaar ik veertig duizend man
5146 verloor; ik moest vluchten voor den koning van Saksen. Als God mij
5147 door Zijne Goedertierenheid in mijn vroegere kracht en macht niet
5148 wil herstellen, ben ik van zins, Mijnheer en Zoon, U mijne rijken af
5149 te staan.
5150
5151 "Heb dus geduld en doe ondertusschen uwen plicht tegen de ketterijen,
5152 van dewelke gij niemand moet sparen, noch mannen, noch vrouwlieden,
5153 noch kinderen, want mij is niet zonder leed ter kennis gekomen,
5154 dat Mevrouw de koninginne hun dikwijls genade wil schenken.
5155
5156 "Uw verkleefde vader,
5157
5158 Onderteekend: Karel."
5159
5160
5161
5162
5163 LIII.
5164
5165 Daar Uilenspiegel lang, zeer lang gegaan had, waren zijne voeten tot
5166 bloedens toe gekwetst. Doch in het bisdom Mentz ontmoette hij eenen
5167 wagen met pelgrims, die hem naar Rome bracht.
5168
5169 Toen hij in die stad kwam en uit den wagen stapte, zag hij aan de
5170 poort eener afspanning een poezele vrouwe staan, die hem toelachte.
5171
5172 Heur minnelijk gezichtje beviel hem ten volle.
5173
5174 --Weerdin, sprak hij, wilt gij een reizenden pelgrim herbergen, die,
5175 met zonden overladen, den Heiligen Vader om genade komt smeeken?
5176
5177 --Wij herbergen al degenen, die betalen.
5178
5179 --Ik heb honderd dukaten in mijne tassche, antwoordde Uilenspiegel,
5180 die er maar éénen had, en met u wil ik den eersten verteren; laat
5181 ons een bottel ouden Roomschen wijn drinken.
5182
5183 --De wijn is niet duur in deze heilige stede, sprak zij; kom binnen
5184 en drink voor een soldo.
5185
5186 Zij dronken samen lang en ledigden, onder vriendelijk gekeuvel,
5187 zulke menigte flesschen, dat de weerdin aan heure meid zeggen moest
5188 de klanten in heure plaats te gerieven, terwijl zij en Uilenspiegel
5189 in een marmeren achterkamer zaten, waar het koel was als in den winter.
5190
5191 Heur hoofd op zijn schouder leunend, vroeg zij hem wie hij was.
5192
5193 --Ik ben messire van Geenland, grave van Nergensthuis heere van
5194 Vastendonk, en 'k heb te Damme, dat mijne geboorteplaats is, vijf en
5195 twintig bunders maneschijn.
5196
5197 --Waar ligt dat land? vroeg de weerdin, uit Uilenspiegel's beker
5198 drinkend.
5199
5200 --'t Is een land, sprak hij, waar men stoute verbeelding, onzinnige
5201 verwachtingen en ijdele beloften zaait; een land, waar gij niet
5202 vandaan zijt, met uwe lichtbruine huid, met uwe oogen die flonkeren
5203 als perelen; ze zijn van de kleur van de zonne, die goudbruine
5204 lokken; 't is het erfdeel van Venus, die gevleesde schouderen, die
5205 goddelijke borsten, die ronde armen, die fijne handjes. Willen wij
5206 samen avondmalen?
5207
5208 --Schoone pelgrim uit Vlaanderen, sprak zij, wat komt gij hier doen?
5209
5210 --Den paus spreken, antwoordde Uilenspiegel.
5211
5212 --Laas! sprak zij, den paus spreken! Ik, die hier vandaan ben, heb
5213 het nog nooit gekunnen.
5214
5215 --Ik zal het kunnen, sprak Uilenspiegel.
5216
5217 --Maar, sprak zij, weet gij waar hij gaat, hoe hij is, en kent gij
5218 zijne levenswijze?
5219
5220 --Onderweg zegde men mij, antwoordde Uilenspiegel, dat hij Julius de
5221 derde heet, dat hij ontuchtig, lichtzinnig is, dat hij goed klapt en
5222 snedig antwoordt. Men zei ook mij, dat hij een ongemeene vriendschap
5223 opgevat heeft voor een zwarten, vuilen bedelaar, die met een aapje
5224 de aalmoes vroeg, dat hij hem tot kardinaal gemaakt heeft en dat hij
5225 ziek is als hij hem een dag niet ziet.
5226
5227 --Drink, sprak zij, en spreek niet zoo luide.
5228
5229 --Men zei ook, vervolgde Uilenspiegel, dat hij eens vloekte als een
5230 soldenier, toen hij een kouden pauw niet terugvond, dien hij had doen
5231 wegzetten voor zijn avondmaal, en dat hij sprak: Ik, de stadhouder
5232 Gods, mag wel vloeken om een pauw, wanneer mijn meester grammoedig
5233 om eenen appel was! Gij ziet liefste, dat ik den paus ken en weet
5234 wie hij is.
5235
5236 --Laas! zegde zij, spreek daarvan aan anderen niet. Maar gij zult
5237 hem niet zien.
5238
5239 --Ik zal hem spreken, zei Uilenspiegel.
5240
5241 --Als gij dát kunt, betaal ik U honderd florijnen.
5242
5243 --Ik heb ze gewonnen! sprak Uilenspiegel.
5244
5245 Hoewel zijne beenen vermoeid waren, doorliep hij 's anderen daags
5246 de stad en vernam hij, dat de paus dien dag de misse zou lezen in de
5247 kerk van San Giovanni in Laterano. Uilenspiegel toog er henen, ging
5248 zoo dicht bij den paus staan als hij kon, en telkens dat de paus den
5249 kelk of de hostie ophief, keerde Uilenspiegel den rug naar het autaar.
5250
5251 De paus was bijgestaan door een schelmschen, zwaarlijvigen kardinaal,
5252 die, met een aapje op den schouder, het volk het sacrament gaf,
5253 met menigvuldige ontuchtige gebaren daarbij. Hij deed den paus de
5254 handelwijze van Uilenspiegel kennen, en als de misse gedaan was,
5255 kwamen vier groote pijkeniers zich meester maken van den pelgrim.
5256
5257 --Van welk geloove zijt gij? vroeg hem de paus.
5258
5259 --Van hetzelfde als mijne hospita, Zeer Heilige Vader, antwoordde
5260 Uilenspiegel.
5261
5262 De paus ontbood de vrouwe.
5263
5264 --Wat gelooft gij? vroeg hij haar.
5265
5266 --Alles wat Uwe Heiligheid gelooft, antwoordde zij.
5267
5268 --En ik van 's gelijken, sprak Uilenspiegel.
5269
5270 De paus vroeg hem, waarom hij den rug naar het autaar gekeerd had.
5271
5272 --Ik voelde mij onweerdig het te aanschouwen, antwoordde Uilenspiegel
5273 deemoedig.
5274
5275 --Zijt gij pelgrim? vroeg hem de paus.
5276
5277 --Ja, sprak hij, en 'k kom uit Vlaanderen om vergiffenis voor mijne
5278 zonden te vragen.
5279
5280 De paus zegende hem en Uilenspiegel ging henen met de weerdin, die
5281 hem honderd florijnen telde. Met de tassche gevuld, verliet hij Rome
5282 om naar Vlaanderenland terug te keeren.
5283
5284 Maar zeven dukaten moest hij betalen voor het perkament, op hetwelk
5285 zijne vergiffenis geschreven stond.
5286
5287
5288
5289
5290 LIV.
5291
5292 Te dien tijde kwamen twee premonstratenzer broeders te Damme aflaten
5293 verkoopen. Boven hunne monnikspij, droegen zij een schoon fijn hemde,
5294 met kant bezet.
5295
5296 Aan de deur der kerke, bij helder weder, en onder 't portaal als het
5297 regenachtig was, hingen zij hun tarief uit; daarin gaven zij voor zes
5298 duiten, voor een oortje, voor een half pond parisis, voor zeven, voor
5299 twaalf karolusgulden, honderd, tweehonderd, driehonderd, vierhonderd
5300 jaar aflaat, en, al naarvolgens de prijzen, halven aflaat en vollen
5301 aflaat en de vergiffenis voor de afschuwelijkste schelmstukken, ja
5302 zelfs voor het koesteren van begeerten ten opzichte van de Heilige
5303 Maagd. Maar dát kostte zeventien gulden.
5304
5305 Aan de klanten die betaalden, stelden zij kleine stukjes perkament
5306 ter hand, op dewelke het cijfer van de jaren aflaat geschreven was. En
5307 daaronder stond het opschrift:
5308
5309
5310 Is er iemand die niet en wil zijn
5311 Gebraeden ofte geroosterd fijn,
5312 Bij duizend jaer in 't vaegevuer,
5313 Of in de Helle voor allen duer,
5314 Hij coope de aflaten maer
5315 De gratiën en de kwijtscheldingen te gaer
5316 Voor ietswat geld ende goed:
5317 God hem dan het loonen moet.
5318
5319
5320 En er kwamen koopers van tien uren in 't ronde.
5321
5322 Een van de goede broeders preekte dikwijls voor het volk; hij had
5323 roode kaken en een driedubbele kin.
5324
5325 --Ongelukkige! sprak hij, een of anderen zijner toehoorders beziende;
5326 ongelukkige! daar zijt gij in de helle! Het vuur verbrandt u
5327 wreedelijk: men legt u te koken in een ketel vol vet, in denwelken
5328 men oliekoekjes voor Astarte bakt; gij zijt niets meer dan eene worst
5329 in Lucifer's panne, een hamelbout in die van Gielgirot, den grooten
5330 duivel, want men snijdt u eerst aan stukken! Zie nu dien grooten
5331 zondaar, die de aflaten versmaadde; zie dien schotel stoverije: hij
5332 is 't, hij is 't, zijn goddeloos lichaam, zijn vermaledijd lichaam
5333 is vaneengekookt tot eene brij. En met welke saus! sulfer, pek en
5334 teer! En al die arme zondaren worden alzoo opgegeten om opnieuw tot
5335 hunne smerte in 't leven te komen. En 't is een gedurig geween en
5336 tandengeknars. Ontferm U onzer, genadige God! Ja, daar ligt gij in de
5337 helle, arme verdoemde, al die smerten te lijden. Zoo men voor u maar
5338 éénen denier gaf, dan zoudt gij bereids verlichting aan de rechterhand
5339 gevoelen; met nog een halven denier bij, waren uwe twee handen uit
5340 het vuur. Maar de rest van uw lichaam? Voor één gulden slechts, zou
5341 de dauw des aflaats op u nedervallen. O, verkwikkende koelte! En in
5342 tien dagen, in honderd dagen, in duizend jaar, al naar gelang dat men
5343 betaalt, geen gebraad, geen oliekoekje, geen stoverije meer! En als
5344 't voor u niet is, zondaar, liggen er soms geen vrienden of magen
5345 van u, geene gade of geen liefje in de gruwelijke diepte des vuurs?
5346
5347 En dit zeggende, stiet de monnik met den elleboog tegen den broeder,
5348 die met een zilveren schotel naast hem stond. En op dat teeken sloeg
5349 de broeder de oogen neer en schudde devotelijk den schotel om het
5350 geld bij te roepen.
5351
5352 ... Hebt gij, vervolgde de monnik, hebt gij in het helsche vuur
5353 soms geen zoon, geene dochter, geen kindje, dat gij lief hadt? Zij
5354 schreeuwen, zij weenen, zij roepen U. Zoudt gij doof blijven voor hun
5355 bange klachte? Dat kunt gij niet; uw hert van ijs gaat smelten, maar
5356 dat zal u een karolus kosten. En kijk, bij den klank van dien karolus
5357 op dit verachtelijk metaal ... (de andere monnik schudde nogmaals
5358 zijn schotel) maakt zich eene ruimte in het vuur, en stijgt de arme
5359 ziele tot aan den mond van eenen vuurberg. Daar is zij in de versche,
5360 in de vrije lucht! Waar zijn de smerten des vuurs? De zee is nabij,
5361 de arme ziele werpt er zich in, zij zwemt op den rug, op den buik, op
5362 de golven. Hoor, hoe zij schreeuwt van vreugde, zie, hoe zij duikelt
5363 in 't water! De engelen bezien haar en zijn gelukkig. Zij wachten
5364 heur, maar zij kan uit het water niet weg, zoo goed, zoo koel is het
5365 daar. Zij weet niet, de arme ziele, dat daarboven heerlijke geurige
5366 baden heur wachten, in dewelke groote stukken kandijsuiker drijven,
5367 en die koel zijn als ijs. Daar komt een haai: zij vreest hem niet. Zij
5368 klimt op zijnen rug, maar hij voelt heur niet; zij wil met hem in
5369 't diepste der zee dringen. Zij gaat er de zeenimfen groeten, die
5370 waterzooi eten in koralen ketels en versche oesters in perelmoeren
5371 tellooren. En zij wordt goed ontvangen, onthaald en gevierd; de engelen
5372 roepen heur altijd omhoog. Gansch verkwikt, gelukkig, begint zij te
5373 zingen als een leeuwerik en vliegt zij naar 't hoogste der hemelen,
5374 alwaar God glorierijk op Zijnen troon is gezeten. Zij vindt daar al
5375 heure vrienden en magen terug, behalve diegenen, die de aflaten en
5376 Onze Moeder de Heilige Kerke versmaadden en branden in het diepste
5377 der helle. En dat voor altijd, altijd, altijd, in de eeuwigheid der
5378 eeuwigheden. Maar de andere ziele, zij is bij den Heere; zij verkwikt
5379 zich in welriekende baden en knabbelt kandijsuiker. Koopt aflaten,
5380 mijne broeders: men heeft er tegen alle prijzen, tegen dukaten,
5381 tegen gouden florijnen, Engelsche sovereings! Kopergeld wordt niet
5382 versmaad. Koopt! koopt! alhier is de heilige winkel; armen en rijken
5383 worden gediend, maar krediet geeft men niet, mijne broeders, want
5384 koopen zonder klinkende munt is eene misdaad in de oogen van den Heer."
5385
5386 De broeder, die niet preekte, rammelde met den schotel. Guldens,
5387 dukaten, lammeren, oortjes, stuivers en deniers vielen er in als
5388 hagelsteenen.
5389
5390 Klaas, die nu geld had, betaalde een gulden voor tienduizend jaar
5391 aflaat. De monniken gaven hem daarvoor een stuksken perkament.
5392
5393 Eindelijk ziende, dat er in Damme niemand overbleef dan de
5394 hertevreters, die geen aflaten zouden koopen, trokken de beide broeders
5395 naar Heist.
5396
5397
5398
5399
5400 LV.
5401
5402 Gekleed met zijne pelgrimspij en met eene absolutie in regel op zak,
5403 verliet Uilenspiegel de heilige stede. Hij ging recht voor zich en
5404 kwam te Bamberg, waar de smakelijkste groenten der wereld zijn.
5405
5406 Hij kwam in eene afspanning, waar een vroolijke weerdinne hem vroeg:
5407
5408 --Jonge meester, wilt gij eten voor uw geld?
5409
5410 --Ja, sprak Uilenspiegel. Maar voor hoeveel eet men hier?
5411
5412 De hospita sprak:
5413
5414 --Aan de tafel der heeren eet men voor zes gulden; aan de tafel der
5415 poorters voor vier, en aan de huistafel voor twee.
5416
5417 --Hoe meer, hoe liever! antwoordde Uilenspiegel.
5418
5419 Hij ging dus aan de tafel der heeren zitten. Als hij wel zijne bekomst
5420 en zijn maal met Rijnwijn begoten had, sprak hij tot de weerdin:
5421
5422 --Bazin, ik heb goed gegeten voor mijn geld: geef mij mijne zes gulden.
5423
5424 De weerdinne sprak:
5425
5426 --'t Is om te lachen, zeker! Betaal mij maar gauw!
5427
5428 --Liefste bazinne, antwoordde Uilenspiegel, gij ziet er geen slechte
5429 betaalster uit; integendeel, gij ziet er zoo eerlijk, zoo rechtschapen
5430 uit, dat gij mij nog liever achttien gulden zoudt geven, dan mij de
5431 zes te weigeren die gij mij schuldig zijt. Wat schoone oogen! 't is
5432 de zonne, die mij bestraalt, die mijne liefde hooger doet schieten dan
5433 't hondsgras in een verlaten kluis.
5434
5435 De weerdinne sprak:
5436
5437 --Ik heb geen zaken noch met uwe liefde noch met uw hondsgras, betaal
5438 mij en trek op!
5439
5440 --Optrekken, sprak Uilenspiegel, en u niet meer zien. 'k Zei nog
5441 liever vaarwel aan 't leven. Bazinne, zoete bazinne, ik, arme pelgrim,
5442 pleeg niet voor zes gulden te eten; ik heb mij vol gepropt en straks
5443 laat ik de tong hangen als een hond in de zonne: wil mij betalen, ik
5444 verdiende eerlijk de zes gulden door het lastige werk mijner tanden;
5445 geef ze mij, en 'k zal u streelen, u zoenen, u kussen, met meer vuur
5446 dan wel zeven en twintig minnaars te zamen.
5447
5448 --Zoo spreekt gij voor 't geld, antwoordde zij.
5449
5450 --Moet ik u voor niets opeten? vroeg hij.
5451
5452 --Neen, sprak zij, hem afwerend.
5453
5454 --Ah! zuchtte hij, steeds naderend, uwe huid is als room zoo zacht,
5455 uw haar als gebraden fazant, en uwe lippen als rijpe kersen! Maar
5456 zijn er lekkerder kersen dan gij?
5457
5458 --Ik vind het goed, leelijke stouterik, sprak zij glimlachend, mij op
5459 den koop toe nog zes gulden te vragen! Wees tevreden dat ik u eten gaf,
5460 zonder betaling te eischen.
5461
5462 --Wist gij, sprak Uilenspiegel, hoeveel plaats er nog is!
5463
5464 --Vertrek, sprak de hospita, eer mijn man komt!
5465
5466 --Zie, sprak Uilenspiegel, ik zal een redelijke schuldeischer zijn,
5467 geef mij slechts één gulden voor den dorst, die zal komen.
5468
5469 --Daar, stouterik, sprak zij.
5470
5471 En zij gaf hem een gulden.
5472
5473 --Mag ik nog terugkomen? vroeg Uilenspiegel.
5474
5475 --Wilt gij wel heengaan! sprak zij.
5476
5477 --Wél heengaan, zei Uilenspiegel, dat ware naar u toe gaan, maar 't
5478 is een slecht heengaan, die schoone oogen te moeten verlaten. Als ge
5479 mij wilt houden, zal ik alle dagen maar voor één gulden eten....
5480
5481 --Moet ik een stok nemen?
5482
5483 --Wilt gij den mijnen? antwoordde Uilenspiegel.
5484
5485 Zij lachte, maar hij moest henengaan.
5486
5487
5488
5489
5490 LVI.
5491
5492 Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land
5493 van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne
5494 vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature,
5495 lachten met Lamme's lamlendigheid.
5496
5497 Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de
5498 taveerne den Blauwen Toren verbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had
5499 voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man
5500 profijtelijk zijn kapperken te drinken; 't was Judocus Grijpstuiver,
5501 de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en
5502 meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg
5503 in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien
5504 duizend jaar geschreven stond.
5505
5506 Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs
5507 van Assche in den Blauwen Toren zat, en Judocus Grijpstuiver er ook
5508 was, ging Klaas lustig aan 't drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:
5509
5510 --'t Is zonde Gods van zoo te drinken!
5511
5512 Klaas antwoordde:
5513
5514 --Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En 'k heb
5515 tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar,
5516 om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?
5517
5518 Allen riepen:
5519
5520 --Hoeveel vraagt gij er voor?
5521
5522 --Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik
5523 voor eene portie konijn.
5524
5525 En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en
5526 muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken
5527 perkament. Doch 't was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel
5528 Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl
5529 Klaas met zijne waar de taveerne rondging.
5530
5531 Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.
5532
5533 --Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.
5534
5535 --Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.
5536
5537 Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.
5538
5539 Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof
5540 hij wollen beenen aan zijn lijf had.
5541
5542
5543
5544
5545 LVII.
5546
5547 Rond het einde van heur derde jaar ballingschap, keerde Katelijne te
5548 Damme terug naar heur huis. En gedurig sprak zij uitzinnig: "Vuur op
5549 het hoofd, de ziele klopt, maakt een gat, zij wil er uit". En altijd
5550 vluchtte zij weg, bij het zien van ossen en schapen. En zij zette
5551 zich neer op de bank onder de linden achter heure hut, en schudde
5552 het hoofd, terwijl zij, zonder ze te herkennen, die van Damme bekeek,
5553 dewelke tot elkander lispten: "Daar is de zottinne".
5554
5555 Doch reizend over velden en wegen, zag Uilenspiegel een ezel, getuigd
5556 met leder en koperen nagelen, en den kop versierd met roodwollen
5557 kwasten en kwispels.
5558
5559 Eenige oude wijven stonden rond den ezel en zeiden, allen te gelijk
5560 sprekend: "Niemand mag hem vastnemen; 't is het afgrijselijke rijbeest
5561 van den grooten toovenaar, den baron von Raiz, die levend verbrand
5562 werd, om acht kinderen aan den duivel geofferd te hebben.--Zoo rap is
5563 hij gevlucht, dat niemand hem krijgen kon; Satan houdt de hand boven
5564 zijnen kop.--Want terwijl hij, vermoeid op den weg, een oogenblik
5565 stilstond om adem te halen, zijn de stadsserjanten gekomen om hem te
5566 pakken, maar hij balkte en sloeg zoo geweldig met zijne achterpooten,
5567 dat zij niet naderen dorsten.--En 't is niet 't gebalk van een ezel,
5568 maar 't gebalk van een duivel.--Men heeft hem dus distelen laten
5569 eten zonder hem voor de vierschaar te dagen of als toovenaar levend
5570 te branden?--Die mannen, die mannen, zij hebben geen greintje moed
5571 in hun lijf".
5572
5573 Niettegenstaande al deze schoone reden, namen allen schreeuwend de
5574 vlucht, zoodra de ezel de ooren spitste of met den steert zijne zijden
5575 sloeg; en tienmaal kwamen zij aldus nader al kakelend en snaterend,
5576 om tienmaal weder de vlucht te nemen.
5577
5578 Maar Uilenspiegel zag haar van verre en sprak lachend tot zich zelven:
5579
5580 --Zie ze parlesanten! Hoe ouder ze zijn, hoe meer ze babbelen: de
5581 jongeren zitten meer met minnarijen in 't hoofd.
5582
5583 Den ezel beziende, ging hij voort:
5584
5585 --Dat betooverde grauwtje staat goed op zijne pooten, dunkt mij;
5586 ik ga het ergens berijden of verkoopen.
5587
5588 Zonder een woord te spreken, kocht hij een maatje haver, hetwelk
5589 hij den ezel vóór zette. Hij sprong vervolgens gezwind op den rug
5590 van het dier, nam den teugel vast, keerde zich naar het Noorden,
5591 het Oosten en het Westen en zegende de oude wijven. Dezen, van schrik
5592 bevangen, vielen op de knieën, en 's avonds vertelden zij aan den hoek
5593 van den heerd, dat een engel verschenen was met een vilten hoed met
5594 fazanteveeren en heur allen gezegend had en dat hij, door bijzondere
5595 gunste van God, weggereden was op den ezel des toovenaars.
5596
5597 En Uilenspiegel ging met zijn ezel te midden van malsche beemden, waar
5598 peerden huppelden, en koeien en veerzen loom in de zonne herkauwden.
5599
5600 En hij heette hem Jef.
5601
5602 De ezel was blijven staan en deed zich deugd aan de distelen. Somwijlen
5603 nochtans, huiverde hij over gansch zijne huid en sloeg hij met den
5604 steert op zijne zijden om de vraatzuchtige horzels te verdrijven die,
5605 evenals hij, wilden eten, doch van zijn vleesch en zijn bloed.
5606
5607 Uilenspiegel, wiens maag naar eten riep, was weemoedig en sprak:
5608
5609 --Gij zoudt wel gelukkig zijn, mijnheer de ezel, zoo gij kondt blijven
5610 smullen zonder dat iemand u stoort en u herinneren komt dat gij
5611 sterfelijk zijt, dat wil zeggen geboren om te lijden en te verduren.
5612
5613 ... Evenals gij, vervolgde hij, heeft de man met de Heilige Muil zijne
5614 horzel en dat is mijnheer Luther; en Zijne Genadige Majesteit Karel
5615 heeft ook de zijne, dat is messire Frans de eerste, de koning met
5616 zijn langen neus en zijn nog langeren degen. Ik, arme zwerveling,
5617 mag dus ook mijne horzel wel hebben, mijnheer de ezel. Laas! in
5618 al mijne zakken zijn gaten, en langs de gaten schaveelen dukaten,
5619 guldens en daalders, gelijk een legioen muizen die vluchten voor den
5620 klauw eener kat. Ik weet niet waarom het geld van mij niet houdt,
5621 ik houde nochtans zooveel van het geld. 't Is eene leugen, dat de
5622 Fortuin eene vrouw is, want zij bemint maar de oude gierigaards, die
5623 haar vrekkig sluiten in kisten, in koffers, in zakken, en haar nooit
5624 met het tipje van heur gouden neusje aan 't venster laten komen. Dat
5625 is de horzel die mij bijt en mij knaagt, die mij kittelt zonder mij
5626 te doen lachen. Maar gij luistert niet, mijnheer de ezel, gij denkt
5627 maar aan eten. Ha! buikvuller, uwe lange ooren blijven doof voor den
5628 kreet mijner ledige maag. Aanhoor mij, ik wil het!
5629
5630 En hij zweepte hem. De ezel begon te balken.
5631
5632 --Laat ons gaan, nu gij gezongen hebt, sprak Uilenspiegel.
5633
5634 Maar de ezel verroerde zich niet meer dan een paal en scheen van zins
5635 al die distelen van den weg tot de laatste naar binnen te jagen. En
5636 hij sloeg er geen enkele over.
5637
5638 Dat ziende, steeg Uilenspiegel af; hij sneed een bussel distelen,
5639 stak die onder den bek van den ezel en mende dezen bij den neus tot
5640 op het grondgebied van den landgraaf van Hessen.
5641
5642 --Mijnheer de ezel, sprak Uilenspiegel onderweg, gij loopt achter
5643 mijn bos distelen en versmaadt de lekkere planten waarmede de lange
5644 weg volstaat. Gij zijt lijk de mannen die loopen achter eenen bos
5645 roem, eenen bos gewin, eenen bos liefde, dien de Geluksgodin onder
5646 hunnen neus steekt. Op het einde van den weg zien zij, gelijk gij,
5647 dat de nagejaagde buit weinig weerde heeft, terwijl zij onderweg èn
5648 rust èn werk èn gezondheid lieten.
5649
5650 Aldus met zijn ezel klappend, bereikte Uilenspiegel het kasteel van
5651 den landgraaf.
5652
5653 Twee kapiteins der boogschutters speelden op de trap met dobbelsteenen.
5654
5655 Een hunner, ros van haar en groot van gestalte, bezag Uilenspiegel,
5656 die zediglijk op Jef zat en hen aankeek.
5657
5658 --Wat wilt gij, met uwe hongerige en reizende tronie? sprak hij.
5659
5660 --'k Heb inderdaad honger, antwoordde Uilenspiegel, en reize geenszins
5661 voor mijn vermaak.
5662
5663 --Zoo gij honger hebt, sprak de kapitein, kunt gij met den hals de
5664 koorde opeten, die zwiert aan de eerste galge die gij ontmoet.
5665
5666 --Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel, als gij mij de schoone gouden
5667 koorde geeft die rond uwen hoed ligt, zal ik mij met de tanden gaan
5668 ophangen aan die vette hesp, die ginder bij dien spekslachter zwiert.
5669
5670 --Van waar komt gij? vroeg de kapitein.
5671
5672 --Uit Vlaanderen, was 't antwoord van Uilenspiegel.
5673
5674 --Wat wilt gij?
5675
5676 --Aan Zijne Landgrafelijke Hoogheid eene schilderij van mijne hand
5677 toonen.
5678
5679 --Kom binnen, als gij een schilder en van Vlaanderen zijt, sprak de
5680 kapitein, ik zal u bij mijnen meester brengen.
5681
5682 Toen Uilenspiegel bij den landgraaf was, groette hij hem drie reizen
5683 en nog meer.
5684
5685 --Uwe Hoogheid, sprak hij, verweerdige mij aan zijne edele voeten eene
5686 schilderij neder te leggen, die ik voor hem maakte, en op dewelke
5687 ik het konterfeitsel verbeeldde van de Allerheiligste Maagd Maria,
5688 in haren vorstelijken dos.
5689
5690 ... Die schilderij zal misschien de eer hebben Uwe Hoogheid te
5691 bevallen, vervolgde hij, in welk geval ik mij vermete te hopen het
5692 ambt te verkrijgen van schilder Uwer Grootmoedigheid.
5693
5694 De landgraaf bezag het doek, dat goed gemaald was, en sprak:
5695
5696 --Gij zult onze schilder zijn; neem plaats in dien zetel.
5697
5698 En Uilenspiegel kuste hem op beide wangen en nam plaats in den zetel.
5699
5700 --Gij ziet er niet rijk uit, sprak de landgraaf.
5701
5702 Uilenspiegel antwoordde:
5703
5704 --Inderdaad sire; Jef, mijn ezel kon distelen eten, doch drie dagen
5705 reeds leef ik van ellende en eet ik rook van hope.
5706
5707 --Straks krijgt gij beters, sprak de landgraaf lachend, maar waar is
5708 uw ezel?
5709
5710 Uilenspiegel antwoordde:
5711
5712 --Ik liet hem op de Groote Markt, rechtover 't kasteel Uwer Genade;
5713 ik ware gelukkig zoo Jef dezen nacht op stal was.
5714
5715 De edele landgraaf gebood dadelijk aan een zijner schildknapen den
5716 ezel van Uilenspiegel als zijn eigen beest te behandelen.
5717
5718 Weldra kwam het uur des avondmaals, dat een recht festijn was. En de
5719 spijzen rookten op tafel, en de wijn liep als een stroom door de kelen.
5720
5721 Uilenspiegel en de landgraaf werden zoo rood als hanen. Uilenspiegel
5722 was vol vreugd, maar de landgraaf bleef nadenkend.
5723
5724 --Schilder, sprak hij eensklaps, gij zult mijn portret moeten maken,
5725 want 't is een groote voldoening voor een sterfelijken vorst, aan
5726 zijne nazaten de geheugenis zijner trekken te laten.
5727
5728 --Sire, antwoordde Uilenspiegel, uw wensch is mijn wil, maar 't
5729 schijnt mij, nietsweerdige, dat uwe Edelheid in de toekomende eeuwen
5730 niet veel genoegen zal smaken, zoo alleene op het doek te staan. Hij
5731 moet vergezelschapt wezen door zijne adellijke gemalinne, mevrouw de
5732 Landgravin, door zijne edelvrouwen en heeren, door zijne dapperste
5733 kapiteins, te midden waarvan zijne Hoogheid en Mevrouwe schitteren
5734 zullen als twee zonnen te midden van lanteernen.
5735
5736 --Inderdaad, antwoordde de landgraaf, en wat moet ik u betalen voor
5737 dat groot kunstwerk?
5738
5739 --Honderd gulden op voorhand of anderszins, antwoordde Uilenspiegel.
5740
5741 --Hier zijn ze vooraf, sprak de edele landgraaf.
5742
5743 --Allergenadigste heer, hernam Uilenspiegel, gij giet olie in mijne
5744 lamp, ze zal branden te uwer eere.
5745
5746 's Anderen daags vroeg hij aan den landgraaf de hovelingen vóór
5747 hem te doen komen, welke de eer hadden hem op het doek te mogen
5748 vergezelschappen.
5749
5750 Toen kwam de hertog van Luneburg, hoofdman der landsknechten in dienst
5751 van den landgraaf. 't Was een dikke vent, die verging in zijn vet. Hij
5752 naderde Uilenspiegel en fluisterde hem deze woorden in 't oor:
5753
5754 --Als gij mij op de schilderij de helft van mijnen buik niet afneemt,
5755 laat ik u opknoopen door mijne soldaten.
5756
5757 En de hertog ging voort.
5758
5759 Toen kwam een lange dame, die een bochel op den rug had, terwijl haar
5760 borst plat was als het zwaard der wrekende gerechtigheid.
5761
5762 --Heer schilder, sprak zij, als gij mij langs voren geen twee bochels
5763 geeft, in stee van éénen langs achteren, doe ik u als giftmenger
5764 vierendeelen.
5765
5766 En de hofdame ging voort.
5767
5768 Vervolgens kwam een jonge eerejuffer die blond, frisch en lieftallig
5769 was, doch drie tanden miste in de bovenste rij.
5770
5771 --Heer schilder, sprak zij, als ge mij lachen doet en niet al mijne
5772 tanden laat zien, doe ik u in stukskens kappen door mijn minnaar,
5773 die daar staat.
5774
5775 En zij wees naar den kapitein van de boogschutters die den dag te
5776 voren op de trappen van het paleis met de dobbelsteenen speelde;
5777 daarop ging zij voort.
5778
5779 En allen gingen aldus hem voorbij; ten slotte bleef Uilenspiegel
5780 alleen met den edelen landgraaf.
5781
5782 --Als gij het ongeluk hebt, sprak de edele landgraaf, alle die lieden
5783 niet trouwelijk uit te schilderen, laat ik u het hoofd afkappen.
5784
5785 --Zonder hoofd, dacht Uilenspiegel, gevierendeeld, in stukskens
5786 gekapt of voor het minste gehangen, zal het veel voorzichtiger zijn,
5787 niemand te schilderen. Ik zal er over nadenken.
5788
5789 --Waar is de zaal op welker muren ik al die doorluchtige lieden moet
5790 malen? vroeg Uilenspiegel aan den landgraaf.
5791
5792 --Volg mij, sprak de landgraaf.
5793
5794 En hij bracht hem naar een ruime kamer met groote witte muren.
5795
5796 --Hier is zij, sprak hij.
5797
5798 --Het ware goed, zei Uilenspiegel, dat men vóór die muren groote
5799 gordijnen hing, om mijn schilderwerk te behoeden voor stof en voor
5800 de beleediging der vliegen.
5801
5802 --Dat zal geschieden, sprak de edele landgraaf.
5803
5804 Toen de gordijnen hingen, vroeg Uilenspiegel drie leerjongens, om
5805 zijne verven te malen, naar hij zeide.
5806
5807 Dertig dagen lang gastreerden Uilenspiegel en de leerjongens en lieten
5808 zij zich de fijne vleezen en de oude wijnen goed smaken. De landgraaf
5809 zorgde voor alles.
5810
5811 Doch den een en dertigsten dag stak hij zijn neus in de kamer, alwaar
5812 Uilenspiegel gezegd had, dat niemand mocht binnenkomen.
5813
5814 --Hewel, Thijl, sprak hij, waar zijn de portretten?
5815
5816 --Ze zijn verre, antwoordde Uilenspiegel.
5817
5818 --Mag ik ze zien?
5819
5820 --Nog niet.
5821
5822 Den zes en dertigsten kwam hij weer met zijn neus voor de deur.
5823
5824 --Hewel, Thijl? vroeg hij.
5825
5826 --Edele landgraaf, zij gaan op hun laatste.
5827
5828 Den zestigsten dag maakte de landgraaf zich kwaad en, de kamer
5829 binnentredend, sprak hij:
5830
5831 --Op staanden voet gaat gij mij het schilderwerk toonen.
5832
5833 --Ja, geduchte heer, sprak Uilenspiegel, maar gelief het gordijn niet
5834 te openen, alvorens de kapiteins en de edelvrouwen van uw hof hier
5835 binnen te roepen.
5836
5837 --Dat zij komen, sprak de edele landgraaf.
5838
5839 Op dit bevel traden allen binnen.
5840
5841 Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.
5842
5843 --Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne,
5844 en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en
5845 dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw
5846 lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich
5847 dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien;
5848 't is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog
5849 een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins,
5850 die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en
5851 bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk
5852 bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U
5853 uwe doorluchtige oogen te openen.
5854
5855 Uilenspiegel schoof het gordijn weg.
5856
5857 --Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst
5858 blijven blind voor dit kunststuk.
5859
5860 Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering
5861 te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in
5862 werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen
5863 gansch onthutste.
5864
5865 Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn
5866 narrenstok zwaaiend, sprak hij:
5867
5868 --Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor
5869 deugniet, maar 'k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik
5870 daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen
5871 neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.
5872
5873 Uilenspiegel sprak:
5874
5875 --Als de zotten spreken, is 't tijd dat de wijzen optrekken.
5876
5877 Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.
5878
5879 --Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede
5880 te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in
5881 tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk,
5882 zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten,
5883 gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.
5884
5885 --Als de koord van goud is, antwoordde Uilenspiegel, zal zij breken
5886 van schrik als ze mij ziet komen.
5887
5888 --Daar, sprak de landgraaf, hem vijftien gulden in de hand stoppend,
5889 zie hier een stukje van de koorde!
5890
5891 --Hertelijk dank, genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, elke
5892 afspanning van den weg krijgt er een vezel van, een gouden vezel,
5893 die al die dieven van weerden tot rijkaards maakt.
5894
5895 En hij sprong op den ezel en reed weg, met zijn hoedeken fier naar
5896 omhoog.
5897
5898
5899
5900
5901 LVIII.
5902
5903 De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te
5904 waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En
5905 Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam
5906 bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en
5907 gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd
5908 uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.
5909
5910 Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel
5911 begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en
5912 Nele, sprak Klaas:
5913
5914 --'t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer
5915 Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant,
5916 kunnen zien?
5917
5918 --Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.
5919
5920 Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door
5921 woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.
5922
5923 Katelijne zegde heur:
5924
5925 --Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf
5926 van keizer Karel.
5927
5928 --Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen
5929 geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal,
5930 met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden
5931 blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men
5932 Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog
5933 een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een
5934 waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, 't is koning Philippus. Zijne
5935 Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere
5936 slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem
5937 dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een
5938 koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met
5939 satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij,
5940 dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken
5941 soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, 't zij maagd,
5942 gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch
5943 zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten,
5944 in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.
5945
5946 De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles
5947 gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui
5948 krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.
5949
5950 Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de
5951 Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger,
5952 Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en
5953 allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal
5954 maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die
5955 zich den neus zouden laten afsnijden, zoo zij het op den borst aan
5956 een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.
5957
5958 Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning
5959 Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe,
5960 aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote
5961 menigte spreken zal, hikkend en hoestend,--want wederom heb ik te
5962 veel gegeten, mijn zoon,--en gij zoudt een steenen hert moeten hebben,
5963 zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.
5964
5965 --Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.
5966
5967 Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht
5968 Dubois.
5969
5970 --Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den
5971 hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal
5972 die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van
5973 Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze
5974 zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.
5975
5976 Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens
5977 doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan;
5978 men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den
5979 schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.
5980
5981 Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een
5982 muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan
5983 naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een
5984 kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.
5985
5986 Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:
5987
5988 --Zie ik er goed uit, neef Willem?
5989
5990 --Maar de man geeft geen antwoord.
5991
5992 Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit--half lachend, half grammoedig:
5993
5994 --Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de
5995 waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen,
5996 Zwijger?
5997
5998 --Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is,
5999 laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.
6000
6001 Drie uren slaat de klok.
6002
6003 --Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.
6004
6005 En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een groote zaal binnen,
6006 zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar
6007 zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste,
6008 die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke
6009 kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor
6010 eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten,
6011 op gestoffeerde banken, mannen in 't rood gekleed, die om den hals
6012 een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die
6013 zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit,
6014 een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten
6015 banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten
6016 zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan
6017 als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich
6018 neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.
6019
6020 Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw,
6021 die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol
6022 perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit
6023 hoestend en met zwakke stemme afleest:
6024
6025 --Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de
6026 Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods,
6027 den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.
6028
6029 Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon
6030 van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze
6031 landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.
6032
6033 Hij weent en allen weenen mede.
6034
6035 Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept
6036 hij uit:
6037
6038 --Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen
6039 te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?
6040
6041 Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak
6042 te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.
6043
6044 Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon,
6045 zonder recht te staan:
6046
6047 --Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot
6048 ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht,
6049 mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.
6050
6051 --Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.
6052
6053 En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongen koning zoo
6054 fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede
6055 zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken
6056 heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als
6057 die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige
6058 Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid;
6059 hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op
6060 plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar
6061 het huis der Warande.
6062
6063 Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige
6064 Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:
6065
6066 --Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die
6067 menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op 't
6068 einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf
6069 scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die
6070 't volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen 't liefst,
6071 die ons 't duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij
6072 ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik
6073 den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk
6074 strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan
6075 ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij
6076 denken dat mijn ijver voor 't Roomsch geloove oprecht is, en 't spijt
6077 hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden,
6078 uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en
6079 bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen
6080 te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië
6081 en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van
6082 Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat
6083 mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen
6084 aan 't gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen
6085 zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne
6086 gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn
6087 meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij
6088 zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was:
6089 zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten
6090 moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges,
6091 doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn
6092 zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met
6093 een sterken arm breekt. Bestrijd de ketterije, niet om haar verschil
6094 met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden,
6095 eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne
6096 drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er
6097 maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad
6098 van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven,
6099 gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten
6100 om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede
6101 vorst! En zij zullen weenen!
6102
6103 --En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is
6104 op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch
6105 en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.
6106
6107 Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.
6108
6109 En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in
6110 den heerd flikkerde.
6111
6112
6113
6114
6115 LIX.
6116
6117 Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn
6118 ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten
6119 van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.
6120
6121 Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en
6122 ontmoette daar een troep Smadelijke Broeders, lustige Vlamingen van
6123 Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize
6124 in Duitschland te doen.
6125
6126 Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het
6127 Veurne--Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen
6128 en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp,
6129 de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte
6130 groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een
6131 rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.
6132
6133 Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel
6134 zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te
6135 trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat de
6136 Smadelijke Broeders tot elkaar knipoogden en heimelijk lachten,
6137 terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde
6138 bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde
6139 den dikzak zeggen:
6140
6141 --'t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer dan duizend gulden
6142 gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn,
6143 en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.
6144
6145 --Amen, zegden de anderen.
6146
6147 Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder,
6148 bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te
6149 letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer
6150 bij de Smadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken
6151 hem in en betaalden 't gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den
6152 landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan
6153 eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.
6154
6155 De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak,
6156 naar Uilenspiegel wijzend:
6157
6158 --'t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.
6159
6160 Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel's tassche hoorde
6161 rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel
6162 liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne
6163 beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat
6164 daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen
6165 nacht geduurd had, zeiden de Smadelijke Broeders tot Uilenspiegel:
6166
6167 --Laat ons opkramen en 't gelag betalen.
6168
6169 Uilenspiegel antwoordde:
6170
6171 --Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?
6172
6173 --Neen, spraken zij.
6174
6175 --En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het
6176 stof van de wegen of naar 't water van de grachten die vol echelen
6177 steken?
6178
6179 --Neen, spraken zij.
6180
6181 --Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne
6182 guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken
6183 van den baas in onze kelen te gieten.
6184
6185 En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.
6186
6187 Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:
6188
6189 --Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze
6190 ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt,
6191 neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.
6192
6193 --Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.
6194
6195 En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken
6196 die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed
6197 met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed
6198 moest afnemen, zeggende:
6199
6200 --Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.
6201
6202 --Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak de Smadelijke Broeder.
6203
6204 --Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen
6205 half in de zonne en half in de schaduw te loopen.
6206
6207 En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:
6208
6209 --Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.
6210
6211 Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.
6212
6213 Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg
6214 den weg in naar Emden.
6215
6216 Als de Smadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij
6217 tot elkander:
6218
6219 --Zou hij weg zijn? Wie zal dan 't gelag betalen?
6220
6221 De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.
6222
6223 Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering
6224 niets dan kwade koperen penningen.
6225
6226 Toen voer hij heftig uit tegen de Smadelijke Broeders.
6227
6228 --Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij
6229 al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.
6230
6231 En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde
6232 reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch
6233 hun wagen willen verkoopen.
6234
6235 En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat
6236 brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij
6237 dat zij door dieven uitgeschud waren.
6238
6239 En zij hadden in 't gelijk maar ééne hooze.
6240
6241 Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en
6242 op den rommelpot spelend.
6243
6244
6245
6246
6247 LX.
6248
6249 Intusschen reed Uilenspiegel op zijn ezel door de landen en sompen
6250 van den hertog van Lunenburg, het Watersignoorken, zooals de Vlamingen
6251 hem heetten.
6252
6253 Jef gehoorzaamde Uilenspiegel als een hondje, dronk bruinbier, danste
6254 beter dan een Hongaarsche dansmeester en legde zich, bij het minste
6255 teeken, op den rug met de vier pooten omhoog.
6256
6257 Uilenspiegel wist dat de hertog van Lunenburg--verbolgen omdat hij,
6258 te Darmstadt, in tegenwoordigheid van den landgraaf van Hessen, met
6259 hem den spot had gedreven--hem op straffe van den strop den toegang
6260 tot zijn grondgebied ontzegd had.
6261
6262 Plotseling zag Uilenspiegel Zijne Hertogelijke Hoogheid in persoon
6263 aankomen en mits hij zijn geweldig karakter kende, werd hij bang. Hij
6264 sprak tot zijn ezel:
6265
6266 --Jef, jongen, daar komt de hertog van Lunenburg. Aan den hals voel
6267 ik een groote krieuweling; nu, Jef, ik zou niet geerne gehangen
6268 worden. Gedenk dat wij broeders in ellende en in lange ooren zijn;
6269 gedenk ook welk een goeden vriend gij aan mij zoudt verliezen.
6270
6271 En Uilenspiegel wischte zich de oogen en Jef begon te balken.
6272
6273 --Wij leven samen gelukkig, vervolgde Uilenspiegel, of rampspoedig,
6274 naarvolgens de omstandigheden; gedenk dat, Jef!--De ezel balkte
6275 voort, want hij had honger.--En nooit zult ge mij vergeten, sprak
6276 zijn meester, want welke liefde is sterker dan die, welke dezelfde
6277 vreugde beleeft en denzelfden rampspoed beweent? Jef, jongen, gij
6278 moet u op den rug leggen.
6279
6280 De zachtaardige ezel deed wat zijn meester begeerde en de hertog zag
6281 hem met de vier pikkels omhoog liggen. Uilenspiegel zette zich neer
6282 op den buik van den ezel.
6283
6284 --Wat doet gij daar? sprak de hertog. Weet gij dan niet dat ik, bij
6285 mijn laatste plakkaat, u verboden heb uwe stoffige voeten in mijne
6286 gewesten te zetten?
6287
6288 Uilenspiegel antwoordde:
6289
6290 --Genadige heer, heb erbarming met mij.
6291
6292 En naar zijn ezel wijzend:
6293
6294 --Gij weet wel, heer, dat hij, die tusschen zijne vier palen woont,
6295 bij wet en recht immmer vrij is.
6296
6297 De hertog antwoordde:
6298
6299 --Verlaat mijne gewesten of gij zult sterven!
6300
6301 --Genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, met een paar gulden zou ik
6302 er rapper buitenrollen.
6303
6304 --Nietdeug, sprak de hertog, het is u niet genoeg ongehoorzaam te zijn,
6305 ge vraagt er mij nog geld bij!
6306
6307 --Ik moet het wel vragen, heer, mits ik het niet nemen kan.
6308
6309 De hertog gaf hem een gulden.
6310
6311 Toen sprak Uilenspiegel tot zijn ezel:
6312
6313 --Jef, sta op en groet Zijne Hoogheid.
6314
6315 De ezel stond op en begon te balken. Toen gingen beiden hun weg.
6316
6317
6318
6319
6320 LXI.
6321
6322 Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar
6323 de straat. En Soetkin sprak tot Nele:
6324
6325 --Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?
6326
6327 --Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer
6328 terug.
6329
6330 Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet
6331 hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!
6332
6333 --Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van
6334 hier, een huis, rijker dan 't zijne, waar hij zeker door een schoone
6335 dame getroeteld wordt.
6336
6337 --'t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien
6338 ortolanen.
6339
6340 --Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn
6341 de slokker.
6342
6343 Soetkin lachte en zei:
6344
6345 --Van waar, liefste, die boosheid?
6346
6347 Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:
6348
6349 --Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?
6350
6351 --Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een
6352 woord over sprak. Is 't waar, liefste, hebt gij er zin in?
6353
6354 --Geloof er niets van, sprak Nele.
6355
6356 --Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten
6357 mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten
6358 zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en
6359 een nietdeug.
6360
6361 Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:
6362
6363 --Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?
6364
6365 --Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
6366
6367
6368
6369
6370 LXII.
6371
6372 Als Uilenspiegel te Neurenberg kwam, gaf hij zich uit voor grootmeester
6373 in de medicijnen, overwinnaar van alle kwalen, wereldberoemd
6374 lichaamzuiveraar, die pest, koorts en alle ziekten verdreef.
6375
6376 In het gasthuis van die stad lagen zooveel zieken dat men ten einde
6377 raad was. De overste had de komst van Uilenspiegel vernomen; hij ging
6378 hem bezoeken en vroeg of hij werkelijk allerlei ziekten genezen kon?
6379
6380 --Uitgenomen de laatste, antwoordde Uilenspiegel; maar beloof mij
6381 tweehonderd gulden voor genezing der overigen; doch ik wil geen duit,
6382 als al uwe zieken niet zeggen, dat zij genezen zijn en het gasthuis
6383 kunnen verlaten.
6384
6385 's Anderen daags trad hij, met doctorale waardigheid de ziekenzaal
6386 binnen. Hij ging overal rond, bezocht elken zieke afzonderlijk en zei:
6387
6388 --Zweer mij dat gij aan niemand zult zeggen wat ik u in het oor ga
6389 vertellen. Welke ziekte hebt gij?
6390
6391 De kranke zei het hem, en zwoer bij hoog en leeg te zullen zwijgen.
6392
6393 --Weet, sprak Uilenspiegel, dat ik morgen een uwer tot asch moet
6394 verbranden, om daarmede een wonderbaar geneesmiddel te bereiden, dat
6395 alle zieken zullen te drinken krijgen. Hij, die niet gaan kan, wordt
6396 tot pulver verbrand. Morgen kom ik terug met de overste, en ik zal
6397 roepen: "Dat al degenen die niet ziek zijn, hun pak maken en heengaan."
6398
6399 Den volgenden morgen kwam Uilenspiegel en riep gelijk hij gezegd
6400 had. Al de zieken, kreupelen, jichtlijders, koortslijders, wilden om
6401 't zeerste buiten. En zelfs zij die in geen tien jaar uit hun bedde
6402 waren gekomen, liepen de straat op.
6403
6404 De overste vroeg of zij genezen waren en of zij gaan konden.
6405
6406 --Ja, antwoordden zij, in 't gedacht dat er één op de binnenplaats
6407 tot assche verbrand werd.
6408
6409 Toen sprak Uilenspiegel tot den overste:
6410
6411 --Betaal mij; gij ziet, allen zijn buiten en verklaren dat zij
6412 genezen zijn.
6413
6414 De overste betaalde hem tweehonderd gulden, en Uilenspiegel spoedde
6415 zich buiten de stad.
6416
6417 Maar twee dagen nadien zag de overste alle zijne zieken zieker
6418 terugkomen, behalve één dien de frissche lucht genezen had, en die nu
6419 dronken door de straten liep, al zingende: "Hoezee voor den grooten
6420 dokter Uilenspiegel!"
6421
6422
6423
6424
6425 LXIII.
6426
6427 Als de tweehonderd gulden verteerd waren, kwam Uilenspiegel te Weenen,
6428 alwaar hij zich verhuurde bij eenen wagenmaker, die zijne gasten
6429 gedurig beknorde, omdat zij den blaasbalg van de smidse niet vlug
6430 genoeg trokken.
6431
6432 --Op maat schreeuwde hij, en volgt met den blaasbalg.
6433
6434 Eens dat de baas naar zijnen hof ging, maakte Uilenspiegel den
6435 blaasbalg los, schouderde hem en volgde aldus zijnen meester. Als
6436 deze verwonderd opkeek, sprak Uilenspiegel.
6437
6438 --Baas, gij hebt mij geheeten met den blaasbalg te volgen, waar moet
6439 ik hem leggen, terwijl ik de anderen haal?
6440
6441 --Jongen, antwoordde de baas, dat heb ik u niet gezegd, breng den
6442 blaasbalg op zijne plaats terug.
6443
6444 Maar de baas wilde hem die poets betaald zetten. Hij stond, van
6445 dien dag af, te middernacht op, maakte zijne gasten wakker en deed
6446 hen werken.
6447
6448 De werklieden spraken:
6449
6450 --Baas, waarom wekt gij ons te midden van den nacht?
6451
6452 --Ik heb de gewoonte, antwoordde de baas, mijne gasten de eerste
6453 zeven dagen maar een halven nacht te laten slapen.
6454
6455 Den volgende nacht, wekte hij weer zijne gasten te
6456 middernacht. Uilenspiegel, die op den zolder sliep, bond zijn bed op
6457 zijnen rug en kwam aldus de smidse binnen.
6458
6459 De baas sprak tot hem:
6460
6461 --Zijt gij zot? Waarom laat gij uw bed niet op zijne plaats?
6462
6463 --Ik heb de gewoonte, antwoordde Uilenspiegel, de eerste zeven dagen
6464 van de week de helft van den nacht op mijn bed en de andere helft
6465 onder mijn bed te slapen.
6466
6467 --Zoo, antwoordde de meester, maar ik heb nog een tweede gewoonte, dat
6468 is van mijne onbeschaamde gasten op straat te smijten, met toelating
6469 de eerste week boven den grond, en de tweede onder den grond door
6470 te brengen.
6471
6472 --In uwen kelder, baas, bij de tonnen bruinbier?
6473
6474
6475
6476
6477 LXIV.
6478
6479 Als Uilenspiegel den wagenmaker verlaten had, verhuurde hij zich,
6480 op de terugreis naar Vlaanderen, als leerknaap bij eenen schoenmaker,
6481 die liever aan zijne deur stond, dan met zijne else op den stoel zat.
6482
6483 Uilenspiegel, die hem voor de honderdste maal zag opstaan, vroeg hoe
6484 hij de overleeren moest snijden.
6485
6486 --Snijdt er, sprak de baas, voor groote en middelmatig voeten, opdat
6487 zij passen aan al wie groot of klein vee drijft.
6488
6489 --Zoo zal geschieden, baas, antwoordde Uilenspiegel.
6490
6491 Als de schoenmaker weg was, sneed Uilenspiegel overleeren die alleen
6492 goed waren voor merriën, ezelinnen, veerzen, zeugen en ooien.
6493
6494 Als de baas terug in zijn werkhuis kwam en zijn leder versneden zag,
6495 riep hij uit:
6496
6497 --Wat steekt gij daar uit?
6498
6499 --Wat gij mij gezegd hebt, was 't antwoord van Uilenspiegel.
6500
6501 --Ik heb u gezegd, hernam de baas, schoenen te snijden die passen
6502 aan allen die ossen, varkens en schapen drijven, en nu snijdt gij
6503 schoenen voor die beesten.
6504
6505 Uilenspiegel antwoordde:
6506
6507 --Baas, in dit seizoen waarin alle beesten minneziek zijn, wie anders
6508 dan de zeug, de ezelin, de veers en de ooie mennen den beer, den ezel,
6509 den stier en den ram?
6510
6511 Hij maakte zich buiten, doch hij mocht niet meer binnen.
6512
6513
6514
6515
6516 LXV.
6517
6518 Het was in de Grasmaand, de lucht was zoet, doch nadien begon het te
6519 vriezen en de hemel zag grijs als op Allerzielen. Uilenspiegel's derde
6520 jaar ballingschap was sedert lang verstreken, en Nele verwachtte alle
6521 dagen heuren hertsvriend terug.
6522
6523 --Laas! sprak zij, 't gaat sneeuwen op de kersebloesems, op de
6524 bloeiende seringa's, op al de arme planten die bij de zoele warmte
6525 eener vroege lente vol hope ontloken waren. Lichte sneeuwvlokjes
6526 vallen reeds op de wegen. En 't sneeuwt ook op mijn arm herte.
6527
6528 Waar zijn zij, de heldere zonnestralen, die de gezichten verblijden,
6529 de daken rooder maken, den hemel blauw en de ruiten vlammend? Waar
6530 zijn zij die warmte schenken aan aarde, lucht, aan vogelen en
6531 insecten? Laas! nu heb ik dag en nacht koude van droefheid en bangen
6532 twijfel. Waar zijt gij mijn lief, mijn Uilenspiegel?
6533
6534
6535
6536
6537 LXVI.
6538
6539 Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde
6540 niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood
6541 te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen
6542 en gaven hem niets.
6543
6544 Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den
6545 rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam
6546 het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen,
6547 doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.
6548
6549 Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes
6550 op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht
6551 langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene
6552 guldens omhoog.
6553
6554 Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven,
6555 maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen,
6556 het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten,
6557 luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.
6558
6559 --Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden
6560 schoone vruchten aan groeien.
6561
6562 Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen
6563 geducht op Uilenspiegel's rug.
6564
6565 --Laas, sprak hij, ik voel het wel, 't is alleen naar dwalende honden
6566 dat men steenen smijt.--Toen zette hij het op een loopen.--'t Is
6567 mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen
6568 tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke
6569 hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, 't is mijne schuld
6570 niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, 't is enkellijk
6571 omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen
6572 willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.--En
6573 hij liep.--Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord,
6574 en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der
6575 aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend,
6576 sprak hij:--Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks,
6577 die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan
6578 heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag
6579 u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij
6580 nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.
6581
6582 Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het
6583 hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:--Daar
6584 is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps
6585 zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen,
6586 met hangende tong en puilende oogen.
6587
6588 --Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen
6589 op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak
6590 bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op
6591 den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten,
6592 maar hij kon niet en viel dood ten gronde.
6593
6594 Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden
6595 gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij
6596 dolle honden 't geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot
6597 zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte
6598 het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat
6599 drogen en stak het in zijne tassche.
6600
6601 Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen,
6602 doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan
6603 den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde
6604 het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een
6605 kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden
6606 hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.
6607
6608 --Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.
6609
6610 Uilenspiegel antwoordde:
6611
6612 --Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid
6613 genas, die hem grootelijks hinderde.
6614
6615 --Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.
6616
6617 --Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen
6618 toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen
6619 te kussen.
6620
6621 De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.
6622
6623 --Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.
6624
6625 --Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte
6626 mij, ik kwam en klopte:--Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige,
6627 aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne
6628 Zeer Heilige Heiligheid.--Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik
6629 kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen
6630 en zijnen hond van het slijm te verlossen.--Ha! zijt gij het,
6631 Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een
6632 deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat
6633 onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de
6634 vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over
6635 gaat--Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen
6636 gekomen om de voeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het
6637 slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?--Neen, sprak
6638 de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:--Aartskamerheer,
6639 schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo
6640 werd gedaan.--En door het schuifje zag ik twee voeten steken met
6641 gouden muilen aan, en 'k hoorde eene stem die als de donder rolde,
6642 zeggen:--Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen,
6643 den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige,
6644 kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was
6645 gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen
6646 ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te
6647 wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn,
6648 om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen
6649 en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.
6650
6651 De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:--Uilenspiegel,
6652 gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met
6653 te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem,
6654 mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.
6655
6656 --Drink, sprak de oude.
6657
6658 --Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij:
6659 Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje,
6660 dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten
6661 aan één stuk, en was toen genezen.
6662
6663 --Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim,
6664 die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.
6665
6666 Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude,
6667 sprak:--Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen,
6668 twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij
6669 wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed,
6670 en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk
6671 zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.
6672
6673 --Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor
6674 uwe moeite.
6675
6676 --Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.
6677
6678 Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn
6679 bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij
6680 niet gezegd dat dit niet mogelijk was.
6681
6682 Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne
6683 knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere;
6684 vervolgens sprak hij tot de hospita:
6685
6686 --Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?
6687
6688 --Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.
6689
6690 --Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en
6691 ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij
6692 nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg
6693 hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou
6694 uitdoen van dengene die at zonder betalen.
6695
6696 --Zeker, antwoordde zij.
6697
6698 --Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb
6699 hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.
6700
6701 En hij toonde heur de huid van den dooden hond.
6702
6703 --Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm
6704 hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen
6705 vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!
6706
6707 --Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel.
6708
6709 --Weder in 't leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog
6710 aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet
6711 alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar
6712 'k geef u nog een gulden op den koop toe.
6713
6714 --Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik
6715 moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe
6716 te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet
6717 mij alleen laten.
6718
6719 De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den
6720 dooden hond naar den stal.
6721
6722 Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet
6723 begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij
6724 groote streepen met siroop.
6725
6726 Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik
6727 beveel het, vuile hond!
6728
6729 Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne
6730 tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de
6731 gelagkamer binnen.
6732
6733 Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij
6734 hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.
6735
6736 --Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij al de siroop
6737 afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed
6738 dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.
6739
6740 --Eén had ik gezeid, sprak de oude.
6741
6742 --Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in 't leven te roepen.
6743
6744 En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den
6745 dooden hond in de gelagkamer, zeggende:--Daar, vrouwe, bewaar het oude
6746 vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.
6747
6748
6749
6750
6751 LXVII.
6752
6753 Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei
6754 tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien
6755 Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven
6756 om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.
6757
6758 De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten
6759 en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen
6760 van eene of andere dorpsklok in 't ronde, terwijl de wind, bijwijlen
6761 uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van
6762 falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig
6763 Bloed afgeschoten werden.
6764
6765 Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets
6766 dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende
6767 tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in
6768 't stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk
6769 in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op
6770 den schoorsteen glinsteren deed.
6771
6772 Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon
6773 zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en
6774 spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het
6775 blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in
6776 de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van
6777 lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel
6778 niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige
6779 dier knollen opeten.
6780
6781 --Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.
6782
6783 Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij
6784 hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat,
6785 en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderd gouden
6786 karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:
6787
6788 --Kom binnen!
6789
6790 De man antwoordde:
6791
6792 --Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.
6793
6794 Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de
6795 vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar 's winters hun eten zoeken. De
6796 man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.
6797
6798 --Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.
6799
6800 --Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man,
6801 en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.
6802
6803 --'t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas,
6804 de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren,
6805 pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in
6806 den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze
6807 van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om
6808 gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort
6809 gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.
6810
6811 Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:
6812
6813 --Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?
6814
6815 --Neen, antwoordde hij.
6816
6817 --Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij
6818 alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote
6819 bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.
6820
6821 De man antwoordde:
6822
6823 --Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als
6824 ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.
6825
6826 Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot
6827 was zijn gramschap.
6828
6829 --De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!
6830
6831 --Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.
6832
6833 En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:
6834
6835 --Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan
6836 voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn
6837 broeder Klaas, als gij voor 't geloove niet sterft als ik; zeg hem van
6838 in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te
6839 plegen en zijn zoon heimelijk in de wet van Christus op te brengen. Het
6840 geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij
6841 het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.
6842
6843 Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.
6844
6845 En Klaas jammerde:
6846
6847 --Op het rad gestorven! mijn arme broeder!
6848
6849 En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon
6850 komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak,
6851 schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.
6852
6853 Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de
6854 bode de gast van den koolbrander.
6855
6856 Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:
6857
6858 --Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!
6859
6860 En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.
6861
6862 Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen
6863 aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
6864
6865
6866
6867
6868 LXVIII.
6869
6870 Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken
6871 als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond
6872 naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die
6873 beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond,
6874 op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen
6875 zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte
6876 hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde,
6877 gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die
6878 jankend en jammerend wegvluchtte.
6879
6880 Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat
6881 of Uilenspiegel niet afkwam.
6882
6883 Eensklaps sprak zij:
6884
6885 --Daar is de provoost met vier sergeanten. 't Is toch zeker niet voor
6886 ons. Twee van de mannen loopen de hut om.
6887
6888 Klaas hief zijn hoofd op.
6889
6890 --En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.
6891
6892 Klaas stond recht.
6893
6894 --Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen
6895 hier binnen.
6896
6897 Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:
6898
6899 --Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den
6900 schoorsteen.
6901
6902 Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de
6903 serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te
6904 geraken en zij weende en riep:
6905
6906 --Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan
6907 mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!
6908
6909 En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met
6910 heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel
6911 machteloos op het gras van den hof.
6912
6913 Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk
6914 aanzag zij het schouwspel.
6915
6916 --Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!
6917
6918 Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon
6919 tot de serjanten, die binnengekomen waren:
6920
6921 --Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als 't mijn
6922 zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?
6923
6924 Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den
6925 hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de
6926 beide serjanten.
6927
6928 --Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?
6929
6930 En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep
6931 heur vast, niet zonder moeite.
6932
6933 Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de
6934 twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.
6935
6936 En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken,
6937 waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.
6938
6939 --Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan,
6940 dat gij hem bindt als een dief?
6941
6942 --Ketter, sprak een der serjanten.
6943
6944 --Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!
6945
6946 --Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.
6947
6948 Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den
6949 waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen. Mannen en
6950 vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid
6951 werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij
6952 haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige
6953 meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:
6954
6955 --Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?
6956
6957 --Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.
6958
6959 --Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer
6960 aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien
6961 of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
6962
6963
6964
6965
6966 LXIX.
6967
6968 Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet
6969 was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken
6970 van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek
6971 zou bestieren.
6972
6973 Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met
6974 een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon
6975 van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd,
6976 tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der
6977 gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam
6978 en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen,
6979 smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite
6980 klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.
6981
6982 Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij
6983 zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.
6984
6985 En hij liep regelrecht naar Damme.
6986
6987 De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag
6988 hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne
6989 mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.
6990
6991 Een rondleurder vroeg hem in 't voorbijgaan:
6992
6993 --Waar loopt gij zoo haastig?
6994
6995 --Naar Damme, naar mijn huis, was 't antwoord van Uilenspiegel.
6996
6997 De rondleurder sprak:
6998
6999 --De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men
7000 er pakt.
7001
7002 En hij ging voort.
7003
7004 Aan de afspanning het Roode Schild gekomen, ging Uilenspiegel er
7005 binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.
7006
7007 De baas zei hem:
7008
7009 --Zijt gij de zoon van Klaas niet?
7010
7011 --Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.
7012
7013 --Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen
7014 vader geslagen.
7015
7016 Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.
7017
7018 De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw
7019 zou weten.
7020
7021 En Uilenspiegel liep voort.
7022
7023 Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der
7024 deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen
7025 de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:
7026
7027 --Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar
7028 is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar
7029 niet levend verbranden!
7030
7031 Uilenspiegel liep nog harder.
7032
7033 Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:
7034
7035 --Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker
7036 gesteld van wege den keizer.
7037
7038 Uilenspiegel bleef staan.
7039
7040 --Nele, sprak hij, is 't waar dat zij Klaas, mijn vader in 't gevang
7041 hebben gestoken?
7042
7043 --Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.
7044
7045 Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:
7046
7047 --Ik wil ze zien.
7048
7049 --Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen
7050 Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen,
7051 zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij
7052 eerst redden, want zij zijn 't erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.
7053
7054 Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het
7055 Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij
7056 weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar 't
7057 gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme
7058 Soetkin en Uilenspiegel.
7059
7060 Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne
7061 woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen, die men uit
7062 Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de
7063 uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd
7064 geerne gezien door de burgers van Damme.
7065
7066 De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene
7067 bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen
7068 wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.
7069
7070 Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.
7071
7072 En schuddebollend sprak Katelijne: "Het vuur! Maakt open, mijne ziel
7073 wil er uit!"
7074
7075
7076
7077
7078 LXX.
7079
7080 De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen;
7081 omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.
7082
7083 Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw
7084 van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen
7085 en de griffier.
7086
7087 Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte
7088 toegeloopen, en het sprak:
7089
7090 --Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen,
7091 maar als slaven in dienst van den Keizer.
7092
7093 De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk
7094 ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had
7095 dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas,
7096 koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van
7097 Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij,
7098 gaan wij tot het verhoor der getuigen over.
7099
7100 Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den
7101 eed afgelegd had, sprak hij: "Op mijner ziele zaligheid bevestig en
7102 verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer
7103 dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de
7104 wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over
7105 haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft,
7106 noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken,
7107 noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en
7108 ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij
7109 God en al zijne santen."
7110
7111 Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei "dat, gedurende de
7112 afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidene reizen in
7113 het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren
7114 en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer,
7115 een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat
7116 betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon
7117 hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft,
7118 vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem
7119 ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere
7120 ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans
7121 dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo
7122 helpen mij God en al zijne santen."
7123
7124 Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerne den Blauwen Toren, geene
7125 aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten,
7126 antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had,
7127 maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van
7128 Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver,
7129 de deken der vischverkoopers, had willen doen.
7130
7131 De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan
7132 Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:
7133
7134 --De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn
7135 geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren,
7136 gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in
7137 pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de
7138 Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en
7139 groette hem. De man was in 't zwart gekleed. Hij ging bij Klaas
7140 binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie
7141 die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den
7142 vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder
7143 de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt
7144 werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk
7145 zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende
7146 volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den
7147 hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer
7148 Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze
7149 woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De
7150 moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde
7151 Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij
7152 de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke
7153 en menschelijke majesteitsschennis. Als de man gedaan had met eten,
7154 hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: "Arme Judocus, dat God zich
7155 uwer ontferme; zij waren wreed jegens u." Daardoor beschuldigde hij
7156 God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij
7157 ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te
7158 zeggen: "Mijn arme broeder!" Gelijk een kettersch predikant, riep
7159 de vreemdeling toen in woede uit: "Zij zal vallen, de Babylonische
7160 Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren." Klaas
7161 riep daarop: "De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!" De
7162 vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: "Want de engel zal eenen
7163 steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de
7164 zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en
7165 nimmermeer teruggevonden."--"Heer, sprak Klaas, uw mond is vol
7166 grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen
7167 in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen
7168 leven?"--"Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist
7169 regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid
7170 is."--"Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen
7171 Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme
7172 protestanten gestraft worden." De vreemdeling antwoordde: "Zeker
7173 weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals
7174 gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit
7175 de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst
7176 de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt." Klaas
7177 antwoordde: "Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het
7178 gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk
7179 vleesch. Mijn arme Judocus!" En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het
7180 uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren
7181 doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas:
7182 "Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij
7183 gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen."
7184
7185 ... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een
7186 kan bier terugkwam: "Ik ga de deur toedoen", sprak hij vervolgens,
7187 en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis
7188 verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling
7189 ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: "Klaas,
7190 't is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats;
7191 niemand heeft mij zien binnenkomen; alles is stil." Klaas liet hem
7192 binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,--den ketter den weg
7193 wijzend,--de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine
7194 dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.
7195
7196 --Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan
7197 gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf
7198 als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?
7199
7200 En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers,
7201 die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.
7202
7203 De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich
7204 zelven verried. Allen die van 't gemeen, mannen, vrouwen en meidekens,
7205 zeiden tot elkaar:
7206
7207 --Arme man, die woorden kosten hem het leven!
7208
7209 Doch de griffier ging voort:
7210
7211 --De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende
7212 nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren
7213 van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien
7214 heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen
7215 zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden
7216 en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne
7217 Koninklijke Majesteit....
7218
7219 --Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men
7220 mij daarvan niet beschuldigen!
7221
7222 De griffier hernam:--Men heeft andere dingen gehoord. Als de
7223 vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt
7224 gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne's
7225 akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke
7226 afgodenbeelden--en de baljuw sloeg een kruis--van de Allerheiligste
7227 Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat
7228 gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad,
7229 verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in
7230 de folterkamer.
7231
7232 Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets
7233 te antwoorden had; Klaas zegde van neen.
7234
7235 De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen
7236 wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling
7237 dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke
7238 Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen
7239 uitspreken.
7240
7241 Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,
7242 maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde
7243 opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige
7244 Kerk was.
7245
7246 --Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.
7247
7248 Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van
7249 Christus op dees aarde is, sprak hij:
7250
7251 --Neen!
7252
7253 --Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van
7254 de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij,
7255 dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed
7256 is en heilzaam, antwoordde hij:
7257
7258 --Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.
7259
7260 Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond
7261 treurig en angstig scheen.
7262
7263 Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der
7264 rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.
7265
7266
7267
7268
7269 LXXI.
7270
7271 In Katelijne's hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig
7272 sprak zij:
7273
7274 --Mijn man! mijn arme man!
7275
7276 Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij
7277 drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun
7278 teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:
7279
7280 --Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.
7281
7282 En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:
7283
7284 Maak open: mijne ziel wil er uit!
7285
7286 En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.
7287
7288 De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas
7289 stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van
7290 Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld
7291 was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele,
7292 toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.
7293
7294 Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij
7295 den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar
7296 het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.
7297
7298 --Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet
7299 genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij
7300 hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.
7301
7302 Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop
7303 naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij
7304 voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.
7305
7306 --De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij,
7307 Nele, hoe moeilijk hij spuwt?
7308
7309 Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij
7310 de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak
7311 zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste
7312 droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst
7313 zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg,
7314 vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en
7315 links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.
7316
7317 Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen
7318 zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop
7319 door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele,
7320 die ze met brandewijn vulde.
7321
7322 De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van
7323 de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard
7324 en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.
7325
7326 De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen
7327 openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude
7328 veroorzaakte.
7329
7330 Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon
7331 wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn,
7332 de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven,
7333 lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken,
7334 de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.
7335
7336 Toen zong hij:
7337
7338
7339 Komt in 't blauw heer Maneschijn
7340 's Avonds bij vrouw Zee....
7341
7342
7343 Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan,
7344 die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:
7345
7346
7347 Komt in 't blauw heer Maneschijn
7348 's Avonds bij vrouw Zee,
7349 Vrouwe Zee dan biedt hem aan
7350 Heet haar grooten roemer wijn,
7351 Komt in 't blauw heer Maneschijn.
7352
7353 Met hem zal ze aan tafel gaan,
7354 Om zijn hals haar armen slaan,
7355 En is 't rijke maal gedaan,
7356 In haar bed hem liggen gaan,
7357 Komt in 't blauw de heere Maan.
7358
7359 Dien' me zoo mijn lievekijn,
7360 Lekker eten, heeten wijn,
7361 Dien' me zoo mijn lievekijn,
7362 Komt in 't blauw heer Maneschijn.
7363
7364
7365 Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de
7366 flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde:
7367 "Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen",
7368 noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas
7369 drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en
7370 de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput
7371 van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put,
7372 doch geenszins er nevens zou zoeken.
7373
7374 Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:
7375
7376 --Mijn man! mijne arme man!
7377
7378 Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
7379
7380
7381
7382
7383 LXXII.
7384
7385 Den volgenden dag riep de burgstorm de rechters ter vierschare.
7386
7387 Als zij op de vier banken rond den boom der justitie zaten,
7388 onderhoorden zij nogmaals Klaas en vroegen hem of hij zijne dolingen
7389 wilde herroepen.
7390
7391 Klaas hief de handen ten hemel en sprak:
7392
7393 --Christus, mijn Heer, ziet mij van omhoog. Ik bekeek de zonne toen
7394 mijn Thijl ter wereld kwam. Waar is hij nu, de zwerver? Soetkin,
7395 mijn goede, mijn zoete vrouwe, zult gij kloekmoedig zijn in 't ongeluk?
7396
7397 Toen bezag hij den lindeboom en vloekte hij hem:
7398
7399 --Storm en droogte! dat de boomen van den grond onzer vaderen liever
7400 verschroeien dan te gedogen, dat men in hunne schaduw het vrije
7401 geweten ten dood verwijst! Waar zijt gij, mijn jongen? Ik was hard
7402 jegens u Mijne Heeren, ontfermt U mijner, en oordeelt mij gelijk Onze
7403 Goedertieren Heere zou doen.
7404
7405 En allen die hem aanhoorden, moesten weenen, behalve de rechters en
7406 Judocus Grijpstuiver.
7407
7408 Toen vroeg hij of er voor hem geenerlei vergiffenis was, zeggende:
7409
7410 --Ik heb altijd veel gewrocht en weinig gewonnen; ik was goed jegens
7411 den arme en gedienstig voor elkeen. Ik heb de Roomsche Kerke verlaten
7412 om te gehoorzamen aan den geest Gods, die tot mij sprak. Ik smeek om
7413 geen andere gratie dan de verandering van de straffe des vuurs in die
7414 van eeuwigdurende verbanning uit Vlaanderenland, op verbeurte mijns
7415 levens, straffe die voorwaar streng genoeg is.
7416
7417 Allen riepen:
7418
7419 --Genade, heeren! erbarming!
7420
7421 Maar Judocus Grijpstuiver riep niet mede.
7422
7423 De baljuw gaf de toehoorders teeken te zwijgen en zegde dat het door
7424 de plakkaten strengelijk verboden was, genade voor ketteren te vragen,
7425 maar dat, zoo Klaas zijne doling wilde afzweren, hij zou gehangen
7426 worden in stee van verbrand.
7427
7428 En het volk sprak:
7429
7430 --Gehangen of verbrand, 't is toch de dood!
7431
7432 En de vrouwen weenden en de mannen morden.
7433
7434 --Ik zweer niets af, sprak Klaas. Doet met mijn lijf wat uwer genade
7435 zal believen.
7436
7437 Titelman, de deken van Ronse, riep toen uit:
7438
7439 --Het is ondraaglijk zulk een kettergespuis tot zijne rechters het
7440 hoofd te zien verheffen; het lichaam tot assche verbranden is een
7441 kortstondige pijne; men moet de ziele redden en de ketteren, door
7442 middel van de torture, dwingen hunne dolingen af te gaan, opdat zij
7443 aan 't volk het gevaarlijk schouwspel niet geven van ketteren, die
7444 in onboetveerdigheid sterven.
7445
7446 Op die rede weenden de vrouwen nog meer en zeiden de mannen:
7447
7448 --Hij heeft het stuk bekend: 't is dus de straffe, maar niet de
7449 torture.
7450
7451 De rechtbank besliste dat, mits de tortuur niet voorgeschreven was
7452 door de ordonnantiën, Klaas die niet moest verduren. Nogmaals tot
7453 afzweren vermaand, antwoordde hij:
7454
7455 --Ik kan niet.
7456
7457 Krachtens de plakkaten, werd hij plichtig verklaard aan simonie,
7458 wegens het verkoopen van aflaten, aan ketterije en aan het herbergen
7459 van ketters en als dusdanig werd hij veroordeeld om "geëxecuteerd
7460 te worden met den viere, zoo dat er de dood naar volge", vóór de pui
7461 van het schepenhuis.
7462
7463 Zijn lichaam zou twee dagen aan den staak blijven hangen om tot
7464 voorbeeld te dienen en daarna gevoerd worden ter plaatse patibulaire,
7465 zooals zij het galgeveld heetten.
7466
7467 De rechtbank kende den aanbrenger Judocus Grijpstuiver--wiens' naam
7468 niet genoemd werd--vijftig gulden op de eerste honderd karolusgulden
7469 der erfenis en den tienden penning op het overige toe.
7470
7471 Als Klaas dat vonnis hoorde, sprak hij tot den deken der
7472 vischverkoopers:
7473
7474 --Gij zult een kwaden dood sterven, slecht mensch, die voor een kleine
7475 som gelds eene weduw en eenen wees, twee ongelukkigen maakt.
7476
7477 De rechters hadden Klaas laten uitspreken, want zij ook--behalve
7478 Titelman--voelden groote verachting voor den deken der vischverkoopers
7479 en zijne eerlooze aanklacht.
7480
7481 Grijpstuiver was bleek van woede en van schaamte.
7482
7483 En Klaas werd terug naar het Steen gebracht.
7484
7485
7486
7487
7488 LXXIII.
7489
7490 Den volgenden dag, werd het vonnis aan Nele, Uilenspiegel en Soetkin
7491 bekend gemaakt.
7492
7493 Zij vroegen den rechters om in het gevang te mogen gaan, hetwelk hun
7494 toegestaan werd, behalve aan Nele.
7495
7496 Als zij binnenkwamen, zagen zij Klaas met een keten aan den muur
7497 geklonken. Een klein houtvuur smeulde in den heerd, ter oorzake van de
7498 wakheid. Want bij wet en recht is het in Vlaanderen voorgeschreven,
7499 goed te zijn voor hen die moeten sterven, en hun brood, vleesch of
7500 kaas, alsmede wijn te geven. Maar de schrokkige cipiers overtreden
7501 dikwijls de wet, en talrijk zijn zij, die het grootste en beste deel
7502 van het eten der arme gevangenen achterhouden.
7503
7504 Weenend vloog Klaas om den hals van Uilenspiegel en Soetkin, maar
7505 hij was de eerste die ophield met weenen, want hij wilde sterk zijn,
7506 als man en als hoofd van het huis.
7507
7508 Soetkin snikte en Uilenspiegel sprak:
7509
7510 --Kon ik die ijzers breken.
7511
7512 Soetkin snikte en sprak:
7513
7514 --Ik zal bij koning Philippus gaan, hij zal genade verleenen.
7515
7516 Klaas antwoordde:
7517
7518 --De koning erft van de martelaren.
7519
7520 Dan voegde hij er bij:
7521
7522 --Lieve vrouw en kind! treurig en smertvol ga ik deze wereld
7523 verlaten. Zoo ik eenigen schrik koester voor het lijden mijns
7524 lichaams, ben ik mede bedroefd als ik er aan denk dat, als ik dood
7525 ben, gij beiden arm en ellendig zult zijn, want de koning zal u uwe
7526 have ontnemen.
7527
7528 Uilenspiegel antwoordde met stille stemme:
7529
7530 --Gisteren heb ik met Nele alles gered.
7531
7532 --Dat doet mij genoegen, antwoordde Klaas; de aanbrenger zal niet
7533 lachen op mijn lijk.
7534
7535 --Hij sterve, de judas, sprak Soetkin met haatvollen blik.
7536
7537 Maar Klaas dacht aan de karolussen en sprak:
7538
7539 --Dat was slim van u, Thijlken, mijn lieveling; Soetkin, mijn arme
7540 Soetkin, zal dus in haren ouden dag geen honger hoeven te lijden.
7541
7542 En Klaas omhelsde heur, drukte heur tegen zijne borst, en zij snikte
7543 nog harder, bij de gedachte dat zij weldra heuren braven beschermer
7544 zou kwijt zijn.
7545
7546 Klaas bezag Uilenspiegel en sprak:
7547
7548 --Mijn zoon, dikwijls deedt gij kwaad, door langs de wegen te
7549 slenteren als de rabauwen; dat moogt gij nimmermeer doen, mijn kind,
7550 noch uw moeder alleen laten, want gij, als man, moet heur beschermer
7551 en verdediger zijn.
7552
7553 --Dat zal ik, vader, sprak Uilenspiegel.
7554
7555 --O mijn arme man! zei Soetkin hem kussend. Welke misdaad bedreven wij
7556 dan? Wij leefden getweeën gelukkig in eere en in deugd; wij beminden
7557 elkander, dat weet gij, Heere God, die ons ziet! Wij stonden vroeg
7558 op om te werken en 's avonds aten wij, U dankend, het zuur gewonnen
7559 brood van den dag. Ik ga naar den koning; ik zal hem verscheuren met
7560 mijne nagelen. Heere God, wij hebben niets misdaan!
7561
7562 Maar de cipier kwam binnen en zei dat ze moesten vertrekken.
7563
7564 Soetkin vroeg om te blijven. Klaas voelde heur arm gezicht branden
7565 tegen het zijne, en de tranen van Soetkin maakten zijne wangen nat,
7566 en heel heur lichaam trilde en huiverde in zijne armen. Hij vroeg om
7567 heur bij hem te laten.
7568
7569 De cipier zei nog dat ze moesten henengaan en trok Soetkin uit de
7570 armen van Klaas.
7571
7572 Klaas sprak tot Uilenspiegel:
7573
7574 --Waak over haar.
7575
7576 Uilenspiegel beloofde het hem. En de zoon de moeder ondersteunend,
7577 togen Uilenspiegel en Soetkin henen.
7578
7579
7580
7581
7582 LXXIV.
7583
7584 Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren
7585 uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne's
7586 huis en sloten hen op.
7587
7588 Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten
7589 van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den
7590 brandstapel zien konden.
7591
7592 Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:
7593
7594 --Maakt open: de ziel wil er uit!
7595
7596 Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug
7597 gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de
7598 brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak,
7599 die vóór de pui van 't schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne
7600 knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.
7601
7602 Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de
7603 provoost te peerd, de staffieren van 't baljuwschap en de negen uit
7604 Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende
7605 volk tegen te houden.
7606
7607 Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig
7608 en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.
7609
7610 Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon
7611 te kleppen.
7612
7613 De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.
7614
7615 Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:
7616
7617 --Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.
7618
7619 Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar
7620 Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God niet aanbad op de
7621 manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en
7622 vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten
7623 het hem.
7624
7625 Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht
7626 en gilde:
7627
7628 --De rook!
7629
7630 De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog
7631 stijgen. 't Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen
7632 staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken
7633 had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
7634
7635 Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte
7636 niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.
7637
7638 Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden,
7639 Katelijne sprak:--Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er
7640 uit,--en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.
7641
7642 Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch
7643 heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit
7644 den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken
7645 van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al
7646 naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen,
7647 verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.
7648
7649 Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor
7650 het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: 't was Klaas,
7651 wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En
7652 zijne borst was nat van zijne tranen.
7653
7654 Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. 't Waren de
7655 poorters, vrouwen en kinderen die riepen:
7656
7657 --Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met
7658 groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!
7659
7660 De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.
7661
7662 --Verworg hem, riepen zij.
7663
7664 En zij smeten steenen naar den provoost.
7665
7666 --De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.
7667
7668 Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.
7669
7670 --Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van
7671 den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne
7672 nagelen het hert uitrukke?
7673
7674 En de doodklok klepte.
7675
7676 Soetkin hoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch
7677 zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs,
7678 noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten
7679 keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met
7680 roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen
7681 plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van
7682 rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:
7683
7684 --Soetkin! Thijl!
7685
7686 En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.
7687
7688 En uit Katelijne's woning kwam een schellen, hertverscheurenden
7689 kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die
7690 schuddebollend sprak: "De ziel wil er uit".
7691
7692 Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak,
7693 aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.
7694
7695 En de doodklep klepte.
7696
7697
7698
7699
7700 LXXV.
7701
7702 Met gebogen hoofd en gevouwen handen stond Soetkin zwijgend tegen
7703 den muur van den keuken. En Uilenspiegel had zijne armen om heuren
7704 hals geslagen, zonder spreken of weenen.
7705
7706 Hij was verschrikt van het koortsvuur dat in zijn moeders lichaam
7707 brandde.
7708
7709 De buren, die terugkwamen, zeiden dat Klaas gedaan had met lijden.
7710
7711 --Hij is in den hemel, sprak de weduw.
7712
7713 --Bid voor hem, sprak Nele tot Uilenspiegel, en zij gaf hem heuren
7714 rozenkrans; maar hij stiet dien van zich af, omdat, zoo hij zeide,
7715 de bollekens door den paus gewijd waren.
7716
7717 De nacht was gevallen en Uilenspiegel zei:
7718
7719 --Moeder, ga slapen, ik zal bij u waken.
7720
7721 --Gij moet niet waken, sprak Soetkin, want de slaap doet goed aan
7722 jonge menschen.
7723
7724 Nele maakte hun elk eene legerstee in de keuken en ging toen henen.
7725
7726 En zij bleven er getweeën, terwijl het vuur van de wortels in den
7727 heerd uitbrandde.
7728
7729 Soetkin ging slapen, Uilenspiegel deed als zij en hoorde ze weenen
7730 in heur bedde.
7731
7732 Buiten, in de nachtelijke stilte, deed de wind de boomen huilen lijk
7733 de zee en joeg, als voorboden van den herfst, dwarrelende stofwolken
7734 tegen de ruiten.
7735
7736 Het scheen Uilenspiegel dat hij een man zag over en weer gaan, dat
7737 hij stappen hoorde in de keuken. Toen hij opkeek, zag hij den man
7738 niet meer; maar hij luisterde en hoorde alleen den wind, die in den
7739 schoorsteen huilde en Soetkin, die in heur bedde weende.
7740
7741 Dan opnieuw hoorde hij stappen, en, achter zich, tegen zijn hoofd,
7742 een bangen zucht.--Wie is daar? sprak hij.
7743
7744 Niemand antwoordde, maar hij hoorde drie kloppen op de
7745 tafel. Uilenspiegel, verschrikt en huiverend, vroeg nogmaals:--Wie is
7746 daar? Hij kreeg geen antwoord, maar hoorde drie kloppen op de tafel
7747 en voelde twee armen die hem vastgrepen, en over zijn gelaat zich
7748 een ruig lichaam buigen, dat een groot gat in de borst had en naar
7749 verbrand rook.
7750
7751 --Vader, sprak Uilenspiegel, is het uw arm lichaam, dat aldus op
7752 mij drukt?
7753
7754 Hij kreeg geen antwoord, en, hoewel de schimme omtrent hem was,
7755 hoorde hij buiten roepen: "Thijl! Thijl!" Soetkin stond schielijk op
7756 en kwam aan Uilenspiegel's bed. "Hoort gij niets?" vroeg zij hem.
7757
7758 --'t Doet, vader die mij roept.
7759
7760 Ik, sprak Soetkin, ik heb een koud lichaam in mijn bedde gevoeld;
7761 en de stroozakken schudden en de gordijnen gingen open en toe en
7762 'k hoorde eene stemme die sprak: "Soetkin"; eene stemme die zwak
7763 als een ademtocht was, en stappen zoo licht als het dansen der
7764 muggen. Vervolgens tot den Geest van Klaas sprekend, zegde zij:
7765 "Man, zoo gij iets begeert in den hemel alwaar God U opgenomen heeft,
7766 moet gij het zeggen, opdat wij uwen wil kunnen volbrengen."
7767
7768 Eensklaps sloeg de wind met geweld de deur open en de kamer werd
7769 met stof vervuld, en Uilenspiegel en Soetkin hoorden in de verte een
7770 akelig ravengekras.
7771
7772 Zij kwamen samen buiten en gingen naar den brandstapel.
7773
7774 Het was stikdonker, behalve wanneer de gure Noordenwind de wolken in
7775 den hemel als herten voortjoeg en de bleeke maan heur zilveren licht
7776 ter aarde zond.
7777
7778 Een stadsserjant stond op wacht bij den brandstapel. Soetkin en
7779 Uilenspiegel hoorden den klank zijner stappen op den harden grond en
7780 het gekras eener raaf, die zekere raven bijriep, want het werd in de
7781 verte beantwoord door andere raven.
7782
7783 Als Uilenspiegel en Soetkin bij den brandstapel waren, viel de raaf
7784 op Klaas' schouderen neer, en zij hoorden heur pikken in het lijk,
7785 en andere raven vlogen weldra bij.
7786
7787 Uilenspiegel wilde op den brandstapel springen om de raven te verjagen;
7788 de serjant sprak tot hem:
7789
7790 --Tooveraar, 't is nuttelooze moeite die gij doen gaat, weet dat de
7791 handen van verbranden het vermogen niet hebben onzichtbaar te maken
7792 als die van gehangenen.
7793
7794 --Heer serjant, antwoordde Uilenspiegel, ik ben geen tooveraar, maar
7795 de wees van hem die daar hangt, en deze vrouw is zijne weduwe. Wij
7796 willen hem nogmaals kussen en een weinig van zijne assche meenemen,
7797 tot gedenkenis. Laat het ons toe, heer, gij die geen vreemd soldenier,
7798 maar een zoon van Vlaanderen zijt.
7799
7800 --Doet als gij vraagt, antwoordde de serjant.
7801
7802 De wees en de weduw klommen op het verkoold hout en kwamen bij het
7803 lijk; weenend kusten zij Klaas zijn gezicht.
7804
7805 Ter plaats van het hert, waar de vlam een groot gat had geknaagd, nam
7806 Uilenspiegel een weinig asch van den doode. Vervolgens nederknielend,
7807 begonnen zij te bidden. En toen de ochtendschemering de kimmen lichtte,
7808 zaten beiden daar nog; doch de sergeant deed hen heengaan, uit vreeze
7809 voor straf.
7810
7811 Thuis, nam Soetkin een stukje roode en een stukje zwarte zijde; zij
7812 maakte een zakje van, in hetwelk zij de assche stak; en zij naaide
7813 twee linten aan het zakje, opdat Uilenspiegel het om den hals kon
7814 dragen. Zij langde hem het zakje en sprak:
7815
7816 --Dat deze assche, die het hert van mijn man is, dit rood, dat zijn
7817 bloed is, dit zwart, dat onze rouw is, steeds op uwe borst blijve,
7818 als een vuur van wrake voor zijne beulen!
7819
7820 --Dat zal, zwoer Uilenspiegel.
7821
7822 En de weduw kuste den wees, en de zonne stond op.
7823
7824
7825
7826
7827 LXXVI.
7828
7829 's Anderen daags kwamen de serjanten en omroepers der gemeente in de
7830 hut van Klaas, om al het huisraad op straat te brengen en publiek te
7831 verkoopen. Van uit Katelijne's huis zag Soetkin de wieg van ijzer en
7832 kooper beneden komen die, van vader tot zoon, altijd in Klaas' huis
7833 was geweest, waarin de arme doode geboren was en ook Uilenspiegel ter
7834 wereld kwam. Vervolgens bracht men ook het bedde beneden, in hetwelk
7835 Soetkin heuren zoon had ontvangen. En vervolgens de schapraai, en
7836 de ketels, pateelen en potten, die niet meer blonken lijk weleer,
7837 maar nu vuil van het stof waren.
7838
7839 En ook eene tonne enkele en een klein vaatje dobbele kuite en, in
7840 een groote mande, ten minste dertig flesschen wijn; en alles werd op
7841 straat gezet, tot den laatsten stoel uit het huis.
7842
7843 Met bloedend herte, doch zonder klagen, zag zij zich heur nederigen
7844 rijkdom, alle die herinneringen van vroeger, alle die vrienden
7845 ontnemen. De omroeper stak de keers aan en het huisraad werd stuk
7846 voor stuk verkocht. De keers was bijkans op, als de deken der
7847 vischverkoopers alles tegen een spotprijs gekocht had om het voort
7848 te verkoopen. Hij scheen vergenoegd als een wezel, die de hersenen
7849 eener henne uitzuigt.
7850
7851 Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet blijven lachen,
7852 moordenaar."
7853
7854 De verkoop was gedaan en nochtans bleven de serjanten overal zoeken,
7855 zonder de karolussen te vinden. De vischverkooper riep:
7856
7857 --Gij zoekt slecht: ik weet dat Klaas voor zes maanden zevenhonderd
7858 karolussen bezat.
7859
7860 Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet erven, moordenaar."
7861
7862 Eensklaps keerde Soetkin zich naar hem en sprak, met den vinger naar
7863 den vischverkooper wijzend:
7864
7865 --Dáár is de aanbrenger!
7866
7867 --Ik weet het, zei Uilenspiegel.
7868
7869 --Duldt gij, sprak zij, dat hij uws vaders bloed erve?
7870
7871 --Nog liever zat ik een heelen dag op de pijnbank, antwoordde
7872 Uilenspiegel.
7873
7874 --Ik ook, sprak Soetkin, maar spreek niet uit medelijden, hoe groot
7875 ook de smerte weze die ik lijde.
7876
7877 --Eilaas! gij zijt eene vrouwe, zei Uilenspiegel.
7878
7879 --Arme jongen, sprak Soetkin, ik bracht u ter wereld en kan tegen
7880 't lijden. Maar gij, als ik u zag.... Vervolgens verbleekend: Ik zal
7881 de Heilige Maagd bidden, die heuren zoon aan het kruis zag....
7882
7883 En zij weende, en kuste Uilenspiegel.
7884
7885 En aldus sloten zij een verdrag, dat hun haat en hunne kracht
7886 versterkte.
7887
7888
7889
7890
7891 LXXVII.
7892
7893 De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de
7894 andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd
7895 gouden karolussen vond, die hem tot zijn eerlooze daad aangezet hadden.
7896
7897 Soetkin weende 's nachts en werkte 's daags in het huishouden. Dikwijls
7898 hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:
7899
7900 --Als hij erft, laat ik mij dooden.
7901
7902 Nele en hij, wisten dat zij doen zou wat zij zeide; zij deden hun
7903 best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen
7904 had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde
7905 van den bodem, die weldra heur gebeente zou ontvangen.
7906
7907 Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw tot den baljuw en zegde,
7908 dat de aflijvige voor eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd
7909 had, dat Klaas een spaarzam man was en dat hij dus die groote som
7910 niet verteerd had, maar dat ze ergens verborgen moest zijn.
7911
7912 De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan
7913 om, na den eenen zijn vader en de andere heuren man te hebben ontnomen,
7914 hen nu nog zoo wreedelijk te vervolgen.
7915
7916 De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme,
7917 de wetten van den lande wilde doen eerbiedigen om 's keizers
7918 goedertierenheid te verwerven.
7919
7920 Daarop liet hij in handen van den baljuw een geschrevene aanklacht en
7921 hij bracht getuigen, die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks
7922 moesten bevestigen, dat de vischverkooper niet loog.
7923
7924 Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer,
7925 dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe
7926 te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de
7927 serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen,
7928 alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van
7929 Brugge kwam, die men op staanden voet had ontboden.
7930
7931 Toen Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen,
7932 stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.
7933
7934 En de poorters en poorteressen van Damme stonden ook aan hunne
7935 deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde
7936 Uilenspiegel tot den lafaard zeggen:
7937
7938 --Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere!
7939
7940 En ook Soetkin, die zei:
7941
7942 --Gij, die eenen wees vervolgt, zult een kwaden dood sterven!
7943
7944 Toen die van Damme aldus vernomen hadden dat het op een tweede
7945 aanklacht van Grijpstuiver was, dat men moeder en zoon naar 't gevang
7946 bracht, jouwden zij den vischverkooper uit en smeten 's avonds steenen
7947 in zijne ruiten. En zijne deur werd vol vuiligheid bestreken.
7948
7949 En hij dorst niet meer buitenkomen.
7950
7951
7952
7953
7954 LXXVIII.
7955
7956 Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in
7957 de folterkamer gebracht.
7958
7959 Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge,
7960 zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.
7961
7962 De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer
7963 toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon
7964 achterhouden.
7965
7966 --En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.
7967
7968 --Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd
7969 karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de
7970 andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed
7971 ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis
7972 karolussen gezien.
7973
7974 De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven
7975 volherden.
7976
7977 Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer
7978 toekwam.
7979
7980 Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:
7981
7982 Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen
7983 bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.
7984
7985 --Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles
7986 gekocht wat er was.
7987
7988 --Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de
7989 vrouwen verdragen.
7990
7991 Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was,
7992 zeide zij nog:
7993
7994 --Ik haat en 'k ben sterk.
7995
7996 --Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.
7997
7998 --Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.
7999
8000 De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid
8001 te ontrukken.
8002
8003 De beul antwoordde:
8004
8005 Alles is gereed.
8006
8007 De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen
8008 met de vrouw, om 't stuk te doen bekennen.
8009
8010 --Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij
8011 zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.
8012
8013 De baljuw sprak tot den scherprechter:
8014
8015 --Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen
8016 en voeten.
8017
8018 De beul gehoorzaamde.
8019
8020 --Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast
8021 in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!
8022
8023 --De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en 'k ben sterk.
8024
8025 Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.
8026
8027 De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren
8028 gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen
8029 toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al
8030 de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn
8031 veroorzaken.
8032
8033 Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.
8034
8035 --Trek aan, zei de baljuw.
8036
8037 De hangman deed het wreedelijk.
8038
8039 Toen sprak de baljuw tot Soetkin:
8040
8041 --Zeg mij waar de karolussen liggen.
8042
8043 --Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.
8044
8045 --Nijp harder, sprak hij.
8046
8047 Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren
8048 gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.
8049
8050 --Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze
8051 vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet;
8052 heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen
8053 wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.
8054
8055 --De vischverkooper! riep Soetkin.
8056
8057 En Uilenspiegel zweeg.
8058
8059 Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen,
8060 riep hij opnieuw:
8061
8062 --Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig
8063 heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen
8064 gaan! Erbarming, heeren!
8065
8066 --Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.
8067
8068 En heure beenderen kraakten en 't bloed van heure voeten gutste
8069 ten gronde.
8070
8071 Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:
8072
8073 --Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.
8074
8075 --De vischverkooper! zuchtte Soetkin.
8076
8077 En heure stem was zacht als de stem van eene schim.
8078
8079 --Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van 't bloed. Men
8080 heeft heure beenderen gekraakt.
8081
8082 De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet
8083 van smerte.
8084
8085 --Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.
8086
8087 Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een
8088 doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder
8089 een woord te uiten.
8090
8091 --Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de
8092 baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit
8093 te rekken.
8094
8095 Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die
8096 zij uitstond.
8097
8098 Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.
8099
8100 Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner
8101 moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of
8102 hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn
8103 rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met
8104 een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het
8105 litteeken geen tooverije verborg. Op 't bevel van den baljuw, werden
8106 Uilenspiegel's handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken
8107 aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters,
8108 hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit
8109 deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van
8110 vijf en twintig pond te hebben gebonden.
8111
8112 Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels
8113 ontwricht.
8114
8115 --Belijd, sprak de baljuw.
8116
8117 --Neen, antwoordde Uilenspiegel.
8118
8119 Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen
8120 of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten
8121 teeken dat men die folteringen zou staken.
8122
8123 Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En
8124 het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden
8125 nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.
8126
8127 Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.
8128
8129 --Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.
8130
8131 --De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.
8132
8133 --Is 't om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.
8134
8135 --Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe,
8136 ge moogt mij gelooven.
8137
8138 Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis
8139 aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.
8140
8141 Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug,
8142 uitroepende:
8143
8144 --Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg
8145 met dat vuur!
8146
8147 --De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.
8148
8149 --Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel
8150 het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.
8151
8152 De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide
8153 onder de vlamme.
8154
8155 Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:
8156
8157 --Doe dat vuur weg.
8158
8159 --Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor
8160 hem, vrouwe.
8161
8162 En Uilenspiegel sprak:
8163
8164 --De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!
8165
8166 Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen
8167 had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin
8168 met verwilderde oogen naar heuren zoon.
8169
8170 Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend
8171 fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:
8172
8173 --Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.
8174
8175 --En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.
8176
8177 --Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel, gij
8178 ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft
8179 gelogen.
8180
8181 --Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.
8182
8183 Soetkin knikte van ja.
8184
8185 --Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.
8186
8187 Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.
8188
8189 Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons,
8190 riep zij uit:
8191
8192 --Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een
8193 einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!
8194
8195 --De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.
8196
8197 Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met
8198 gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.
8199
8200 Toen riep Soetkin:
8201
8202 --Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet
8203 het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te
8204 sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.
8205
8206 --Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.
8207
8208 Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.
8209
8210 De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed
8211 overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker
8212 de beenderen weer in de gewrichten bracht.
8213
8214 En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:
8215
8216 Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het
8217 gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters,
8218 als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij
8219 hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme
8220 vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in
8221 vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts
8222 getweeën op de wereld.
8223
8224 Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:
8225
8226 "Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl,
8227 zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed
8228 geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle
8229 privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil
8230 van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;
8231
8232 "Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken
8233 staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan
8234 hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staat u toe,
8235 niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede,
8236 waar het u believen zal.
8237
8238 "Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten
8239 van Wijnmaand van 't jaar onzes Heeren 1558."
8240
8241 --Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.
8242
8243 --De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.
8244
8245 En moeder en zoon werden op eene kar naar 't huis van Katelijne
8246 gevoerd.
8247
8248
8249
8250
8251 LXXIX.
8252
8253 In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij
8254 Soetkin binnen en sprak:
8255
8256 "Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok
8257 met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de
8258 sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar
8259 het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En
8260 heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps
8261 verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent
8262 mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in
8263 zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.--Wat doet gij hier op
8264 Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,--Maar gij zelf, antwoordde
8265 ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?--Ik
8266 ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel
8267 niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast
8268 was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als
8269 door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door,
8270 flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg
8271 opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.
8272
8273 En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik
8274 zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was
8275 oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de
8276 schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn,
8277 op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de
8278 andere een beker bier.
8279
8280 Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren
8281 zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied
8282 lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komt gij, wat doet
8283 gij op de wereld?--Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura,
8284 en was keizer Karel de vijfde.--Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen,
8285 in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?--Ik ga, was
8286 het antwoord, naar het oordeel.
8287
8288 Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken,
8289 schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de
8290 lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige
8291 Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis,
8292 blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad
8293 gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen
8294 boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten
8295 vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig,
8296 klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg
8297 de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg
8298 gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn
8299 heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat
8300 de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en
8301 aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.
8302
8303 Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.
8304
8305 De engel sloeg den keizer de krone van 't hoofd:--Christus alleen is
8306 keizer, sprak hij.
8307
8308 Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij:
8309 Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want 'k heb
8310 honger van die lange luchtvaart?--Gelijk heel uw leven, antwoordde
8311 de engel; nu, eet en drink maar.
8312
8313 Als hij gedaan had, vroeg Christus:
8314
8315 --Komt gij met zuivere ziele naar 't oordeel?
8316
8317 --Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde
8318 keizer Karel.
8319
8320 --En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.
8321
8322 --Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver,
8323 doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste
8324 rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in
8325 getal waren.
8326
8327 --Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.
8328
8329 --Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer
8330 priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en
8331 Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhouding van de macht,
8332 die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur
8333 en te zweerd, met put en galg.
8334
8335 --Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland
8336 duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze
8337 onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden,
8338 dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo
8339 rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht,
8340 niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij
8341 een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan
8342 zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn,
8343 want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.
8344
8345 --En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.
8346
8347 Doch de engel stond recht en sprak:
8348
8349 --Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk
8350 heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den
8351 eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in
8352 den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld,
8353 hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had,
8354 werd hij levend verbrand.
8355
8356 Maria sprak toen:--Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche
8357 bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager,
8358 ik zal u leiden.
8359
8360 Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des
8361 afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren
8362 krone op 't hoofd. En op den band van de krone stond geschreven:
8363 Droef tot op den dag der gerechtigheid.
8364
8365 Hij naderde den troon en zeide tot Christus:
8366
8367 --Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.
8368
8369 --Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch
8370 slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die
8371 de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.
8372
8373 --Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.
8374
8375 En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:
8376
8377 --Wat moet ik hiermee doen?
8378
8379 Christus antwoordde:
8380
8381 --Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de
8382 foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt
8383 werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijne des waters
8384 verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der
8385 keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne
8386 der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie;
8387 telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik
8388 zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren,
8389 opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die
8390 over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve
8391 op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland;
8392 hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij
8393 weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige
8394 klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult
8395 van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht
8396 gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een
8397 arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge;
8398 vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden
8399 heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen
8400 krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde;
8401 een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden
8402 zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar
8403 aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een
8404 vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was,
8405 geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de
8406 eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn
8407 graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.
8408
8409 --Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want
8410 macht doet het herte versteenen.
8411
8412 --Geene genade, sprak Christus.
8413
8414 --Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van
8415 Andalusië.
8416
8417 --Kom, sprak Satan, 't is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.
8418
8419 En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer,
8420 die nog van zijn stukje ansjovis at.
8421
8422 Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd,
8423 die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren
8424 met trossen aan 't gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem,
8425 tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren
8426 lepels. En de hemel sloot zich."
8427
8428 --Hij is in den hemel, sprak de weduwe.
8429
8430 --De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.
8431
8432
8433
8434
8435 LXXX.
8436
8437 Gedurende de volgende drie en twintig dagen, werd Katelijne bleek en
8438 mager, en dorde zij, alsof zij verteerd werd door een inwendig vuur.
8439
8440 Zij riep niet meer: Het vuur! Maakt open! mijn ziel wil er uit! doch
8441 in vervoering sprak zij gedurig tot Nele: Bruid ben ik; bruid moet
8442 gij wezen. Schoon is hij; lang haar; vurige liefde; koude knieën en
8443 koude armen!
8444
8445 En Soetkin bezag haar treuriglijk, en dacht dat het een nieuwe uiting
8446 van waanzin was.
8447
8448 Heure rede vervolgend, sprak Katelijne:
8449
8450 --Driemaal drie is negen, een heilig getal. Hij alleen die 's nachts
8451 fonkelende oogen als katoogen heeft, ziet de geheimenis.
8452
8453 Toen Soetkin heur op een avond zoo bezig hoorde, schudde zij
8454 vertwijfeld het hoofd. Doch Katelijne sprak:
8455
8456 --Vier en drie, ongeluk onder Saturnus; onder Venus, een
8457 bruiloftgetal. Koude armen! Koude knieën! Een herte van vuur!
8458
8459 Soetkin antwoordde:
8460
8461 --Gij moogt van die leelijke heidensche afgoden niet spreken.
8462
8463 Katelijne hoorde dit; zij sloeg een kruis en sprak:
8464
8465 --Gezegend zij de grijze ruiter. Nele moet een man hebben, een schoonen
8466 man met een zweerd, een zwarten man met blinkend gelaat.
8467
8468 --Ja, sprak Uilenspiegel, eene mannenstoverij, voor dewelke ik met
8469 mijn mes de saus zal maken.
8470
8471 Nele bezag teederlijk heuren vriend, want zij was gelukkig omdat hij
8472 jaloersch was.
8473
8474 --Ik wil dien niet, sprak zij.
8475
8476 Katelijne antwoordde:
8477
8478 --Wanneer komt hij, die in 't grijs gekleed, en altijd anders geleersd
8479 en gespoord is?
8480
8481 Soetkin sprak:
8482
8483 --Bidt God voor de uitzinnige.
8484
8485 --Uilenspiegel, zei Katelijne, haal ons twee stoopen dobbele kuite,
8486 terwijl ik de heetekoeken bak.
8487
8488 Soetkin vroeg waarom zij den Zaterdag vierde, naar de wijs van
8489 de Joden.
8490
8491 Katelijne antwoordde:
8492
8493 --Omdat het deeg gerezen is.
8494
8495 Uilenspiegel stond met den grooten kroes van Engelsch tin in de hand,
8496 waarin juist twee stoopen gingen.
8497
8498 --Moeder, vroeg hij, wat moet ik doen?
8499
8500 --Ga, sprak Katelijne.
8501
8502 Daar zij geene meesteresse in huis was, wilde Soetkin niet
8503 tegenspreken. Zij zegde tot Uilenspiegel:--Ga, mijn zoon.
8504
8505 Uilenspiegel liep naar den Staak en kwam terug met twee stoopen
8506 dobbele kuite.
8507
8508 Weldra verspreidde de geur der heetekoeken zich in de keuken, en
8509 allen hadden honger, tot zelfs Soetkin.
8510
8511 Uilenspiegel liet het zich goed smaken. Katelijne had hem een grooten
8512 beker gegeven, zeggende dat, aangezien hij de eenige man, hoofd van
8513 het huis, was, hij meer moest drinken dan de anderen en vervolgens
8514 moest zingen.
8515
8516 En zij lachte heimelijk, maar Uilenspiegel dronk, doch zong niet. Nele
8517 weende als zij Soetkin bleek en gansch ineengevallen zag zitten;
8518 alleen Katelijne was vroolijk.
8519
8520 Na het avondmaal gingen Soetkin en Uilenspiegel naar boven op den
8521 zolder slapen; Katelijne en Nele bleven in de keuken, alwaar heure
8522 bedden nu stonden.
8523
8524 Rond twee uren des morgens als Uilenspiegel, door het zware bier,
8525 al lang sliep, lag Soetkin gelijk alle nachten wakker, Maria biddende
8526 dat zij heur slaap zou zenden, doch Maria aanhoorde heur niet.
8527
8528 Eensklaps hoorde zij den schreeuw van een nachtuil en, uit de keuken,
8529 antwoordde een dergelijke kreet; vervolgens, in de verte, in den
8530 kouter, weerklonken andere kreten en altijd scheen het heur dat men
8531 die in de keuken beantwoordde.
8532
8533 Denkend dat het nachtvogelen waren, sloeg zij er niet verder
8534 acht op. Zij hoorde peerdengehennik en hoevengetrappel op den
8535 steenweg. Zij opende het venster en zag inderdaad twee gezadelde
8536 peerden, die stampend het gras van den berm schoren. Toen hoorde zij
8537 een schreeuwende vrouwenstem, een dreigende mannenstem, herhaalde
8538 slagen, nieuwe kreten, eene deur met gedruis toeslaan en angstige
8539 stappen de trap opklimmen.
8540
8541 Uilenspiegel snorkte en hoorde er niets van; de deur van den
8542 zolder vloog open en, schier naakt, sprong Nele hijgend en snikkend
8543 binnen. En in haast schoof zij eene tafel, stoelen, een oud komfoor en
8544 al het huisraad dat zij vinden kon, tegen de deur. De laatste sterren
8545 verbleekten aan het uitspansel; de hanen kraaiden; zij kondigden den
8546 dageraad aan.
8547
8548 Op het gerucht dat Nele maakte, keerde Uilenspiegel zich om in zijn
8549 bed, zonder wakker te worden.
8550
8551 Nele viel om Soetkin's hals en sprak:--Soetkin, ik ben bang, steek
8552 eene keers aan.
8553
8554 Soetkin deed het en Nele zuchtte voortdurend.
8555
8556 Als de keers aangestoken was, bezag Soetkin het meisje, en ze zag dat
8557 heur hemd op den schouder gescheurd was. Op heur voorhoofd, heure
8558 kaken, in heuren hals zag zij bloedende schrammen, gelijk krabben
8559 van nagels.
8560
8561 --Nele, vroeg Soetkin heur kussend, van waar komen die, schrammen?
8562
8563 Steeds bevend en zuchtend, sprak het meisje:
8564
8565 --Doe ons niet verbranden, Soetkin.
8566
8567 Doch Uilenspiegel werd wakker en wreef zich de oogen, verblind als hij
8568 was door de klaarte der keers. Soetkin vroeg:--Wie is beneden? Nele
8569 antwoordde:--Zwijg, 't is de man dien Katelijne mij geven wil.
8570
8571 Soetkin en Nele hoorden Katelijne plotseling schreeuwen, en heure
8572 beenen knikten van schrik.--Hij slaat heur om mij, sprak Nele.
8573
8574 --Wie is er in huis? riep Uilenspiegel, uit zijn bed
8575 springend. Vervolgens liep hij door de kamer tot dat hij een zwaar
8576 stookijzer gevonden had, dat in eenen hoek lag.
8577
8578 --Niemand, sprak Nele, ga niet beneden, Uilenspiegel!
8579
8580 Maar hij luisterde niet, liep naar de deur, trok stoelen, tafels en
8581 komfoor uit den weg. Katelijne schreeuwde nog altijd beneden. Nele
8582 en Soetkin hielden Uilenspiegel vast, om zijn lijf, bij zijne beenen,
8583 en spraken:--Ga niet beneden, Uilenspiegel, 't zijn duivelen.
8584
8585 --Ja, sprak hij, duivelsche man van Nele, ik breng u het stookijzer
8586 tot gade. Een huwelijk van ijzer en vleesch. Laat mij, beneden!
8587
8588 Doch zij lieten hem niet los, want zij waren sterk, en klampten zich
8589 vast aan de leun van de trap. Maar zij vermochten niet hem te houden,
8590 en, naar beneden vliegend als een lawine, stormde hij de keuken
8591 binnen. Daar zag hij Katelijne bleek en ontdaan, en hoorde haar
8592 zeggen:--Hansken, waarom verlaat gij mij? 't Is mijne schuld niet;
8593 Nele is stout.
8594
8595 Zonder te luisteren, opende Uilenspiegel de deur van het
8596 stalleken. Hij vond er niemand; hij liep naar den kouter en van
8597 daar op den steenweg: van verre zag hij twee dravende peerden in
8598 den morgennevel verdwijnen. Hij wilde ze achterhalen, maar ze renden
8599 gelijk de stormwind, die de droge bladeren opjaagt.
8600
8601 Vol gramschap en vertwijfeling kwam hij binnen, fluisterend:--Zij
8602 hebben heur gehoond! En met een onheilspellend vuur in de oogen, bezag
8603 hij Nele; deze, die huiverend voor Soetkin en Katelijne stond, sprak:
8604
8605 --Neen, Thijl, mijn geliefde, neen.
8606
8607 Dit zeggende, keek zij hem zoo droef en oprecht in de oogen, dat
8608 Uilenspiegel zag dat zij de waarheid sprak. Toen ondervroeg hij heur:
8609
8610 --Van waar kwamen die kreten? Waar gingen die mannen? Waarom is
8611 uw hemde gescheurd? Van waar komen die krabben op uwe kaken en uw
8612 voorhoofd?
8613
8614 --Luister, Uilenspiegel, doe ons niet verbranden. Katelijne--God
8615 beware heur voor de helle--heeft sedert drie-en-twintig dagen een in
8616 't zwart gekleeden, geleersden en gespoorden duivel tot vriend. Zijn
8617 gelaat blinkt lijk het vuur dat 's zomers, als 't warm is, schittert
8618 op de baren der zee.
8619
8620 --Waarom zijt gij vertrokken, Hansken, mijn lieveling? sprak Katelijne,
8621 Nele is stout.
8622
8623 Maar Nele, vervolgende, sprak:--Hij schreeuwt als een nachtuil om zijne
8624 komst te melden. Moeder ziet hem alle Zaterdagen in de keuken. Zij
8625 zegt, dat zijne kussen als ijs zijn en zijn lichaam als sneeuw. Hij
8626 slaat heur als zij niet doet wat hij heet. Eens bracht hij heur enkele
8627 guldens mee, doch hij nam heur al de andere af.
8628
8629 Bij dit verhaal vouwde Soetkin de handen, om voor Katelijne te
8630 bidden. Katelijne sprak blijde:
8631
8632 --Mijn lijf en mijn geest, alles zij hem. Hansken, mijn liefste,
8633 leid mij nog naar den Sabbat. 't Is Nele, die nooit komen wil! Nele
8634 is stout.
8635
8636 --Bij de ochtendschemering toog hij henen, vervolgde het meisje,
8637 's anderen daags vertelde moeder mij dan allerhande zonderlinge
8638 dingen.... Maar bezie mij toch zoo kwaad niet, Uilenspiegel. Gisteren
8639 zeide zij mij dat een schoon heer, in 't grijs gekleed en Hilbert
8640 genaamd, mij ten huwelijk wilde en thuis zou komen, om zich te
8641 toonen. Ik antwoordde dat ik geen man wilde, hij mocht schoon zijn of
8642 leelijk. Zij deed mij opblijven om hen te verbeiden; want zij is dan
8643 geenszins van heure zinnen, als 't minnarijen geldt. Wij waren half
8644 ontkleed, gereed om te gaan slapen; ik sliep op genen stoel. Toen
8645 zij binnenkwamen, werd ik niet wakker. Plotseling voelde ik iemand
8646 die mij omhelsde, mij in mijnen hals kuste. En in den maneschijn zag
8647 ik een helder gezicht, gelijk het schuim der branding in Hooimaand,
8648 bij broeiend weer, en hoorde ik stille fluisteren:--Ik ben Hilbert,
8649 uw verloofde; wees aan mij; 'k zal u rijk maken. Zijn gezicht stonk
8650 naar visch. Ik stiet hem weg; hij wilde mij nemen met geweld, maar
8651 'k was sterker dan tien mannen als hij. Doch hij scheurde mijn hemde,
8652 kwetste mij aan mijn aangezicht en herhaalde: Wees aan mij, 'k zal
8653 u rijk maken.--Ja, zei ik, lijk mijne moeder, wier laatsten duit gij
8654 nemen zult.--Toen verdubbelde hij zijne pogingen, maar hij vermocht
8655 niets tegen mij. Hij was nog leelijker dan een doode, en ik krabde
8656 hem zoo geweldig met mijne nagelen in zijne oogen, dat hij kermde. Zoo
8657 geraakte ik los, en kwam ik bij Soetkin vluchten.
8658
8659 Katelijne herhaalde gedurig:
8660
8661 --Nele is stout. Waarom zijt gij zoo gauw vertrokken, Hansken,
8662 mijn liefste?
8663
8664 --Waar waart gij, slechte moeder, sprak Soetkin, terwijl men de eer
8665 van uw kind wilde rooven?
8666
8667 --Nele is stout, zegde Katelijne. Ik zat bij mijn zwarten heer,
8668 toen de grijze duivel met bloedend gelaat bij ons kwam en sprak: Kom
8669 mede, kameraad, het deugt hier niet; de mannen willen ons doodslaan
8670 en de vrouwen hebben messen aan heure vingeren. Daarop sprongen zij
8671 te peerd en verdwenen zij in den nevel. Nele is stout!
8672
8673
8674
8675
8676 LXXXI.
8677
8678 's Anderen daags, onder 't ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:
8679
8680 --Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis
8681 doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?
8682
8683 Maar Katelijne sprak:
8684
8685 Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.
8686
8687 Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den
8688 Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij
8689 niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits
8690 dit opspraak zou verwekken.
8691
8692 Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete,
8693 die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond. En zij onthaalde
8694 ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:
8695
8696 --Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode;
8697 geef ons wat gij kunt.
8698
8699 Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met
8700 den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en
8701 zeven deniers.
8702
8703 --Komt 's Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag
8704 en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik
8705 ook sterven.
8706
8707 --Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.
8708
8709 Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de
8710 duivelen, want zij meenden dat ze 's Zaterdags kwamen.
8711
8712 Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar
8713 waren.
8714
8715 Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had,
8716 was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid
8717 was, naar men zeide.
8718
8719 Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld,
8720 uit de richting van Sluis, hoorde zij 't geschreeuw van den nachtuil
8721 en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden
8722 stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide
8723 duivelen samen in gesprek. De eene zei:
8724
8725 --Ik moet de helft hebben.
8726
8727 De andere antwoordde:
8728
8729 --Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.
8730
8731 Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele
8732 al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos
8733 luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: "Dat
8734 ijzer is koud", dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.
8735
8736 Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van
8737 den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze
8738 reis was 't in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor
8739 de deur staan. Zij vroeg hem:
8740
8741 --Wat hebt gij met den andere gedaan?
8742
8743 --Hij zal niet meer komen.
8744
8745 Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En
8746 Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij
8747 twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.
8748
8749 Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij 's anderen daags terug
8750 naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo
8751 groot als eene doodkist, 's Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.
8752
8753 En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den
8754 nachtuil.
8755
8756
8757
8758
8759 LXXXII.
8760
8761 Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne 't
8762 gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij 's nachts den steen
8763 opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.
8764
8765 Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte
8766 eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed
8767 hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche
8768 honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden
8769 die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande
8770 dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.
8771
8772 Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren
8773 schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos,
8774 dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.
8775
8776 Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door
8777 Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze
8778 dacht dat het niets was, en sliep weder in.
8779
8780 Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad,
8781 opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken
8782 niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij
8783 waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In
8784 weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar,
8785 in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.
8786
8787 --Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?
8788
8789 --Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!
8790
8791 En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.
8792
8793 Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het
8794 hol was ledig en de aarde in 't ronde gestrooid.
8795
8796 Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:
8797
8798 --Waar zijn de karolussen?
8799
8800 --Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.
8801
8802 Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:
8803
8804 --Sla niet, Uilenspiegel!
8805
8806 Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.
8807
8808 Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.
8809
8810 Soetkin werd doodsbleek en sprak:
8811
8812 --Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!
8813
8814 En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging
8815 die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als
8816 ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne
8817 zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:
8818
8819 --Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf
8820 en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij
8821 steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en
8822 mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng
8823 ik duizend gouden florijnen.--Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen
8824 voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.--Maar is hier niemand,
8825 in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?--Neen,
8826 antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.--Zijn
8827 Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.--Zij leven zonder
8828 iemands hulpe, antwoordde ik.--Niettegenstaande de verbeurte?--Daarop
8829 antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have
8830 te laten ontnemen.--Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes
8831 giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen,
8832 omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik
8833 insgelijks. 't Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in
8834 het huis te verbergen.... Ik lachte. "Of in den kelder?" Ik knikte
8835 van neen. "Of in de lochting?" Ik antwoordde niet.--Ha! sprak hij,
8836 dit ware zeer onvoorzichtig.--Integendeel, sprak ik, want water noch
8837 muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.
8838
8839 --Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken
8840 gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten
8841 sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de
8842 lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had,
8843 naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier
8844 ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is
8845 een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk
8846 hem mijne ziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en
8847 nacht werken om u te onderhouden.
8848
8849 --Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij
8850 tegelijk, zegde Soetkin.
8851
8852 --Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief,
8853 maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij
8854 in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: "Vergeet nimmer
8855 mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij
8856 dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven."--En
8857 hij zal woord houden.
8858
8859 --Arme zinnelooze! sprak Soetkin.
8860
8861 Het was heur laatste verwijt.
8862
8863
8864
8865
8866 LXXXIII.
8867
8868 De twee weken waren driemaal voorbij en de vijf dagen insgelijks,
8869 maar de duivel kwam niet terug. Doch Katelijne wanhoopte niet.
8870
8871 Soetkin werkte niet meer; zij stond gedurig bij het vuur, gebogen
8872 en kuchende. Nele gaf heur de beste en geurigste kruiden; maar dat
8873 alles kon niet baten. Uilenspiegel ging de hut niet meer buiten,
8874 uit vreeze dat Soetkin onderwijl stierf.
8875
8876 Vervolgens kon zij niet meer eten of drinken zonder over te geven. De
8877 chirurgijn-baardemaker kwam en deed heur eene lating; en toen was zij
8878 zoo zwak, dat zij van heure bank niet meer kon opstaan. Eindelijk,
8879 uitgeteerd van verdriet en van smert, sprak zij op een avond:
8880
8881 --Klaas, mijn man! Thijl, mijn zoon! Dank, de Heere neemt mij tot zich!
8882
8883 En zij blies den laatsten ademtocht uit.
8884
8885 Katelijne dorst bij heur niet waken, daarom deden Uilenspiegel en
8886 Nele het getweeën, en heel den nacht baden zij voor de arme ziele.
8887
8888 Bij de ochtendschemering vloog een zwaluw het open venster binnen.
8889
8890 --De vogel der zielen, sprak Nele, dat is een goed teeken: Soetkin
8891 is in den hemel.
8892
8893 De zwaluw vloog driemaal rond de kamer en verdween met een schellen
8894 kreet.
8895
8896 Vervolgens kwam een andere zwaluw binnen, grooter en zwarter dan de
8897 eerste. Zij vloog rondom Uilenspiegel en deze sprak:
8898
8899 --Vader en moeder, de assche klopt op mijne borst, ik zal doen wat
8900 gij vraagt.
8901
8902 En de tweede zwaluw vloog kwetterend heen als de eerste. De oosterkim
8903 verbleekte. Uilenspiegel zag duizenden zwaluwen rakelings over de
8904 weide vliegen, en de zonne rees op.
8905
8906 En Soetkin werd op het armenveld begraven.
8907
8908
8909
8910
8911 LXXXIV.
8912
8913 Sedert Soetkin's dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of
8914 grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk
8915 wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond
8916 hij 's nachts op.
8917
8918 Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide
8919 Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was;
8920 steeds antwoordde Uilenspiegel:
8921
8922 De assche klopt.
8923
8924 En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo
8925 naargeestig zag.
8926
8927 En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder,
8928 en dorst slechts 's avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden
8929 die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de
8930 kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij
8931 de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in
8932 't ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees
8933 er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl,
8934 de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.
8935
8936 Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur
8937 vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag,
8938 maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij
8939 daartoe geenszins waren gedwongen.
8940
8941 Eindelijk ging de vischverkooper drinken in den Rooden Valk, eene
8942 kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde
8943 men hem bedienen, want 't waren arme lieden, wien alle geldstukken
8944 welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uit den Rooden Valk spraken
8945 nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als
8946 de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als
8947 hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.
8948
8949 Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de
8950 kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:
8951
8952 --Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.
8953
8954 --De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
8955
8956 --Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog
8957 treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem,
8958 zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uit den Rooden Valk te
8959 gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. 't Is
8960 een groote straffe.
8961
8962 --De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.
8963
8964 Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op
8965 Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naar den Rooden Valk en,
8966 ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren
8967 onder de boomen langs de vaart. 't Was een heldere maneschijn.
8968
8969 Hij zag den moordenaar komen.
8970
8971 Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en,
8972 luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren
8973 zeggen:--Waar mogen die karolussen steken?
8974
8975 --Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen
8976 gaf hij hem een vuistslag in 't gezicht.
8977
8978 --Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb
8979 medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit
8980 haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik
8981 zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij
8982 geen oortje voor geven. Is 't niet genoeg? Ik kocht het voor zeven
8983 gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij,
8984 want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.
8985
8986 En knielend vroeg hij vergiffenis.
8987
8988 Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag,
8989 smeet hij hem in de vaart.
8990
8991 En hij toog henen.
8992
8993
8994
8995
8996 LXXXV.
8997
8998 De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas
8999 en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.
9000
9001 Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.
9002
9003 Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op 't gerucht
9004 dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op,
9005 als iemand die uit een zwaren slaap schiet.
9006
9007 Hij sprak:
9008
9009 --De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland
9010 verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde,
9011 doch hij antwoordt mij niet.
9012
9013 Katelijne sprak:
9014
9015 --De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen
9016 spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen
9017 ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des
9018 hemelrijks te brengen.
9019
9020 --Help mij daartoe, sprak hij, en 'k zal u met mijn bloed betalen,
9021 als 't noodig is.
9022
9023 Katelijne sprak:
9024
9025 --Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar
9026 den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van 't Levenssap.
9027
9028 --Ik zal hem meenemen, zegde Nele.
9029
9030 In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij
9031 streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij
9032 deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander
9033 in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.
9034
9035 Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van 't meisje ontstaken
9036 in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij
9037 voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.
9038
9039 Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne
9040 schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij
9041 in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen
9042 zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in
9043 Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.
9044
9045 En zoo bleven zij naast malkander liggen.
9046
9047 Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte
9048 warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.
9049
9050 Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank,
9051 vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als
9052 het water de schepen draagt.
9053
9054 Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen
9055 sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten
9056 holden. En zij zetten den voet op Sirius, de koude sterre. Van daar
9057 werden zij op de pool geworpen.
9058
9059 Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus
9060 Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur
9061 gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de
9062 plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude
9063 regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de
9064 snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.
9065
9066 De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen
9067 die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd
9068 had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend,
9069 er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert
9070 der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen
9071 tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de
9072 vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte
9073 der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich,
9074 bevreesd, terug.
9075
9076 Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te
9077 midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij
9078 doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde
9079 hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van
9080 de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren
9081 en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het
9082 gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander
9083 stootten.
9084
9085 En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het
9086 geschuifel van den storm en 't gehuil van den wind in de schoorsteenen.
9087
9088 --Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.
9089
9090 --Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.
9091
9092 Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings
9093 in 't water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren,
9094 jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de
9095 wolken verdwenen.
9096
9097 En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram
9098 tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur
9099 kloofde en waggelde op zijne grondvesten.
9100
9101 Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig,
9102 vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar het hert van de aarde om
9103 het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.
9104
9105 De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer,
9106 en een regen van ijsscherven viel rondom hem.
9107
9108 En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode
9109 wateren.
9110
9111 De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man
9112 met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer,
9113 koning Lente.
9114
9115 Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte
9116 hem niet te dooden.
9117
9118 En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al
9119 zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er
9120 den reus mee vast aan de pool.
9121
9122 Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een
9123 schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide
9124 tot hem:
9125
9126 --Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.
9127
9128 Hij antwoordde:
9129
9130 --Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom
9131 bij mij: ik ben uw man.
9132
9133 --Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.
9134
9135 De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was
9136 een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een
9137 gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.
9138
9139 Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat
9140 verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht
9141 en waardigheid.
9142
9143 Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den
9144 harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een
9145 gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal
9146 van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.
9147
9148 En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee,
9149 waren vormen als van een ei.
9150
9151 Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich
9152 strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden
9153 zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den
9154 geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten,
9155 uit de naburige zee de watergeesten.
9156
9157 Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en
9158 mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten;
9159 de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag,
9160 onderaan 't gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit
9161 de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch
9162 ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar
9163 waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en
9164 kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die 's nachts op
9165 de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers
9166 springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar
9167 sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die
9168 lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.
9169
9170 Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht
9171 en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar
9172 als een zijden mantel openspreidden.
9173
9174 Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch
9175 van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht;
9176 uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.
9177
9178 Zij zijn het, die, minneziek, 's avonds in waranden en hovingen
9179 zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden,
9180 op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te
9181 smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen,
9182 beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende
9183 meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want
9184 dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.
9185
9186 Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de
9187 beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind,
9188 van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.
9189
9190 Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der
9191 zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht
9192 heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen,
9193 boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader:
9194 Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!
9195
9196 Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan 't geloei van de
9197 woedende zee, en van 't losgeketend orkaan, klonk het als een zoete
9198 muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die, stom en onbeweeglijk,
9199 achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.
9200
9201 Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden
9202 zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met
9203 olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den
9204 steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die
9205 meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend
9206 lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen,
9207 gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden,
9208 en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch,
9209 en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het
9210 Leven en het Leven uit den Dood komt.
9211
9212 En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg
9213 een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en
9214 het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen
9215 aan den arbeid zijn.
9216
9217 Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort,
9218 dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik
9219 als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd
9220 hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het
9221 een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als
9222 hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote
9223 bekers met een vreemdsoortig vocht.
9224
9225 Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote
9226 trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde
9227 scheurde open om te drinken.
9228
9229 En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles
9230 te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes,
9231 en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van
9232 beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden
9233 den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te
9234 krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten
9235 stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen
9236 als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen,
9237 werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen,
9238 schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.
9239
9240 En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in
9241 de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen; en elke man zocht
9242 zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.
9243
9244 En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de
9245 koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken,
9246 en kusten elkander.
9247
9248 Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker
9249 uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:
9250
9251 --Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de
9252 Kracht!
9253
9254 En allen riepen:
9255
9256 --Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!
9257
9258 En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld,
9259 begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht
9260 eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten,
9261 insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden,
9262 bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen,
9263 boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd
9264 duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met
9265 zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door
9266 de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind,
9267 de wolken insgelijks deel.
9268
9269 De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de
9270 dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:
9271
9272 --Liefste, nu gaan wij sterven.
9273
9274 Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.
9275
9276 --Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!
9277
9278 En hij trok hen van den boom en smeet hen in 't gedrang. En
9279 Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten,
9280 die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:
9281
9282 --Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje
9283 en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.
9284
9285 --Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den
9286 anderen vlogen.
9287
9288 Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in't ronde, met het
9289 hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind,
9290 terwijl de geesten spraken:
9291
9292 --Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!
9293
9294 De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkander scheiden;
9295 zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan
9296 den dans gesteld had, met deze woorden:
9297
9298 --Men brenge die beide aardwormen vóór mij!
9299
9300 Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel
9301 aan de andere te ontrukken, zeggende:
9302
9303 --Thijl, wilt gij sterven voor mij?
9304
9305 --Fluks, antwoordde Uilenspiegel.
9306
9307 En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:
9308
9309 --Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!
9310
9311 --Hebt geduld, antwoordde Nele.
9312
9313 En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden,
9314 als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.
9315
9316 Hij vroeg hun:
9317
9318 Wat komt gij hier doen, nietelingen?
9319
9320 Zij antwoordden niet?
9321
9322 --Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u,
9323 kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze
9324 werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek
9325 als volgepropte kapoenen?
9326
9327 Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch
9328 Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:
9329
9330 --De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in
9331 naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste
9332 vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne
9333 keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers
9334 verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal
9335 sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme
9336 nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij
9337 kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de
9338 menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin
9339 stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en
9340 Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken,
9341 en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen
9342 zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen,
9343 maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de
9344 tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende
9345 gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.
9346
9347 De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:
9348
9349
9350 Door den krijg en door het vuur,
9351 Door den dood en door het zweerd,
9352 Zoek de Zeven.
9353
9354 In den dood en in het bloed,
9355 In de puinen en de tranen,
9356 Vind de Zeven.
9357
9358 Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.
9359 Echte geesels der arme aarde,
9360 Brand de Zeven.
9361
9362 Wacht, luister en zie,
9363 Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
9364 Vind de Zeven.
9365
9366
9367 En al de geesten zongen samen:
9368
9369
9370 In den dood en in het bloed,
9371 In de puinen en de tranen,
9372 Zoek de Zeven.
9373
9374 Wacht, luister en zie,
9375 Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
9376 Vind de Zeven.
9377
9378
9379 --Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik
9380 begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.
9381
9382 Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:
9383
9384
9385 Raakt het Noorden
9386 Kussend het Westen
9387 Rampspoed is uit.
9388 Vind de Zeven
9389 En den Gordel.
9390
9391
9392 En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde
9393 beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten,
9394 de musschen tjilpten, de nachtuilen kloegen en vlogen uitzinnig in
9395 het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten,
9396 gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden,
9397 huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.
9398
9399 En de geesten zongen:
9400
9401
9402 Wacht, luister en zie,
9403 Heb de Zeven lief
9404 En den Gordel.
9405
9406
9407 En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze
9408 bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij
9409 onzacht naar beneden smeet.
9410
9411 Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind
9412 hen wakker maakte.
9413
9414 En Uilenspiegel zag Nele's lief gezicht, in gouden glans door de
9415 rijzende zonne bestraald.
9416
9417
9418
9419
9420
9421
9422
9423 TWEEDE BOEK.
9424
9425
9426 I.
9427
9428 Dien morgen, 't was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok,
9429 drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk
9430 verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de
9431 Zeven. Nele sliep.
9432
9433 Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de
9434 lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef
9435 halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:
9436
9437 --Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten,
9438 alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op
9439 goed valle 't uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen
9440 zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje,
9441 keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel
9442 en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u
9443 warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij
9444 voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en
9445 morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en 's Zondags verhongerd. Keer
9446 terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult
9447 verstandig handelen.
9448
9449 Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het
9450 kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende
9451 dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne
9452 tassche stak.
9453
9454 Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan
9455 hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje,
9456 dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee
9457 distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in
9458 de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at
9459 of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.
9460
9461 Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,
9462 beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste
9463 zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man
9464 stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout
9465 omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig
9466 omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.
9467
9468 --Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.
9469
9470 --Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten
9471 aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos
9472 zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In
9473 afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.
9474
9475 Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij
9476 beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond,
9477 die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.
9478
9479 Toen keek de man naar Uilenspiegel.
9480
9481 Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.
9482
9483 --Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te
9484 jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?
9485
9486 --Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.
9487
9488 Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.
9489
9490 --Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de
9491 nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.
9492
9493 --Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?
9494
9495 En hij langde hem de bottel.
9496
9497 Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.
9498
9499 --Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor
9500 eene musch.
9501
9502 Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere
9503 flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.
9504
9505 Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.
9506
9507 --Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar 't is om mijne droeve
9508 gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij,
9509 terwijl hij een traan uit het het oog wischte.
9510
9511 En hij sneed tien schijfjes van de worst.
9512
9513 --Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden
9514 voor den armen pelgrim.
9515
9516 Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om
9517 den fijnen smaak.
9518
9519 Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:
9520
9521 Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van
9522 lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een
9523 leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij
9524 hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden
9525 dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt
9526 schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het
9527 vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die
9528 oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.--Drink
9529 een slok wijn, Thijl, 'k zal na u drinken.--Ha! waarom is zij niet
9530 dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen:
9531 ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich
9532 's avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het
9533 linnen, hetwelk ik zelven ook streek.--Eet, Thijl, 't is Gentsche
9534 worst.--Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis
9535 voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij,
9536 dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij 's nachts
9537 den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.--Drink dien wijn, Thijl,
9538 't is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.
9539
9540 --En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.
9541
9542 --Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten
9543 narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,--uit vreeze en
9544 uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke
9545 armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik
9546 er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en 'k kuste heure
9547 schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij
9548 en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er
9549 mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik
9550 gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan
9551 gestoei en gejoel.--Thijl, is er nog wijn in die bottel?
9552
9553 --Ja, sprak Uilenspiegel.
9554
9555 Lamme dronk en ging voort:
9556
9557 --Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt
9558 schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken of op 't voorhoofd,
9559 maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij
9560 blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor
9561 meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!--Thijl,
9562 zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?
9563
9564 --Een half, antwoordde Uilenspiegel.
9565
9566 Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.
9567
9568 --Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan
9569 had.
9570
9571 --Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien,
9572 zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?
9573
9574 --Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.
9575
9576 --Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?
9577
9578 --Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.
9579
9580 En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte
9581 om het vertrek aan te kondigen.
9582
9583 Maar de hond was--als hij goed zijne bekomst had--er stillekens van
9584 door gegaan.
9585
9586
9587
9588
9589 II.
9590
9591 De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart,
9592 en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne
9593 borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was,
9594 of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op
9595 raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om 't land
9596 zijner vaderen gelukkig te maken.
9597
9598 En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel
9599 bediedden.
9600
9601 Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus
9602 van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend,
9603 vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had
9604 willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was,
9605 dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.
9606
9607 En gedurig herhaalde hij in zich zelven:
9608
9609
9610 Raakt het Noorden
9611 Kussend het Westen
9612 Rampspoed is uit.
9613 Vind de Zeven
9614 En den Gordel.
9615
9616
9617 --Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven
9618 branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan
9619 verbrandt zijne minne?
9620
9621 De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van
9622 stappen in het zand en eene stemme, die zong:
9623
9624
9625 Gij, die voorbij trekt, zaagt ge wel
9626 Mijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?
9627 Hij zwerft nu hierent en darent.
9628 Zaagt ge hem wel?
9629
9630 Gelijk op een lam een arent,
9631 Viel hij op een hartken fel.
9632 Baardloos, een man als niemendel.
9633 Zaagt ge hem wel?
9634
9635 Ontmoet gij hem, zeg dat Nele
9636 Vermoeid is van te gaan zoo snel.
9637 Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:
9638 Zaagt ge hem wel?
9639
9640 Een tortel in den abeele
9641 Treurt om haar verloren gezel.
9642 Alzoo menig trouwe gespele.
9643 Zaagt ge hem wel?
9644
9645
9646 Uilenspiegel klopte op Lamme's buik en zei:
9647
9648 --Houd uwen adem in, dikzak.
9649
9650 --Laas, antwoordde Lamme, 't is lastig voor iemand, die zoo dik is.
9651
9652 Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van
9653 de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:
9654
9655
9656 Uw vriend en vrijer zag ik wel
9657 Op een kar van 't oud model,
9658 Met een papzak voor gezel,
9659 Zag ik hem wel!
9660
9661
9662 --Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.
9663
9664 Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een
9665 gat van de huif.
9666
9667 --Nele, herkent gij mij? riep hij.
9668
9669 Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat,
9670 sprak zij:
9671
9672 --Ik zie u, leelijke deugniet!
9673
9674 --Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis
9675 eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is
9676 zwaar en knoestig.
9677
9678 --Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?
9679
9680 Ja, antwoordde Uilenspiegel.
9681
9682 Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan
9683 Uilenspiegel en sprak:
9684
9685 --Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis
9686 te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten
9687 bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.
9688
9689 Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch
9690 te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:
9691
9692 --Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is 't uit
9693 verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik
9694 zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.
9695
9696 --Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.
9697
9698 't Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met
9699 het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet
9700 stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.
9701
9702 --Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.
9703
9704 De heldere zon drukte loodzwaar op Nele's hoofd. Zij dekte zich met
9705 haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei
9706 hij tot Lamme:
9707
9708 --Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?
9709
9710 --Ja, zei Lamme.
9711
9712 --Herkent gij ze niet?
9713
9714 --Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als
9715 een poorteresse.
9716
9717 --Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.
9718
9719 --En als zij het niet was?
9720
9721 --Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar
9722 het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar
9723 zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.
9724
9725 Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in
9726 de meersch.
9727
9728 Uilenspiegel vroeg tot Nele:
9729
9730 --Waarom komt ge niet bij mij?
9731
9732 Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten;
9733 hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend,
9734 sprak hij:
9735
9736 --Waar gingt ge heen, liefste?
9737
9738 Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En
9739 Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:
9740
9741 --Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte
9742 tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij
9743 maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God
9744 maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die
9745 schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier,
9746 maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God
9747 is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert
9748 ginder aan 't uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar
9749 ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele,
9750 ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe
9751 komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?
9752
9753 Zij wilde opstaan.
9754
9755 Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons
9756 schijnt en u teenenmale in 't goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie
9757 in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne;
9758 't is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft
9759 van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang
9760 zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.
9761
9762 --Mooispreker! zegde zij.
9763
9764 De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren,
9765 en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
9766
9767
9768
9769
9770 III.
9771
9772 Maar Lamme kwam zweetend en blazend terug.
9773
9774 Laas! sprak hij, ik ben onder een slecht gesternte geboren. Nadat
9775 ik mij het hert afgeloopen had achter die vrouw, zag ik, dat het de
9776 mijne niet was en reeds bedaagd; ze moest diep in de veertig zijn,
9777 en aan heure kap zag ik, dat ze nooit getrouwd geweest was. Ze vroeg
9778 mij bits wat ik met mijn dikken buik in heure klaveren kwam doen?
9779
9780 Ik zoek mijne vrouw, die mij liet zitten, antwoordde ik zachtjes,
9781 en daar ik u nam voor haar, liep ik naar u toe.
9782
9783 Op die rede zegde de oude jongedochter, dat ik kon terugkeeren waar ik
9784 van daan kwam; dat, als mijne vrouw mij liet zitten, het wel besteed
9785 was, want dat al de mannen truwanten, dieven en ketteren zijn, die
9786 alle meisjes willen verleiden en dat, als ik niet dadelijk opkraamde,
9787 ze mij door heuren hond zou doen opvreten.
9788
9789 En niet zonder schroom pakte ik mijne biezen, want een groote hond
9790 lag aan heure voeten te brommen. Als ik van heur land was, zette
9791 ik mij neer op den wegel en at ik uw stuk hesp, om op mijn effen
9792 te komen. Plotseling hoorde ik een geritsel achter mij en, als ik
9793 mij omkeerde, zag ik den grooten hond van de oude jongedochter;
9794 doch nu bromde hij niet meer, integendeel, hij kwispelsteertte en
9795 zag mij begeerig aan, om de hesp. Ik smeet hem eenige stukskens toe,
9796 maar zijne meesteresse kwam bij en riep:
9797
9798 --Pak hem! pak hem! manneken!
9799
9800 En ik op den loop, en de groote hond achter mij; hij beet mij in mijn
9801 been. Maar terwijl ik schreeuwde van pijn, gaf ik hem met mijnen stok
9802 eenen slag op zijne voorpooten, dat er ten minste één van gebroken
9803 is. Hij viel en jammerde in zijne hondentaal: "Genade", die ik hem
9804 verleende. Ondertusschen smeet zijne meesteresse kluiten aarde naar
9805 mij, bij gebreke aan steenen, en ik weer op den loop!
9806
9807 Laas! is het niet wreed en onrechtveerdig voor eene vrouw, zich op
9808 een onschuldigen jongen als ik te wreken, omdat zij niet schoon genoeg
9809 is om aan eenen man te geraken?
9810
9811 En treurig stapte ik naar het kaberdoesken, dat gij mij gewezen
9812 hadt, om met bruinbier mijnen schrik af te drinken. Maar ik was
9813 nogmaals bedrogen, want als ik binnenkwam, zag ik man en vrouw
9814 bezig met vechten. Ik vroeg, dat zij zouden uitscheiden om mij eenen
9815 pot bruinbier te tappen, al was 't maar eene pinte of zeven; maar
9816 de vrouw, een echte stokvisch, antwoordde mij woedend, dat als ik
9817 niet dadelijk wegkwam, zij mij in kennis zou brengen met den blok,
9818 waarmede zij op den kop van heuren man trommelde. En nu ben ik hier,
9819 vriend, zweetend en af van vermoeidheid; hebt gij niets te eten?
9820
9821 --'t Doet, zei Uilenspiegel.
9822
9823 En Lamme slaakte eenen zucht van verlichting.
9824
9825
9826
9827
9828 IV.
9829
9830 En ze reden samen voort. De ezel, met hangende ooren, trok traagzaam
9831 de kar.
9832
9833 --Lamme, sprak Uilenspiegel, wij zijn gevieren: de ezel, die op goed
9834 geluk naar distelen zoekt; gij, dikzak, die uwe wederhelft achternazit;
9835 zij, de teedere en zoete geliefde, die iemand vindt, harer onweerdig,
9836 't is te zeggen mij, den vierde.
9837
9838 Nu, kinderen, moed! de bladeren worden geel, en de hemel zal helderder
9839 worden; weldra zal, in de najaarsnevelen, de zonne ondergaan, en de
9840 winter zal verschijnen, als het beeld van den dood, om allen, die
9841 onder onze voeten liggen, met een sneeuwen lijkwade te dekken. En
9842 ik zal optrekken voor de redding van Vlaanderenland. Arme dooden:
9843 Soetkin stierf van smerte; Klaas door den viere: eik van goedheid en
9844 eiloof van liefde; ik, uw zoon, ik lijd grootelijks en zal u wreken,
9845 assche, die ik zoo liefheb, die klopt op mijne borst.
9846
9847 Lamme sprak:
9848
9849 --Gij moogt ze niet beweenen, die voor de gerechtigheid stierven.
9850
9851 Maar Uilenspiegel bleef nadenken; eensklaps zegde hij:
9852
9853 --Nele, het uur van scheiden is gekomen en 't zal voor lang zijn;
9854 wie weet, of ik uw lief gelaat ooit wederzie.
9855
9856 Nele bezag hem met heure oogen, die glinsterden als sterren, en sprak:
9857
9858 --Stap van den wagen en kom met mij in het bosch, alwaar gij lekker
9859 eten zult vinden; want ik ken de kruiden en kan de vogelkens bijroepen.
9860
9861 --Meisje, sprak Lamme, 't is slecht van uwentwege, Uilenspiegel te
9862 willen ophouden, die naar de Zeven moet zoeken en mijne vrouw helpen
9863 terugvinden.
9864
9865 --Nog niet! sprak Nele, en zij weende: doch lachte, te midden heurer
9866 tranen, Uilenspiegel liefderijk toe.
9867
9868 Dit ziende antwoordde deze:
9869
9870 --Uw vrouw zult gij wel intijds terugvinden, als gij lust naar nieuwe
9871 smert zult gevoelen.
9872
9873 --Thijl, sprak Lamme, gaat ge mij, voor dat meisje, in mijne kar alleen
9874 laten? Gij antwoordt niet en denkt aan het woud, waar de Zeven niet
9875 zijn, en mijne vrouw evenmin. Help ze liever zoeken op dezen steenweg,
9876 waar de kar zoo gemakkelijk rijdt.
9877
9878 --Lamme, sprak Uilenspiegel, er ligt een volle weitasch in de kar,
9879 gij zult dus niet sterven van honger, als gij van hier naar Koolkerke
9880 gaat, alwaar ik bij U kom. Gij moet er alleen zijn, want daar zult
9881 gij vernemen naar welke windstreek gij u richten moet, om uwe vrouw te
9882 vinden. Luister. Gij rijdt stapvoets naar Koolkerke, op drie uren van
9883 hier. Op den toren draait een windhaan met alle winden mee op zijn
9884 roestige hengsels. Dat geknars wijst aan de arme mannen, die hunne
9885 liefste verloren, den weg, langs welken zij haar zullen terugvinden.
9886
9887 Maar vooreerst moet men met een hazelaarstaksken, zeven reizen, op elk
9888 muurvlak slaan. Als de hengsels knarsen, terwijl de wind uit 't noorden
9889 blaast, is 't die kant dien gij nemen moet, doch met omzichtigheid,
9890 want Noordenwind is oorlogswind; blaast hij uit 't Zuiden, ga dan
9891 maar blijgemoed: 't is minnewind; uit het Oosten, loop dan gezwind:
9892 't is licht en en vroolijkheid; uit het Westen, ga traagzaam, want
9893 die wind brengt regen en tranen. Ga, Lamme, en wacht mij te Koolkerke.
9894
9895 --Ik zal, zei Lamme.
9896
9897 En hij reed voort met de kar.
9898
9899 Terwijl Lamme naar Koolkerke reed, joeg de sterke, zoele wind de grijze
9900 wolkjes als een kudde schapen door het luchtruim. Uilenspiegel en Nele
9901 waren alleen in het woud. Uilenspiegel had honger en Nele zocht naar
9902 heerlijke vruchten, doch vond niets anders dan eikels, en de kussen,
9903 die heur vriend heur in overvloed gaf.
9904
9905 Uilenspiegel had strikken gespannen en floot om de vogels bij
9906 te roepen, ten einde diegenen te braden, die zich zouden laten
9907 vangen. Een nachtegaal kwam omtrent Nele op de bladeren zitten; zij
9908 ving hem niet, om hem te laten voortzingen; toen kwam een grasmusch,
9909 en zij had er medelijden mee, omdat zij zoo lief en zoo hupsch was;
9910 vervolgens kwam een leeuwerik, maar Nele zei hem, dat hij beter zou
9911 doen hoog in de lucht te vliegen en de Natuur te bezingen, dan dom
9912 weg te komen dartelen boven de doodelijke punt van een braadspit.
9913
9914 En 't was de waarheid, want inmiddels had Uilenspiegel een vuur
9915 aangestoken en een braadspit gesneden, dat op niets anders wachtte
9916 dan op lichtzinnige slachtofferen.
9917
9918 Maar de vogelen kwamen niet meer bij, tenzij eenige kwaadaardige raven,
9919 die hoog boven hunne hoofden krasten.
9920
9921 En zoo kwam het, dat Uilenspiegel niemendal te eten had.
9922
9923 Doch Nele moest vertrekken en bij Katelijne terugkeeren. En weenend
9924 ging zij haren weg op, en Uilenspiegel keek heur droef achterna.
9925
9926 Maar ze kwam terug en viel hem om den hals.
9927
9928 --Ik ga henen, sprak zij.
9929
9930 Zij ging, doch opnieuw keerde ze terug, zeggende:
9931
9932 --Ik ga henen.
9933
9934 En zoo wel twintig reizen en nog meer.
9935
9936 Eindelijk vertrok zij, en Uilenspiegel bleef alleen. Toen ging hij
9937 ook henen om Lamme weder te vinden.
9938
9939 Als hij bij hem was, zat Lamme aan den voet van den toren, met
9940 een grooten pot bruinbier tusschen zijne beenen, weemoedg op een
9941 hazelaarstakje te bijten.
9942
9943 --Uilenspiegel, sprak hij, ik geloof, dat ge mij maar weggezonden
9944 hebt, om met 't meideken alleen te blijven; ik heb met den hazelaar
9945 zeven reizen op elk vlak van den toren geslagen, en hoewel de wind
9946 blaast als een duivel, toch hebben de hengsels niet geknarst.
9947
9948 --Men zal ze zeker gesmeerd hebben, antwoordde Uilenspiegel. Vervolgens
9949 togen ze henen naar het hertogdom Brabant.
9950
9951
9952
9953
9954 V.
9955
9956 Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en
9957 perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn
9958 ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand
9959 hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de
9960 droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige
9961 arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een
9962 blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze
9963 kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om
9964 zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij
9965 wist--men had het hem gezegd--dat lang reeds vóór dat kardinaal
9966 de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op
9967 de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen
9968 Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende
9969 sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in
9970 een ketel.
9971
9972 Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche wereld
9973 drukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die
9974 de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder
9975 eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder:
9976 de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen,
9977 ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde,
9978 en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En 's nachts woelde
9979 hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk
9980 gefolterd door zijne gedachten.
9981
9982 --Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden
9983 één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U,
9984 Heiligen des hemelrijks.
9985
9986 En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend
9987 dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.
9988
9989 En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de
9990 Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere
9991 halle van 't Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange,
9992 ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen
9993 moest om het beste van hun bloed te zuigen.
9994
9995 Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie
9996 honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier
9997 martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als
9998 regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was,
9999 en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche
10000 inquisitie invoeren.
10001
10002 En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel
10003 van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de
10004 ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet
10005 afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen
10006 en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure
10007 lichamen dansen.
10008
10009 En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
10010
10011
10012
10013
10014 VI.
10015
10016 Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk
10017 van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het
10018 hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van
10019 Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van 't paleis.
10020
10021 Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur
10022 een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om
10023 den koning te bewegen, de plakkaten op 't stuk der religie, alsmede
10024 de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze
10025 misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij,
10026 puinhoopen en algemeene ellende.
10027
10028 En dat verzoekschrift werd Het Eedverbond geheeten.
10029
10030 Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner
10031 vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de
10032 armoede dier edele eedgenooten:
10033
10034 --Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!
10035
10036 Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan
10037 waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de
10038 Spaansche edellieden.
10039
10040 Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden
10041 zij er eere in te stellen "geuzen" geheeten en genaamd te worden,
10042 voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.
10043
10044 Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des
10045 konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen,
10046 saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: "Den
10047 koning getrouw tot den bedelzak". En op hunne hoeden en mutsen droegen
10048 zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.
10049
10050 Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek
10051 naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.
10052
10053
10054
10055
10056 VII.
10057
10058 Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:
10059
10060 --Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere
10061 groeten.
10062
10063 --Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?
10064
10065 --Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.
10066
10067 En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.
10068
10069 Hij was in het binnenhof van zijn paleis.
10070
10071 --Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.
10072
10073 --U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.
10074
10075 --Spreek, zegde Brederode.
10076
10077 --Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig
10078 man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht, als eene
10079 mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede
10080 verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat:
10081 "Den koning getrouw tot den bedelzak"?
10082
10083 --Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.
10084
10085 Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de
10086 oogen. Deze ging voort:
10087
10088 --Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak
10089 blijven? Is 't voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap,
10090 die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot
10091 den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul,
10092 die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?
10093
10094 En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.
10095
10096 Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:
10097
10098 --Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed
10099 Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.
10100
10101 Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem
10102 tot bloedens bij de ooren.
10103
10104 --Dit is voor den spion, sprak Brederode.
10105
10106 Uilenspiegel schreeuwde niet.
10107
10108 --Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met
10109 kaneel-wijn.
10110
10111 De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen
10112 wijn.
10113
10114 --Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden
10115 Vlaming.
10116
10117 --Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel;
10118 zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!
10119
10120 Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest
10121 aan Lamme.
10122
10123 --Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets
10124 te doen?
10125
10126 --'t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij
10127 warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat
10128 terugvinden.
10129
10130 --Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.
10131
10132 --Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.
10133
10134 --Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die
10135 Vlaanderenland moeten verlossen.
10136
10137 --Welke Zeven? vroeg Brederode.
10138
10139 Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde
10140 Uilenspiegel.
10141
10142 Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:
10143
10144 --Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?
10145
10146 --Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.
10147
10148 In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:
10149
10150 --Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De
10151 takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige
10152 groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het
10153 geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij
10154 hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te
10155 zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen
10156 gevangenis te hebben.--Ha! wat een schoone Bloeimaand!--in hechtenis
10157 nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen,
10158 onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan
10159 in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in 't oog. En
10160 de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden,
10161 bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.
10162
10163 De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
10164
10165 --Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog
10166 en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
10167
10168
10169
10170
10171 VIII.
10172
10173 Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg,
10174 te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd
10175 omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te
10176 vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk
10177 te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch
10178 daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw--een
10179 oud wijf met een bitsige tronie--de kleederen, wambuizen, mantels en
10180 schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in
10181 dien goedbetaalden arbeid.
10182
10183 Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunne woning
10184 ging, zag hij het meideken aan 't venster en hoorde hij heur neuren:
10185
10186
10187 Oogst, oogst,
10188 Zeg mij, zoete maand,
10189 Wie neemt er mij als vrouw;
10190 Zeg mij, zoete maand?
10191
10192
10193 --Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.
10194
10195 --Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.
10196
10197 Doch Uilenspiegel vroeg:
10198
10199 --Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche
10200 meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?
10201
10202 --Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er
10203 twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht,
10204 doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik
10205 drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken;
10206 vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts,
10207 en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden
10208 echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en 't is niet
10209 van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de
10210 dertiende, zoo gij lust hebt.
10211
10212 --De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook
10213 roept: "Verlossing!"
10214
10215 Het meideken bloosde en sprak:
10216
10217 --Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.
10218
10219 --Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.
10220
10221 --Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure
10222 schoone tanden zien.
10223
10224 Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen,
10225 de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten;
10226 neen, wachten doe ik niet.
10227
10228 --Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.
10229
10230 Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op
10231 Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche
10232 meidekens naar een man riepen.
10233
10234 Glimlachend herhaalde zij:
10235
10236 --Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.
10237
10238 --Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? 't Ware jammer! Nog nooit
10239 zag ik zoo'n ronden hals, zoo'n blanken boezem, een Vlaamschen boezem
10240 vol goede melk, die kloeke mannen maakt.
10241
10242 --Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!
10243
10244 --Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb
10245 om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met
10246 uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!
10247
10248 Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:
10249
10250 --Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een
10251 bedelaar, of zijt gij rijk?
10252
10253 --Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij
10254 toehoort, liefste.
10255
10256 Zij antwoordde:
10257
10258 --Dat is 't niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt
10259 gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar,
10260 een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en
10261 tegen de inquisitie?
10262
10263 De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
10264
10265 --Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik
10266 de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat
10267 liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak
10268 het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch
10269 God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het
10270 zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting,
10271 de oorlog en de val van de beulen!
10272
10273 --Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend;
10274 maar zwijg toch.
10275
10276 --Waarom weent gij? vroeg hij.
10277
10278 --Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.
10279
10280 --Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.
10281
10282 --Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.
10283
10284 --Met een kus zal ik ze geerne sluiten.
10285
10286 --Gekke vriend, luister toch als ik spreek.
10287
10288 --Waarom? wat hebt gij te zeggen?
10289
10290 --Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg,
10291 zwijg vooral in heur bijzijn....
10292
10293 De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak
10294 in zich zelven:
10295
10296 --Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond
10297 die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.
10298
10299 --God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld
10300 ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem
10301 zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd
10302 heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.
10303
10304 --Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.
10305
10306 --Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning
10307 hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben
10308 gelijk, niet waar, heer?
10309
10310 Uilenspiegel antwoordde niet.
10311
10312 --Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en
10313 hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange,
10314 hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al
10315 de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel
10316 zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor 't minst vijftien. Als
10317 de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.
10318
10319 Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:
10320
10321 --Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen
10322 door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan
10323 strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk,
10324 niet waar, heer?
10325
10326 Uilenspiegel antwoordde niet.
10327
10328 --De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.
10329
10330 Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.
10331
10332 Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De
10333 taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den
10334 koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien
10335 men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld,
10336 die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef
10337 ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak;
10338 hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen,
10339 die zich 't onvoorzichtigst hadden uitgelaten.
10340
10341 En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of
10342 een oortje.
10343
10344 In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem
10345 verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken
10346 riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.
10347
10348 Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.
10349
10350 Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op,
10351 al roepend "'t brandt! 't brandt!" totdat hij kwam vóór het huis van
10352 Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend
10353 rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende
10354 takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort,
10355 al roepend: "'t brandt! 't brandt!" En met den vinger wees hij naar
10356 't huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden
10357 gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: 't brandt! 't
10358 brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl
10359 de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en
10360 meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.
10361
10362 Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude
10363 Sapermillemente er eindelijk ook henen.
10364
10365 Uilenspiegel hield ze van verre in 't oog. Toen zij weg was, ging
10366 hij binnen.
10367
10368 --Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?
10369
10370 --Neen, neen, antwoordde Uilenspiegel.
10371
10372 --Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?
10373
10374 --Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.
10375
10376 --En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?
10377
10378 --Ons Heer moet zijn getal hebben.
10379
10380 --Waar brandt het dan toch? vroeg zij.
10381
10382 --In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
10383
10384 En hij vloog naar heuren mond.
10385
10386 --Gij bijt mij, sprak zij.
10387
10388 --Ik eet geerne kersen, zegde hij.
10389
10390 Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:
10391
10392 --Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des
10393 Pausen, zet hier geen voet meer.
10394
10395 --Uwe moeder? sprak hij.
10396
10397 --Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt,
10398 om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden
10399 Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht,
10400 Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug;
10401 nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!
10402
10403 --Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.
10404
10405 --Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.
10406
10407 Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?
10408
10409 --Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit
10410 liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn
10411 geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken,
10412 als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij
10413 geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf
10414 nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van
10415 onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij,
10416 en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk,
10417 waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons
10418 huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de
10419 deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: "Steenen kruisbeeld,
10420 Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk", een
10421 onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht,
10422 daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....
10423
10424 Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot in den Ouden Haan, en daar
10425 vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn
10426 zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.
10427
10428 En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
10429
10430
10431
10432
10433 IX.
10434
10435 Terwijl hij aldus, gevolgd door Lamme, het op een drafje zette, vond
10436 hij in de Eikstraat een kwaadwillig paskwil tegen Brederode. Hij ging
10437 het hem onmiddellijk overhandigen.
10438
10439 --Ik ben, Heere, sprak hij, die goede Vlaming en die spion van den
10440 koning, dien gij zoo goed bij de ooren trokt en zulken goeden wijn te
10441 drinken gaaft. Ik breng u een lieftallig schriftje, in hetwelk men u
10442 onder anderen beschuldigt, den titel van grave van Holland te nemen,
10443 die den koning behoort. Het is versch geprent door Jan Lastermans,
10444 wonende op de Schavuitenkaai, omtrent de Eerrooversgang.
10445
10446 Glimlachend antwoordde Brederode:
10447
10448 --Ik laat u twee uren lang geeselen, als ge mij den echten naam van
10449 den schrijver niet zegt.
10450
10451 --Heer, antwoordde Uilenspiegel, gij moogt mij twee jaar lang doen
10452 geeselen als gij wilt, maar wat mijn mond niet weet, zult gij mijnen
10453 rug niet doen zeggen.
10454
10455 En hij ging henen met een gulden voor zijne moeite.
10456
10457
10458
10459
10460 X.
10461
10462 Sedert de Zomermaand, de maand van rozen, was men in Vlaanderen aan
10463 't preeken.
10464
10465 En de apostelen der eerste kerstene Kerk preekten overal, op alle
10466 plaatsen, in 't groen en in de hovingen, op de heuvelen waar men
10467 bij overstrooming de beesten in veiligheid bracht, op de rivieren,
10468 in booten.
10469
10470 Te land verschansten zij zich als in een kamp, door middel van
10471 karren. Op de rivieren en in de reeden hielden schuiten vol gewapende
10472 mannen de wacht rondom hen.
10473
10474 En rond de verschansingen stonden boogschutters en pijkeniers, om
10475 hen te behoeden voor eene verrassing des vijands.
10476
10477 En aldus weerklonk allerwegen het woord der vrijheid op den bodem
10478 der vaderen.
10479
10480
10481
10482
10483 XI.
10484
10485 Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een
10486 beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar
10487 de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van
10488 geld meer hooren.
10489
10490 Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende,
10491 blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten
10492 in den kansel der waarheid.
10493
10494 Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.
10495
10496 Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige
10497 Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden:
10498 "Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en,
10499 volgens die wet, moet hij sterven!" riep broeder Cornelis uit:
10500
10501 "Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een
10502 gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen
10503 de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld,
10504 omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en
10505 plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij
10506 over deze landen doen vallen! Allerheiligste Moeder Gods, was keizer
10507 Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden
10508 edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift
10509 aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het
10510 beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen
10511 opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en
10512 ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas,
10513 willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond
10514 wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in
10515 Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius,
10516 die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden,
10517 Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die
10518 een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren,
10519 in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige,
10520 glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar
10521 men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn,
10522 die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den
10523 stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als
10524 die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die
10525 op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander;
10526 ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van
10527 Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men
10528 zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door,
10529 hoorde men 't geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!
10530
10531 "Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in
10532 Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja,
10533 goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam
10534 aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;--ja,
10535 't kan zijn--maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij
10536 verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van
10537 Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!
10538
10539 "Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in
10540 Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat
10541 alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die
10542 stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder,
10543 de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar
10544 al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken,
10545 dat wij onze hostiën met hondenvet bakken! Een ander durft zeggen:
10546 't is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat:
10547 "Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches,
10548 geen eeuwige verdoemenis". "Men mag, zegt die andere ginder,
10549 men mag doopen zonder zout, zonder vet, zonder speeksel, zonder
10550 duivelbezwering en zonder keerse". "Er is geen vagevier", zegt een
10551 ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden,
10552 ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter,
10553 dan een oogenblik te twijfelen aan 't bestaan van het vagevier!
10554
10555 "Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze
10556 zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten,
10557 gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij
10558 den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om
10559 ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde
10560 predikatiën.
10561
10562 "Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij
10563 de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de
10564 handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat
10565 calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden,
10566 zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en
10567 serpenten van de gemeente.
10568
10569 "Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en
10570 vrede, Gods woord aanhooren. 't Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt
10571 mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt
10572 gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen,
10573 die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen,
10574 op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en
10575 dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen
10576 van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt
10577 uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande
10578 over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!
10579
10580 "Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren
10581 gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des
10582 nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen
10583 maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren
10584 daar gevieren, vier truwanten, die preekten op 't kerkhof. De eerste
10585 bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn
10586 hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit
10587 de ooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne
10588 armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken,
10589 als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had
10590 geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En
10591 hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens
10592 jouwden hem uiten riepen: "Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet." De
10593 derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook
10594 zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed
10595 dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!
10596
10597 "Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels,
10598 die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant
10599 gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg:
10600 zij zijn allen gekortoord!
10601
10602 "En nochtans is 't rond die schelmen, rond die diepers, rond
10603 die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige
10604 predikanten, dat die van 't gemeen riepen: "Leve de geus!" alsof zij
10605 allen razend, zat of zot waren.
10606
10607 "Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de
10608 Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: "Leve de geus! Leve
10609 de geus!" laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op
10610 dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken
10611 en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan
10612 't roepen: "Leve de geus!"
10613
10614 "En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland
10615 overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten
10616 met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen
10617 verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen
10618 zij het goed van kerken en kloosters!
10619
10620 "En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met
10621 dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes
10622 gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de
10623 landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: "Leve de geus!" Ha! ware ik
10624 in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier
10625 of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile,
10626 stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens
10627 hadden kunnen wasschen.
10628
10629 "Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: "Leve de geus!" Ja, tiert maar
10630 op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen, koortsen,
10631 pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en
10632 zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God
10633 gewroken worden over uw vuil getier van "Leve de geus!" En er blijft
10634 geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen,
10635 die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij
10636 liepen. Het zij zoo! Amen!
10637
10638 --Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.
10639
10640 --Dadelijk, sprak Lamme.
10641
10642 En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het
10643 sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.
10644
10645
10646
10647
10648 XII.
10649
10650 Uilenspiegel en Lamme kwamen aan het Minnewater, hetwelk de groote
10651 doctoren en wijsneuzige wijsgeeren halsstarrig doen afstammen van
10652 Minrewater of Minderbroederswater.
10653
10654 Zij bleven op den oever staan en zij zagen vrouwen, meidekens en
10655 knapen, arm in arm, met bloemen getooid, die malkander teederlijk in
10656 de oogen bezagen en dicht tegen elkander gedrongen gingen.
10657
10658 Als Uilenspiegel hen zag, dacht hij aan Nele. En bij die weemoedige
10659 herinnering, sprak hij treurig tot Lamme:
10660
10661 --Lamme, laat ons iets drinken.
10662
10663 Maar Lamme hoorde niet wat Uilenspiegel zegde; droefgeestig bezag
10664 hij de verliefde paartjes.
10665
10666 --Weleer gingen wij ook aldus, arm in arm, mijne vrouw en ik, tot
10667 groote afgunst van hen, die in alleenigheid, zonder geliefde levend,
10668 nijdig ons nakeken.
10669
10670 --Kom, sprak Uilenspiegel, de Zeven vinden wij misschien op den bodem
10671 eener pinte.
10672
10673 --Dat is drinkebroerspraat, antwoordde Lamme; de Zeven, dat weet gij
10674 wel, zijn reuzen, die onder 't groot gewelf van Sint-Salvatorskerk
10675 niet kunnen recht staan.
10676
10677 Uilenspiegel dacht treurig aan Nele. Ook dacht hij, dat hij misschien
10678 in eene of andere afspanning een goed maal, een goed onderkomen en
10679 een lieftallige bazinne zou vinden; hij sprak nogmaals:
10680
10681 --Laat ons iets drinken!
10682
10683 Maar Lamme luisterde niet en sprak, naar Onze-Lieve-Vrouwetoren
10684 kijkend:
10685
10686 --Heilige Maria, patronesse der geoorloofde minne, verleen mij de
10687 gunst, heur blanken boesem weder te zien,
10688
10689 --Kom mede, sprak Uilenspiegel, heur blanke boezem troont in de eene
10690 of andere taveerne.
10691
10692 --Hoe durft gij dat zeggen? sprak Lamme.
10693
10694 --Wel zeker, sprak Uilenspiegel, ze moet ergens weerdinne zijn.
10695
10696 --Dronkemansuitvluchten, sprak Lamme.
10697
10698 Uilenspiegel vervolgde:
10699
10700 --Wellicht bewaart zij voor de arme zwervers een schotel gestoofd
10701 ossevleesch, niet te vet, niet te droog, malsch lijk rozeblaadjes,
10702 zwemmend tusschen menigvuldige kruidnagelen, notemuskaat,
10703 hanekammetjes, kalfszwezerikken en andere hemelsche lekkernijen.
10704
10705 --Deugniet! sprak Lamme, gij wilt mij zeker doen sterven. Weet gij dan
10706 niet, dat wij sedert twee dagen van droog brood en klein bier leven?
10707
10708 --Dat is praat van een gulzigaard, antwoordde Uilenspiegel. Gij
10709 schreeuwt van honger; kom eten en drinken. Ik heb een halven gulden
10710 en zal de kosten van 't gelag betalen.
10711
10712 Lamme lachte. Zij gingen hunne kar halen en, aldus door de stad
10713 rijdend, zochten zij naar de beste afspanning. Doch zij trokken er
10714 vele voorbij, als zij de zure gezichten van den baas of de bazinne
10715 zagen, weinig aantrekkelijk uithangsbord voor een gezellige keuken.
10716
10717 Zij kwamen op de Zaterdagsmarkt en gingen het gasthof, de Blauwe
10718 Lanteern binnen. Daar zag de weerd er vriendelijker uit.
10719
10720 Zij deden uitspannen en den ezel op stal zetten, in gezelschap van
10721 een maatje haver. Zij lieten zich een keurig avondmaal opdienen,
10722 aten hunne bekomst, sliepen als dassen en stonden 's morgens op,
10723 om nog te eten. Lamme schitterde van genoegen en sprak:
10724
10725 --In mijne maag hoor ik een hemelsche muziek.
10726
10727 Als 't oogenblik van betalen gekomen was, ging de weerd bij Lamme en
10728 sprak hij:
10729
10730 --'t Is tien oortjes.
10731
10732 --Hij heeft ze, zei Lamme, naar Uilenspiegel wijzend, die antwoordde:
10733
10734 --Ik heb ze niet.
10735
10736 --En de halve gulden?
10737
10738 --Ik heb er geen, sprak Uilenspiegel.
10739
10740 --'t Is gemakkelijk gezegd, sprak de baas; dan zal ik u uw wambuis
10741 en hemd uittrekken.
10742
10743 Lamme, dien de drank moedig maakte, stond recht en riep uit:
10744
10745 --En als ik wil eten en drinken, ja, eten en drinken voor zeven en
10746 twintig gulden en nog meer, zal ik het doen! Of meent gij, dat er
10747 geen rooden duit in dezen buik steekt? Bij God! tot hiertoe werd hij
10748 uitsluitend met ortolanen gevoed. Dergelijken buik zult gij nooit onder
10749 uw vettigen gordelriem dragen. Bij mij ligt het vet drie duim dik op
10750 den buik, terwijl gij het op den kraag van uw wambuis moet zoeken.
10751
10752 De weerd was buiten zich zelven van woede. Hakkelaar van nature,
10753 wilde hij rap spreken; doch hoe meer hij zich haastte, hoe meer hij
10754 moest niezen als een hond, die uit 't water komt. Middelerwijl wipte
10755 Uilenspiegel bollekens brood naar zijn aangezicht. En Lamme, meer en
10756 meer opgewonden, vervolgde:
10757
10758 --Ja, ik bezit genoeg voor uw drie magere hennen, uw vier schurftige
10759 kiekens en dien grooten dwazerik van een pauw, die met zijn morsigen
10760 steert het neerhof ginds ronddwijlt. En als uwe huid niet verrimpeld
10761 was als die van een ouden haan, als uw beenderen niet vaneen vielen in
10762 uwe borstkas, dan had ik nog genoeg om u ook op te eten, u, en uwen
10763 snotterigen knecht, en uw halfblinde meid, en uwen kok, die gelukkig
10764 mag zijn als hij 't schurft niet heeft, daar zijne armen te kort zijn
10765 om zich ordentelijk te krabben.
10766
10767 --Bezie mij, vervolgde hij, bezie mij dien vogel eens, die, voor een
10768 halven gulden, ons wambuis en ons hemde wil uitdoen! Daarom moet men
10769 schaamtevrij zijn; heel zijne plunje is geen drie duiten weerd.
10770
10771 Maar de baas blies door zijnen neus van woede.
10772
10773 En Uilenspiegel wipte maar altoos bollekens brood naar zijn aangezicht.
10774
10775 Lamme, dapper als een leeuw, vervolgde:
10776
10777 --Hoeveel, magere tronie, hoeveel meent gij wel wat een ezel weerd
10778 is, een ezel met een fijnen mond, met lange ooren, een breede borst,
10779 met spieren als ijzer zoo sterk? Achttien gulden voor 't minst, is
10780 't niet, armoedige baas? Hoeveel verroeste nagelen hebt gij wel,
10781 om zulk schoon beest te betalen?
10782
10783 De baas blies nog meer door zijnen neus, doch dorst zich niet roeren.
10784
10785 Lamme sprak:
10786
10787 --Hoeveel meent gij, dat een schoone esschen kar geldt, die heel in
10788 't blauw is geverfd en tegen zon en regen bespannen met eene huif
10789 van Kortrijksch lijnwaad? Vier en twintig gulden voor 't minst,
10790 niet waar? Vier en twintig gulden en achttien gulden, hoeveel maakt
10791 dat? Antwoord, armzalige rekenmeester. En, daar het marktdag is en er
10792 boeren in uwe ellendige afspanning zijn, ga ik ze dadelijk verkoopen.
10793
10794 Hetgene geschiedde, want allen kende Lamme. En inderdaad, voor ezel
10795 en kar kreeg hij vier en veertig gulden en tien oortjes. Toen deed
10796 hij het goud rinkelen onder den neus van den weerd, en sprak hij:
10797
10798 --Hewel, baas is hier geld genoeg om nog iets te peuzelen?
10799
10800 --Ja, sprak de baas.
10801
10802 En stille zegde hij:
10803
10804 --Als gij ooit uw vel verkoopt, geef ik er een oortje voor: 't zal
10805 een amulet tegen overdadigheid wezen.
10806
10807 Doch een hupsch en lieftallig wijfje, dat in het donker binnenhof
10808 stond, was verscheidene reizen voor 't venster naar Lamme komen zien,
10809 en telkens dat hij heur schoon gezichtje kon bemerken, trok ze zich
10810 schielijk achteruit.
10811
10812 's Avonds, als hij, zonder licht, waggelend de trap opklom, voelde
10813 hij eene vrouw, die hem omarmde, hem kuste op zijne kaken, zijnen
10814 mond, tot zelfs op zijn neus; zijn gezicht was nat van hare tranen,
10815 na hetwelk zij hem liet voortgaan.
10816
10817 Lamme ging naar zijn bedde en sliep als een os, en 's anderen daags
10818 trok hij met Uilenspiegel naar Gent.
10819
10820
10821
10822
10823 XIII.
10824
10825 Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en
10826 taveernen. 's Avonds vond hij Uilenspiegel terug in den Zingenden
10827 Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken,
10828 tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.
10829
10830 Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat
10831 op zijn buik ten gronde liggen.
10832
10833 Een kooldrager kwam voorbij en sprak:
10834
10835 --Wat doet gij daar?
10836
10837 --Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde
10838 Uilenspiegel.
10839
10840 Een timmerman kwam.
10841
10842 --Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.
10843
10844 --Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde
10845 Uilenspiegel.
10846
10847 Een monnik bleef staan.
10848
10849 --Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.
10850
10851 --Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde
10852 Uilenspiegel.
10853
10854 De monnik gaf hem dien en toog henen.
10855
10856 Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam
10857 voorbij.
10858
10859 --Hoort gij daar iets? vroeg hij.
10860
10861 --Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen
10862 om de arme ketteren te verbranden.
10863
10864 --Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.
10865
10866 --Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als
10867 gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de
10868 steden niet meer veilig tegen de roovers.
10869
10870 --Hij is zot, zei de serjant.
10871
10872 --Hij is zot, herhaalden de poorters.
10873
10874
10875
10876
10877 XIV.
10878
10879 Doch Lamme at of dronk niet meer, dacht standvastig aan den zoeten
10880 droom op de trap in de Blauwe Lanteern. Zijn hert trok hem naar Brugge,
10881 maar Uilenspiegel nam hem mede naar Antwerpen, alwaar hij jammerend
10882 voort zocht.
10883
10884 Uilenspiegel ging in de taveernen en, sprekende over de plakkaten,
10885 zeide hij tot goede Vlamingen, tot hervormden, ja zelfs tot
10886 vrijheidminnende katholieken:
10887
10888 --Zij brengen ons de inquisitie mede, zoogezegd om ons lijf van
10889 de ketterije te zuiveren, maar 't is ook voor onze beurze, dat die
10890 rabarber zal dienen. Wij, die niets innemen tegen onze goesting, wij
10891 zullen ons verzetten, muitmaken en de hand aan de wapenen slaan. Dat
10892 weet de koning. Als hij ziet, dat wij zijne rabarber niet willen, zal
10893 hij afkomen met lavementpijpen: dat zijn groote en kleine kanonnen,
10894 falkonetten, slangen met wijden mond. Een koninklijk lavement,
10895 kortom. En in het derwijze gepurgeerde Vlaanderenland zal geen begoede
10896 burger meer overblijven. Gelukkige landen, die zulk een koninklijken
10897 geneesheer hebben!
10898
10899 Maar de poorters lachten.
10900
10901 Uilenspiegel sprak: Lacht maar; doch vlucht of wapent u op den dag,
10902 als er in Onze-Lieve-Vrouwekerk beelden worden gebroken.
10903
10904
10905
10906
10907 XV.
10908
10909 Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding
10910 van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan,
10911 doof blijven voor 't geroep van den haan, werd aan eene der poorten
10912 van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen
10913 door een Italiaan, in dienst van Granvelle. 's Zondags nadien ging
10914 de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene,
10915 gele en roode narren.
10916
10917 Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep:
10918 "Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal
10919 haast met u mosselen zieden"; het beeld werd ijlings in 't koor van
10920 de kerk teruggebracht.
10921
10922 Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze,
10923 in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen
10924 onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen
10925 en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en
10926 tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later
10927 ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin,
10928 vroeg of Maaiken--dat was Maria--bang was, daar ze zoo ijlings terug
10929 in de kerk kwam.
10930
10931 --'t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde
10932 Uilenspiegel.
10933
10934 De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan,
10935 maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:
10936
10937 --Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.
10938
10939 Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar
10940 waren, zeide hij:
10941
10942 --Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend),
10943 betrouwt ze niet, 't zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders,
10944 die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.
10945
10946 Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:
10947
10948 --Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het
10949 geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel
10950 verkocht om er trommelen van te maken?
10951
10952 --Beziet eens dien preeker! riepen ze.
10953
10954 Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van
10955 Onze-Lieve-Vrouwe:
10956
10957 --Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik
10958 zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.
10959
10960 Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om
10961 er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:
10962
10963 --Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon
10964 nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!
10965
10966 Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw
10967 geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne
10968 heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken
10969 en Maaiken beneden te halen.
10970
10971 Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de
10972 assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en
10973 ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.
10974
10975 De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het
10976 volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten,
10977 maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de
10978 anderen spraken:
10979
10980 --Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.
10981
10982 De markgraaf sprak:
10983
10984 --Er wordt niet gezongen.
10985
10986 --Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.
10987
10988 Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de
10989 kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over
10990 den vloer en zeiden: "Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk,
10991 en gij verveelt u: kom spelen met ons".
10992
10993 En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.
10994
10995 De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren
10996 sluiten behalve ééne.
10997
10998 En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen
10999 stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder
11000 't gebulder van kanonnen.
11001
11002 Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben;
11003 met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:
11004
11005 "In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,
11006 drie zijn één en één is drie; God beware ons in 't hemelrijk van
11007 dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is
11008 Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten
11009 gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad
11010 Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan
11011 tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: "Zijt gij nu te fier
11012 om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed
11013 zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?" En
11014 Maaiken antwoordde: "Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals
11015 den kop!" "Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar
11016 de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker
11017 dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een
11018 dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee
11019 te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten
11020 zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij
11021 de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur
11022 gouden kroon en rijke juweelen niet onder 't arme gemeene volk zou
11023 vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar
11024 Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand,
11025 en grijnslachend zegt: "Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten,
11026 die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is 't met uwe onbevlektheid? Ge
11027 moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat
11028 ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen
11029 naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden." Aldus
11030 sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig,
11031 bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.
11032
11033 En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde:
11034 "Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van
11035 schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde
11036 nemen! Hout drijft toch boven!"
11037
11038 Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.
11039
11040 Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den
11041 spreker van de trappen en zei tot het volk:
11042
11043 --Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang
11044 is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen
11045 u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te
11046 kunnen verklaren, uwe kisten te ledigen, u te onthalzen en levend
11047 te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders,
11048 hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat
11049 Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en
11050 geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds
11051 heeft u in 't oog, en 't is door plundering en vernieling, dat hij het
11052 vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva
11053 over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring
11054 en dood!
11055
11056 ... En hij zal erven!
11057
11058 --Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de
11059 koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het
11060 tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!
11061
11062 Maar het gemeen kon hen niet hooren.
11063
11064 De handlangers riepen:
11065
11066 --Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft
11067 toch boven!
11068
11069 Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:
11070
11071 --Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad
11072 niet ten onder!
11073
11074 En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd,
11075 hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel
11076 bebloed, hield hij niet op te roepen:
11077
11078 --Duldt de plundering niet!
11079
11080 Maar het was te vergeefs.
11081
11082 De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het
11083 koor aan, hetwelk zij braken al roepend:
11084
11085 --Vive le geus!
11086
11087 Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht
11088 was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone
11089 schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren
11090 werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen
11091 getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met
11092 hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen
11093 er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders,
11094 De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris,
11095 Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster,
11096 de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al de
11097 kerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in
11098 Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er
11099 mee overal rond.
11100
11101 En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst
11102 in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.
11103
11104 Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen;
11105 doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.
11106
11107 In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.
11108
11109 --Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.
11110
11111 --Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak
11112 Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun
11113 last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne
11114 hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en
11115 zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke
11116 dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal
11117 wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al
11118 mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering
11119 baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling
11120 zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld
11121 is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!
11122
11123 Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den
11124 mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm
11125 geenerlei verzet te bieden, sprak hij:
11126
11127 --Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de
11128 hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme
11129 vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg,
11130 het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer
11131 Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft
11132 gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk
11133 heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.
11134
11135 Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten
11136 de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van
11137 allen die in ballingschap gingen.
11138
11139 En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht
11140 naar zijne vrouw.
11141
11142 En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
11143
11144
11145
11146
11147 XVI.
11148
11149 Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond
11150 tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt
11151 van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap
11152 gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een
11153 brandende lanteerne naast hem ging.
11154
11155 --Wat wilt ge? vroeg Egmond.
11156
11157 --Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een
11158 brandende lanteerne kan geven.
11159
11160 --Ga heen en laat mij, sprak de graaf.
11161
11162 --Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.
11163
11164 --Moet gij dan van de zweep hebben?
11165
11166 --Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene
11167 lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in 't Escuriaal.
11168
11169 --Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met 't Escuriaal, antwoordde
11170 de graaf.
11171
11172 --Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een
11173 goeden raad te geven.
11174
11175 Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg
11176 en steigerde, sprak hij:
11177
11178 --Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat
11179 uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar
11180 men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd
11181 nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer
11182 krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.
11183
11184 --Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.
11185
11186 --Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd
11187 voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche
11188 die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman,
11189 met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne
11190 driemaal zegevierende troepen kan stellen.
11191
11192 --Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.
11193
11194 --Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.
11195
11196 De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op
11197 de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:
11198
11199 --Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!
11200
11201 Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanning het Bont
11202 Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het
11203 Muizeken geheeten.
11204
11205 De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:
11206
11207 --Is er iemand?
11208
11209 Uilenspiegel, die bij 't Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen
11210 beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.
11211
11212 De graaf herkende hem:
11213
11214 --Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.
11215
11216 --Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst
11217 is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals
11218 stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.
11219
11220 De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
11221
11222
11223
11224
11225 XVII.
11226
11227 Uilenspiegel en Lamme, elk gezeten op een ezel, dien zij kregen van
11228 Simon Simonsen, een der getrouwen van den prins van Oranje, reden
11229 overal rond om de poorters te verwittigen van de snoode inzichten
11230 van den bloedigen koning en om tijdingen uit Spanje te vernemen.
11231
11232 Zij verkochten groenten, waren gekleed als boeren en liepen de
11233 markten af.
11234
11235 Bij het terugkeeren van de markt van Brussel, zagen zij in een steenen
11236 huis, op de Kareelkaai, in een lage kamer, eene dame gekleed in samijt,
11237 hoog van kleur, vol van boezem en schalksch van oog.
11238
11239 Zij sprak tot een jonge en poezele keukenmeid:
11240
11241 --Gij zult een goede klont boter in de pan moeten smelten, want ik
11242 houd niet van saus met ijzersmaak.
11243
11244 Uilenspiegel stak zijn neus voor het venster.
11245
11246 --Ik wel, sprak hij, want een hongerige maag kan veel verdragen.
11247
11248 De dame keerde zich om en sprak:
11249
11250 Wat is dat voor een moeial, die zich met mijne keuken bemoeit?
11251
11252 --Eilaas! schoone dame, sprak Uilenspiegel, liet ge mij er een weinig
11253 mede bemoeien in uwe gezelschap, ik leerde u gerechten uit vreemde
11254 streken maken, die onze dames niet kennen.
11255
11256 En smakkende, zei hij:
11257
11258 --Ik heb dorst.
11259
11260 --Naar wat? vroeg zij.
11261
11262 --Naar u, sprak hij.
11263
11264 --Hij is schoon, zei de keukenprinses tot de dame. Willen wij hem
11265 binnenlaten, hij zal ons zijne avonturen vertellen.
11266
11267 --Maar zij zijn getweeën.
11268
11269 --Ik gelast mij met éénen, hernam de keukenmeid.
11270
11271 --Mevrouwe, sprak Uilenspiegel, 't is waar, we zijn getweeën: ik en
11272 mijn arme Lamme, die geen honderd pond op den rug kan dragen, doch
11273 gemakkelijk met vijfhonderd pond eten en drinken op de maag loopt.
11274
11275 --Jongen, zei Lamme, spot niet met mij; 't is al ongelukkig genoeg,
11276 dat mijn buik mij zoo duur kost.
11277
11278 --Vandaag kost hij u geen duit, sprak de dame. Komt beiden binnen.
11279
11280 --Maar, sprak Lamme, er zijn ook twee ezelen, waarop wij zitten.
11281
11282 --In den stal van den grave van Meghem is geene haver te kort,
11283 antwoordde de dame.
11284
11285 De keukenmeid liet heure braadpannen staan en bracht Uilenspiegel en
11286 Lamme op het binnenhof, en de ezels begonnen seffens te balken.
11287
11288 --Ze rieken eten en ze schateren uit van vreugde, de arme dieren,
11289 sprak Uilenspiegel.
11290
11291 Toen beiden van hunne ezels waren gestegen, sprak Uilenspiegel tot
11292 de keukenmeid:
11293
11294 --Zoudt gij een ezel lijk ik willen, als gij een ezelinnetje waart?
11295
11296 --Ik zou een jongen met een vroolijk gezicht willen, als ik eene
11297 vrouw was, antwoordde zij.
11298
11299 --Wat zijt gij dan, als gij vrouw noch ezelin zijt? vroeg Lamme.
11300
11301 --Eene maagd, sprak zij, eene maagd is geene vrouw, en eene ezelin
11302 evenmin: begrijpt gij, dikzak?
11303
11304 Uilenspiegel sprak tot Lamme:
11305
11306 --Gij moet heur niet gelooven, 't is een deugnietje en een
11307 duivelinneken. Beëlzebub heeft ze van nu af aan verkoren tot zijne
11308 gezellin in de helle.
11309
11310 --Leelijke spotter, antwoordde de keukenmeid.
11311
11312 De dame sprak:
11313
11314 --Drinkt eerst eene pint bruinbier, eet een stuk hesp, snijdt van
11315 dien bout, opent de pastei en proeft de salade.
11316
11317 Uilenspiegel vouwde de handen te zamen.
11318
11319 --Hesp, sprak hij, is heerlijk eten; bruinbier, hemelsche drank,
11320 hamelbout, goddelijk vleesch; een gevulde pastei doet de tong van
11321 genoegen trillen; een geurige salade is een vorstelijke spijs. Doch
11322 zalig is hij, die uwe schoonheid tot nagerecht krijgt.
11323
11324 --Hoor hem eens bezig. Toe, eet, ondeugende jongen!
11325
11326 Uilenspiegel antwoordde:
11327
11328 --Zou ik niet liever beginnen met de dankzegging?
11329
11330 --Neen, sprak zij.
11331
11332 Maar Lamme was jammerlijk aan 't zuchten:
11333
11334 --Ik heb honger.
11335
11336 --Gij zult eten, sprak de schoone dame, vermits gij over niets anders
11337 bekommert zijt dan over uwen buik.
11338
11339 --Ha! en mijne vrouw, zuchtte Lamme, als om heur gezegde te
11340 logenstraffen.
11341
11342 Maar die woorden stelden de meid teleur. Lamme en Uilenspiegel aten
11343 buik-sta-bij en dronken als tempeliers. En de dame gaf dien nacht
11344 nog te eten aan Uilenspiegel en ook 's anderen daags en volgende dagen.
11345
11346 De ezels kregen een dobbel maatje haver en Lamme dobbel rantsoen. Eene
11347 week lang bleef hij in de keuken geplakt en sloeg hij menigerhande
11348 schotels naar binnen, maar hij hield zich niet bezig met de meid,
11349 want hij dacht te veel aan zijne vrouw.
11350
11351 Dat maakte de dienstmeid spijtig, en ze zei, dat het een schande
11352 was den menschen al dien last aan te doen, om uitsluitend aan zijn
11353 vettigen buik te denken.
11354
11355 En intusschen leefden Uilenspiegel en de dame zeer vriendschappelijk
11356 samen. Eens zegde zij tot hem:
11357
11358 Thijl, zoudt gij de verdediging uwer gemartelde broederen op u nemen?
11359
11360 --De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
11361
11362 --Zóó zijt gij schoon, riep zij uit. Maar wie is die Klaas?
11363
11364 Uilenspiegel antwoordde:
11365
11366 --Mijn vader, die voor het geloove verbrand werd.
11367
11368 --De grave van Meghem lijkt geenszins op u, sprak zij; hij wil eene
11369 lating toedienen aan de stad, die ik minne, want ik ben van Antwerpen,
11370 de zeeghaftige stede. Weet dus, dat hij overeengekomen is met Scheyf,
11371 den raadsheer van Brabant, om zijne tien vendels voetvolk in Antwerpen
11372 te brengen.
11373
11374 --Dat zal ik den poorters gaan zeggen, sprak Uilenspiegel; en hij ijlde
11375 weg, rap als de wind. 's Anderen daags waren de poorters te wapen.
11376
11377 Doch Uilenspiegel en Lamme, die hunne ezels op stal gezet hadden
11378 bij eenen pachter van Simon Simonsen, moesten zich schuil houden,
11379 uit vreeze voor den grave van Meghem, die hen overal deed zoeken om
11380 ze te hangen; want hij had vernomen, dat twee heretieken van zijn
11381 vleesch gegeten en van zijnen wijn gedronken hadden.
11382
11383 De grave was jaloersch, en zeide het tot de schoone edelvrouwe,
11384 die knarsetande, weende en wel zeventien reizen in onmacht viel. De
11385 keukenmeid volgde heur voorbeeld, maar zoo dikwijls niet en verzekerde,
11386 op heur aandeel in 't hemelrijk en heurer ziele zaligheid, dat zij en
11387 heure Mevrouw niets anders gedaan hadden dan het afval van 't eetmaal
11388 gegeven aan twee armzalige pelgrims, die op magere ezelen gezeten,
11389 voor het keukenvenster waren komen staan,--en méér niet.
11390
11391 En dien dag vloeiden er zoovele tranen, dat de grond teenemale nat
11392 was. Dit ziende, schonk messire van Meghem geloof aan heure woorden.
11393
11394 Lamme dorst niet meer teruggaan naar het huis van den edelen heere,
11395 want telkens dat de keukenmeid zijn neus zag, begon zij zelve te
11396 zuchten en te jammeren: Ha! mijne vrouw!
11397
11398 En hij was mistroostig, om den wille van het eten; doch Uilenspiegel
11399 bracht hem altoos eenige lekkere kliekjes mede, want hij drong in
11400 het huis langs de Sinte-Katelijnestraat, en hield er zich op den
11401 zolder verscholen.
11402
11403 's Anderen daags, na de vespers, beleed de grave van Meghem aan de
11404 schoone vrouwe, dat hij besloten had vóór den dageraad met zijne
11405 soldaten 's-Hertogenbosch binnen te dringen. Dan viel hij in slaap.
11406
11407 De gravinne liep naar den zolder om Uilenspiegel te vertellen hetgeen
11408 zij wist.
11409
11410
11411
11412
11413 XVIII.
11414
11415 Verkleed als pelgrim, zonder geld, zonder mond behoeften, trok
11416 Uilenspiegel dadelijk naar 's Hertogenbosch, om de poorters te
11417 waarschuwen.
11418
11419 Hij was van zins een peerd te nemen bij Jeroen Praet, broeder van
11420 Simon, voor wien hij brieven van den prins had, om van daar spoorslags,
11421 langs de binnenwegen naar 's Bosch te rijden.
11422
11423 Op den steenweg, hoorde hij eene bende huurlingen achter zich
11424 aanstappen. Hij verschrikte hevig, om reden van de brieven.
11425
11426 Vast besloten allen tegenspoed het hoofd te bieden, bleef hij staan om
11427 Onze-Vaders te mompelen: toen zij hem ingehaald hadden, ging hij mede
11428 met hen, en alzoo vernam hij, dat zij naar 's Hertogenbosch trokken.
11429
11430 Een Waalsch vendel opende den marsch. Aan het hoofd reden kapitein
11431 Lamotte en zijne wacht van zes hellebaardiers; vervolgens, naar
11432 rangorde, de vendrig met eene kleinere wacht, de provoost, zijne
11433 hellebaardiers en zijne twee vangmannen, het hoofd van de wacht,
11434 de trosbewaarder, de beul en zijne knecht; dan volgden pijpen en
11435 tamboerijnen met een oorverdoovend lawijd.
11436
11437 Vervolgens kwam een Vlaamsch vendel van tweehonderd soldaten, met
11438 zijn kapitein, zijn vendrig, en verdeeld in twee afdeelingen van
11439 honderd man, elk aangevoerd door de bent-serjanten, en onderverdeeld
11440 in rotten, geleid door tiendeniers of rotmeesters. De provoost en zijne
11441 stokknechten waren mede voorafgegaan door pijpers en tamboerijnslagers,
11442 die bliezen en roffelden om 't hardst.
11443
11444 Achter hen reden twee wagens, vol schoone, gichelende meidekens,
11445 de lieven der soldaten. Joelend, dartelend en schaterend, etend,
11446 drinkend en dansend, volgden de schoone, dolle meidekens den tros.
11447
11448 Er waren er gekleed als landsknechten, maar in fijn, helderwit
11449 lijnwaad, uitgesneden aan de borst, uitgebekt aan mouwen en beenen,
11450 aan het wambuis, zoodat men heure donzige huid kon zien; op het hoofd
11451 droegen zij fijn lijnwaden kappen, met goud afgelegd, en met schoone
11452 wapperende struisvogelpluimen. Aan heure goudlinnen gordelbanden,
11453 gestikt met rood satijn, hingen de goudlakensche scheeden heurer
11454 dolkmessen. En heure schoenen, kousen en hozen, heure wambuizen en
11455 rijgsnoeren waren van witte zijde en klatermeerse.
11456
11457 Anderen waren insgelijks als landsknechten gekleed, doch in blauwe,
11458 groene, scharlaken, paarse, karmozijnen stoffen, uitgebekt, geborduurd
11459 en met wapenen versierd, naar alle grillen en vindingen. En allen
11460 droegen op den arm een rood schijfje, tot teeken van heur bedrijf.
11461
11462 De hoerwijfel, haar serjant, wilde haar het zwijgen opleggen; maar zij
11463 deden hem lachen door heur grappige woorden en bekoorlijke gebaren,
11464 en naar zijne vermaningen luisterden zij niet.
11465
11466 Uilenspiegel, in zijn pelgrimspij, ging naast de twee vendels,
11467 gelijk een speeljacht, dat vaart naast een oorlogsschip. En hij
11468 knauwde steeds voort Onze-Vaders.
11469
11470 Eensklaps sprak Lamotte tot hem:
11471
11472 --Waar gaat gij aldus, reizende pelgrim?
11473
11474 --Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel die honger had, weleer
11475 bedreef ik een groote zonde, en 't kapittel van Onze-Lieve-Vrouwekerk
11476 veroordeelde mij, te voet naar Rome vergiffenis te gaan vragen aan
11477 den Heiligen Vader, die ze mij verleende. Nu kom ik gereinigd in deze
11478 landen terug, op voorwaarde onderwege de Heilige Mysteriën te prediken
11479 voor alle soldaten, die ik zou ontmoeten en die mij, in ruil mijner
11480 sermoenen, brood en vleesch moeten geven. En aldus preekend, voorzie
11481 ik in mijn armzalig bestaan. Wilt gij mij de toelating schenken,
11482 bij de eerste pleisterplaats mijn gelofte te houden?
11483
11484 --Ja, sprak messire van Lamotte.
11485
11486 Zich broederlijk mengend onder Walen en Vlamingen, vergat Uilenspiegel
11487 niet, van tijd tot tijd te tasten naar de brieven onder zijn wambuis.
11488
11489 De lustige deernen riepen hem toe:
11490
11491 --Pelgrim, schoone pelgrim, kom hier en laat ons hooren den gloed
11492 uwer rede.
11493
11494 Uilenspiegel naderde heur en zeide vol zedigheid:
11495
11496 --Zusteren in Christus, spot niet met een armen pelgrim, die allerwegen
11497 het heilig geloof voor de soldaten moet preeken.
11498
11499 En met de oogen verslond hij de lieve meidekens.
11500
11501 Maar de lustige wijven staken heure blijde gezichten door de gaten
11502 van het zeil van den wagen.
11503
11504 --Ge zijt wel jong, spraken zij, om voor de soldaten te preeken. Kom
11505 in onze wagens, wij zullen een blijdere taal tot u spreken.
11506
11507 Uilenspiegel had geerne gedaan zooals zij zeiden, maar hij dorst niet,
11508 om reden van de brieven; reeds hadden er twee heure ronde blanke armen
11509 uit den wagen gestoken, om hem op te trekken, maar de hoerwijfel,
11510 die jaloersch was, snauwde tot Uilenspiegel:
11511
11512 --Ga weg of ik kap uw hoofd af!
11513
11514 En Uilenspiegel verwijderde zich van den wagen, dorstige blikken
11515 werpend naar de frissche deernen, die de zonne met licht overstroomde.
11516
11517 Men kwam te Berchem; Philip de Lannoy, heere van Beauvoir, aanvoerder
11518 der Vlamingen, beval daar halt te houden.
11519
11520 Daar stond een eik van middelbare grootte, met een enkelen tak
11521 afgebroken in 't midden en waaraan, eene maand geleden, een wederdooper
11522 had gehangen.
11523
11524 De soldaten bleven staan, en de marketensters kwamen bij hen
11525 om hun brood, vleesch, wijn, bier en allerhande toespijzen te
11526 verkoopen. Aan de lustige wijvekens verkochten zij suikergebak,
11527 krakelingen, amandelen, taartjes. Als Uilenspiegel dat zag, kreeg
11528 hij nog grooteren honger.
11529
11530 Vlug als een aap, klom Uilenspiegel op den boom en zette zich op
11531 den dikken tak, zeven voet boven den grond. Daar sloeg hij zich met
11532 eene geeselkoord, terwijl de soldaten en hunne lieven rond den boom
11533 kwamen staan.
11534
11535 --In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, sprak
11536 hij. Amen! Er staat geschreven: Wie aan den arme geeft, leent aan God:
11537 dappere krijgslieden, en gij ook, schoone damen, leent aan God: 't is
11538 te zeggen, geeft mij brood, vleesch, wijn, bier, als gij wilt, en de
11539 taartjes die gij missen kunt, en God, die rijk is, zal U alles dobbel
11540 teruggeven, met dozijnen ortolanen, beken malvezij, bergen kandijsuiker
11541 en rijstpap, die gij in 't hemelrijk zult eten met zilveren lepels.
11542
11543 Vervolgens jammerend:
11544
11545 --Ziet gij niet door welke wreede smerten ik beproef, vergiffenis
11546 mijner zonden te bekomen? Zoudt gij de bijtende pijn dier geeseling
11547 niet lenigen, die tot bloedens toe mijnen rug kwetst?
11548
11549 --Wat is dat voor een zot? vroegen de soldaten.
11550
11551 --Mijne vrienden, antwoordde Uilenspiegel, zot ben ik niet,
11552 doch boetveerdig en stervend van honger; want terwijl mijn geest
11553 zijne zonden beweent, beweent mijn buik het gebrek aan smakelijke
11554 spijzen. Brave soldaten en gij, schoone meidekens, bij u zie ik vette
11555 hesp, gebraden ganzen, worsten, wijn, bier en taartjes, in grooten
11556 getale. Hebt gij niets over voor den armen pelgrim?
11557
11558 --Ja, ja, riepen de Vlaamsche soldaten, zijne tronie bevalt ons.
11559
11560 En allen wierpen stukken eten naar hem. Op zijn tak gezeten, hield
11561 Uilenspiegel niet op met bidden en spreken.
11562
11563 --De honger, sprak hij, maakt den mensch wederspannig tegen het gebed,
11564 doch een stuk hesp neemt die kwade stemming dadelijk weg.
11565
11566 --Pas op uw hoofd! riep een serjant, terwijl hij een half volle flesch
11567 naar hem wierp.
11568
11569 Uilenspiegel greep de flesch en, met kleine slokjes drinkend,
11570 sprak hij:
11571
11572 --Zoo razende honger schadelijk is voor 't lichaam des menschen, is
11573 er nog iets, dat even nadeelig is: te weten de angst van den armen
11574 pelgrim, die van goedhertige soldaten een klein stukje hesp en een
11575 heele bottel bier kreeg. Want gewoonlijk is de pelgrim sober van aard,
11576 en zoo hij dronk met te weinig eten in de maag, ware hij dadelijk zat.
11577
11578 Terwijl hij sprak, ving hij eene ganzebil.
11579
11580 --In de lucht weidevisch vangen, sprak hij, is iets wondersbaars. Maar
11581 de vangst is verdwenen in mijn keelgat. Wat is er gretiger dan droog
11582 zand? Een onvruchtbare vrouw en een hongerige maag.
11583
11584 Plotseling voelde hij de punt eener hellebaard in zijne bil steken. En
11585 eenen vendrig hoorde hij zeggen:
11586
11587 --Versmaden de pelgrims nu hamelbout?
11588
11589 Uilenspiegel zag op de punt van de hellebaard een groot stuk hamelbout
11590 steken.
11591
11592 Hij nam het en sprak:
11593
11594 Bout voor bout, liever heb ik er zoo een tusschen mijn tanden dan
11595 zoo'n ijzeren tegen mijn maag.
11596
11597 --Uit medelijden trek ik dit stuk hamelbout van uw wapen. Van het
11598 mergbeen zal ik eene pijp maken om uwen lof te bezingen, goedhertige
11599 hellebaardier.
11600
11601 ... Nochtans, ging hij voort, terwijl hij het been afknaagde, wat
11602 is een bout, hij moge nog zoo lekker en sappig wezen, zoo den armen
11603 pelgrim geen vriendelijk taartje komt toelachen?
11604
11605 Terwijl hij dus sprak, sloeg hij de hand vóór het gezicht, want twee
11606 taartjes, die uit de vrouwengroep kwamen, vlogen het een op zijn
11607 oog, het andere op zijne kaak. De meidekens schaterden van lachen en
11608 Uilenspiegel sprak:
11609
11610 --Wel bedankt, lieve meidekens, die mij roomkusjes zendt!
11611
11612 Maar de taartjes waren ten gronde gevallen.
11613
11614 Plotseling roffelden de trommels, bliezen de pijpen en zetten de
11615 soldaten zich weder op marsch.
11616
11617 Messire van Beauvoir beval Uilenspiegel van den boom te komen en
11618 nevens de soldaten te stappen. Doch Uilenspiegel had honderd uren
11619 van dáár willen zijn, want uit de woorden van eenige soldaten maakte
11620 hij op, dat hij verdacht voorkwam en dat zij hem wel voor een spion
11621 konden nemen; dan zouden zij hem aftasten, en dit was zeker de galge,
11622 als ze zijne brieven ontdekten.
11623
11624 Hij liet zich dus in eene greppel vallen en riep:
11625
11626 --Medelijden, heeren soldaten, mijn been is gebroken, ik kan niet
11627 meer gaan; laat mij meerijden in den wagen der vrouwen.
11628
11629 Maar hij wist, dat de hoerwijfel het niet zou gedoogen.
11630
11631 Van uit haren wagen riepen de vrouwen:
11632
11633 --Ja, kom, schoone pelgrim, kom bij ons. Wij zullen u minnen, u
11634 streelen, u kussen, en gij zult genezen zijn.
11635
11636 --Ik weet het, sprak hij, vrouwenhanden zijn hemelsche balsem voor
11637 alle wonden.
11638
11639 Maar de jaloersche hoerwijfel sprak tot messire van Lamotte:
11640
11641 --Messire, ik geloof dat die pelgrim den spot bij ons drijft, en
11642 dat zijn been maar alleen gebroken is, om bij de vrouwen mede te
11643 rijden. Beveel, dat men hem op den weg late liggen.
11644
11645 --Zoo zal geschieden, sprak messire van Lamotte.
11646
11647 En men liet Uilenspiegel liggen.
11648
11649 Eenige soldaten, die meenden dat zijn been waarlijk gebroken was,
11650 hadden spijt dat men een christenmensch zoo maar liet liggen, want ze
11651 vonden dat hij een lustige kwant was. Zij gaven hem vleesch en wijn
11652 voor twee dagen. De meidekens hadden hem geerne geholpen, doch wijl zij
11653 niet mochten, smeten zij hem de krakelingen toe, die zij nog hadden.
11654
11655 Als de troep verre was, koos Uilenspiegel het hazenpad. Hij kocht
11656 een peerd en rende vlug als de wind, over wegen en paden, naar
11657 's-Hertogenbosch.
11658
11659 Bij de tijding van de komst der heeren Beauvoir en Lamotte, grepen
11660 die van de stad, ten getale van achthonderd, naar de wapenen; zij
11661 kozen aanvoerders en zonden Uilenspiegel, in kooldrager gekleed,
11662 naar Antwerpen om hulp te vragen aan den machtigen Brederode.
11663
11664 En de soldaten der heeren Lamotte en Beauvoir konden niet binnen in
11665 's-Hertogenbosch, de wakkere stede, die zich dapper verweerde.
11666
11667
11668
11669
11670 XIX.
11671
11672 De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan
11673 Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij
11674 te doen had.
11675
11676 Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed,
11677 zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig,
11678 altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was
11679 verwonderd dat hij, als hij 's nachts bij toeval wakker werd, hoorde
11680 kloppen met een hamer.
11681
11682 En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem
11683 op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand
11684 die bereid is tot sterven of strijden.
11685
11686 Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en
11687 scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en
11688 zijn armen, waren vettig en zwart.
11689
11690 Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en
11691 Praet's neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveerne
11692 de Blauwe Gans was gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns
11693 ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo'n zeer
11694 in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.
11695
11696 En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.
11697
11698 Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon
11699 was beneden, dicht bij den kelder.
11700
11701 Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap
11702 op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon
11703 kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem
11704 in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne
11705 dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde
11706 Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.
11707
11708 Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle
11709 treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór
11710 een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.
11711
11712 Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van
11713 Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.
11714
11715 --Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.
11716
11717 Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:
11718
11719 --Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar
11720 zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.
11721
11722 --Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei
11723 kwaad. Maar wat doet gij daar?
11724
11725 --Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen
11726 te spijzen, 's daags de booze en wreede edicten Zijner Majesteit
11727 drukken moet, 's nachts ben ik de zaaier van 't echte woord Gods en
11728 herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.
11729
11730 --Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.
11731
11732 --Ik heb het geloove, antwoordde Simon.
11733
11734 Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels
11735 kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland,
11736 in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den
11737 dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus
11738 en de gerechtigheid zijn leven offerde.
11739
11740
11741
11742
11743 XX.
11744
11745 Eens vroeg Simon aan Uilenspiegel:
11746
11747 --Hebt gij moed, broeder?
11748
11749 --Ik heb er genoeg, antwoordde Uilenspiegel, om eenen Spanjaard te
11750 geeselen totdat de dood er op volge, om eenen moordenaar te dooden,
11751 eenen beul onschadelijk te maken.
11752
11753 --Zoudt gij, vroeg de drukker, geduld genoeg hebben om in eenen
11754 schoorsteen te blijven, ten einde te luisteren wat in eene kamer
11755 gezegd wordt?
11756
11757 Uilenspiegel antwoordde:
11758
11759 --Wijl ik door de gratie Gods stevige lenden en fiksche beenen bezit,
11760 kan ik, als de katten, blijven staan waar ik ben.
11761
11762 --Hebt gij geduld en een goed geheugen? vroeg Simon.
11763
11764 --De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
11765
11766 --Nu, luister, sprak de drukker, neem deze aldus gevouwen speelkaart
11767 en ga naar Dendermonde; daar zult gij tweemaal hard en eenmaal
11768 zachtjes kloppen aan de deur van het huis, waarvan de gevel hierop is
11769 geteekend. Iemand zal opendoen en u vragen of gij de schouwveger zijt;
11770 gij zult antwoorden dat gij mager zijt en de kaart niet verloren
11771 hebt. En gij zult ze hem toonen. Dan, Thijl, moet gij doen wat er
11772 hoeft. Groote rampen zweven over Vlaanderenland. Men zal u eene schouw
11773 toonen, gereedgemaakt en geveegd; daar zullen krammen voor uwe voeten
11774 zijn en, om te zitten, een berd, dat stevig vastgemaakt is. Als hij,
11775 die u binnen liet, u zegt in de schouw te kruipen, zult gij het
11776 doen, en gij zult daar stil wachten. Adellijke heeren zullen daar
11777 bijeenkomen, in de kamer vóór de schouw, waarin gij zijn zult. Het
11778 zijn Willem de Zwijger, de prins van Oranje, de graven van Egmond,
11779 van Hoorne, van Hoogstraten en Lodewijk van Nassau, de dappere broeder
11780 des Zwijgers. Wij, hervormden, willen weten wat die heeren willen en
11781 kunnen voor de redding onzer landen.
11782
11783 Nu, den eersten April, deed Uilenspiegel zooals hem gezegd was. Hij
11784 was tevreden, dat er geen vuur in den heerd brandde en zei tot zich
11785 zelven: hoe minder rook hoe scherper het gehoor.
11786
11787 Weldra werd de deur van de kamer geopend, en een tocht trok door
11788 de schouw. Geduldig verdroeg hij den wind, zeggende: hij zal mijn
11789 aandacht aanwakkeren.
11790
11791 Vervolgens hoorde hij de heeren van Oranje, van Egmond en de
11792 anderen de kamer binnentreden. Zij spraken over hunne vreeze,
11793 over de gramschap des konings en over het slecht beheer van 's
11794 lands zaken en penningen. Een hunner sprak op bitsen, hoogmoedigen,
11795 helderen toon. Het was Egmond. Uilenspiegel herkende hem, lijk hij ook
11796 Hoogstraten herkende aan zijn heesche stem. Hoorne aan zijn harde stem;
11797 graaf Lodewijk van Nassau aan zijn mannelijke, krijgshaftige taal, en
11798 den Zwijger aan de langzame wijze waarop hij zijne woorden uitsprak,
11799 alsof hij elk hunner vooraf wilde wegen.
11800
11801 Graaf van Egmond vroeg waarom men hen een tweede reize bijeenriep,
11802 terwijl zij te Hellegat hadden kunnen beslissen wat er te doen stond.
11803
11804 Hoorne antwoordde:
11805
11806 --De uren loopen snel voorbij, de koning is vertoornd; wij mogen
11807 niet talmen.
11808
11809 Toen sprak de Zwijger:
11810
11811 --De landen verkeeren in gevaar; wij moeten ze verdedigen tegen de
11812 aanvallen van de uitheemsche soldaten.
11813
11814 Egmond antwoordde driftig, dat hij het zonderling vond, dat de koning
11815 een leger meende te moeten zenden, daar alles in vrede was door de
11816 zorgen der heeren en voornamelijk door de zijne.
11817
11818 Maar de Zwijger sprak:
11819
11820 --Philippus heeft in de Nederlanden veertien benden, die zijne bevelen
11821 moeten uitvoeren, waarvan al de soldaten dengene verkleefd zijn,
11822 die hen aanvoerde te Gravelingen en te Saint-Quentin.
11823
11824 --Ik begrijp niet, sprak Egmond.
11825
11826 De prins hervatte:
11827
11828 --Ik wil er niets bijvoegen, maar aan u en de andere vergaderde heeren
11829 zal lezing gegeven worden van zekere brieven, met die van den armen
11830 gevangene Montigny te beginnen.
11831
11832 In zijne brieven, schreef messire van Montigny:
11833
11834 "De koning is uitermate vergramd over hetgeen in de Nederlanden gebeurd
11835 is, en op tijd en stond zal hij de daders der woelingen straffen".
11836
11837 Daarop zei Egmond, dat het koud was en dat men diende een houtvuur
11838 aan te steken. Zoo werd gedaan, terwijl de beide heeren spraken over
11839 de brieven.
11840
11841 Het vuur trok niet, om reden van den al te grooten takkebos in de
11842 schouw, en de kamer was vol rook.
11843
11844 Hoestend las toen de graaf van Hoogstraten de onderschepte brieven,
11845 door den Spaanschen gezant te Parijs, don Francès d'Alava, aan de
11846 landvoogdes geschreven.
11847
11848 --De gezant, sprak hij, schrijft dat al het kwaad, dat den Nederlanden
11849 overkomt, te wijten is aan de heeren van Oranje, van Egmond en van
11850 Hoorne. Gij moet, schreef hij, u van de vriendelijkste zijde aan hen
11851 toonen en hun zeggen dat de koning erkentelijk is voor hunne trouw. Wat
11852 betreft Montigny en Bergen: Zij blijven waar zij behooren te zijn.
11853
11854 --Ha! dacht Uilenspiegel, ik zit nog liever in een rookende schouw
11855 in Vlaanderenland, dan in een goed verlucht gevang in Spanje; want
11856 daar verrijzen schavotten tusschen de vochtige muren.
11857
11858 De gezant van Spanje voegde er bij dat de koning in Madrid gezegd had:
11859
11860 --Door al hetgeen in de Nederlanden voorgevallen is, is ons koninklijk
11861 gezag verminderd, de dienst van God verlaagd, en wij zullen liever
11862 het bezit van al onze andere landen in de weegschaal leggen, dan
11863 dit oproer ongestraft te laten. Wij zijn besloten in eigen persoon
11864 naar de Nederlanden te gaan en de hulp des pausen en des keizers te
11865 vorderen. Het kwaad van heden moet het goede van morgen baren. Wij
11866 zullen de Nederlanden onder onze algeheele gehoorzaamheid brengen en,
11867 naar ons believen, staat, godsdienst en regeering wijzigen.
11868
11869 --Ha! koning Philippus, dacht Uilenspiegel, kon ik u naar mijn believen
11870 wijzigen, zeker zoudt gij, onder mijn Vlaamschen stok, een merkelijke
11871 wijziging ondergaan aan uwe dijen, armen en beenen; ik zou uwen kop
11872 met twee nagelen in het midden van uwen rug vastmaken, opdat gij
11873 aldus de kerkhoven kondt zien, die gij achter u laat, en naar eigen
11874 believen uw liedeken van gewelddadige wijziging zoudt kunnen zingen.
11875
11876 Er werd wijn opgediend. Hoogstraten stond recht en sprak:--Ik drink
11877 op onze landen! Allen deden als hij; toen voegde hij er bij, terwijl
11878 hij zijn ledigen beker nederzette:--De rampspoed is gekomen voor den
11879 Belgischen adel. Wij moeten middelen beramen tot onze verdediging.
11880
11881 Hij wachtte een antwoord en zag naar Egmond, die zweeg.
11882
11883 Maar de Zwijger zei:
11884
11885 --Wij zullen weerstaan, als Egmond, die Frankrijk tweemaal beven deed
11886 te Saint-Quentin en te Gravelingen, die alle gezag over de Vlaamsche
11887 soldaten bezit, ons helpen wil om den Spanjaard te beletten in onze
11888 landen te komen.
11889
11890 Messire van Egmond antwoordde:
11891
11892 --Ik heb een al te eerbiedigen dunk van den koning om te meenen dat
11893 wij ons, als rebellen, tegen hem moeten wapenen. Dat zij, die zijnen
11894 toorn duchten, deze landen verlaten. Ik zal blijven, zonder zijne
11895 hulp kan ik niet leven.
11896
11897 --Philippus zal zich wreedelijk wreken, sprak de Zwijger.
11898
11899 --Ik heb vertrouwen, antwoordde Egmond.
11900
11901 --Ook voor uw hoofd? vroeg Lodewijk van Nassau.
11902
11903 --Mijn hoofd, mijn lijf, mijne toewijding, sprak Egmond, alles is zijn.
11904
11905 --Ik, een getrouw onderdaan, doe als gij, sprak Hoorne.
11906
11907 De Zwijger sprak:
11908
11909 --Men moet voorzien en niet wachten.
11910
11911 Toen antwoordde messire van Egmond met drift:
11912
11913 --Te Geeraardsbergen deed ik twee en twintig hervormden hangen. Als
11914 de preeken ophouden, als de beeldenstormers gestraft worden, zal de
11915 woede des konings zich stillen.
11916
11917 De Zwijger antwoordde:
11918
11919 --IJdele hoop.
11920
11921 --Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Egmond.
11922
11923 --Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Hoorne.
11924
11925 --'t Is met ijzer, en geenszins met vertrouwen, dat wij ons moeten
11926 wapenen, hervatte Hoogstraten.
11927
11928 Daarop deed de Zwijger teeken, dat hij wilde vertrekken.
11929
11930 --Vaarwel, prins zonder land, zegde Egmond.
11931
11932 --Vaarwel, graaf zonder hoofd, antwoordde de Zwijger.
11933
11934 Toen zegde Lodewijk van Nassau:
11935
11936 --De slachter is voor het schaap, en de roem voor den moedigen
11937 strijder, die den grond der vaderen redt.
11938
11939 --Ik mag, noch ik wil, sprak Egmond.
11940
11941 --Het bloed van de slachtoffers valle op het hoofd van den hoveling,
11942 sprak Uilenspiegel.
11943
11944 De heeren verlieten de kamer.
11945
11946 Toen kwam Uilenspiegel uit zijne schuilplaats; hij ging rechtstreeks
11947 bij Praet en vertelde hem wat hij gehoord had.
11948
11949 --Egmond is verrader; God is met den prins, zegde Praet.
11950
11951 De hertog! de hertog te Brussel! Waar zijn de geldkisten, die
11952 vleugelen hebben?
11953
11954
11955
11956
11957
11958
11959
11960 DERDE BOEK.
11961
11962
11963 I.
11964
11965 De Zwijger gaat henen, God leide hem!
11966
11967 De twee graven zijn reeds gevangen; Alva belooft aan den Zwijger
11968 goedertierenheid en vergiffenis, zoo hij vóór hem wil verschijnen.
11969
11970 Op die tijding sprak Uilenspiegel tot Lamme:
11971
11972 --Op aanzoek van Dubois, procureur-generaal, heeft de hertog gedagvaard
11973 binnen driemaal veertien dagen vóór hem te verschijnen: den prins
11974 van Oranje, Lodewijk zijn broeder, Hoogstraten, van den Berg,
11975 Kuilenburg, Brederode en andere vrienden des prinsen, onder belofte
11976 van goede justitie en goedertierenheid. Luister, Lamme: Eens daagde
11977 een Amsterdamsche jood een zijner vijanden uit, op straat te komen;
11978 de uitdager stond op den openbaren weg en de andere was boven aan
11979 een venster.
11980
11981 --Kom beneden, riep de uitdager zijn vijand toe, en ik geef u zulken
11982 slag op uwen kop, dat hij in uwe borstkas zal zinken en gij door uwe
11983 ribben zult kijken, lijk een dief door de traliën van zijnen kerker.
11984
11985 De andere antwoordde:--"Al beloofdet gij mij honderdmaal meer, nog
11986 kwam ik niet beneden". Zoo kunnen Oranje en de anderen antwoorden. En
11987 zoo deden zij ook, en zij weigerden vóór Alva te verschijnen. Egmond
11988 en Hoorne deden niet als zij. En zwakheid bij het vervullen van den
11989 plicht roept het uur van God.
11990
11991
11992
11993
11994 II.
11995
11996 Te dien tijde werden te Brussel, op de Peerdenmarkt de heeren onthalsd,
11997 die zich door verrassing hadden willen meester maken van Amsterdam.
11998
11999 En toen zij, geachttienen, naar de strafplaats gingen en psalmen
12000 zongen, roffelden tamboerijnen den heelen weg langs.
12001
12002 En de Spaansche soldaten, die hen begeleidden met brandende toortsen,
12003 brachten hun overal brandwonden toe. En als zij zich verroerden,
12004 ter oorzake van de pijne, riepen de soldaten:--Hoe, Lutheranen,
12005 doet het u dan zeer, zoo vroegtijdig te worden verbrand?
12006
12007 En hij, die hen verraden had, hiet Diederik Slosse. Hij had hen naar
12008 het nog katholieke Enkhuizen gelokt, om ze den beulsknechten van den
12009 hertog over te leveren.
12010
12011 En zij stierven als helden.
12012
12013 En de koning erfde.
12014
12015
12016
12017
12018 III.
12019
12020 --Hebt gij hem zien voorbijgaan? vroeg Uilenspiegel, in houtkapper
12021 gekleed, tot Lamme, die op dezelfde wijze uitgedost was. Hebt gij
12022 den leelijken hertog gezien, met zijn plat voorhoofd als dat van een
12023 arend, en zijn langen baard, die gelijkt op een eind galgekoord? God
12024 verworge er hem mede! Hebt gij die spinnekop met haar lange harige
12025 pooten gezien, die Satan over onze landen braakte? Kom, Lamme, kom;
12026 laat ons steenen smijten in haar net.
12027
12028 --Laas! sprak Lamme, om levend verbrand te worden!
12029
12030 --Kom naar Groenendaal, mijn beste vriend, kom naar Groenendaal; daar
12031 is een schoon klooster, waar de Hertogelijke Spin den God van vrede
12032 bidt, dat Hij heur werk zou laten volvoeren, dat Hij haar als eene raaf
12033 in rot vleesch late wroeten. Wij zijn in de vasten, maar de hertog
12034 wil zich niet onthouden van bloed. Kom, Lamme, er zijn vijfhonderd
12035 gewapende mannen rond het huis van Ohain; driehonderd man te voet
12036 zijn bij kleine groepen vertrokken en dringen in het Zoniënbosch.
12037
12038 Straks, als Alva aan 't bidden is, grijpen wij hem vast, wij steken
12039 hem in een ijzeren kooi en zenden 't ondier aan den prins.
12040
12041 Doch rillend van angst, antwoordde Lamme:
12042
12043 --Groot gevaar, mijn zoon, groot gevaar! Ik zou u helpen in die
12044 onderneming, als mijne beenen zoo zwak niet waren, en mijn buik niet
12045 zoo opgezwollen van het zuur bier, dat zij drinken in Brussel.
12046
12047 Dit gesprek werd gehouden in een hol, gegraven in een dicht bewassen
12048 plaats van het bosch. Door de bladeren turend, zag Uilenspiegel
12049 eensklaps de gele en roode kleederen van de soldeniers des hertogen,
12050 wier wapenen flikkerden in de zonne en die te voet door het bosch
12051 kwamen.
12052
12053 --Wij zijn verraden, sprak Uilenspiegel.
12054
12055 Als de soldaten uit het gezicht waren, liep hij ijlings naar Ohain. De
12056 soldaten lieten hem ongemerkt door, ter oorzake van zijne kleeding
12057 van houtkapper en den last hout, dien hij op den rug droeg. Daar
12058 wachtten de ruiters; hij verspreidde het nieuws; allen gingen uiteen en
12059 ontsnapten, behalve de heer Bausart d'Armentières, die gevat werd. De
12060 heer Bausart moest het voor de anderen wreedelijk bekoopen.
12061
12062 En 't was een lafhertige verrader uit het regiment van den heer van
12063 Likes, die hen allen had aangeklaagd.
12064
12065 Met een hert, dat klopte van angst, ging Uilenspiegel te Brussel naar
12066 de Peerdenmarkt, den ijselijken folterdood bijwonen.
12067
12068 En de arme Armentières, op het rad gelegd, kreeg zeven en dertig
12069 slagen met een ijzeren staaf op de beenen, de armen, de handen en
12070 voeten, die achter elkander aan stukken werden geslagen, want de
12071 beulen vermaakten zich met hem wreed te doen lijden.
12072
12073 En op de borst kreeg hij den zeven en dertigsten klop, van denwelken
12074 hij stierf.
12075
12076
12077
12078
12079 IV.
12080
12081 Op een zoelen en helderen dag van de Zomermaand werd te Brussel, op
12082 de Groote Markt, vóór het Broodhuis, een schavot opgericht, dat met
12083 zwart laken behangen was en nevens hetwelk twee hooge palen stonden,
12084 met ijzeren pinnen. Op het schavot waren twee zwarte kussens en een
12085 kleine tafel, met een zilveren kruisbeeld.
12086
12087 En op dat schavot werden, met het zweerd, de edele heeren van Egmond
12088 en van Hoorne onthalsd.
12089
12090 En de koning erfde.
12091
12092 En de gezant van koning Frans I, over Egmond sprekend, zeide:
12093
12094 --Ik heb daar het hoofd zien vallen van hem, die Frankrijk tweemaal
12095 deed beven.
12096
12097 En de hoofden der graven werden op de ijzeren pinnen gestoken.
12098
12099 En Uilenspiegel sprak tot Lamme:
12100
12101 --De lijken en het bloed zijn met zwart laken bedekt. Gezegend zij,
12102 die in de zwarte dagen, welke op handen zijn, het hert hoog en het
12103 zweerd recht zullen houden.
12104
12105
12106
12107
12108 V.
12109
12110 In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de
12111 Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.
12112
12113 En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van
12114 Marenhout:
12115
12116 --Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk
12117 inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis,
12118 zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te
12119 hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij
12120 allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering
12121 van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke
12122 gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de
12123 koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee,
12124 het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen,
12125 van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier,
12126 het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van
12127 driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden,
12128 in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en
12129 velden. En de koning erft.
12130
12131 Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,--Alva
12132 heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden,
12133 gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al
12134 de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men
12135 hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang
12136 maaien. De koning erft.
12137
12138 De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van
12139 geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden
12140 verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen
12141 en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht
12142 van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand;
12143 de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.
12144
12145 Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen,
12146 die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende
12147 kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de
12148 kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen,
12149 te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de
12150 gloeiende stroohutten, waarin de veroordeelden sterven door rook en
12151 door vuur. De koning erft.
12152
12153 Aldus wilde de Paus van Rome.
12154
12155 De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis
12156 der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.
12157
12158 Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen
12159 als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die
12160 zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt,
12161 opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. 's Nachts en ook 's daags
12162 werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters;
12163 zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd
12164 onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of
12165 reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet
12166 waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich
12167 zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot
12168 den heiligen oorlog. Vive le geus!
12169
12170 Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten
12171 vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen
12172 vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. 't
12173 Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij
12174 zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij
12175 willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade,
12176 zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden,
12177 kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens
12178 zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!
12179
12180 En Uilenspiegel zong:
12181
12182
12183 Slaat op den trommel van dirre dom deijne,
12184 Slaat op den trommel van dirre dom dom.
12185 Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
12186
12187 Rukt den hertog Zijn ingewand uit!
12188 Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!
12189 Slaat op den trommel, de holle trom,
12190 Vloek zij den hertog, dood den beul!
12191
12192 Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!
12193 Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,
12194 Bij de tong, die het vonnis velt,
12195 Bij den arm, die 't onderschrijft.
12196 Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12197
12198 Levend bij lijken van slachtoffers!
12199 Delft den hertog in een kuil,
12200 Dat hij, in goren stank,
12201 Sterve om de pest der dooden!
12202 Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12203
12204 Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,
12205 Dapper vóór 't vuur, vóór strik en zweerd,
12206 Al om Uw woord.
12207 Redden willen wij 't vaderland.
12208 Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12209
12210
12211 En allen dronken en riepen:
12212
12213 --Leve de Geus!
12214
12215 En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met
12216 fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.
12217
12218 --Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en
12219 tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.
12220
12221 --Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:
12222
12223
12224 Slaat op den trommel van dirre dom deijne,
12225 Slaat op den trommel van dire dom dom.
12226 Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
12227
12228
12229
12230
12231 VI.
12232
12233 Terwijl Uilenspiegel te Ieperen was en soldaten voor het leger
12234 van den Zwijger aanwierf, werd hij gezocht door de serjanten des
12235 hertogen. Dienvolgens bood hij zich aan als koster bij den proost van
12236 St.-Maartens-kerk. Voor gezel had hij een klokluider, Pompilius Numan,
12237 een lafaard die zijn gelijke niet had, en 's nachts zijn schaduw voor
12238 den duivel en zijn hemd voor een spook nam.
12239
12240 De proost was vet als een sleksken, of liever, als een kalkoen,
12241 vetgemest en pas voor het braadspit. Weldra werd Uilenspiegel gewaar,
12242 hoe hij het aan boord legde om zoo vollijvig te wezen. Naarvolgens
12243 hij hoorde zeggen door den klokluider en met eigen oogen zag, was de
12244 proost gewoon te negen uren het noenmaal en te vier uren het avondmaal
12245 te nemen. Hij bleef slapen tot halfnegen; vervolgens, alvorens te eten,
12246 deed hij een ronde in zijne kerk, om te zien of de offerblokken voor
12247 den arme goed gevuld waren.
12248
12249 En hij stak de helft der ontvangst in zijn tassche. Te negen uren
12250 nuttigde hij een kom melk, een halven bout, een reigerspasteitje,
12251 besproeid met vijf bekers Brusselschen wijn. Te tien uren nam hij
12252 eenige pruimen met daarbij wat Orlans-wijn, en bad hij God dat Hij
12253 hem steeds voor gulzigheid zou behoeden. 's Middags knabbelde hij
12254 als tijdverdrijf eenen vleugel en de stuit van een kieken. Een uur
12255 daarna dronk hij, in afwachting van 't avondmaal, een grooten beker
12256 Spaanschen wijn; vervolgens legde hij zich te bed, om zich door een
12257 middagslaapje te verkwikken.
12258
12259 Wakker geworden, at hij een stuksken zalm en dronk hij een
12260 grooten beker Antwerpschen dobbelen knol, om zijn eetlust te
12261 scherpen. Vervolgens ging hij naar de keuken, en daar zette hij zich
12262 neer voor het schoon houtvuur, dat in den heerd flikkerde. Hij zag
12263 het groot stuk kalfsvleesch of het speenverkentje voor de monniken
12264 der abdij braden en bruineeren. Hij had er in gebeten, zoo lekker
12265 scheen het. Maar de eetlust ontbrak hem een weinig. En hij bewonderde
12266 het braadspit, dat van zelf ronddraaide. Het was werk van Pieter van
12267 Steenkiste, den smid, wonende in de kasselrij Kortrijk. De proost
12268 had elk dier braadspitten met vijftien pond parisis betaald.
12269
12270 Vervolgens keerde hij terug naar zijn bed, alwaar hij insluimerde, uit
12271 vermoeienis. Daarna werd hij weder wakker om een weinig verkensgelei
12272 te nemen met een slokje Romagne-wijn van tweehonderd veertig gulden
12273 het stuk. Te drie uren peuzelde hij een vogelken met Madeirasuiker,
12274 besproeid met twee glaasjes Malvezij van zeventien gulden het
12275 pijpje. Te half vier at hij een halven pot confituur, begoten met
12276 mede. Goed wakker, nam hij toen een zijner voeten in de handen en
12277 bleef hij in diepe overweging zitten rusten.
12278
12279 Als de tijd van 't avondmaal dáár was, kwam de pastoor van Sint Jans
12280 hem dikwijls bezoeken op dit genoeglijk uur. Soms wedden zij om 't
12281 meeste visch, gevogelte, wild of vleesch te eten. En die 't eerste
12282 vol was, moest karbonaden betalen, die volgens den toen heerschenden
12283 smaak moesten bereid zijn met drie soorten warmen wijn, vier soorten
12284 specerijen en zeven soorten groenten.
12285
12286 Terwijl zij dus dronken en aten, spraken zij samen over de ketteren,
12287 die men, naar hun eenstemmig gevoelen, niet genoeg uitroeien kon. Ook
12288 was er onder hen nooit eenig krakeel, behalve als zij spraken over
12289 de negen en dertig verschillende wijzen om goede bierpap te maken.
12290
12291 Vervolgens neigden hunne eerbiedige hoofden over hunne heilige buiken,
12292 en zij deden een dutje. Soms half wakker schietend, zeide een hunner
12293 dat het leven toch schoon is en dat de arme sukkelaars, die klagen,
12294 ongelijk hebben.
12295
12296 Bij dien heiligen man werd Uilenspiegel koster. Hij diende zeer goed
12297 de misse, en vulde wel driemaal de wijnkannetjes, tweemaal voor zich
12298 zelven en eenmaal voor den proost. De klokluider Pompilius Numan stak
12299 hem hierbij een handeken toe.
12300
12301 Als Uilenspiegel den klokluider zoo gezond, zoo dik en zoo vet zag,
12302 vroeg hij hem of het in den dienst van den proost was, dat hij al
12303 die gezondheid opgedaan had.
12304
12305 --Ja, mijn zoon, antwoordde Pompilius; maar doe goed de deur toe,
12306 want men zou kunnen luisteren.
12307
12308 Toen zegde hij hem stille in 't oor:
12309
12310 --Gij weet dat onze meester, de proost, van alle wijnen en bieren,
12311 alle vleezen en pluimdieren houdt als de kat van de melk. Zijne
12312 eetwaren sluit hij op in eene schapraai en zijne dranken in eenen
12313 kelder, waarvan de sleutels gedurig in zijne tassche steken. En hij
12314 slaapt er mee.... 's Nachts, als hij slaapt, ga ik de sleutels van
12315 op zijnen buik nemen, en ik leg ze dan weder, doch niet zonder beven;
12316 want als hij het wist, zou hij mij zeker in de olie doen koken.
12317
12318 --Pompilius, sprak Uilenspiegel, al die moeite en schrik zijn onnoodig:
12319 neem de sleutels nog eenmaal; ik zal er van maken hetzelfde model en
12320 de andere zullen wij gerust laten liggen op den buik van den goeden
12321 proost, onzen heer.
12322
12323 --Dat is een goed gedacht, zeide Pompilius.
12324
12325 Uilenspiegel maakte de sleutels; zoodra hij en Pompilius, rond
12326 acht uren des avonds, oordeelden dat de goede proost vast in slaap
12327 was, gingen zij beneden en namen zij hunne gading uit vleezen en
12328 flesschen. Uilenspiegel droeg de flesschen en Pompilius de spijzen,
12329 omdat Pompilius altoos beefde als een riet en dat hespen en bouten
12330 toch niet breken als zij vallen. Verscheidene reizen stalen zij
12331 gevogelte, als het nog rauw was, welke feiten ten laste gelegd werden
12332 van meerdere katten uit de gebuurte, dewelke deze dieften met den
12333 dood moesten bekoopen.
12334
12335 Toen trokken de beide gezellen naar de Ketelstraat, waar de meidekens
12336 van pleizier wonen. Daar kniesden zij niet, doch gaven hunnen lievekens
12337 edelmoedig gerookt ossevleesch en hesp, worst en gevogelte; zij lieten
12338 heur zelfs Orlans- en Romagne-wijn drinken, alsmede Engelsche ale
12339 en smakelijk Oosterbier, dat zij goten in de frissche keel hunner
12340 schoenen. En zij werden ruimschoots met kussen betaald.
12341
12342 Doch op een morgen, na het eten, deed de proost zijne beide dienaars
12343 ontbieden. Hij zag er ontzagwekkend uit en zoog, met een boos gezicht,
12344 aan een mergbeentje uit zijne soep.
12345
12346 Pompilius stond te beven in zijne schoenen, en zijn buik trilde van
12347 schrik. Uilenspiegel hield zich stil en tastte, inwendig lachend,
12348 in zijnen zak naar de sleutels.
12349
12350 De proost sprak tot hem:
12351
12352 --Men eet mijn vleesch op en drinkt mijnen wijn uit: zijt gij het,
12353 mijn zoon?
12354
12355 --Neen, antwoordde Uilenspiegel.
12356
12357 --En die man, daar, de klokluider, sprak de proost, naar Pompilius
12358 wijzend, heeft hij dan de hand aan die misdaad geleend, dat hij zoo
12359 wit als een doek ziet? Zeker heeft de gestolen wijn hem vergiftigd.
12360
12361 --Laas! messire, sprak Uilenspiegel, gij beschuldigt uwen klokluider
12362 ten onrechte, want zoo hij zoo wit ziet, is het niet omdat hij
12363 uwen wijn heeft gedronken, doch wèl omdat hij er te weinig drinkt;
12364 dáárvan is hij zoo slap, dat zijne ziel weldra bij stroomen zijne
12365 hooze zal uitloopen.
12366
12367 --Er zijn arme lieden op deze wereld, zuchtte de proost, terwijl hij
12368 een grooten slok wijn uit zijn beker dronk. Maar zeg mij, mijn zoon,
12369 gij die arendsoogen hebt, hebt gij de dieven niet gezien?
12370
12371 --Ik zal goed opletten, heer proost, sprak Uilenspiegel.
12372
12373 --God bescherme u beiden, mijne kinderen, sprak de proost, en leeft
12374 op sobere wijze. Want uit de onmatigheid komen hier in dit tranendal
12375 al onze kwalen voort. Gaat in vrede.
12376
12377 En hij gaf hun zijn zegen.
12378
12379 En hij zoog nogmaals aan zijn mergbeen, en hij dronk nog een grooten
12380 slok wijn.
12381
12382 Uilenspiegel en Pompilius gingen henen.
12383
12384 --De leelijke vrek, sprak Uilenspiegel, hij had u nog geen slokje
12385 van zijn wijn laten drinken. Als wij nog stelen, zal 't wèl besteed
12386 zijn. Maar wat hebt gij toch, dat gij zoo beeft?
12387
12388 --Heel mijne hooze is nat, zei Pompilius.
12389
12390 --Dat is gauw droog, kameraad, sprak Uilenspiegel. Maar wees verheugd:
12391 dezen avond zal er flesschenmuziek zijn, bij onze lievekens in de
12392 Ketelstraat. En de drie nachtwachten zullen wij dronken maken, en
12393 snorkend zullen zij de stede bewaken.
12394
12395 Zoo gezegd, zoo gedaan.
12396
12397 Doch, 't was dicht tegen Sint-Maartensdag: de kerk was versierd voor
12398 den heiligdag. Uilenspiegel en Pompilius gingen 's nachts de kerk
12399 binnen en sloten goed de deur. Vervolgens staken zij al de waskeersen
12400 aan; zij namen eene viool en eene doedelzak, en begonnen daarop om
12401 het best te spelen. En de keersen vlamden als zonnen. Maar het was
12402 nog niet alles. Als hun werk verricht was, gingen zij bij den proost,
12403 dien zij, hoewel het al laat was, nog op vonden. Hij knabbelde een
12404 lijster en dronk een glas Rijnwijn. De ruiten der kerk verlicht ziende,
12405 trok hij de oogen wijd open.
12406
12407 --Heer proost, zei Uilenspiegel, wilt gij weten wie uw vleesch opeet
12408 en uwen wijn uitdrinkt?
12409
12410 --En die verlichting? sprak de proost, naar de vensters der kerk
12411 wijzend. Ha! Heere God, laat gij den heiligen Martinus nu toe,
12412 's nachts zonder betalen, de keersen der arme monniken te branden?
12413
12414 --Hij doet nog andere dingen, heer proost, sprak Uilenspiegel. Kom
12415 maar zien.
12416
12417 De proost nam zijnen staf en ging mede. Zij traden de kerk binnen.
12418
12419 Daar zag hij, in 't midden van den grooten beuk, al de heiligen uit
12420 hunne nissen gedaald, in een rondeken staan. De heilige Martinus,
12421 wel een kop grooter dan de anderen, scheen de meester te zijn. En
12422 op den wijsvinger der rechterhand, die zegenend uitgestrekt was,
12423 stak een gebraden kalkoen. De anderen hadden in de hand of in den
12424 mond stukken kieken of gans, worst, hesp, versche visch en gekookte
12425 visch en, onder andere, eenen snoek wel veertien pond zwaar. En elke
12426 sant had eene flesch wijn voor zijne voeten staan.
12427
12428 Als de proost dat zag, kon hij zich van woede niet inhouden; hij zag
12429 rood als een haan, en zijn gelaat was zóó opgezwollen, dat Pompilius
12430 en Uilenspiegel meenden dat hij ging bersten; maar, zonder op hen te
12431 letten, ging hij met gebalde vuist recht op den heiligen Martinus
12432 af, alsof hij hem aanzag voor den dief. Hij rukte hem den kalkoen
12433 van zijnen vinger en sloeg op Martinus als de duivel op Geeraard,
12434 zoodat de arm, de neus, de staf en de mijter aan stukken vlogen.
12435
12436 De anderen kregen mede hun deel en meer dan één liet er bij armen,
12437 handen, mijter, staf, zeis, bijl, rooster, zaag en andere kenteekenen
12438 van weerdigheid of martelaarschap. Vervolgens liep de proost, woedend
12439 en haastig, al de waskeersen uitblazen.
12440
12441 En al wat hij vond aan hesp, worst en gevogelte nam hij mede,
12442 en gebogen onder den last, ging hij zoo treurig en ellendig zijne
12443 slaapkamer binnen, dat hij drie bottels wijn dronk.
12444
12445 Toen Uilenspiegel zeker was dat hij sliep, peuzelden de beide vrienden
12446 de beste brokken op, en legden zij de beentjes vóór de voeten der
12447 heiligen. Vervolgens gingen zij naar de Ketelstraat met al wat de
12448 proost meende gered te hebben en ook met hetgeen nog lag in de kerk.
12449
12450 Den volgenden morgen ging Pompilius de metten luiden, terwijl
12451 Uilenspiegel naar boven trok om zijnen meester te wekken.
12452
12453 Deze vroeg wat hij wilde, en Uilenspiegel verzocht hem, beneden
12454 te komen.
12455
12456 Als de proost in de kerk was, toonde Uilenspiegel het overschot van
12457 de heiligen en van het gevogelte.
12458
12459 --Messire proost, sprak hij, zij hebben het toch opgegeten.
12460
12461 --Ja, antwoordde de proost, zij zijn als dieven in mijne slaapkamer
12462 gedrongen, om te stelen hetgeen ik gered had. Ha! heeren santen,
12463 ik zal mijn beklag aan den Paus doen.
12464
12465 --Ja, sprak Uilenspiegel met een bedenkelijk gezicht, maar de ommegang
12466 gaat overmorgen uit: straks komen de werklieden in de kerk. Vreest
12467 gij niet, verraden te worden als beeldenstormer, als zij al die santen
12468 in stukken en brokken zien liggen?
12469
12470 --Ha! heilige Sint Maarten, sprak de proost, spaar mij van het vuur,
12471 ik wist niet wat ik deed.
12472
12473 Zich naar Uilenspiegel wendend, terwijl de bange Pompilius zich aan
12474 het klokzeel liet hangen, sprak hij:
12475
12476 --Nooit zal men tegen Zondag den heiligen-Martinus kunnen
12477 herstellen. Wat zullen de menschen zeggen en wat staat mij te doen?
12478
12479 --Heere, antwoordde Uilenspiegel, nood breekt wet: wij moeten tot
12480 een onschuldig bedrog onze toevlucht nemen. Wij zullen eenen baard
12481 plakken op 't gezicht van Pompilius, die er eerbiedweerdig uitziet,
12482 daar hij altijd weemoedig is. Wij zullen hem den mijter opzetten, hem
12483 het koorhemd, den pelsmantel en het groote opperste kleed des santen
12484 aandoen; wij zullen hem aanbevelen stil op zijn voetstuk te blijven,
12485 en de geloovigen zullen hem voor den houten Sint-Maarten nemen.
12486
12487 De proost ging tot Pompilius, die meer dood dan levend aan het
12488 klokzeel bengelde.
12489
12490 --Houd op met luiden, sprak hij, en luister. Wilt gij vijftien
12491 dukaten verdienen? Zondag zult gij Sint-Maarten in de processie
12492 verbeelden. Uilenspiegel zal u kleeden en als gij, door de vier
12493 mannen gedragen, een gebaar durft maken of uw mond open doen, laat
12494 ik u levend in de olie koken in den grooten ketel, dien de hangman
12495 rechtover de Hallen gebouwd heeft.
12496
12497 --Heer, ik zeg u duizendmaal dank, sprak Pompilius, maar gij weet
12498 dat ik zeer moeielijk mijn water kan ophouden.
12499
12500 --Gij moet gehoorzamen, hernam de proost.
12501
12502 --Ik zal gehoorzamen, eerweerdige heer, sprak Pompilius met den dood
12503 op het lijf.
12504
12505
12506
12507
12508 VII.
12509
12510 De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had
12511 de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op
12512 hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam
12513 het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in
12514 't wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het
12515 dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius,
12516 die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.
12517
12518 Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius
12519 zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen
12520 aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de
12521 handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters
12522 helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den
12523 pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond
12524 om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij
12525 bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der
12526 schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals,
12527 in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den
12528 heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat
12529 zij zoo lief waren.
12530
12531 De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende
12532 banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een
12533 kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.
12534
12535 De deken werd 't eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter
12536 zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan
12537 den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven;
12538 doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van
12539 de brandende zon, dorst zich niet verroeren, uit vreeze van levend in
12540 de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk
12541 gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de
12542 dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.
12543
12544 Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water
12545 maar loopen; en de dragers zeiden:
12546
12547 --Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?
12548
12549 De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:
12550
12551
12552 Si de coe ... coe ... lo descenderes
12553 O Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.
12554
12555
12556 Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar
12557 werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier
12558 dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich
12559 stil op zijn arme beenen, die 't meest van al jeukten.
12560
12561 Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken
12562 en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen
12563 van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees
12564 van te vallen.
12565
12566 En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek
12567 en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.
12568
12569 Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.
12570
12571 Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige
12572 ruggen en buiken onuitstaanbaar.
12573
12574 En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als
12575 een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben
12576 waar het jeukte.
12577
12578 De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche
12579 stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.
12580
12581 Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde
12582 de deken 't heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters
12583 terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius
12584 ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet
12585 krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.
12586
12587 Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar
12588 vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius
12589 bitter te schreien.
12590
12591 Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoeken van fijn,
12592 helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als
12593 reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: "Mijnheer de Sant, wat hebt
12594 gij het warm!"
12595
12596 De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks,
12597 wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.
12598
12599 Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:
12600
12601 --Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede
12602 Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans
12603 de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen
12604 zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het
12605 zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!
12606
12607 De mannen spraken:
12608
12609 --Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid
12610 te stillen?
12611
12612 Maar het volk riep:
12613
12614 --Daar is de koster!
12615
12616 Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den
12617 schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide
12618 geslachten.
12619
12620 --Laas! zei de arme klokluider hem stille in 't oor, ik ga bezwijken
12621 van de jeukte.
12622
12623 --Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een
12624 houten heilige zijt.
12625
12626 Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den
12627 proost, die zich tot bloedens toe aan 't krabben was.
12628
12629 --Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?
12630
12631 --Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.
12632
12633 --Hebt gij gesproken of u verroerd?
12634
12635 --Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.
12636
12637 --Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu
12638 krabben; gij hebt het verdiend.
12639
12640
12641
12642
12643 VIII.
12644
12645 Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen 's anderen
12646 daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer
12647 van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen
12648 aanbidden.
12649
12650 En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het
12651 leger des prinsen versterken.
12652
12653 Uilenspiegel keerde naar Luik terug.
12654
12655 Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel
12656 beziende, sprak hij tot zich zelven:
12657
12658 --De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme
12659 volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren
12660 verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt
12661 ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor
12662 iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag
12663 te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant,
12664 doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U
12665 perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.
12666
12667 Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er
12668 waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in
12669 de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn,
12670 trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens
12671 ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar
12672 hij dacht dat het naar hun leger was.
12673
12674 --Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat
12675 gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige
12676 paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij,
12677 totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons,
12678 oude herten en jonge reebokjes!
12679
12680 En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
12681
12682
12683
12684
12685 IX.
12686
12687 In de Herfstmaand, als de muggen niet meer bijten, stak de Zwijger
12688 te Sint-Vijt den Rijn over met zes stukken veldgeschut en vier zware
12689 kanonnen, en met veertienduizend Vlamingen, Walen en Duitschers.
12690
12691 Onder de geel-en-roode vendels van Alva, den bloedigen hertog, stapten
12692 zes en twintigduizend vijfhonderd man, vergezeld van zeventien stukken
12693 veldgeschut en negen zware kanonnen.
12694
12695 Maar de Zwijger kon in dien strijd geenerlei voordeel behalen, want
12696 Alva weigerde gedurig 't gevecht.
12697
12698 En zijn broeder Lodewijk, die reeds vele steden gewonnen en vele booten
12699 op den Rijn gekaapt had, verloor bij Jemmingen, in Friesland, tegen
12700 den zoon des hertogen, zestien kanonnen, vijftien honderd peerden en
12701 twintig vendels, door de schuld der lafhertige huurknechten, die geld
12702 vroegen als er te vechten viel.
12703
12704 En te midden van puin en van bloed en van tranen, zocht Uilenspiegel
12705 te vergeefs de redding van den vaderlandschen bodem.
12706
12707 En, heel de Nederlanden door, werden onschuldige slachtofferen
12708 gehangen, onthalsd, verbrand door de beulen.
12709
12710 En de koning erfde.
12711
12712
12713
12714
12715 X.
12716
12717 Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig
12718 hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.
12719
12720 Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen
12721 leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters
12722 in de hand, baden devotelijk.
12723
12724 En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen
12725 vijver, 's avonds, na een warmen dag.
12726
12727 Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm
12728 droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren
12729 bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag
12730 Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.
12731
12732 Hij ging tot een hunner en vroeg:
12733
12734 --Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen
12735 en kinderen?
12736
12737 De man antwoordde:
12738
12739 --'t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van
12740 den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen:
12741 ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.
12742
12743 Uilenspiegel hernam:
12744
12745 --Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte
12746 verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog,
12747 die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?
12748
12749 --Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde
12750 de pelgrim.
12751
12752 --Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.
12753
12754 --Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing
12755 geschiedt, is 't volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan
12756 een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan den gelukzalige,
12757 die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor
12758 de anderen kan bidden.
12759
12760 Uilenspiegel sprak:
12761
12762 --Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen,
12763 lijk een pillendraaier?
12764
12765 --Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal,
12766 antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.
12767
12768 --Laas! zuchtte Uilenspiegel.
12769
12770 En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.
12771
12772 De pelgrim staarde hem aan en zeide:
12773
12774 --De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!
12775
12776 Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:
12777
12778 --Genade, doorluchtige heilige. 't Is de kastijding. Tusschen
12779 mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis,
12780 mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een
12781 vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.
12782
12783 Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van
12784 Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.
12785
12786 Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:
12787
12788 --Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd
12789 ... bult op den rug....
12790
12791 Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en
12792 spraken zij:
12793
12794 --Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen
12795 ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.
12796
12797 Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur
12798 eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee
12799 verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.
12800
12801 Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener
12802 schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen,
12803 blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug
12804 met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend
12805 als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.
12806
12807 De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:
12808
12809 --Daar is de lasteraar!
12810
12811 En hij wees met den vinger naar hem.
12812
12813 En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.
12814
12815 Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.
12816
12817 --Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als
12818 een razenden hond.
12819
12820 En de bultenaars riepen verheugd:
12821
12822 --Eén te meer in onze broederschap!
12823
12824 Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:
12825
12826 --Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!
12827
12828 Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:
12829
12830 --Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus
12831 mij geneest zooals hij mij trof.
12832
12833 Bij het nieuws van 't mirakel, kwam de deken uit de kerk. 't Was
12834 een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht,
12835 kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.
12836
12837 Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:
12838
12839 --Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den
12840 heiligen Remaclus?
12841
12842 --Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad,
12843 zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen,
12844 als het Zijne Heiligheid belieft.
12845
12846 De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:
12847
12848 --Laat mij dien bult eens betasten.
12849
12850 --Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.
12851
12852 Toen de deken getast had, sprak hij:
12853
12854 --Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U
12855 genadig zal wezen. Kom mede.
12856
12857 Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.
12858
12859 De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:
12860
12861 --Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche
12862 bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel
12863 uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart;
12864 nu is 't onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!
12865
12866 Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den
12867 deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was,
12868 gedekt met eene zerk, mede van marmer.
12869
12870 Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene
12871 hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden,
12872 gingen tusschen den muur en de zerk van het graf, tegen dewelke zij
12873 stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost
12874 te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de
12875 plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten,
12876 doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen,
12877 uit vreeze van heiligschennis.
12878
12879 De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle
12880 pelgrims hem goed konden zien.
12881
12882 Uilenspiegel antwoordde:
12883
12884 --Dat kan ik alleen niet.
12885
12886 De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem
12887 knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten
12888 in die deemoedige houding.
12889
12890 Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met
12891 heldere stem:
12892
12893 --Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den
12894 grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne
12895 woede trof.
12896
12897 En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:--Confiteor.
12898
12899 --Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener
12900 hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en
12901 gebocheld onder de verwensching des hemels.
12902
12903 --Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.
12904
12905 --Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die,
12906 sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt,
12907 neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij
12908 uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden, in soecula
12909 soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden
12910 wil zijn.
12911
12912 En de bultenaars herhaalden te gelijk:
12913
12914 --Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil
12915 zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle
12916 vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!
12917
12918 De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel
12919 te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds
12920 mompelend: Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!
12921
12922 En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk
12923 zagen.
12924
12925 En dezen riepen:
12926
12927 --Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts
12928 neemt hij af,--Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan
12929 niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.--Neen,
12930 zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel
12931 verstrekken.--'t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door
12932 zijne genade van hunnen last zijn verlost.--Wat geworden de oude
12933 bulten?
12934
12935 Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want
12936 Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord
12937 der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van
12938 onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En
12939 rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:
12940
12941 --Ik ben er van af!
12942
12943 En al de bultenaars riepen te zamen:
12944
12945 --Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.--Groote
12946 heilige, neem den mijnen ook weg!--Ik zal u een kalf offeren.--Ik,
12947 zeven schapen.--Ik, de jacht van één jaar.--Ik, zes hespen,--Ik, ik
12948 schenk mijne hut aan de kerk.--Neem onze bulten af, heilige Remaclus!
12949
12950 En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren
12951 wilde onder Uilenspiegel's wambuis tasten, doch de deken verbood het
12952 hem, zeggende:
12953
12954 --Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.
12955
12956 --Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.
12957
12958 --Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de
12959 rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten
12960 niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis,
12961 wilt gij ons ook vergiffenis schenken?
12962
12963 --Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.
12964
12965 --Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden,
12966 laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden,
12967 dien karolus in uwen zak steken.
12968
12969 --Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide
12970 Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de
12971 rechterhand geeft.
12972
12973 Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars
12974 met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.
12975
12976 --Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar,
12977 zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.
12978
12979 En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt
12980 die met de gratie des hemels bedeeld is.
12981
12982 Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf,
12983 zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.
12984
12985 Uilenspiegel trok 's avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.
12986
12987 Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet
12988 alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn
12989 winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd
12990 karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok
12991 de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En
12992 al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.
12993
12994 De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.
12995
12996 Toen deze hem zag, vroeg hij:
12997
12998 --Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?
12999
13000 --Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.
13001
13002 --Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op
13003 de tafel?
13004
13005 --Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.
13006
13007 Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel,
13008 en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk
13009 meegebracht had.
13010
13011 En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een
13012 stuk zijner ziel was.
13013
13014 En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.
13015
13016 Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.
13017
13018 De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér
13019 vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een
13020 armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.
13021
13022 De deken ging heen en lispte geen woord.
13023
13024 Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant,
13025 's Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en
13026 verliet de stad.
13027
13028 Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en
13029 vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste
13030 middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.
13031
13032 En de prins gaf hem tien gulden.
13033
13034 De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de
13035 twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.
13036
13037 En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten
13038 lasteraar steekt in het kruis.
13039
13040
13041
13042
13043 XI.
13044
13045 De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas
13046 over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des
13047 hertogen te verschalken.
13048
13049 Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer
13050 behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.
13051
13052 Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche
13053 edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels
13054 en hopmans van 't gevolg van den Zwijger.
13055
13056 En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met
13057 elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De
13058 anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne
13059 leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand
13060 grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man,
13061 vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.
13062
13063 Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de
13064 beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij
13065 stelde een einde aan 't gevecht en bezocht heel het kamp om zich te
13066 toonen, opdat men niet zeggen zou: "De Zwijger is dood, de oorlog
13067 is gedaan".
13068
13069 's Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond
13070 Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch
13071 minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps
13072 aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras
13073 hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op
13074 den weg.
13075
13076 Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide
13077 in dezelfde tale:
13078
13079 --Wat hebt gij gedaan?
13080
13081 --Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des
13082 konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannen en
13083 soldaten tot elkander: 't Is uit lage eerzucht, dat de prins den
13084 koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als
13085 onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen;
13086 voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die
13087 strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding
13088 doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in
13089 't bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan
13090 den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.
13091
13092 --'s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:
13093
13094 --De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik,
13095 waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent 't lot van Egmond en
13096 Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome
13097 de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men
13098 laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den
13099 Zwijger niet heeft.
13100
13101 --De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.
13102
13103 --De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag
13104 grooter. Waar zijn de brieven?
13105
13106 Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een
13107 klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven
13108 openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en
13109 eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:
13110
13111 --Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.
13112
13113 --Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in't leven niet
13114 blijven.
13115
13116 In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun
13117 eene lanteerne brengen.
13118
13119 Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte
13120 gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander
13121 gingen.
13122
13123 Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag
13124 hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit
13125 op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij
13126 gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne
13127 vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot
13128 hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.
13129
13130 Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoost tegen met
13131 een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:
13132
13133 --Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.
13134
13135 --Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?
13136
13137 --Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in
13138 het lijf der verraders. Maar volgt mij.
13139
13140 En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee
13141 mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen:
13142 de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen
13143 brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.
13144
13145 Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen
13146 herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die
13147 beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van
13148 Hessen en met andere heeren.
13149
13150 Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen,
13151 kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen
13152 wilde ontvangen.
13153
13154 Hij kwam buiten.
13155
13156 Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich
13157 gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:
13158
13159 --Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg
13160 gedood.
13161
13162 Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.
13163
13164 De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in
13165 bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen,
13166 van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van
13167 graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius
13168 van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van
13169 Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde
13170 brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht
13171 werden verdeeling te zaaien in 's prinsen gevolg, om zijne krachten te
13172 verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren
13173 aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens
13174 verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met
13175 bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger,
13176 in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld;
13177 zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Als
13178 belooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten
13179 gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend
13180 dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen,
13181 met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.
13182
13183 Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen,
13184 heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten;
13185 zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen
13186 te verwijten.
13187
13188 Allen riepen met groot rumoer:
13189
13190 --Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!
13191
13192 Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de
13193 Zwijger sprak:
13194
13195 --Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar
13196 de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.
13197
13198 En de heeren en soldaten riepen:
13199
13200 --Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!
13201
13202 En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor 't onrecht.
13203
13204 Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:
13205
13206 --Begraaft ze als kerstenen.
13207
13208 --En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij
13209 kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.
13210
13211 Toen sprak de Zwijger:
13212
13213 --Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen
13214 met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht
13215 en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden
13216 ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.
13217
13218 --Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf,
13219 zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.
13220
13221 --Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden;
13222 de slagen zal hij deemoedig verdragen.
13223
13224 --En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik
13225 niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.
13226
13227 --Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode
13228 gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem
13229 niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!
13230
13231 Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den
13232 stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.
13233
13234 --Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij
13235 trekt. Hij is in 't geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend
13236 Uilenspiegel.
13237
13238 --Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren
13239 in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester
13240 een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn,
13241 zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,
13242
13243 --Zijt gij gereed? vroeg de provoost.
13244
13245 --Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te
13246 worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de
13247 stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar
13248 ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een
13249 armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan
13250 doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een
13251 heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke
13252 wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u
13253 knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.
13254
13255 --Spoed u, sprak de stokmeester.
13256
13257 --Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge
13258 moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen,
13259 want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor
13260 het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen
13261 zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid;
13262 laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij
13263 mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout,
13264 als het u belieft.
13265
13266 --Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten
13267 en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig
13268 en medelijdend.
13269
13270 Lamme kwam achteraan en zuchtte:
13271
13272 --Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.
13273
13274 Toen sprak de prins:
13275
13276 --Ik schenk hem genade.
13277
13278 Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme's buik, dwong
13279 hem tot dansen en sprak:
13280
13281 --Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.
13282
13283 En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn
13284 dikken buik.
13285
13286 En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel
13287 als hij kon.
13288
13289
13290
13291
13292 XII.
13293
13294 De hertog wilde geen slag leveren, doch bestookte den Zwijger op 't
13295 platteland tusschen Gulik en de Maas; Oranje deed overal den stroom
13296 peilen, te Hond, Mechelen, Elsen, Meersen, en overal vonden zij er
13297 voetangels in, om de mannen en peerden te kwetsen, die zouden pogen
13298 den stroom over te steken.
13299
13300 Te Stokhem vonden de peilers er geene. De prins beval daar te waden. De
13301 ruiters togen over den stroom en hielden zich aan den overkant in
13302 slagorde, om het overzetten der troepen langs den kant van het bisdom
13303 Luik te dekken; vervolgens kwamen, van den eenen tot den anderen oever,
13304 tien rotten busschutters en boogschutters staan, die aldus den loop van
13305 de Maas stremden, en in het midden van welke zich Uilenspiegel bevond.
13306
13307 Hij stond tot aan de dijen in 't water; somwijlen zelfs werden hij
13308 en zijn peerd opgeheven door een plotselinge, verraderlijke golving.
13309
13310 Hij zag de voetknechten overgaan met een zakje buskruit op het
13311 hoofd en hunne bussen omhoog; vervolgens kwamen de ammunitiewagens,
13312 de haakbussen, de geleiders, de stukrijders, de slangen, de dubbele
13313 slangen, de falkonetten, de dubbele falkonetten, de serpenten, de
13314 halve serpenten, de dubbele serpenten, de slangen met wijden mond, de
13315 kanonnen, de halve kanonnen, de dubbele kanonnen, de donderbussen, de
13316 sakers, de kleine stukken bereden veldgeschut, geladen op voorwagens,
13317 met twee peerden bespannen, en die in alles geleken op de kanonnen,
13318 die men de Pistolen des keizers heette; daarna kwamen Vlaamsche
13319 ruiters en landsknechten, die de achterhoede moesten dekken.
13320
13321 Uilenspiegel zocht iets te drinken, dat hem verwarmen kon. De
13322 boogschutter Riesencraft, een Hoogduitscher, een mager, reusachtig
13323 en wreedaardig man, die nevens hem op zijn peerd zat te ronken,
13324 rook geweldig naar brandewijn. Uilenspiegel zocht naar de flesch
13325 op het kruis van zijn peerd, en vond ze aan zijnen schouderband
13326 geknoopt. Hij sneed het koordeken door, nam de flesch en dronk lustig
13327 van het verkwikkende nat. De gezellen boogschutters zeiden tot hem:
13328
13329 --Geef ons ook een slok.
13330
13331 En hij gaf hun de flesch. Als de brandewijn op was, bond hij 't
13332 koordeken weer aan de flesch en wilde ze terugbrengen op de borst van
13333 den soldenier. Toen hij den arm oplichtte om de bottel er onder te
13334 steken, werd Riesencraft wakker. Naarde bottel grijpend, wilde hij
13335 zijn gewone koe melken. Daar hij er echter geene melk meer in vond,
13336 ontstak hij in hevige woede.
13337
13338 --Dief, sprak hij, wat hebt gij gedaan met mijn brandewijn?
13339
13340 Uilenspiegel antwoordde:
13341
13342 --Uitgedronken. Onder doornatte ruiters is de brandewijn van één,
13343 de brandewijn van allen. Gierig zijn is leelijk.
13344
13345 --Morgen daag ik u uit tot een tweegevecht, antwoordde Riesencraft,
13346 en ik beloof u fatsoenlijk aan stukken te kappen.
13347
13348 --Wij zullen alles afkappen, sprak Uilenspiegel, hoofden, armen en
13349 beenen. Maar zijt gij verstopt, dat uwe tronie zoo zuur ziet?
13350
13351 --Dat ben ik, sprak Riesencraft.
13352
13353 --Dan moet gij purgeeren, in stee van te vechten.
13354
13355 Zij kwamen overeen zich 's anderen daags met elkander te meten. Elk
13356 mocht gekleed en uitgerust zijn lijk hij verkoos, en zij zouden naar
13357 elkander kerven en kappen met een korten stootdegen.
13358
13359 Uilenspiegel vroeg, om voor zich zelven, den degen te mogen vervangen
13360 door eenen stok, hetgeen hem toegestaan werd.
13361
13362 Intusschen waren al de soldaten over den stroom getogen en reeds
13363 stelden zij zich in goede orde, op de bevelen hunner kapiteins en
13364 kolonels. Nu verlieten ook de tien rotten schutters hunne vochtige
13365 stelling.
13366
13367 En de Zwijger sprak:
13368
13369 --Wij marcheeren op Luik,
13370
13371 Uilenspiegel was er blijde om en riep met al de Vlamingen:
13372
13373 --Lang leve Oranje! Naar Luik! naar Luik!
13374
13375 Maar de vreemdelingen, en voornamelijk de Hoogduitschers zeiden, dat
13376 zij te nat waren om te marcheeren. Te vergeefs bevestigde de prins
13377 hun, dat zij naar een gewisse zegepraal gingen, naar eene stede met
13378 hert en ziel hun toegedaan: zij wilden niet luisteren, en ontstaken
13379 groote vuren om zich te warmen, met hunne onttuigde peerden.
13380
13381 De aanval der stad werd uitgesteld tot 's anderen daags; en Alva,
13382 hoogst verbaasd over den stoutmoedigen overtocht, vernam door zijne
13383 spionnen, dat de soldaten van den Zwijger nog niet bereid waren tot
13384 den aanval.
13385
13386 Daarop deed hij Luik en heel de omliggende streek bedreigen alles in
13387 vuur en vlam te zullen zetten, zoo de vrienden des prinsen er eenige
13388 beweging maakten. Geeraard van Groesbeek, de bisschoppelijke serjant,
13389 deed zijne soldaten wapenen tegen den prins, die te laat kwam door
13390 de schuld der Hoogduitschers, benauwd voor een beetje water in hunne
13391 schoenen.
13392
13393
13394
13395
13396 XIII.
13397
13398 Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze
13399 beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de
13400 dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren
13401 de voorwaarden die Riesencraft stelde.
13402
13403 Het gevecht greep plaats in een kleine heide.
13404
13405 Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van
13406 boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk,
13407 zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander
13408 hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in
13409 geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed
13410 hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge,
13411 doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij
13412 kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel,
13413 het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas
13414 opgetuigd was.
13415
13416 Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier
13417 had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas
13418 was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas
13419 van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur,
13420 het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste
13421 dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten,
13422 dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot
13423 hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog
13424 niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te
13425 doen zingen als hij soms stierf.
13426
13427 Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop
13428 een bezem van dennentakken. Aan den linkerkant van zijnen zadel hing
13429 zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots:
13430 een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets
13431 dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.
13432
13433 Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed,
13434 schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch
13435 de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.
13436
13437 Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat
13438 de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits
13439 Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde
13440 er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van
13441 Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.
13442
13443 --Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen,
13444 sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan
13445 te laten.
13446
13447 --Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.
13448
13449 Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid,
13450 met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.
13451
13452 De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook
13453 eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.
13454
13455 Hij antwoordde:
13456
13457 --Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos,
13458 is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.
13459
13460 Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde
13461 gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij
13462 dienvolgens, dat alles in regel was.
13463
13464 Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd,
13465 dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek
13466 gepantserd was.
13467
13468 Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht
13469 als eene lans houdend, zeide hij:
13470
13471 --Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets
13472 doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om
13473 ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar
13474 zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten
13475 altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht
13476 voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt
13477 tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft,
13478 om onschuldige poetsen, een en twintig zijner gezellen vermoord,
13479 maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling,
13480 een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de
13481 minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien
13482 twistzieken hond eens averechts te borstelen.
13483
13484 Riesencraft antwoordde:
13485
13486 --Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het
13487 misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in
13488 tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne
13489 hersenpan steekt.
13490
13491 De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd
13492 den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het
13493 grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der
13494 getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het
13495 geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen
13496 eendrachtiglijk grazen in 't ronde.
13497
13498 De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen
13499 van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het
13500 teeken van 't gevecht.
13501
13502 En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg
13503 met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem;
13504 Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen,
13505 liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong
13506 uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend
13507 van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in
13508 de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde
13509 hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen
13510 slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen
13511 en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.
13512
13513 Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts
13514 en averechts over zijn aangezicht en sprak:
13515
13516 --Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!
13517
13518 En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders,
13519 en zeide altijd:
13520
13521 --Roep om genade, of ik doe u hem slikken!
13522
13523 Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede
13524 en gramschap.
13525
13526 --God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.
13527
13528 En treurig gestemd, toog hij henen.
13529
13530
13531
13532
13533 XIV.
13534
13535 Het was het einde van Wijnmaand. Geld ontbrak aan den prins; zijne
13536 soldaten hadden honger. Zij morden; de prins marcheerde naar Frankrijk
13537 en bood den hertog 't gevecht aan, maar deze weigerde het.
13538
13539 Uit Quesnoy-le-Comte vertrokken om naar het land van Kamerijk te gaan,
13540 ontmoette hij tien compagnieën Duitschers, acht vendels Spanjaards
13541 en drie kornetten ruiterij, aangevoerd door don Ruffele Henricis,
13542 zoon des hertogen, die te midden van het gevecht in het Spaansch riep:
13543
13544 --Slaat dood! Slaat dood! Geen kwartier! Leve de Paus!
13545
13546 Don Henricis met zijne mannen, tegenover de compagnie busschutters,
13547 waarbij Uilenspiegel tiendenier was, wierp zich op hen.
13548
13549 Uilenspiegel zeide tot den bentserjant:
13550
13551 --De tong van dien beul ga ik in tweeën snijden!
13552
13553 --Snij maar op, zei de serjant.
13554
13555 En met een goed gerichten kogel, verplette Uilenspiegel tong en kaken
13556 van don Ruffele Henricis, zoon van den hertog.
13557
13558 Uilenspiegel schoot ook den zoon van den markies Delmares van zijn
13559 peerd.
13560
13561 De acht vendels en de drie kornetten werden verslagen.
13562
13563 Na die zegepraal zocht Uilenspiegel naar Lamme, in het kamp en in
13564 't ronde, maar hij vond hem niet.
13565
13566 --Laas! sprak hij, hij is weg, mijn vriend Lamme, mijn dikke vriend. In
13567 het vuur van den strijd zal hij het gewicht van zijn buik vergeten
13568 en de Spaansche vluchtelingen achternagezet hebben. Buiten adem, zal
13569 hij op den weg gevallen zijn als een zak. En zij zullen hem opgeraapt
13570 hebben, om er losgeld van te trekken; losgeld voor kerstenspek. Vriend
13571 Lamme, waar zijt gij toch, waar zijt gij, mijn arme, vette vriend?
13572
13573 Uilenspiegel zocht hem overal, en, hem niet vindend, was hij treurig
13574 gestemd.
13575
13576
13577
13578
13579 XV.
13580
13581 In de Slachtmaand, de maand der sneeuwstormen, ontbood de Zwijger
13582 Uilenspiegel vóór zich. De prins beet op de koord van zijn maliënhemd.
13583
13584 --Luister goed, sprak hij.
13585
13586 Uilenspiegel antwoordde:
13587
13588 --Mijne ooren zijn gevangenispoorten; men komt er gemakkelijk binnen,
13589 maar uitgeraken is een andere zaak.
13590
13591 De Zwijger sprak:
13592
13593 --Ga door Namen, Henegouw, Vlaanderen, Zuid-Brabant, Antwerpen,
13594 Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Noord-Holland overal verkondigen,
13595 dat, zoo het geluk onze heilige en kerstene zaak te lande verlaat,
13596 de strijd tegen onrecht en geweld ter zee voortgezet wordt. God
13597 bestiere genadig deze zaak, in voor- als in tegenspoed. Te Amsterdam
13598 gekomen, zult gij Pauwel Buys, mijn getrouwe, rekenschap geven van
13599 uwe zending. Hier zijn drie passen, door Alva zelven onderteekend en
13600 gevonden op verslagenen te Quesnoy-le-Comte. Mijn schrijver heeft ze
13601 behoorlijk ingevuld. Wellicht vindt gij onderwege een goeden gezel,
13602 in wien gij vertrouwen moogt stellen. Goeden zijn zij, die op 't
13603 gezang van den leeuwerik antwoorden met 't krijgshaftig gekraai van
13604 den haan. Hier zijn vijftig gulden. Wees moedig en trouw.
13605
13606 --De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. En hij
13607 toog henen.
13608
13609
13610
13611
13612 XVI.
13613
13614 Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen,
13615 alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede
13616 droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt
13617 opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette
13618 hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus
13619 verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.
13620
13621 De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om
13622 eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan 't sneeuwen.
13623
13624 Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men
13625 liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.
13626
13627 Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn
13628 gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door
13629 dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij
13630 velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den
13631 gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.
13632
13633 Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende
13634 in 't veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als
13635 grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter
13636 hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.
13637
13638 Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag
13639 tot hem. "Wellicht", zeide hij in zichzelven, "wellicht zijn het
13640 pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in
13641 de sneeuw." Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen,
13642 en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten,
13643 welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende
13644 zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards,
13645 naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om
13646 de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood
13647 van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam
13648 dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller
13649 te doen aanstappen.
13650
13651 Uilenspiegel sprak:
13652
13653 --Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.
13654
13655 En hij zond een kogel in 't voorhoofd van een der ruiters, die dood
13656 van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte
13657 kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen
13658 waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl
13659 hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om
13660 het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door
13661 een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.
13662
13663 De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter,
13664 hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van
13665 zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij,
13666 in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:
13667
13668 --Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk
13669 naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te
13670 worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen,
13671 zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden
13672 of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.
13673
13674 Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:
13675
13676 Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wij dezen
13677 soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.
13678
13679 De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld
13680 onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:
13681
13682 --Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er
13683 zoeter. Komt, broeders, komt mede.
13684
13685 Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:
13686
13687 --Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat
13688 de paus de antichrist is.
13689
13690 En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch
13691 te begraven.
13692
13693 Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene
13694 huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed
13695 hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en
13696 ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat
13697 zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden
13698 der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.
13699
13700 Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier,
13701 brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En
13702 zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de
13703 gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig
13704 liet begaan.
13705
13706 Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden,
13707 waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.
13708
13709 Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:
13710
13711 --Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De
13712 duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn
13713 de Zeven?
13714
13715 En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem
13716 als een ademtocht fluisteren: "Zoek in dood, puinen en tranen".
13717
13718 En hij ging voort.
13719
13720
13721
13722
13723 XVII.
13724
13725 In de Lentemaand kwam Uilenspiegel te Namen. Hij vond er Lamme, die
13726 groot liefhebber geworden was van visch uit de Maas en hoofdzakelijk
13727 van forellen. Hij had een boot gehuurd en vischte in den stroom met
13728 toelating van de gemeente. Maar hij had vijftig gulden moeten betalen
13729 aan de nering der vischverkoopers.
13730
13731 Zijne vangst at hij op of verkocht hij, en aldus herstelde hij de
13732 rondheid van zijnen buik en vergaarde hij een zakje karolussen.
13733
13734 Toen hij zijn vriend Uilenspiegel op den oever van de Maas naar de
13735 stadspoort zag stappen, was hij aangenaam verrast; hij stak zijn bootje
13736 naar wal, klaverde den oever op, niet zonder blazen, en kwam naar hem.
13737
13738 Stamelend van genoegen, sprak hij:
13739
13740 --Zijt gij daar, mijn zoon, want ik mag u zoo noemen: mijn buik is
13741 tweemaal zoo dik als de uwe. Waar gaat gij? Wat doet gij? Gij zijt
13742 toch niet dood? Hebt gij mijne vrouw niet gezien? Gij zult visch uit
13743 de Maas eten, de beste, die in dit tranendal bestaat; hier maken ze
13744 sausen, dat men er de pan bij zou opeten. Gij zijt schoon en vroom,
13745 met uwe kaken gebruind door 't gevecht. Daar is hij eindelijk, mijn
13746 zoon, mijn vriend Uilenspiegel, de lustige zwerver!
13747
13748 En stille vroeg hij hem:
13749
13750 --Hoeveel Spanjolen hebt gij geknipt? Hebt gij mijne vrouw niet
13751 gezien in hunne karren met loddegen? En gij zult wijn van de Maas
13752 drinken; hij is heerlijk en bevordert de spijsvertering. Zijt gij
13753 gekwetst, mijn zoon? Gij blijft dus hier, frisch, gezond en wel te
13754 pas als een veulen. En de paling moet gij proeven! Niet de minste
13755 grachtsmaak! Omhels mij, mijn vriend! Bij God, wat ben ik tevreden!
13756
13757 En Lamme danste, sprong, blies en dwong ook Uilenspiegel tot dansen.
13758
13759 Toen stapten zij op naar Namen. Aan de poort van de stad toonde
13760 Uilenspiegel zijn reispas, onderteekend door den hertog van Alva. En
13761 Lamme leidde hem mede naar huis.
13762
13763 Terwijl hij den maaltijd bereidde, deed hij hem zijne lotgevallen
13764 verhalen en vertelde hij ook zijn eigen wedervaren. Hij had, zeide hij,
13765 het leger verlaten om een meisje te volgen, dat, naar hij meende, zijne
13766 vrouw was. En zoo was hij tot in Namen gesukkeld. En gedurig vroeg hij:
13767
13768 --Hebt gij ze niet gezien?
13769
13770 --Ik heb er anderen gezien, met schoone gezichtjes, antwoordde
13771 Uilenspiegel, en dat wèl in deze stede, waar allen verliefd schijnen.
13772
13773 --Om de waarheid te zeggen, sprak Lamme, ik kan er krijgen zooveel
13774 als ik wil, maar ik blijf trouw aan mijne vrouw, want mijn jammerend
13775 hert is vervuld van haar aandenken.
13776
13777 --Lijk uw buik van menigvuldige gerechten, antwoordde Uilenspiegel.
13778
13779 Lamme hernam:
13780
13781 --Als ik verdriet heb, moet ik eten.
13782
13783 --Is uw verdriet eeuwigdurend? vroeg Uilenspiegel.
13784
13785 --Laas ja! sprak Lamme.
13786
13787 Meteen trok hij eene forel uit eene kuip.
13788
13789 --Zie eens, sprak hij, hoe schoon en hoe vast. Het vleesch is
13790 rooskleurig als dat mijner vrouw. Morgen verlaten wij Namen; ik
13791 heb een vollen zak guldens; wij zullen elk een ezel koopen en naar
13792 Vlaanderen reizen.
13793
13794 --Gij zult er veel bij verliezen, sprak Uilenspiegel.
13795
13796 --Mijn hert trekt naar Damme, naar de plaats, waar zij mij vurig
13797 beminde. Misschien wacht zij daar.
13798
13799 --Vermits gij het wilt, sprak Uilenspiegel, zullen wij morgen
13800 vertrekken.
13801
13802 En inderdaad, 's anderen daags kochten zij ezels en reden zij naast
13803 elkander de stad uit.
13804
13805
13806
13807
13808 XVIII.
13809
13810 Een gure wind blies over de aarde. De lucht, die 's morgens helder
13811 als de jeugd was, werd grijs als de oude dag. Het regende en hagelde.
13812
13813 Toen de regen opgehouden had, schudde Uilenspiegel zich, zeggende:
13814
13815 --De hemel drinkt zooveel dampen op, dat hij zich soms moet ontlasten.
13816
13817 Maar het begon weer te regenen en te hagelen, en nog meer dan de
13818 eerste maal. De twee gezellen waren doornat.
13819
13820 Lamme zuchtte:
13821
13822 --Wij waren goed gewasschen, nu is men ons aan't spoelen! De zonne
13823 kwam weer te voorschijn en blijgemoed stegen zij weder op hunne ezelen.
13824
13825 Doch nu begon het zoo moorddadig te hagelen, dat de droge takken der
13826 boomen als met messen afgekapt werden.
13827
13828 Lamme sprak:
13829
13830 --Ho! een dak toch! Mijn arme vrouw! Waar zijt gij, goed vuurtje,
13831 zoete kussen en lekkere hutsepot?
13832
13833 En hij weende, de dikzak.
13834
13835 Doch Uilenspiegel sprak:
13836
13837 --Wij jammeren en weeklagen; maar is het niet van ons zelven, dat
13838 al onze kwalen ons komen? Het regent en hagelt op onze schouderen,
13839 doch die winterregen kweekt malsche meiklaver. En de runderen zullen
13840 loeien van genoegen. Wij zijn zonder schuilplaats, maar waarom trouwen
13841 wij niet? Ik toch, ten minste, waarom trouw ik niet met Nele, die zoo
13842 schoon en zoo braaf is, en die mij nu een goeden schotel boonen met
13843 gestoofd vleesch zou voorzetten? Wij hebben dorst, niettegenstaande het
13844 water, dat valt; waarom bleven wij niet bij een zelfde ambacht? Zij,
13845 die meester aanveerd zijn, hebben heele tonnen bruinbier in hunne
13846 kelders.
13847
13848 De assche van Klaas klopte op zijn hert, de hemel werd helder, de
13849 zonne schitterde aan het uitspansel en Uilenspiegel sprak:
13850
13851 --Mevrouw de Zon, ik zeg u duizendmaal dank, ge komt onze lendenen
13852 verwarmen; assche van Klaas, gij verwarmt ons hert en zegt ons dat
13853 diegenen gezegend zijn, die zwerven voor de verlossing van den bodem
13854 der vaderen.
13855
13856 --Ja, maar 'k heb honger, zei Lamme.
13857
13858
13859
13860
13861 XIX.
13862
13863 Zij trokken eene afspanning binnen, en men gaf er hun te eten in de
13864 kelderkamer. Uilenspiegel opende het venster en zag van daar eene
13865 lochting, in dewelke een minnelijk, poezel meideken wandelde, met
13866 ronden boezem en gouden lokken. Zij had anders niet aan dan een rok,
13867 een wit linnen jakje en een zwart voorschoot met gaatjes.
13868
13869 Hemden en ander vrouwenlinnen hingen te drogen; het meisje was steeds
13870 naar Uilenspiegel gekeerd, trok de hemden van de koorden, hing ze
13871 weder op, glimlachte en keek gedurig naar Uilenspiegel.
13872
13873 In de nabijheid hoorde Uilenspiegel eenen haan kraaien en zag hij
13874 eene voedster met een kind spelen, wiens gezichtje zij naar eenen
13875 man toekeerde, terwijl zij zeide:
13876
13877 --Boelkin, trek oogskens naar vader, toe!
13878
13879 Het kind schreide.
13880
13881 En het aanvallig meideken bleef in de lochting ronddrentelen en het
13882 linnen afnemen en weder ophangen.
13883
13884 --'t Is eene, die aan den hertog verkocht is, sprak Lamme. Het meideken
13885 bracht heure handen voor heure oogen en tusschen de vingeren loerend,
13886 keek ze lachend naar Uilenspiegel.
13887
13888 Vervolgens ging zij op een der gespannen koorden zitten en schommelde,
13889 zonder met heure voeten den grond aan te raken. Onder 't schommelen,
13890 liet zij Uilenspiegel heure blanke, ronde armen zien, bloot tot aan
13891 heur schouderen en die de bleeke zonne bestraalde. Op en neder wippend,
13892 bekeek zij hem gestadig. Hij ging buiten om tot heur te gaan. Lamme
13893 volgde hem. Aan de haag van de lochting zocht Uilenspiegel eene
13894 opening om door te geraken, doch te vergeefs.
13895
13896 Als het meideken hem zoo bezig zag, gluurde zij nogmaals glimlachend
13897 tusschen heure vingeren.
13898
13899 Uilenspiegel wilde door de haag geraken, maar Lamme hield hem met
13900 alle geweld tegen en sprak:
13901
13902 --Ga daar niet binnen, 't is eene verklikster, in dienst van den
13903 Spanjaard: wij worden levend verbrand.
13904
13905 Toen wandelde het meisje rond in de lochting, met heur voorschoot
13906 over heur gezicht, doch keek door de gaatjes om te zien of heur nieuwe
13907 vriend nog niet kwam.
13908
13909 Uilenspiegel wilde met een forsigen wip over de haag springen, doch
13910 hij werd weerhouden door Lamme, die hem, bij zijn been grijpend,
13911 deed vallen en zeide:
13912
13913 --Koord, zweerd en galg, 't is eene verklikster, ga niet tot haar,
13914 zeg ik u.
13915
13916 Uilenspiegel verweerde zich zoo goed hij kon. Het meideken stak het
13917 hoofd over de haag en riep:
13918
13919 --Vaarwel, heer, dat de liefde Uwe Lankmoedigheid onderhoude.
13920
13921 En hij hoorde een spottenden schaterlach.
13922
13923 --Ha! sprak hij, in mijne ooren steekt dat als duizend speldeprikken!
13924
13925 Eene deur werd luidruchtig gesloten.
13926
13927 En hij was gansch weemoedig.
13928
13929 Lamme, die hem nog altoos vasthield, zeide tot hem:
13930
13931 --Met spijt denkt gij aan den verloren schat. Maar 't is eene
13932 verklikster, die u in heur spionnennet zou lokken. En gij merkt het
13933 niet: ik berst van lachen.
13934
13935 Uilenspiegel zei geen woord en de beide gezellen stegen weder op
13936 hunne ezelen.
13937
13938
13939
13940
13941 XX.
13942
13943 Zij reden sprakeloos voort, schrijlings op hun grauwtje gezeten.
13944
13945 Lamme kauwde zijn laatsten maaltijd, terwijl hij blijgemoed met volle
13946 teugen de frissche lucht ademde.
13947
13948 Plotseling gaf Uilenspiegel hem eenen zweepslag over zijn achterste,
13949 dat met een band rond den zadel lag.
13950
13951 --Wat doet gij? riep Lamme jammerend uit.
13952
13953 --Wat? vroeg Uilenspiegel.
13954
13955 --Die zweepslag, zei Lamme.
13956
13957 --Welke zweepslag?
13958
13959 --Dien gij mij daar geeft, hervatte Lamme.
13960
13961 --Links? vroeg Uilenspiegel.
13962
13963 --Ja, links en op mijn achterste. Waarom deedt gij dat, schaamtelooze
13964 nietdeug?
13965
13966 --Uit onwetendheid, antwoordde Uilenspiegel. Ik weet heel goed wat
13967 een zweep is, en ook heel goed wat een achterste is, dat op eenen
13968 zadel gespannen zit. Nu, als ik het uwe, breed, gespannen over den
13969 zadel zag steken, zei ik in mijn zelven: Daar men met de vingeren
13970 er niet in kan nijpen, kan het koordeken van de zweep er ook niet op
13971 bijten. Ik was mis, ik beken het rechtuit.
13972
13973 Lamme glimlachte op die rede, en Uilenspiegel vervolgde:
13974
13975 --Maar ik ben de eenige niet op de wereld, die uit onwetendheid
13976 zondigt, en meer dan één dwaze meester, die zijn overtollig vet op den
13977 zadel eens ezels ten toon spreidt, zou mij daar lessen in geven. Als
13978 mijne zweep zich vergat ten opzichte van uw achterste, vergat gij u
13979 nog meer ten opzichte van mijne beenen, door hun te beletten achter
13980 het meisje te loopen, dat in de lochting mij zoo lodderlijk wenkte.
13981
13982 --Aas voor de raven, zei Lamme, 't was dus uit wraaklust?
13983
13984 --Een heel klein beetje, antwoordde Uilenspiegel.
13985
13986
13987
13988
13989 XXI.
13990
13991 Nele leefde bedroefd en eenzaam te Damme bij Katelijne, die om den
13992 ijskouden duivel riep, maar dewelke niet kwam.
13993
13994 --Ach! zei ze, gij zijt rijk, Hansken, en zoudt mij de zevenhonderd
13995 karolussen kunnen terugbrengen. Soetkin zou op aarde terugkomen en
13996 Klaas zou tevreden zijn in het hemelrijk; gij moet ze teruggeven. Doe
13997 het vuur weg, de ziel wil er uit, maak een gat, mijn ziel wil er uit.
13998
13999 En gedurig wees zij met den vinger naar de plaats, waar het werk heur
14000 hoofd verbrand had.
14001
14002 Katelijne was nu zeer arm, doch de buren stonden haar bij met boonen,
14003 met brood en met vleesch, al naarvolgens hunne middelen. Ook de
14004 disch gaf heur wat geld. En Nele naaide voor de rijke poorteressen,
14005 ging uit strijken en verdiende aldus een gulden per week.
14006
14007 En Katelijne riep altoos:
14008
14009 --Maak een gat, laat mijne ziel er uit. Zij klopt om buiten te
14010 zijn. Hij zal de zevenhonderd karolussen teruggeven.
14011
14012 En weenend aanhoorde Nele heur waanzinnige reden.
14013
14014
14015
14016
14017 XXII.
14018
14019 Doch Uilenspiegel en Lamme, met hunne reispassen op zak, trokken een
14020 kleine taveerne binnen, tegen de rotsen der Samber gebouwd, die op
14021 sommige plaatsen met boomen bedekt zijn. En boven de deur stond te
14022 lezen: Bij Marlaire.
14023
14024 Zij dronken menige bottel wijn van de Maas, bereid naar de wijze van
14025 Bourgondië, en aten veel waterzooi; daarna begonnen zij te praten met
14026 den baas, een eersten paapschgezinde, maar die gestadig heimelijk
14027 knipoogde, en babbelde als een ekster, ter oorzake van den wijn,
14028 dien hij gedronken had.
14029
14030 Uilenspiegel, die in de gaten had dat achter dat knipoogen iets
14031 schuilde, deed hem nog meer drinken, zoodat de weerd begon te dansen
14032 en te schaterlachen. Vervolgens kwam hij weer aan de tafel zitten
14033 en sprak:
14034
14035 --Goede katholieken, ik drink op uwe gezondheid!
14036
14037 --Op de uwe! antwoordden Lamme en Uilenspiegel. Op de uitroeiing van
14038 ketters en muitmakers!
14039
14040 En Lamme en Uilenspiegel vulden gestadig den beker, dien de weerd
14041 dadelijk weer leeg dronk.
14042
14043 --Gij zijt brave lieden, en ik drink op uwe gezondheid. Hoe meer ik
14044 drink, hoe grooter mijn winst is. Waar zijn uwe passen?
14045
14046 --Hier, antwoordde Uilenspiegel.
14047
14048 --Geteekend door den hertog, sprak de weerd. Ik drink op den hertog!
14049
14050 --Wij drinken op de gezondheid van den hertog, antwoordden Lamme
14051 en Uilenspiegel.
14052
14053 De weerd vervolgde:
14054
14055 --Waarmee vangt men ratten en muizen? Met vallen, niet waar? Wie
14056 is de muis? 't Is de groote Oranjeketter, die rood ziet als 't
14057 vuur van de hel. God is met ons. Zij komen weldra. He! He! laat
14058 ons drinken! Schenkt in; ik kook, ik brand. Laat ons drinken! Heel
14059 schoone gereformeerde predikantjes.... Ik herhaal predikantjes, dapper
14060 en sterk lijk eiken, onze kloeke soldaten.... Laat ons drinken! Gaat
14061 gij met hen mede naar 't kamp van den aartsketter? Reispassen heb ik,
14062 geteekend door hem.... Gij zult hen aan 't werk zien.
14063
14064 --Wij gaan mee naar het kamp!
14065
14066 Zij zullen er zich deugd doen, en 's nachts, als de gelegenheid
14067 gunstig is (en fluitend maakte de weerd het gebaar van een man, die
14068 een anderen keelt), zal Stalen Wind de meerle Nassau het schuifelen
14069 wel afleeren. Laat ons drinken, laat ons drinken!
14070
14071 --Gij zijt een vroolijke kwant, al zijt gij getrouwd, antwoordde
14072 Uilenspiegel.
14073
14074 De weerd sprak:
14075
14076 --Dat ben ik of was ik nooit. Ik bewaar de geheimen der vorsten. Laat
14077 ons drinken!--Had ik eene vrouw, zij zou ze mij ontstelen op 't
14078 oorkussen, om mij te doen hangen, en weduwe zijn vóór de Natuur het
14079 beliefde. Bij God! Zij komen.... Waar zijn de nieuwe reispassen? Op
14080 mijn christelijk hert. Laat ons drinken! Dáár zijn ze, op driehonderd
14081 stappen van hier, op den weg, nabij Marche-les-Dames. Ziet gij ze? Laat
14082 ons drinken!
14083
14084 --Drink, zeide Uilenspiegel, drink; ik drink op de gezondheid van
14085 den koning, van den hertog, van de predikanten, van Stalen Wind; op
14086 uwe gezondheid, op mijne gezondheid, op de gezondheid van den wijn
14087 en op de gezondheid van de bottels! Maar gij drinkt niet....
14088
14089 En op elken heildronk vulde Uilenspiegel het glas en ledigde de weerd
14090 het tot den bodem.
14091
14092 Uilenspiegel sloeg hem eene wijl gade; toen stond hij recht en
14093 sprak hij:
14094
14095 --Hij slaapt, laat ons gaan, Lamme.
14096
14097 En toen zij buiten waren, hernam hij:
14098
14099 --Hij heeft geene vrouw, die ons zal verraden.... De nacht gaat
14100 vallen.... Hebt gij gehoord wat de schoft gezegd heeft, en weet gij
14101 wie de drie predikanten zijn?
14102
14103 --Ja, sprak Lamme.
14104
14105 --Gij weet, dat zij van Marche-les-Dames komen langs den oever der
14106 Maas, en dat wij wèl zullen doen, hen op den weg af te wachten,
14107 vóór Stalen Wind blaast.
14108
14109 --Ja, zei Lamme.
14110
14111 --Wij moeten het leven des prinsen redden, sprak Uilenspiegel.
14112
14113 --Wij moeten, zei Lamme.
14114
14115 --Hier is mijn bus, sprak Uilenspiegel, ga er mee in het kreupelhout
14116 tusschen de rotsen; laad ze met twee kogels en schiet als ge mij lijk
14117 de raaf hoort krassen.
14118
14119 --Ik zal, zei Lamme.
14120
14121 En hij verdween in het kreupelhout. En Uilenspiegel hoorde weldra
14122 het gekraak van het rad van de bus.
14123
14124 --Ziet gij ze komen? vroeg hij.
14125
14126 --Ik zie ze, antwoordde Lamme. Zij zijn gedrieën en gaan als soldaten,
14127 en een hunner is een kop grooter dan de anderen.
14128
14129 Uilenspiegel zette zich neer op den weg, de beenen vooruit,
14130 paternosters te mompelen, lijk de bedelaars doen. En zijn hoedeken
14131 lag tusschen zijne knieën.
14132
14133 Als de drie predikanten voorbijkwamen, stak hij hun zijn hoedeken
14134 toe. Maar zij legden er niemendal in.
14135
14136 Uilenspiegel stond recht en zeide op erbarmelijken toon;
14137
14138 --Goede heeren, weigert geen oortje aan een armen werkman, die
14139 laatst in eene steengroef gevallen is en zich de ribben brak. Ze
14140 zijn hardvochtig in deze streek en ze hebben mij niets gegeven,
14141 om mijn ellende te lenigen. Laas! geeft mij een oortje en ik zal
14142 voor u bidden. En God zal uwe bermhertigheid hier op de aarde met
14143 vreugde beloonen.
14144
14145 --Mijn zoon, sprak een der predikanten, een sterke vent, voor ons geene
14146 vreugde op aarde, zoolang de Paus en de Inquisitie zullen heerschen.
14147
14148 Uilenspiegel zuchtte als hij, en sprak:
14149
14150 --Laas! wat zegt gij, mijne heeren? Spreekt stiller, als het u
14151 belieft. Maar geeft mij een oortje.
14152
14153 --Mijn zoon, antwoordde een kleine predikant met een strijdlustige
14154 tronie, wij, arme martelaren, hebben maar juist oortjes genoeg om
14155 onderwege onze nooddruft te koopen.
14156
14157 Uilenspiegel viel op de knieën.
14158
14159 --Zegent mij dan ten minste, sprak hij.
14160
14161 De drie predikanten strekten de hand uit over Uilenspiegels hoofd,
14162 maar zonder godsvertrouwen.
14163
14164 Doch daar hij merkte dat zij mager waren, en toch dikke buiken hadden,
14165 richtte hij zich op en gebaarde te vallen. En met het voorhoofd tegen
14166 den buik van den grooten predikant botsend, hoorde hij daarin het
14167 vroolijk gerinkel van geldstukken.
14168
14169 Toen sprong hij recht en, zijn kruismes trekkend, riep hij:
14170
14171 --Goede vaders, het is koel, ik ben dun gekleed, en gij hebt te
14172 veel. Geeft mij van uwe wol, dat ik er mij een mantel van make. Ik
14173 ben Geus! Leve de Geus!
14174
14175 De groote predikant antwoordde:
14176
14177 --Geus, gij draagt uwen kam te hoog; wij zullen hem kappen.
14178
14179 --Kappen! sprak Uilenspiegel; ik zeg u, dat Stalen Wind u, vóór den
14180 prins, zal omverblazen. Geus ben ik, leve de Geus!
14181
14182 De drie onthutste predikanten spraken:
14183
14184 --Hoe weet hij dat? Wij zijn verraden. Ter dood! Leve de misse!
14185
14186 En van onder hunne hooze trokken zij goed aangezette kruismessen uit.
14187
14188 Maar zonder hen af te wachten, week Uilenspiegel achteruit, langs
14189 het struikgewas, waarin Lamme verscholen zat.
14190
14191 Als hij oordeelde, dat de predikanten binnen het bereik van het schot
14192 waren, riep hij:
14193
14194 --Raven, zwarte raven, Looden Wind blaast! Ik zing uwen dood.
14195
14196 En hij kraste.
14197
14198 Een busschot kwam uit het struikgewas, smeet den grootsten predikant
14199 met zijn gezicht ter aarde. Een tweede schot velde den tweeden.
14200
14201 En Uilenspiegel ontwaarde tusschen het struikgewas de goede tronie van
14202 Lamme, en zijn opgeheven arm, die haastiglijk de bus opnieuw laadde.
14203
14204 Een blauwe rookwolk steeg op uit het donker struikgewas.
14205
14206 De derde predikant viel, als in razernij, op Uilenspiegel aan,
14207 die zeide:
14208
14209 --Stalen Wind of Looden Wind, ook gij verhuist naar de andere wereld!
14210
14211 En hij greep hem aan en hij stond dapper te weer.
14212
14213 Elkaar scherp in het oog houdend, stonden de beide vijanden pal op den
14214 weg, steken toebrengend en afwerend. Uilenspiegel was heel met bloed
14215 bedekt, want zijn tegenstander, behendig soldaat, had hem gekwetst
14216 aan hoofd en been. Maar hij vocht als een leeuw. Het bloed gutste
14217 uit zijn hoofd, en verblindde hem: toch weerde hij af, met groote
14218 achterweertsche passen. Met de linkerhand wischte hij zijn bloed af,
14219 maar zijne krachten verflauwden. Zeker ware hij gedood, hadde Lamme,
14220 met een derde schot, den predikant niet geveld.
14221
14222 En een vloek stierf op zijne lippen, terwijl hij bloed en doods-schuim
14223 braakte.
14224
14225 En opnieuw steeg een blauwe rookwolk uit het struikgewas, waartusschen
14226 Lamme weer zijne goede tronie zien liet.
14227
14228 --Is 't gedaan? vroeg hij.
14229
14230 --Ja, mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel, maar kom....
14231
14232 Als Lamme te voorschijn kwam, zag hij Uilenspiegel gansch met bloed
14233 bedekt.
14234
14235 Ondanks zijnen buik, liep hij als een hert, en kwam bij Uilenspiegel,
14236 die nabij de gedoode mannen zat.
14237
14238 --Hij is gekwetst, mijn goede vriend, sprak hij, gekwetst door dien
14239 vuigen moordenaar!
14240
14241 En, met een schop, sloeg hij de tanden van een der predikanten stuk.
14242
14243 --Gij antwoordt niet, Uilenspiegel, hernam hij; gaat gij sterven? Waar
14244 is de balsem? Ha, in de weitasch, onder de worsten.
14245
14246 ... Uilenspiegel, hoort gij mij niet? Laas, ik heb geen warm
14247 water om uwe wonden te wasschen, en er is geen middel om er
14248 te krijgen. Maar ik haal water uit de Samber. Spreek toch, mijn
14249 vriend. Gij zijt toch zóó erg niet gekwetst? Hier, een weinig koud
14250 water, niet waar? Ha, hij wordt wakker. Ik ben het, uw vriend; ze
14251 zijn allemaal dood. Linnen! linnen om zijne wonden te verbinden! Er
14252 is er geen. Ha! mijn hemd!
14253
14254 Lamme kleedde zich uit en vervolgde:
14255
14256 --Aan stukken, het hemd! Het bloed is gestelpt. Mijn vriend zal niet
14257 sterven.... 't Is koeltjes, zoo bloot in de vinnige lucht. Ik ga mij
14258 weer aankleeden. Hij zal niet sterven. Ik ben het, Uilenspiegel, ik, uw
14259 vriend Lamme. Hij glimlacht. Ik ga de moordenaars aftasten. Zij hebben
14260 guldens in hunnen buik. Ja, zij hebben gouden darmen: karolussen,
14261 daalders, lammeren, florijnen, oortjes en brieven! Wij zijn rijk! Meer
14262 dan driehonderd karolussen voor ons getweeën. Wij zullen de wapenen
14263 nemen en 't geld. Stalen Wind zal niet blazen voor den edelen prins!
14264
14265 Uilenspiegel klappertandde door de koude, en stond op.
14266
14267 --Daar zijt gij op de beenen! sprak Lamme.
14268
14269 --Door de kracht van den balsem, antwoordde Uilenspiegel.
14270
14271 --Balsem van dapperheid! zeide Lamme.
14272
14273 Vervolgens sleepte hij de lijken van de predikanten een voor een
14274 voort, en smeet ze in een hol, tusschen de rotsen, met hunne wapenen
14275 en hunne kleederen, behalve den mantel.
14276
14277 In de lucht fladderden de raven, krassend van ongeduldige vraatzucht.
14278
14279 En de Samber vloeide als een stalen stroom, onder den grauwen hemel.
14280
14281 En de sneeuw viel en wischte de bloedvlekken uit. Maar toch waren
14282 zij ongerust en bekommerd.
14283
14284 Lamme sprak:
14285
14286 --Ik dood liever een kieken dan een mensch.
14287
14288 En zij stegen weder op hunne ezels.
14289
14290 Aan de poorten van Hoei, bloedden de wonden nog altijd; de vrienden
14291 gebaarden daar twist te krijgen, stegen van hunne ezels en schermden
14292 met hunne kruismessen. Na het gevecht, dat zeer wreed in schijn was,
14293 stegen zij weder op hunne dieren en kwamen binnen de stede, nadat
14294 zij aan de poorten hunne reispassen hadden getoond.
14295
14296 Toen de vrouwen Uilenspiegel gekwetst en Lamme zegevierend op zijn
14297 ezel zagen, keken zij met teeder medelijden naar Uilenspiegel en
14298 dreigden zij Lamme met de vuist, zeggende:
14299
14300 --Dáár is de deugniet, die zijn vriend schier vermoordde.
14301
14302 Lamme, ongerust, keek of hij onder haar zijn vrouwtje niet vond.
14303
14304 Hij zocht te vergeefs, wat hem in een weemoedige stemming bracht.
14305
14306
14307
14308
14309 XXIII.
14310
14311 --Waar gaan wij henen? vroeg Lamme.
14312
14313 --Naar Maastricht, antwoordde Uilenspiegel.
14314
14315 --Maar, mijn zoon, men zegt dat het leger des hertogen rond Maastricht
14316 samengebracht is en dat Alva zelf in die stede verblijft. Onze
14317 reispassen zullen niet voldoende zijn. En al hadden de Spaansche
14318 soldeniers er mede genoegen, wij zouden niettemin in de stad gehouden
14319 en ondervraagd worden. Ondertusschen zouden zij den moord van de
14320 predikanten vernemen en zouden wij aan het leven vaarwel mogen zeggen.
14321
14322 Uilenspiegel antwoordde:
14323
14324 --De raven, uilen en gieren zullen al het vleesch aftrekken, zoodat
14325 hun aangezicht onkennelijk zal geworden zijn. Wat onze passen betreft,
14326 die zouden wel goed zijn; maar als men den moord vernam, zouden wij
14327 gewis, zooals gij zegt, aangehouden worden. Daar wij te Maastricht
14328 wezen moeten, zullen wij over Landen trekken.
14329
14330 --Ze zullen ons ophangen, zei Lamme.
14331
14332 --We zullen er wel door geraken, antwoordde Uilenspiegel.
14333
14334 Aldus koutend kwamen zij in de afspanning de Ekster, waar zij goed
14335 eten, goede slaping en hooi voor hunne ezelen vonden.
14336
14337 's Anderen daags begaven zij zich op weg naar Landen.
14338
14339 Toen zij omtrent een groote hoeve, nabij de stad kwamen, floot
14340 Uilenspiegel als de Leeuwerik, en dadelijk antwoordde daarop, van
14341 binnen, een helder hanengekraai. Een cijnzenaar met een goedig gezicht
14342 verscheen op den drempel der hoeve. Hij riep hun toe:
14343
14344 --Vrienden, leve de Geus! komt binnen.
14345
14346 --Wie is dat? vroeg Lamme.
14347
14348 Uilenspiegel antwoordde:
14349
14350 --Thomas Utenhove, de dappere hervormde; de knechts en dienstmaagden
14351 zijner hoeve ijveren als hij voor het vrije geweten.
14352
14353 Utenhove sprak toen:
14354
14355 --Gij zijt zendelingen des prinsen. Eet en drinkt.
14356
14357 En de hesp siste in de pan en de worsten insgelijks; en de wijn werd
14358 opgebracht en de glazen gevuld. En Lamme dronk als een tempelier en
14359 liet zich de spijzen goed smaken.
14360
14361 De knechts en meiden van de hoeve kwamen beurtelings voor de
14362 halfgeopende deur kijken, om hem met de tanden te zien werken. En de
14363 mannen zeiden, begeerig, dat zij wel zooveel zouden eten als hij.
14364
14365 Op het einde van den maaltijd, sprak Thomas Utenhove:
14366
14367 --Honderd boeren zullen deze week van hier vertrekken; zij zeggen
14368 dat zij aan de dijken van Brugge en omstreken gaan werken. Zij reizen
14369 bij troepen van vijf of zes, en langs verschillende wegen. Te Brugge
14370 zullen zij schuiten vinden, die hen over zee naar Emden zullen brengen.
14371
14372 --Hebben zij wapenen en geld? vroeg Uilenspiegel.
14373
14374 --Elkeen heeft tien gulden en een hertsvanger, antwoordde Utenhove.
14375
14376 --God en de prins zullen U loonen!
14377
14378 --Ik behoef geene belooning; wat ik doe, doe ik uit overtuiging,
14379 zeide Utenhove.
14380
14381 --Vriend gastheer, vroeg Lamme, die dikke zwarte pensen aan 't peuzelen
14382 was, hoe krijgt gij ze zoo geurig, zoo smakelijk en zoo fijn van vet?
14383
14384 --Wij doen er kaneel en kattenkruid in, antwoordde de gastheer.
14385
14386 Vervolgens vroeg hij aan Uilenspiegel:
14387
14388 --Hoort Edzard, grave van Friesland, nog steeds tot den aanhang
14389 des prinsen?
14390
14391 Uilenspiegel antwoordde:
14392
14393 --Openlijk niet, maar toch verleent hij te Emden schuilplaats aan
14394 zijne vaartuigen.
14395
14396 En hij voegde er bij:
14397
14398 --Wij moeten naar Maastricht.
14399
14400 --Dat zult gij niet kunnen, sprak de gastheer; het leger des hertogen
14401 is vóór de stad en in 't ronde.
14402
14403 Vervolgens bracht hij hem naar den zolder; daar toonde hij hem van
14404 verre de vendels en kornetten ruiterij en voetvolk, die door het veld
14405 reden en marcheerden.
14406
14407 Uilenspiegel sprak:
14408
14409 --Ik geraak er wel door, zoo gij, die hier machtig zijt, mij de
14410 toelating geeft tot trouwen. De vrouw moet lieftallig, zachtaardig
14411 en schoon zijn en moet, zoo niet voor altijd, dan toch voor eene week
14412 met mij willen trouwen.
14413
14414 Lamme zuchtte en sprak:
14415
14416 --Doe dat niet, mijn vriend, zij zou u alleen laten, zonder kommer
14417 voor uw liefdevuur. Uw bed, waarop gij thans zoo vredevol slaapt, zal
14418 eene koets van netelen worden, waaruit de zoete nachtrust vlieden zal.
14419
14420 --Ik trouw, antwoordde Uilenspiegel.
14421
14422 En Lamme was diep bedroefd, omdat hij niets op de tafel meer vond. Maar
14423 hij ontdekte krakelingen in eene schaal, en hij speelde ze weemoedig
14424 binnen.
14425
14426 Uilenspiegel zei tot Thomas Utenhove:
14427
14428 --Nu, luister. Bezorg mij eene vrouw, rijk of arm. Ik ga met heur
14429 naar de kerk en doe het huwelijk inzegenen door den pastoor. Deze
14430 geeft ons een huwelijksbewijs, hoewel ongeldig, daar het komt van een
14431 aanhanger der Inquisitie; wij doen er in schrijven, dat wij goede
14432 kerstenen zijn, die gebiecht hebben en ten avondmaal gegaan zijn,
14433 dat wij apostolisch leven volgens de regelen Onzer Heilige Moeder de
14434 Roomsche Kerk,--die heure kinderen verbrandt,--om aldus over ons den
14435 zegen te roepen van Onzen Heiligen Vader den Paus, van de hemelsche
14436 en aardsche heirscharen, van de santen, santinnen, dekenen, pastoors,
14437 monniken, soldeniers, serjanten, hangmannen en andere diepers. Met
14438 dat kostbare bewijs op zak, maken wij de toebereidselen voor de
14439 gebruikelijke speelreis.
14440
14441 --Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.
14442
14443 Die zult gij mij zoeken, antwoordde Uilenspiegel. Ik neem dus twee
14444 speelwagens, die ik versier met sparre- en hulstetakken en papieren
14445 festoen. En ik laat er de mannen in stijgen, die gij den prins
14446 zenden wilt.
14447
14448 --Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.
14449
14450 --Die zal niet ver van hier zijn, antwoordde Uilenspiegel.
14451
14452 En zijne rede vervolgend, sprak hij:
14453
14454 --Voor den eersten wagen span ik twee uwer peerden, voor den tweeden
14455 onze beide ezelen. Den eersten wagen neem ik in met mijne vrouw,
14456 mijn vriend Lamme, de getuigen; de tweede wagen is bestemd voor de
14457 speellieden. Vervolgens trekken wij er op los, met wuivende vendels
14458 en onder 't geschal van tamboerijnen, pijpen, schalmeien; zingend,
14459 dansend en drinkend, rijden wij in vollen draf de groote baan op,
14460 die naar het galgeveld of naar de vrijheid leidt!
14461
14462 --Ik wil u helpen, sprak Thomas Utenhove. Maar de vrouwlieden en
14463 dochteren zullen heure mannen en minnaren willen volgen.
14464
14465 --Wij gaan mee op Gods genade, sprak een minzaam meideken, dat het
14466 hoofd binnenstak.
14467
14468 --Als het noodig is, zei Thomas Utenhove, kunnen er vier wagens zijn;
14469 aldus zouden wij meer dan vijf en twintig man aan den prins kunnen
14470 sturen.
14471
14472 --De hertog zal het kind van de rekening zijn, sprak Uilenspiegel.
14473
14474 --En de vloot van den prins zal eenige dappere soldaten meer tellen,
14475 antwoordde Thomas Utenhove.
14476
14477 Vervolgens deed hij het klokje luiden, om al zijne knechts en
14478 dienstmaagden samen te roepen.
14479
14480 Toen allen vergaderd waren, sprak hij tot hen:
14481
14482 --Gij allen, die Zeeuwen zijt, mannen als vrouwlieden, luistert:
14483 Uilenspiegel, de Vlaming, hier tegenwoordig, wil U in bruidsgewaad
14484 door het leger des hertogen brengen.
14485
14486 De mannen en vrouwen van Zeeland riepen te gelijk:
14487
14488 --Doodsgevaar! wij zijn er bij!
14489
14490 En de mannen zeiden tot elkaar:
14491
14492 --Voor ons is het een geluk, een land van dienstbaarheid te verlaten
14493 om de vrije zee te bevaren. Als God er vóór is, wie zal er tegen zijn?
14494
14495 De vrouwlieden en meidekens spraken:
14496
14497 --Wij volgen onze mannen en vrienden. Wij zijn uit Zeeland en zullen
14498 er schuilplaatse vinden.
14499
14500 Uilenspiegel wendde zich tot een jong en liefelijk meideken uit den
14501 troep, en zei schertsend:
14502
14503 --Met u wil ik trouwen.
14504
14505 Doch blozend antwoordde zij:
14506
14507 --Ik wil wel; doch alléén in de kerk.
14508
14509 De vrouwen spraken lachend tot elkaar:
14510
14511 --Heur hert trekt naar Hans, den zoon van den baas. Hij vertrekt
14512 zeker met heur.
14513
14514 --Ja, antwoordde Hans.
14515
14516 En de vader zei tot hem:
14517
14518 --Gij moogt.
14519
14520 De mannen trokken hunne beste kleederen aan: fluweelen wambuis en
14521 hooze, met het groot opperste kleed daarboven, en zetten breedgerande
14522 hoeden op 't hoofd, die hen tegen zon en regen zouden beschutten; ook
14523 de vrouwen kleedden zich in feestdos: gebekte zwarte onderbroeken,
14524 geplooide witte halskragen, hemelsblauwe en scharlakenroode
14525 borststukken met goudborduurselen, zwarte wollen rokken met breede
14526 fluweelen banden van dezelfde kleur, zwarte saaien kousen en fluweelen
14527 schoenen met zilveren gespen; op het voorhoofd hadden zij groote
14528 klatermeersen, die de meidekens links en de getrouwde vrouwlieden
14529 rechts droegen.
14530
14531 Vervolgens ging Thomas Utenhove naar de kerk, den pastoor verzoeken
14532 Thijlbert, zoon van Klaas, in de wandeling Uilenspiegel geheeten,
14533 dadelijk te willen trouwen met Tanneken Pieters. En meteen stak hij
14534 den pastoor twee rijksdaalders in de hand: de parochiepaap stemde
14535 gereedelijk toe.
14536
14537 Dienvolgens begaf Uilenspiegel zich naar de kerk met heel de bruiloft,
14538 en daar trouwde hij, vóór den pastoor, met Tanneken, die zoo schoon
14539 en zoo lief, zoo knap en zoo poezel was, dat hij zich moest inhouden
14540 om niet in heure kaken te bijten, die op twee kriekappeltjes geleken.
14541
14542 En hij zeide heur dat hij het maar liet, uit eerbied voor heur lief
14543 en zacht gezichtje. Maar schalksch zei ze:
14544
14545 --Wees toch stil, zie eens hoe Hans u beziet; hij zou u vermoorden!
14546
14547 En een meideken, dat jaloersch was, zei:
14548
14549 Zoek elders, Uilenspiegel, ziet gij niet dat zij bang is voor heuren
14550 minnaar?
14551
14552 Lamme wreef in zijne handen en riep:
14553
14554 --Ge zult ze toch allen niet hebben!
14555
14556 En hij was in zijn schik.
14557
14558 Uilenspiegel droeg geduldig zijn lot en keerde met de bruiloft terug
14559 naar de hoeve. Daar dronk men en zong men en deed hij bescheid met
14560 het jaloersche meideken. Hans was er gansch in zijn schik om, maar
14561 Tanneken niet, en de bruidegom van 't meideken evenmin.
14562
14563 Rond den middag, bij helderen zonneschijn en terwijl een frisch
14564 windeken woei, reden de wagens voort; ze waren gansch versierd met
14565 bloemen en loover, en met wapperende vendels. En ze vertrokken onder
14566 't blijde geschal van pijpen, schalmeien, tamboerijnen en doedelzakken.
14567
14568 In 't kamp van Alva was 't een andere kermis. De posten en
14569 schildwachten bliezen alarm en kwamen achtereenvolgens terug naar
14570 het kamp, zeggende:
14571
14572 --De vijand nadert; wij hebben 't gerucht van pijpen en schalmeien
14573 gehoord, en vendels gezien. 't Is een sterke afdeeling ruiterij die
14574 ons zeker in een hinderlaag wil lokken. Het legerkorps is ongetwijfeld
14575 in aantocht.
14576
14577 Dadelijk deed de hertog de kampmeesters, kolonels en hoplieden
14578 verwittigen, het leger in slagorde stellen en den vijand verkennen.
14579
14580 Plotseling verschenen vier wagens, die op de busschutters toereden. In
14581 de wagens waren de mannen en vrouwen aan 't dansen, bij 't blijde
14582 gerinkel van bottels en glazen en 't luidruchtig geschal van pijpen,
14583 schalmeien, trommelen en doedelzakken.
14584
14585 De bruiloft hield halt, en de hertog van Alva kwam zelf toegeloopen
14586 op het gerucht en zag de jonge bruid op een van de wagens en, naast
14587 heur, Uilenspiegel, heuren bruidegom, met zijn hoed vol bloemen; en
14588 al de boeren en boerinnen waren van de wagens gesprongen en dansten
14589 rond het jonge paar, en noodden de soldaten tot drinken.
14590
14591 Alva en de zijnen waren grootendeels verwonderd over den eenvoud
14592 dier buitenlieden, die zongen en dansten, te midden van een leger,
14593 dat in slagorde stond.
14594
14595 En allen, die in de wagens zaten, schonken wijn aan de Spaansche
14596 soldaten.
14597
14598 En de Maranen zwaaiden met de hoeden en juichten hen toe.
14599
14600 Als de wijn op was, reden de boeren en boerinnen voort, onder 't
14601 geschal van tamboerijnen, pijpen en doedelzakken. Niemand deed hun
14602 de minste moeilijkheid aan.
14603
14604 Integendeel, de soldaten schoten een salvo met hunne bussen.
14605
14606 En zoo kwamen zij in Maastricht, waar Uilenspiegel zich verstond
14607 met de hervormden om, door middel van schepen, een grooten voorraad
14608 wapenen en munitie naar de vloot van den Zwijger te zenden.
14609
14610 Ook te Landen deden zij hetzelfde.
14611
14612 En, als daglooners gekleed, geraakten zij overal door.
14613
14614 De list kwam den hertog ter oore; en er werd een liedje op gemaakt,
14615 dat hem gezonden werd, met dit refrein:
14616
14617
14618 Bloed-hertog, dwaas-hertog,
14619 Hebt ge de bruid gezien?
14620
14621
14622 En telkens dat hij een verkeerde beweging gemaakt had, zongen de
14623 soldaten:
14624
14625
14626 De hertog krijgt schele oogen,
14627 Hij heeft de bruid gezien.
14628
14629
14630
14631
14632 XXIV.
14633
14634 Afgunst verteerde koning Philippus. In zijn hoogmoed bad hij jammerend
14635 God, dat hij hem de macht zou geven Engeland te overwinnen, Frankrijk
14636 te veroveren, Milaan, Genua en Venetië in te nemen en, meester der
14637 zeeën, heel Europa te gebieden.
14638
14639 Hij dacht aan die zegepraal, maar hij lachte niet.
14640
14641 Gedurig was hij huiverig; de wijn verwarmde hem niet, noch het
14642 vuur van het welriekend hout, dat altijd brandde in de zaal waar
14643 hij verbleef. Daar zat hij te midden van zoovele brieven, dat men
14644 er wel honderd tonnen mede had kunnen vullen; hij dacht aan de
14645 alleen-heerschappij over gansch de aarde, zooals die uitgeoefend
14646 werd door de Roomsche keizers, en aan den naijver en den haat die
14647 hij zijnen zoon don Carlos toedroeg, sedert deze de plaats van den
14648 hertog van Alva in de Nederlanden had willen innemen. En als hij hem
14649 zag, mismaakt, zot en boosaardig, kwam er een nog grootere haat over
14650 hem. Maar niemand sprak hij er over.
14651
14652 Zij, die den koning en zijnen zoon dienden, wisten niet wien zij
14653 't meest moesten vreezen, óf den moordzieken kroonprins, die zijn
14654 dienaren in 't gezicht krabde, òf den gluiperigen koning, die zich
14655 van anderen bediende als hij iemand wilde treffen, en die als eene
14656 hyena leefde van lijken.
14657
14658 De dienaren waren verschrikt als ze den een achter den anderen zagen
14659 sluipen, en zeiden, dat men, in 't Escuriaal, weldra van dooden
14660 zou hooren.
14661
14662 Weldra vernamen zij, dat don Carlos gevangen gezet was, wegens
14663 hoogverraad. En zij wisten dat verdriet hem verteerde; dat hij door
14664 de staven van zijn kerker had willen kruipen om te vluchten, en zich
14665 aldus het aangezicht had gekwetst.
14666
14667 Ook wist men, dat mevrouwe Isabella van Frankrijk, zijne moeder,
14668 gedurig weende.
14669
14670 Maar koning Philippus weende niet.
14671
14672 Ze kregen mare, dat men don Carlos versche vijgen gegeven had, en dat
14673 hij 's anderen daags zoo zacht gestorven was alsof hij ingesluimerd
14674 was.
14675
14676 De dokters zeiden: Zoodra hij de vijgen gegeten had, hield zijn hert
14677 op met kloppen en werden de natuurlijke levensverrichtingen afgebroken;
14678 zijn buik zwol op en zoo gaf hij den geest.
14679
14680 Koning Philippus woonde de uitvaart van don Carlos bij, deed hem
14681 begraven in de kapel zijner koninklijke verblijfplaats en eenen steen
14682 op zijn graf leggen, maar hij weende niet.
14683
14684 En spottend met het vorstelijk grafschrift, dat in dien steen was
14685 gebeiteld, zeiden de dienaren tot elkander:
14686
14687
14688 HIER LIGT BEGRAVEN DEGENE DIE VERSCHE
14689 VIJGEN AT EN STIERF ZONDER ZIEK TE ZIJN.
14690
14691 A qui jace qui en para desit verdad,
14692 Morio s'in infirmidad.
14693
14694
14695 En koning Philippus bezag met ontuchtige blikken de prinses van
14696 Eboli, die getrouwd was. Door drift verteerd, smeekte hij heur en
14697 zij weerstond niet....
14698
14699 Mevrouwe Isabella van Frankrijk, die, naar men zeide, don Carlos'
14700 inzichten op de Nederlanden begunstigd had, werd droef en mager. Heur
14701 haar viel uit, met dikke lokken te gelijk. En dikwerf braakte zij,
14702 en de nagelen heurer teenen en vingeren vielen uit. En zij stierf.
14703
14704 En koning Philippus weende niet.
14705
14706 Het haar van den prins van Eboli viel insgelijks uit. Hij werd droef
14707 en klaagde gedurig. Dan vielen ook zijne nagelen van teenen en vingeren
14708 uit. En hij stierf.
14709
14710 En de koning deed hem begraven.
14711
14712 En hij betaalde den rouw der weduwe, en weende niet.
14713
14714
14715
14716
14717 XXV.
14718
14719 In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen
14720 aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het
14721 struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want,
14722 zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en
14723 't ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die
14724 zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van
14725 toovernij, gewis.
14726
14727 Nele antwoordde:
14728
14729 --Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren,
14730 dat Nele's hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den
14731 grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt,
14732 is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.
14733
14734 De vrouwen antwoordden:
14735
14736 --Katelijne nochtans wordt verdacht.
14737
14738 --Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde
14739 Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk
14740 op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.
14741
14742 En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:
14743
14744 --Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.
14745
14746 De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.
14747
14748 Nele antwoordde:
14749
14750 --De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te
14751 hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.
14752
14753 En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.
14754
14755 En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien
14756 niemand zag, zeggende:
14757
14758 --Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste;
14759 ik zal uwe koozerijen betalen.
14760
14761 En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze
14762 dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet
14763 volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:--Doe het vuur uit! en
14764 de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur
14765 der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.
14766
14767 En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge
14768 gras.
14769
14770 De jongen, die de meibruid vond, was de koning van 't feest; was het
14771 integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin
14772 van het meifeest.
14773
14774 Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de
14775 meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.
14776
14777 En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en
14778 heuren vriend Uilenspiegel zocht.
14779
14780
14781
14782
14783 XXVI.
14784
14785 En Uilenspiegel en Lamme, schrijlings op hunne ezels gezeten,
14786 vervolgden hunnen weg.
14787
14788 --Nu, Lamme, luister goed, sprak Uilenspiegel, de Nederlandsche edelen,
14789 naijverig op den prins van Oranje, verrieden de zaak der eedgenooten,
14790 het heilig verbond, het kloekmoedig eedverbond, dat geteekend was
14791 voor het welzijn van den grond onzer vaderen. Egmond en Hoorne waren
14792 ontrouw, doch zij vonden er niet het minste voordeel bij, integendeel;
14793 Brederode is dood; in dezen oorlog blijven ons niets anders over dan
14794 het arme volk van Brabant en Vlaanderen, dat op eerlijke hoofdmannen
14795 wacht om op te rukken; en vervolgens, mijn jongen, de eilanden van
14796 Zeeland en Noord-Holland, waarvan de prins stadhouder is; en verder
14797 nog, op zee, Edzard, graaf van Emden en van Oost-Friesland.
14798
14799 --Laas! sprak Lamme, ik word het wel gewaar: wij dwalen rond tusschen
14800 rad, galg en brandstapel, stervend van honger, stikkend van dorst,
14801 zonder hoop ergens ruste te vinden.
14802
14803 --'t Is maar een begin, antwoordde Uilenspiegel. Ge moet toch bekennen,
14804 dat ons bestaan heel vroolijk is: wij dooden onze vijanden; wij
14805 spotten met hen, hebben onze tasschen vol florijnen en daalders; wij
14806 zijn goed gevoed met vleesch, met brood en met wijn. Wat wilt gij nog
14807 meer, pluimzak? Willen wij onze ezels verkoopen om peerden te koopen?
14808
14809 --Thijl, zeide Lamme, de draf van een peerd is tamelijk hard voor
14810 een man, zoo vollijvig als ik.
14811
14812 --Gij kunt u te peerd zetten lijk de boeren, antwoordde Uilenspiegel,
14813 en niemand zal u uitlachen, mits gij gekleed zijt als een boer en
14814 geen zweerd draagt lijk ik, doch enkel eenen verkensspriet.
14815
14816 --Maar, vroeg Lamme, zijt gij wel zeker, dat onze passen kunnen dienen
14817 in de kleine steden?
14818
14819 --Heb ik geen bewijs van den parochiepaap, sprak Uilenspiegel, met
14820 een groot lakzegel van de kerk, dat er aanhangt met twee perkamenten
14821 steerten; hebben wij ook onze biechtbriefkens niet? De huurlingen en
14822 serjanten des hertogen vermogen niets tegen twee mannen, van zulke
14823 goede papieren voorzien.
14824
14825 Lamme antwoordde niet.
14826
14827 --En de zwarte paternosters die wij verkoopen? vervolgde
14828 Uilenspiegel. Wij beiden zijn ruiters, gij Vlaming, ik Duitscher,
14829 wij reizen op uitdrukkelijk bevel van den hertog, om de ketters
14830 dezer landen tot het heilig katholiek geloove terug te brengen,
14831 door het verkoopen van gewijde voorwerpen. Aldus zullen wij overal
14832 binnendringen, bij de groote heeren en in de rijke abdijen. En daar
14833 zullen wij rijkelijk onthaald worden. En wij zullen hunne geheimen
14834 ontstelen. Verblijd u van te voren, mijn zachtaardige vriend.
14835
14836 --Jongen, sprak Lamme, wat wij doen is werk van spionnen.
14837
14838 --Krachtens recht en oorlogswet, antwoordde Uilenspiegel.
14839
14840 --Als zij de zaak der drie predikanten vernemen, worden wij
14841 geradbraakt, zei Lamme.
14842
14843 Uilenspiegel zong:
14844
14845
14846 Leven steekt op mijn Vaandel uit,
14847 Leven in 't licht der rede.
14848 Lederen is mijn eerste huid,
14849 Stalen is mijn tweede.
14850
14851
14852 Doch Lamme zuchtte:
14853
14854 --Ik, ik heb maar één vel, en het is zeer zacht; bij den minsten
14855 daggeslag zou het seffens open liggen. Wij zouden beter doen ons
14856 aan een of ander nuttig ambacht over te leveren, dan aldus van het
14857 een oord naar 't ander te dolen, om al die groote prinsen te dienen,
14858 die, met de voeten in fluweelen muilen, rustig, aan vergulde tafelen,
14859 ortolanen eten. Voor ons de slagen, de gevaren, het gevecht, de regen,
14860 de hagel, de sneeuwstormen en de magere soep van de zwervers; voor
14861 hen, de heerlijke worsten, de vette kapoenen, de geurige lijsters,
14862 de smakelijke ganzen.
14863
14864 --Het water komt in uwen mond, mijn zachtaardige vriend, sprak
14865 Uilenspiegel.
14866
14867 --Waar zijt gij, nieuwbakken brood, geurige koekebakken, heerlijke
14868 rijstpap? En gij, waar zijt gij, mijn vrouwtje?
14869
14870 Uilenspiegel antwoordde:
14871
14872 --De assche van Klaas klopt op mijn hert en drijft mij ten
14873 strijde. Maar gij, zachtmoedige Lamme, die den dood van uwen vader
14874 noch uwe moeder moet wreken, noch het verdriet van hen die gij bemint,
14875 nog uw huidige armoede, laat mij alleen gaan, daar waar de plicht
14876 mij roept, zoo de vermoeienissen des oorlogs u afschrikken.
14877
14878 --Alleen? sprak Lamme.
14879
14880 En hij hield zijn ezel in, die dezen stilstand ten nutte maakte om
14881 zich deugd te doen aan de distelen, waarmede de weg vol stond, zoo
14882 ver het oog reikte. Uilenspiegel's grauwtje bleef insgelijks staan
14883 en nam deel aan 't ezelsfestijn.
14884
14885 --Alleen? sprak Lamme. Dát zult gij niet doen; mij alleen laten
14886 ware een groote wreedheid. Alreeds mijne vrouw kwijt, en vervolgens
14887 mijn vriend, dat ware te veel. Ik zal nooit meer klagen, ik beloof
14888 het u. En, als het nu toch moet zijn,--en hij hief kloekmoedig het
14889 hoofd op,--zal ik gaan onder den kogelregen, ja! En in 't midden
14890 der zweerden, ja! vlak in 't gezicht van die leelijke huurlingen,
14891 die bloed zuipen lijk wolven. En mocht ik eens doodelijk getroffen
14892 aan uwe voeten neervallen, begraaf mij dan, mijn vriend Uilenspiegel,
14893 en ziet gij later mijne vrouw weer, zeg heur dat ik gestorven ben,
14894 omdat ik niet leven kon zonder door iemand bemind te wezen.... Neen,
14895 dat zou ik niet kunnen, mijn vriend.
14896
14897 En Lamme weende, en Uilenspiegel voelde een krop in de keel.
14898
14899
14900
14901
14902 XXVII.
14903
14904 In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen:
14905 het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander
14906 naar het markgraafschap Namen.
14907
14908 --Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak
14909 Uilenspiegel, maar 't is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar
14910 Maastricht gaan.
14911
14912 Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat
14913 Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden,
14914 en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde
14915 meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast,
14916 waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond,
14917 het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.
14918
14919 Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon
14920 blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.
14921
14922 Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens,
14923 toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat
14924 op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon
14925 te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en
14926 Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij 't refrein in hunne
14927 moedertaal.
14928
14929 Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen,
14930 en Uilenspiegel zei tot Lamme.
14931
14932 --Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene
14933 rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?
14934
14935 --Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.
14936
14937 Toen sprak eene vrouw:
14938
14939 --Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken,
14940 uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het
14941 hem lust.
14942
14943 --Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.
14944
14945 --Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem
14946 eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen,
14947 en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was
14948 gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar in
14949 den Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes
14950 door een eiken berd van twaalf duim dik.
14951
14952 --Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje
14953 van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon
14954 te balken.
14955
14956 Uilenspiegel antwoordde:
14957
14958 --Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoo sterk zijn als
14959 hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er
14960 twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.
14961
14962 --Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.
14963
14964 --De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen
14965 uit zedigheid.
14966
14967 En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:
14968
14969 --Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien
14970 te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen
14971 neus in het stof duwen.
14972
14973 --Zwijg toch, zei Lamme.
14974
14975 --Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet
14976 loochenen.
14977
14978 --Hi han! riep de schipper.
14979
14980 --Hi han! kefte het jongetje.
14981
14982 Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende
14983 leeuwerik.
14984
14985 En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat
14986 goddelijk vogelgezang had geleerd.
14987
14988 --In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.
14989
14990 Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken
14991 en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:
14992
14993 --Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal
14994 komen om met ons en onze ezels te spotten?
14995
14996 --Ja, durft gij? vroeg Lamme.
14997
14998 --Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren
14999 langooren, ik noodig u op mijne boot.
15000
15001 --Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den
15002 schipper riep hij toe:
15003
15004 --Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze
15005 ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne
15006 moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen
15007 wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een
15008 golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar
15009 vooruit lijk de krabben, zijwaarts.
15010
15011 --Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.
15012
15013 Toen sprak de schipper tot Lamme:
15014
15015 --Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?
15016
15017 Lamme, die kwaad werd, riep:
15018
15019 --Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet
15020 mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij,
15021 oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde
15022 haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw
15023 magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.
15024
15025 --Die gaan malkander in 't haar vliegen, zeiden de omstanders, vol
15026 ongeduldig genoegen.
15027
15028 --Hi han! hi han! riep de schipper.
15029
15030 Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar
15031 den schipper te werpen.
15032
15033 --Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.
15034
15035 De schipper zeide iets in 't oor van het jongetje, dat naast hem op
15036 de boot aan 't hihannen was.
15037
15038 Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd
15039 was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer
15040 behendig hanteerde.
15041
15042 Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:
15043
15044 --De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot
15045 durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen
15046 en vrouwlieden zullen getuigen zijn.
15047
15048 --Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.
15049
15050 --Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op
15051 hoogmoedigen toon.
15052
15053 Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers,
15054 scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de
15055 kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met
15056 gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte
15057 aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een
15058 der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend
15059 in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.
15060
15061 --Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in
15062 't water smijten.
15063
15064 --Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.
15065
15066 --De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen
15067 en kinderen.
15068
15069 Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en
15070 bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.
15071
15072 --Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen
15073 eens zien of ik benauwd ben!
15074
15075 Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:
15076
15077 --Laat ons op de boot gaan.
15078
15079 Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar
15080 het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene
15081 plaats leidde, waar distelen groeiden.
15082
15083 Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats
15084 nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.
15085
15086 Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op
15087 de boot.
15088
15089 Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover,
15090 alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden
15091 tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar
15092 Lamme keek.
15093
15094 Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet
15095 hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:
15096
15097 --Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u
15098 eenen steek in den buik geeft?
15099
15100 Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende
15101 stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch
15102 hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette
15103 armen stak.
15104
15105 De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en
15106 Uilenspiegel zei op snoevenden toon:
15107
15108 --Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.
15109
15110 De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht
15111 nagingen, zeiden:
15112
15113 --Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?
15114
15115 En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op
15116 Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht
15117 te beschutten.
15118
15119 Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier,
15120 met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed
15121 om te slaan.
15122
15123 --Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door
15124 de berden uwer modderschuit.
15125
15126 De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed
15127 teeken met de hand dat hij om genade vroeg.
15128
15129 Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met den rug naar
15130 de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in
15131 een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog,
15132 triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.
15133
15134 En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever
15135 stonden, juichten toe om het meest en riepen:
15136
15137 --Leve de overwinnaar van Sterken Pier! 't Is een ijzeren man!
15138
15139 En tot elkander zeiden zij:
15140
15141 --Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het
15142 hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais
15143 te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.
15144
15145 Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten
15146 wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand
15147 tot teeken van vrede.
15148
15149 En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en
15150 ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote
15151 schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije
15152 hij maakte in het ruim.
15153
15154 --'t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.
15155
15156 De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om
15157 zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond
15158 verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten
15159 en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat
15160 men zich wachten moest hem scheef te bezien.
15161
15162 Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.
15163
15164 Deze zeide eensklaps:
15165
15166 --Uwe ezelen vervelen zich ginder.
15167
15168 Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der
15169 ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende
15170 gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op
15171 het dek van de boot.
15172
15173 Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel,
15174 waarna hij zeide:
15175
15176 --Laat ons drinken!
15177
15178 Het jongetje sprong op het dek.
15179
15180 En zij dronken.
15181
15182 Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig
15183 uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerost had, en dorst
15184 hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed,
15185 want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk
15186 hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten,
15187 uit weerwraak.
15188
15189 Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme
15190 herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend
15191 zelfvertrouwen.
15192
15193 En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een
15194 luiden schaterlach.
15195
15196 Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer
15197 te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop
15198 gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.
15199
15200 De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan
15201 de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver
15202 zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van
15203 het voeder.
15204
15205 Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds
15206 paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de
15207 boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen
15208 stap verzetten.
15209
15210 Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme
15211 Goedzak:
15212
15213 --Laat ons naar de keuken gaan.
15214
15215 --'t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.
15216
15217 --Ja, 't is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen,
15218 mijn overwinnaar.
15219
15220 --Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik
15221 u volgen.
15222
15223 Het jongetje ging naar het roer.
15224
15225 Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen,
15226 erwten, kool, wortelen en andere groenten.
15227
15228 De schipper opende de deur eener smidse en zei:
15229
15230 --Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent
15231 van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere
15232 gekraai van den haan, en 't gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen
15233 werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt
15234 men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht
15235 voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen;
15236 doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in
15237 deze kasten.
15238
15239 Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim
15240 bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel
15241 geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen
15242 weder op zijne plaats.
15243
15244 Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen,
15245 zakjes kogels en kruit.
15246
15247 --Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven
15248 zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen
15249 de osseschinkels voor de vrijheidssoep!
15250
15251 ... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij
15252 aan Uilenspiegel.
15253
15254 Deze antwoordde:
15255
15256 --Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder
15257 beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen,
15258 te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de
15259 leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met
15260 een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent
15261 de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten,
15262 doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de
15263 markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen
15264 wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen
15265 moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder
15266 gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe
15267 groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan
15268 te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen,
15269 vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee
15270 te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren
15271 kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland
15272 of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe
15273 vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren,
15274 want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.
15275
15276 --Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!
15277
15278 En zij gingen terug naar het dek.
15279
15280 Doch Lamme was vol weemoed.
15281
15282 --Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo
15283 blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot
15284 zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.
15285
15286 --Ik zal u ververschen, sprak de man.
15287
15288 En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten
15289 hesp was gekookt.
15290
15291 Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper
15292 en sprak:
15293
15294 --Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen
15295 hutsepot dàt.
15296
15297 --Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat
15298 er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.
15299
15300 De schipper vulde de bekers en sprak:
15301
15302 --Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!
15303
15304 Uilenspiegel sprak:
15305
15306 --Ik drink op den haan, die oorlog kraait!
15307
15308 Lamme sprak:
15309
15310 --Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde
15311 nooit kwellen!
15312
15313 --Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den
15314 schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.
15315
15316 --De zee is groot, sprak de schipper.
15317
15318 --Groot voor 't gevecht, antwoordde Uilenspiegel.
15319
15320 --God is met ons, zei de schipper.
15321
15322 --Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.
15323
15324 --Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.
15325
15326 --Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.
15327
15328 --Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.
15329
15330 De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij
15331 de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.
15332
15333 Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.
15334
15335 Zij reden naar Luik.
15336
15337 --Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het
15338 mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet
15339 afrossen door iemand lijk ik?
15340
15341 --Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou
15342 voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is
15343 een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou
15344 voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke,
15345 tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken
15346 niet heeft, die, onder eens iegelijks oogen, met eenen stoot met
15347 den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne
15348 schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens
15349 opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme,
15350 de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik
15351 onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen
15352 u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en,
15353 gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets
15354 anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de
15355 algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.
15356
15357 --Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den
15358 zadel hield.
15359
15360 --En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die
15361 nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont
15362 elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die
15363 mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne
15364 muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit
15365 het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen
15366 hem met schrik en met eerbied.
15367
15368 En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een
15369 koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp,
15370 van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen,
15371 welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.
15372
15373 En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en
15374 vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door
15375 't gekraai van den haan.
15376
15377 En overal werden, voor 't werk van de vrijheid, wapenen gegoten,
15378 gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.
15379
15380 En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.
15381
15382 En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en
15383 in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat
15384 Gods ure zou slaan.
15385
15386 En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan
15387 door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat
15388 hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en
15389 strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.
15390
15391 En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.
15392
15393 Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden
15394 dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.
15395
15396 En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat
15397 nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos,
15398 gestoofd door het lekkere eten.
15399
15400 Aldus kwamen zij te Stokhem.
15401
15402
15403
15404
15405 XXVIII.
15406
15407 Te Stokhem lieten zij hunne ezelen op stal, en begaven zij zich te
15408 voet naar Antwerpen, welke stede zij bij 't vallen van den avond
15409 binnentrokken.
15410
15411 En Uilenspiegel zeide tot Lamme:
15412
15413 --Hier is de groote stad, de gansche wereld stapelt hier hare
15414 rijkdommen: goud, zilver, specerijen, goudleder, kostelijke tapijten,
15415 lakens, fluweelen, tieretijnen, wollen en zijden stoffen; boonen,
15416 erwten, granen, vleesch en meel, gezouten huiden; wijn van Leuven, van
15417 Namen, van Luxemburg, van Luik, landwijn van Brussel en van Aarschot,
15418 wijn van Buley, uit den wijngaard omtrent de poort van La Plante,
15419 te Namen, Rijnwijn, heerlijke Spaansche- en Portugeesche wijnen;
15420 druivenolie van Aarschot, die zij Landolium heeten; Bourgondische,
15421 Malvezij- en vele andere wijnen. En de kaaien staan vol koopwaren.
15422
15423 ... Die rijkdommen der aarde en der menschelijke bedrijvigheid trekken
15424 naar dit oord de schoonste meidekens van de wereld.
15425
15426 --Ik geloof, dat gij weer aan 't droomen zijt, sprak Lamme.
15427
15428 Uilenspiegel antwoordde:
15429
15430 --Onder haar zal ik de Zeven vinden. Er werd mij gezegd:
15431
15432
15433 In den dood en in het bloed,
15434 In de puinen en de tranen,
15435 Vind de Zeven.
15436
15437
15438 ... Wie dan veroorzaakt meer verderf dan de meisjes van plezier? Is
15439 het niet bij heur dat de arme, waanzinnige mannen hunne schoone,
15440 klinkende en blinkende karolussen verteren? Laten zij niet bij heur,
15441 juweelen, ringen en kettingen; keeren zij niet uitgeschud huiswaarts,
15442 zonder wambuis en soms zonder hemde, terwijl de deernen smeren en teren
15443 met het geld, dat zij hun ontfutseld hebben? Waar is het roode, heldere
15444 bloed, dat in hunne aderen vloeide? Het is preisap geworden. En vechten
15445 de mannen niet tegen elkander met messen, met daggen, met zweerden, tot
15446 den dood, om heure gunst te verkrijgen? De bleeke en bloedende lijken,
15447 die men wegbrengt, zijn lijken van arme, waanzinnige verliefden. Als
15448 de vader knort en gestreng blijft zitten, als zijn witte haren er
15449 witter en stijver uitzien, als uit zijne droge oogen, die branden van
15450 verdriet over het verderf van zijn kind, geene tranen meer vloeien;
15451 als de moeder, stilzwijgend en bleek als de dood, weent alsof voor
15452 haar de wereld nog slechts wee en ramp moest baren, wie dan is de
15453 schuld van dat verdriet, van die tranen? De lustige meidekens beminnen
15454 niemand dan zich zelven en het geld, en heel de denkende, werkende,
15455 zwoegende wereld houden zij aan heure rokken gebonden. Ja, Lamme,
15456 dáár zijn de Zeven, en wij zullen bij de meidekens gaan. Wellicht
15457 vinden wij daar uwe vrouw: zóó vangen wij twee vliegen in één slag.
15458
15459 --Ik wil wel, sprak Lamme.
15460
15461 Toen was men in de hooimaand, in het midden van den zomer, als de zon
15462 de bladeren der kastanjeboomen roostert, de vogeltjes in het loover
15463 kweelen en de insecten van genoegen gonzen, omdat het gras zoo warm is.
15464
15465 Lamme doolde met gebogen hoofde naast Uilenspiegel door de straten
15466 van Antwerpen; hij sleepte zijn lichaam voort, alsof het zwaar als
15467 een huis was.
15468
15469 --Lamme, sprak Uilenspiegel, gij ziet er wederom zoo weemoedig uit;
15470 weet gij dan niet dat niets slechter kan zijn voor uw vel? Als gij
15471 volherdt in uw zwarte gedachten, zult gij het verliezen met stukken
15472 en brokken. En dan zal het aangenaam zijn te moeten hooren, als men
15473 van u zal spreken: de schurftige Lamme.
15474
15475 --Ik heb honger, sprak Lamme.
15476
15477 --Kom eten, zei Uilenspiegel.
15478
15479 En samen gingen zij naar de Oude Trappen, waar zij soezels aten en
15480 dobbele kuite dronken, totdat zij hunne bekomst hadden.
15481
15482 En Lamme weende niet meer.
15483
15484 En Uilenspiegel sprak:
15485
15486 --Gezegend zij het goed bier, dat de ziel verkwikt als een dartele
15487 zonnestraal. Gij lacht dat uw buik er van schokt. Zoo zie ik u geerne,
15488 met uwe darmen, die dansen van vreugde.
15489
15490 --Mijn vriend, antwoordde Lamme, zij zouden nog meer dansen, zoo ik
15491 het geluk had mijne vrouw weder te vinden.
15492
15493 --Wij zullen ze zoeken, zei Uilenspiegel.
15494
15495 En zoo kwamen zij in de wijk van het Scheld.
15496
15497 --Kijk, zeide Uilenspiegel tot Lamme, kijk naar dit huisje, dat
15498 heel van hout is gemaakt, met schoone, gebeitelde vensteren, waar
15499 kleine ruitjes in steken; kijk naar die gele gordijntjes en die roode
15500 lanteerne. Daar, mijn vriend, achter vier tonnen bruinbier, uitzet,
15501 dobbele kuite en Spaanschen wijn, troont een schoone bazinne van over
15502 de vijftig. Elk jaar, dat de Heer heur vergunt, krijgt zij een nieuwe
15503 laag vet. Op eene der tonnen flikkert eene vetkeers en aan de balken
15504 der zoldering hangt eene lanteerne. Het is daar donker en klaar:
15505 donker voor de liefde en klaar voor 't gelag.
15506
15507 --Maar, sprak Lamme, 't is een klooster van duivelsche nonnen, en
15508 uwe bazinne is de abdis.
15509
15510 --Ja, sprak Uilenspiegel, zij is het, die, in naam van den heer
15511 Beëlzebub, vijftien liederlijke meidekens leidt op den weg van den
15512 ontucht, en de meidekens vinden eten en schuilplaats bij heur, doch
15513 mogen er niet vernachten.
15514
15515 --Kent gij dat huis? vroeg Lamme.
15516
15517 --Neen.
15518
15519 --Hoe kunt gij er dan van spreken?
15520
15521 --Ik ga er uwe vrouw zoeken. Kom mede met mij.
15522
15523 --Neen, sprak Lamme, ik heb mij bepeinsd en ga daar niet binnen.
15524
15525 --Zoudt gij uwen vriend alleen blootgesteld laten aan de ondernemingen
15526 van die dienaressen van Astarte?
15527
15528 --Hij moet er maar niet heen gaan, antwoordde Lamme.
15529
15530 --Als hij er nu moet gaan om de Zeven en meteen uwe vrouw te
15531 zoeken? hernam Uilenspiegel.
15532
15533 --Ik ging liever slapen, sprak Lamme.
15534
15535 --Kom maar mee, zeide Uilenspiegel.
15536
15537 En hij opende de deur en duwde Lamme vóór zich binnen.
15538
15539 --Zie, sprak hij, daar is de bazinne achter heure tonnen, tusschen twee
15540 keersen: de zaal is groot, met heure zwart geworden eiken zoldering
15541 van bewalmde kepers en planken. Rondom, langsheen de muren, staan
15542 stoelen en hinkende tafelen, dewelke bedekt zijn met glazen, pinten,
15543 bekers, kroezen, kruiken, flesschen, bottels en ander drinkgerief. In
15544 't midden der zaal staan nog tafelen en stoelen, waarop huiken, dat
15545 zijn vrouwenkappen, gulden gordelriemen, fluweelen steltschoenen,
15546 doedelzakken, pijpen en schalmeien liggen. In den hoek is eene ladder,
15547 die naar boven leidt. Een kale bultenaar speelt op eene klavecimbel,
15548 die op glazen pooten staat, om 't geluid van het speeltuig te
15549 vermeerderen. Dans, dikzak. Vijftien schoone meiden zitten op tafelen
15550 of schrijlings op stoelen, in allerlei houding: gebogen, op de zijde
15551 geleund of achterover, of met het hoofd in de hand, naarvolgens
15552 heure grillen; ze zijn gekleed in het wit, in het rood, in allerhande
15553 kleuren, en laten heure bloote armen zien en ook een deel van heuren
15554 boezem. Er zijn er van alle soorten; ze zijn uitgekozen! Van de eenen,
15555 laat het weifelend licht der keersen, dat heure blonde lokken komt
15556 streelen, hare blauwe oogen in het duister, zoodat men er enkel het
15557 vochtige vuur in ziet flikkeren. Anderen zien naar de zoldering en
15558 neuren, op de maat van den vedel, een droeve Duitsche ballade. Anderen
15559 nog, ronde, bruine, dikke, drinken met volle bekers Spaanschen wijn en
15560 toonen heure ronde, tot de schouderen ontbloote armen, en schaamteloos
15561 roepen en tieren de eenen na den anderen en allen te zamen. Hoor wat
15562 ze zeggen: Het is onze mesdag! Heden willen wij niets verdienen! Heden
15563 willen wij geen geld: wij vragen slechts liefde!
15564
15565 Toen Lamme zoovele blonde en bruine, frissche en verslenste vrouwen
15566 te gelijk zag, werd hij beschaamd; hij sloeg zijn oogen neder en riep:
15567
15568 --Uilenspiegel, waar zijt gij?
15569
15570 --Hij heeft dit tranendal verlaten, mijn vriend, sprak een dikke
15571 deerne, die hem bij den arm vatte.
15572
15573 --Dit tranendal verlaten? vroeg Lamme.
15574
15575 --Ja, zeide zij, driehonderd jaar geleden, in gezelschap van Jacobus
15576 de Coster van Maerlandt.
15577
15578 --Laat mij los, sprak Lamme, en nijp mij niet meer.
15579
15580 En op droeven toon ging hij voort:
15581
15582 --Uilenspiegel, mijn vriend, waar zijt gij? Kom uwen gezel toch
15583 ter hulp.
15584
15585 Maar de vrouwen sarden hem meer en meer.
15586
15587 --Ik ga dadelijk heen, als gij mij niet gerust laat.
15588
15589 --Gij zult niet vertrekken, zeiden zij.
15590
15591 --Uilenspiegel, ging Lamme jammerend voort, waar zijt gij dan toch?
15592
15593 En zich tot de plaagzieke meiden wendend, ging hij voort:
15594
15595 --Juffer, als 't u belieft, trek mij zoo bij mijn haar niet; het is
15596 geene pruik, ik mag het u verzekeren. Hulp! Hulp! Vindt gij mijne ooren
15597 niet rood genoeg, dat gij ze nijpt en er het bloed in doet stijgen? En
15598 die andere, die mij gedurig knippen voor den neus geeft! Gij doet mij
15599 zeer. Laas! wat wrijft gij nu in mijn aangezicht? Een spiegel! Ik
15600 zie zwart als een ovengat. Als gij niet uitscheidt, maak ik mij
15601 kwaad; gij moest beschaamd zijn een armen, weerloozen man aldus te
15602 mishandelen! Laat mij los! Als gij mij eene uur bij mijne hooze, bij
15603 mijn wambuis, rechts, links, langs alle kanten zult gesleurd hebben,
15604 zult gij er vetter om zijn? Ja, ge moogt er zeker van wezen, ik ga
15605 mij kwaad maken.
15606
15607 --Hij gaat zich kwaad maken, zeiden zij spottend; hij gaat zich kwaad
15608 maken, zou men niet zeggen! Lach liever, en zing ons een liedeken
15609 van zoete minne.
15610
15611 --Ik zal een liedeken zingen van slagen, als gij wilt. Maar nog eens,
15612 laat mij los.
15613
15614 --Wie van ons ziet gij 't liefst?
15615
15616 --Niemand; noch u, noch eene van de anderen. Ik ga mijne klacht doen
15617 bij den magistraat, en hij zal u doen geeselen.
15618
15619 --Hallo, spraken zij, doen geeselen? En zoo wij u vóór de geeseling
15620 eens vastnamen en kusten?
15621
15622 --Mij? sprak Lamme.
15623
15624 --Ja, u! antwoordden allen.
15625
15626 En al de vrouwen, schoone en leelijke, frissche en verslenste, bruine
15627 en blonde, vlogen naar Lamme.
15628
15629 Zij smeten zijne toque, zijn opperste kleed omhoog, streelden hem,
15630 kusten hem, zoenden hem uit al heure kracht, daar waar zij konden,
15631 op zijne kaken, op zijnen neus, op zijne maag, in zijnen hals.
15632
15633 De bazinne schaterlachte tusschen heure vetkeersen.
15634
15635 --Hulp! schreeuwde Lamme, hulp! Uilenspiegel, verlos mij van dat
15636 ongedierte. Laat me los, ik wil van uwe kussen niet weten; ik ben
15637 getrouwd, drommels!, en bewaar al mijne kussen voor mijne vrouw.
15638
15639 --Getrouwd, spraken zij, maar daar heeft uwe vrouw veel te veel aan,
15640 aan een man zoo vollijvig als gij. Geef ons wat van uw vet. Een trouwe
15641 vrouw, dat is van doen, doch een trouwe man is een kapoen. God hoede u:
15642 gij moet eene keus doen, of wij geeselen u, op onze beurt.
15643
15644 --Ik zal het niet doen, sprak Lamme.
15645
15646 --Kies eene uit, spraken zij.
15647
15648 --Neen, sprak hij.
15649
15650 --Wilt gij mij? vroeg een schoone blonde; bezie mij, ik ben zachtzinnig
15651 van aard, en ik min hem, die mij mint.
15652
15653 --Laat mij los, sprak Lamme.
15654
15655 --Wilt gij mij? sprak een bekoorlijke meid, met gitzwarte lokken en
15656 een bruine tint, en die overigens door de engelen gemaakt scheen.
15657
15658 --Peperkoek lust ik niet, sprak Lamme.
15659
15660 --En mij, zult gij mij niet nemen? vroeg een echte reuzin, met een
15661 voorhoofd, dat schier teenemaal bedekt was met heur haar, met dikke
15662 wenkbrauwen, die samen kwamen, met groote, flikkerende oogen, met
15663 dikke, bloedroode lippen, en ook een rood aangezicht, een rooden hals
15664 en roode schouderen.
15665
15666 --Van gloeiende steenen heb ik schrik, antwoordde Lamme.
15667
15668 --Neem mij, sprak een zestienjarig meideken, met een gezichtje zoo
15669 scherp als dat van een eekhorentje.
15670
15671 --Ik houd niet van notenkrakers, antwoordde Lamme.
15672
15673 --We zullen hem moeten geeselen, zeiden zij. Waarmede? Met schoone
15674 zweepen van droog leder. En dapper geklitskletst! Het hardste vel is
15675 niet bestand tegen lederen roeden. Neemt tien zweepen van karrelieden
15676 en ezeldrijvers, die zijn de beste,
15677
15678 --Hulp! hulp! Uilenspiegel! kreet Lamme.
15679
15680 Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
15681
15682 --Gij hebt geen hert, zuchtte Lamme, terwijl hij zijnen vriend
15683 overal zocht.
15684
15685 De zweepen werden aangebracht. Twee van de meidekens begonnen Lamme's
15686 wambuis uit te trekken.
15687
15688 --Eilaas! mijn arm vet, dat ik met zooveel moeite vergaarde, gaan
15689 ze mij ongetwijfeld ontnemen met heur striemende zweepen. Maar,
15690 meedoogenlooze wijvekens, mijn vet kan u tot niets dienen, gij kunt
15691 er niet eens sausen van maken.
15692
15693 Zij antwoordden:
15694
15695 --Wij zullen er keersen van gieten. 't Is toch al iets, klaar te zien,
15696 zonder dat het een oortje moet kosten! Zij, die voortaan zal beweren
15697 dat de keersen uit zweepen voortkomen, zal door een iegelijk aanzien
15698 worden voor een zottinne. Doch wij zullen voor heur aantrekken tot
15699 den dood, en wij zullen meer dan ééne weddenschap winnen. Steekt de
15700 roeden even in den azijn. Doet zijn wambuis uit. Negen uren slaat het
15701 op Sint-Jacobs. Als gij met den laatsten slag geene keus gedaan hebt,
15702 gaan wij er op los!
15703
15704 Sidderend jammerde Lamme:
15705
15706 Hebt genade en medelijden met mij; ik heb mijne arme vrouwe trouw
15707 gezworen en ik zal mijn eed gestand doen, hoewel ze heel slecht deed,
15708 mij te verlaten. Uilenspiegel, help mij, verlos mij, mijn vriend!
15709
15710 Doch Uilenspiegel was te hooren noch te zien.
15711
15712 Lamme zeide tot de deernen:
15713
15714 --Aanschouwt mij, ik lig aan uwe voeten. Ootmoediger kan mijne
15715 houding niet wezen. Bediedt dit niet genoeg dat ik, als heiligen,
15716 uwe bekoorlijkheden vereer? Gelukzalig hij, die niet getrouwd is en
15717 uwe koozerijen mag genieten! Ik twijfel er niet aan, dat gij hemelsche
15718 genoegens doet smaken, maar slaat mij niet, als 't u belieft.
15719
15720 Doch de bazinne, tusschen heure twee keersen gezeten, sprak eensklaps
15721 met donderende en dreigende stemme:
15722
15723 --Vrouwen en meidekens, bij alle duivelen uit de helle zweer ik dat,
15724 bijaldien gij, door lachen en koozerijen, dien man niet dadelijk
15725 tot u krijgt, ik de nachtwacht ga halen en u allen in zijne plaats
15726 doe geeselen. Gij verdient geenszins den naam van dienaressen van de
15727 godin der liefde, zoo gij met uwen mond, uwe handen, uwe vurige oogen
15728 niet bij machte zijt de mannen te verleiden. En om uwe onnoozelheid
15729 wordt gij zonder mededoogen gegeeseld!
15730
15731 Op die rede, begonnen de vrouwen en meidekens te beven en blonk
15732 Lamme's gezicht van vreugde.
15733
15734 --Nu, vrouwtjes, sprak hij schertsend, welke mare brengt gij mede van
15735 het land der striemende zweepen? Ik zal der bazinne de moeite sparen
15736 en zelf om de wacht gaan. Deze zal haren plicht doen en ik wil met
15737 pleizier een handeken toesteken. Alle baten helpen.
15738
15739 Doch een aanvallig meideken van een vijftiental jaren viel op hare
15740 knieën vóór Lamme.
15741
15742 --Heer, sprak zij, gij ziet mij hier wel nederig en gelaten vóór uwe
15743 voeten; doch als gij niemand onzer wilt kiezen, moet ik om uwent wille
15744 gegeeseld worden; is dat rechtveerdig? En de bazinne daar, zal mij in
15745 een leelijken, donkeren kelder steken, onder de Schelde, waar het water
15746 van de muren zijpelt en waar ik slechts roggebrood te eten zal krijgen.
15747
15748 --Zou zij werkelijk om mijnent wille gegeeseld worden, mevrouw de
15749 bazinne? vroeg Lamme onthutst.
15750
15751 De bazinne bevestigde:
15752
15753 --Tot bloedens toe gegeeseld.
15754
15755 Lamme aanschouwde toen het meideken en sprak:
15756
15757 --Gij zijt lief, gij zeit frisch, uw blanke schouderen komen als
15758 rozeblaadjes uit op uw kleed; ik wil niet dat die donzige huid,
15759 onder dewelke zulk jeugdig bloed vloeit, lijde onder de slagen der
15760 zweep; dat die heldere, flikkerende oogen weenen ter oorzake van de
15761 smerte der slagen; dat de wakke killigheid des gevangs dat goddelijk
15762 lichaam doe beven. Dienvolgens heb ik liever u te verkiezen, dan te
15763 weten dat gij om mijnent wille geslagen wordt.
15764
15765 Het meideken leidde hem mede. En zoo zondigde hij, gelijk hij deed
15766 heel zijn leven, uit goedhertigheid.
15767
15768
15769
15770
15771 XXIX.
15772
15773 Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de
15774 ochtendschemering omtrent Lokeren.
15775
15776 Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.
15777
15778 De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel
15779 schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.
15780
15781 En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de
15782 deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van
15783 den haan na.
15784
15785 Uilenspiegel zeide tot Lamme:
15786
15787 Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het
15788 warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en
15789 zeer dikwijls, 's nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van
15790 het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen
15791 arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde,
15792 en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog
15793 niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.
15794
15795 --Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen
15796 op de meersch, achter het huis.
15797
15798 Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in
15799 de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder
15800 bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne
15801 knechts gereedmaakte.
15802
15803 Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:
15804
15805 --Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?
15806
15807 Uilenspiegel antwoordde:
15808
15809 --De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd, ter oorzake
15810 van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er
15811 te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf
15812 Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp;
15813 van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele
15814 vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen
15815 zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten,
15816 om het werk van vrije mannen te verrichten.
15817
15818 --Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb
15819 wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen
15820 op ezelen?
15821
15822 --Ja, zeiden zij.
15823
15824 --En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten,
15825 die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen
15826 van de Maas?
15827
15828 --Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die
15829 drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren
15830 om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik,
15831 hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld
15832 is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen
15833 wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.
15834
15835 En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok
15836 er papieren en perkamenten uit.
15837
15838 Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:
15839
15840 --Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den
15841 prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel
15842 en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered
15843 hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe
15844 rijdieren zou herkennen.
15845
15846 Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen
15847 van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.
15848
15849 --Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid
15850 van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij
15851 mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken
15852 van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot,
15853 dat men omtrent La Plante aan 't bouwen is. De deurwaarder van de
15854 vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds
15855 bijeengekomen waren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen
15856 was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den
15857 moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den
15858 moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: "Ik heb boeren
15859 en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne
15860 dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van
15861 hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de
15862 vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken
15863 van messire van Oranje een kopken kleiner te maken." Terwijl de baas
15864 dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den
15865 hals na te bootsen. "Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk
15866 op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is." Hij sprak en werd
15867 losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld
15868 brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand
15869 gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien,
15870 dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal
15871 aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.
15872
15873 --Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij
15874 voegen bij den oorlogsschat van den prins.
15875
15876 De dieren werden verkocht.
15877
15878 --Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot
15879 geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?
15880
15881 --Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.
15882
15883 --En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.
15884
15885 --Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.
15886
15887 Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen,
15888 met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te
15889 maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnen Dat is voor
15890 u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg;
15891 ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken
15892 te bakken.
15893
15894 --Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.
15895
15896 --Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.
15897
15898 Wasteele antwoordde:
15899
15900 --Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik
15901 mijn werk niet afkrijgen.
15902
15903 --Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?
15904
15905 --Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.
15906
15907 --Zonder boter? vroeg Lamme.
15908
15909 --Zonder boter, sprak Wasteele.
15910
15911 --Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.
15912
15913 --Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben
15914 wilt, zal ik er halen in den Pelikaan, hier dichtbij.
15915
15916 --Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.
15917
15918 --Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote
15919 verachting bekeek.
15920
15921 Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at
15922 Lamme voor vijven.
15923
15924 En hij sprak:
15925
15926 --Wanneer beginnen wij te werken?
15927
15928 --Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet
15929 bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.
15930
15931 --Dat gaat mij, sprak Lamme.
15932
15933 's Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten
15934 waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit
15935 den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.
15936
15937 --Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig
15938 lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd
15939 kogels te gieten; gij gaat mij helpen.
15940
15941 --Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er
15942 geen vier om u behulpzaam te wezen!
15943
15944 --Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.
15945
15946 --Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den
15947 vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.
15948
15949 --Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.
15950
15951 --Ik zal, sprak Lamme.
15952
15953 Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid
15954 Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo'n slaap had.
15955
15956 Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over
15957 het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond
15958 middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en,
15959 terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en
15960 lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:
15961
15962 --Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vast vertrouwen
15963 in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver,
15964 veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan
15965 van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede
15966 God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is,
15967 boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust
15968 noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en
15969 slapeloosheid!
15970
15971 --Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.
15972
15973 --Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.
15974
15975 Maar Lamme vervolgde:
15976
15977 --Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en
15978 Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen
15979 en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen
15980 door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen
15981 en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden
15982 bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich
15983 niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen
15984 en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in
15985 den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch
15986 katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden
15987 koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen
15988 inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens;
15989 uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn,
15990 op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die
15991 zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus,
15992 die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar
15993 de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de
15994 aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de
15995 hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van
15996 het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde,
15997 zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood,
15998 en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten,
15999 zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen
16000 zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen:
16001 "Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen."
16002
16003 Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lamme blies
16004 van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:
16005
16006 --Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch
16007 voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de
16008 vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust,
16009 zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden
16010 te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet
16011 met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met
16012 geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.
16013
16014 Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.
16015
16016 En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.
16017
16018 En dit drie nachten achtereen.
16019
16020 Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien,
16021 muizenvallen en oliekoeken.
16022
16023 Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart,
16024 en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan
16025 en dat men 's avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de
16026 afspanning den Zwaan.
16027
16028 Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne
16029 oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat
16030 hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik,
16031 want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.
16032
16033 Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob
16034 Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker,
16035 aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de
16036 Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij
16037 voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te
16038 Gent en in 't ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.
16039
16040 Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije
16041 gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent
16042 de Brugsche poort.
16043
16044
16045
16046
16047 XXX.
16048
16049 Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend,
16050 reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal
16051 deed hij schavotten oprichten, brandstapels aansteken, putten delven
16052 om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.
16053
16054 En de koning erfde.
16055
16056 Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was
16057 naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand
16058 was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.
16059
16060 --Mijn vriend, sprak Lamme, 't is nu de vierde nacht dat gij op den
16061 dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt in den Zoeten Inval;
16062 gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd
16063 voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten in
16064 den Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt
16065 gij geene vrouw in alle eer en deugd?
16066
16067 --Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor
16068 wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet,
16069 kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.
16070
16071 --En Nele, denkt gij aan heur niet?
16072
16073 --Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.
16074
16075 Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel,
16076 liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur
16077 hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.
16078
16079 --He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?
16080
16081 --Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal
16082 vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.
16083
16084 --Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.
16085
16086 Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.
16087
16088 --Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.
16089
16090 --Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naar den Zwaan, en eet daar
16091 eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier,
16092 en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.
16093
16094 --In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.
16095
16096 Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.
16097
16098 --Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs
16099 den anderen kant optillen.
16100
16101 Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:
16102
16103 --Laat ons nu loopen.
16104
16105 --Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.
16106
16107 --Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is
16108 daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte
16109 vrouwen--lijk hij ons heet--te doen geeselen, als zij hem geen vijf
16110 gulden willen betalen. Daarom is 't dat ik loop: kom mede en blijf
16111 bij mij om mij te verdedigen.
16112
16113 --Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in
16114 aller ijl naar Destelbergen, in de Drie Koningen.
16115
16116 Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de
16117 beide handen vast en begon te loopen.
16118
16119 --Waar loopt die dikke haas naartoe?
16120
16121 --Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde
16122 Uilenspiegel.
16123
16124 --Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op
16125 den grond stampte.
16126
16127 --Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde
16128 Uilenspiegel.
16129
16130 --Wat beteekent dat? vroeg zij.
16131
16132 Uilenspiegel antwoordde:
16133
16134 --Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn,
16135 aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.
16136
16137 Wantrouwig bezag hem de meid.
16138
16139 --Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te
16140 rusten.
16141
16142 --Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei
16143 schuilplaats.
16144
16145 --Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.
16146
16147 --Ik verkies uwen rok, zeide hij.
16148
16149 --Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken,
16150 lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.
16151
16152 --Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn
16153 vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij,
16154 met vier beenen, sneller zullen loopen.
16155
16156 --Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.
16157
16158 --Ja, zeide hij.
16159
16160 --Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille,
16161 ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat
16162 knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man
16163 van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert,
16164 dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.
16165
16166 --Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den
16167 doorluchtigen, heiligen Antonius.
16168
16169 Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.
16170
16171 --Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed
16172 drinken.
16173
16174 --Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.
16175
16176 Zij gingen de afspanning binnen.
16177
16178 Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.
16179
16180 Uilenspiegel sprak tot den baas:
16181
16182 --Ziet gij dezen gulden?
16183
16184 --Ik zie hem, zei de baas.
16185
16186 --Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar
16187 met dobbelen klauwaard te vullen?
16188
16189 De baas antwoordde:
16190
16191 --Met negen mannekens zijt gij er van af.
16192
16193 --Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten
16194 te veel. Om het even, tap ze maar vol.
16195
16196 Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht;
16197 met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel
16198 den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als 't gerucht van een
16199 bruisenden waterval.
16200
16201 De vrouw stond verstomd en vroeg:
16202
16203 --Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren
16204 buik te gieten?
16205
16206 Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:
16207
16208 --Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard,
16209 dat wij eten en drinken.
16210
16211 Zoo deden zij.
16212
16213 Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo
16214 onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt
16215 over was.
16216
16217 Toen vroeg zij hem:
16218
16219 --Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons,
16220 vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?
16221
16222 Uilenspiegel antwoordde:
16223
16224 --Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet,
16225 boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik
16226 dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven
16227 toestand in 't verschiet: niets hebben dan droog brood om mijn honger
16228 te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne
16229 ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze
16230 van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk;
16231 alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn
16232 meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven,
16233 weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg;
16234 kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.
16235
16236 --Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon
16237 vendel om aan eenen stok te binden.
16238
16239 De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan
16240 om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het
16241 meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne
16242 beulsknechten.
16243
16244 --Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.
16245
16246 En als herten liepen zij naar Destelbergen, naar de Drie Koningen,
16247 alwaar zij Lamme aan 't eten vonden.
16248
16249
16250
16251
16252 XXXI.
16253
16254 Te Gent ging Uilenspiegel dikwijls bij Jacob Scoelap, bij Livinus
16255 Smet en bij Jan de Wulfslaeger, die hem kond gaven van den voor-
16256 of tegenspoed van den edelen Zwijger.
16257
16258 En als Uilenspiegel naar Destelbergen terugkwam, vroeg Lamme hem
16259 telkens:
16260
16261 --Welk nieuws brengt gij mede? Goed of slecht?
16262
16263 --Laas! zeide Uilenspiegel, de Zwijger, zijn broeder Lodewijk, de
16264 andere hoofdlieden en de Franschen hadden besloten vooruit te rukken
16265 in Frankrijk, om zich met den prins van Condé aan te sluiten. Op die
16266 wijze waren zij er wellicht in geslaagd het arm Belgisch vaderland
16267 en het vrije geweten te redden. God liet dit niet toe, de Duitsche
16268 ruiters en landsknechten weigerden verder te gaan, en zeiden dat hun
16269 eed sprak van tegen den hertog van Alva te vechten, doch niet tegen
16270 Frankrijk. Hij heeft hun gesmeekt hun plicht te doen, doch tevergeefs;
16271 de Zwijger was gedwongen hen langs Champagne en Lotharingen te brengen
16272 naar Straatsburg, van waar zij naar Duitschland terugkeerden. Alles
16273 mislukt door dit plotseling en halsstarrig vertrek: de koning van
16274 Frankrijk weigert, niettegenstaande zijn verdrag met den prins, het
16275 geld te storten, dat hij hem beloofd had; de koningin van Engeland
16276 had er hem willen zenden om de stad en het land van Kales weder in
16277 bezit te krijgen; heure brieven werden onderschept door den hertog
16278 van Lotharingen, die er een afwijzend antwoord op zond.
16279
16280 ... Aldus zien wij dat schoon leger, al onze hoop op redding,
16281 verzwinden als spoken bij den zonsopgang; maar God is met ons, en als
16282 de aarde ons ontsnapt, zullen wij te water voortwerken. Leve de Geus!
16283
16284
16285
16286
16287 XXXII.
16288
16289 Badend in tranen, kwam 't meideken zeggen tot Lamme en tot
16290 Uilenspiegel:
16291
16292 --Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen
16293 ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder
16294 Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt
16295 mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard,
16296 Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens,
16297 is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken
16298 en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel,
16299 in de taveerne den Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk
16300 geschuwd werd als de pest.
16301
16302 ... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven,
16303 schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen
16304 te pakken.
16305
16306 ... Pieter de Roose antwoordde:
16307
16308 --De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus
16309 moeten maken,
16310
16311 ... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen
16312 aan hen, die ik minne.
16313
16314 ... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem
16315 toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was;
16316 daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting,
16317 als hij niet dadelijk opkraamde.
16318
16319 ... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij
16320 gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en
16321 trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis,
16322 gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.
16323
16324 ... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven, genezen
16325 was, ging hij in het Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet
16326 gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht
16327 wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten,
16328 geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het
16329 woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige
16330 truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs
16331 werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.
16332
16333 ... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede
16334 kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes
16335 kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle
16336 genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun
16337 vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem
16338 ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de
16339 inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.
16340
16341 ... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen,
16342 rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een
16343 heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe,
16344 en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd
16345 had in de taveerne den Valk, en dat hij daarenboven voor 't minst
16346 driehonderd florijnen in eene kist liggen had.
16347
16348 ... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag
16349 waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten
16350 verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde
16351 op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan
16352 eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken
16353 zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.
16354
16355 ... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een
16356 truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het
16357 wel Pieter de Roose was, maar hij niet.
16358
16359 ... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten
16360 Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens
16361 te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij,
16362 en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige
16363 vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.
16364
16365 ... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was;
16366 Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaan dat hij hem
16367 vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter
16368 hand stellen.
16369
16370 ... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.
16371
16372 ... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden
16373 zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.
16374
16375 ... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers
16376 van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en
16377 naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat
16378 hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan
16379 heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit
16380 kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens
16381 het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de
16382 godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen,
16383 in de taveerne den Valk hadden hooren uitbraken, dat was gelogen van
16384 't begin tot het einde, zeiden de getuigen.
16385
16386 ... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen
16387 gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar
16388 verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen
16389 of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.
16390
16391 ... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het
16392 hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken,
16393 terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die
16394 zich aan zijne voeten gezet had.
16395
16396 ... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij
16397 te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam,
16398 en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen,
16399 want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.
16400
16401 ... En in mijne armen gaf hij den geest.
16402
16403 --Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en
16404 beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en
16405 'k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.
16406
16407 Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel's borst.
16408
16409 En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.
16410
16411 Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar
16412 heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te
16413 vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen
16414 was, verwittigde heur dat de parochiepaap en de poorters verklaard
16415 hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen,
16416 bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.
16417
16418 Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede,
16419 kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het
16420 konterfeitsel van een meester-pasteibakker.
16421
16422 Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.
16423
16424 En Boelkin zeide:
16425
16426 --Dat is mijn rampzalige broeder.
16427
16428 Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:
16429
16430 --Spelle wordt gehangen!
16431
16432 --Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.
16433
16434 --Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen
16435 meer smaken als gij het ziet.
16436
16437 Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:
16438
16439 --Gij hebt geen vertrouwen in mij.
16440
16441 --Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs
16442 van vertrouwen als ik u zeg: "Spelle wordt gehangen?" Met dat woord
16443 alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.
16444
16445 --Inderdaad, antwoordde zij.
16446
16447 --Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele
16448 pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet
16449 afzonderlijk zijn.
16450
16451 ... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het
16452 water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.
16453
16454 Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij
16455 er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel
16456 aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin's broeder.
16457
16458 Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus,
16459 eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de
16460 trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.
16461
16462 Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog
16463 was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde
16464 oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.
16465
16466 Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker,
16467 zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde,
16468 bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:
16469
16470 --Hij is het, mijn arm Michielken!
16471
16472 Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.
16473
16474 Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen
16475 toon:
16476
16477 --Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.
16478
16479 Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:
16480
16481 --Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.
16482
16483 Boelkin antwoordde:
16484
16485 --Ga naar de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze
16486 taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van
16487 mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.
16488
16489 Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.
16490
16491 Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle 's
16492 avonds in de Valk warmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was
16493 met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden,
16494 dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.
16495
16496 Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede
16497 teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om
16498 door hen beschermd te worden.
16499
16500 En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het
16501 geld der onschuldige slachtofferen.
16502
16503 Maar de taveerne de Valk werd niet meer bezocht zooals in de schoone
16504 dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en
16505 nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het
16506 als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen,
16507 aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven,
16508 die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.
16509
16510 In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De
16511 verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen,
16512 de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten
16513 opmaken. En als zij 's avonds, onder 't zingen van vuile
16514 liedekens, van den Valk terugkeerden, werden ze gevolgd door twee
16515 beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen
16516 te vergezelschappen.
16517
16518 Uilenspiegel ging in de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter
16519 zijnen toog stond.
16520
16521 Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot
16522 den baas:
16523
16524 --Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.
16525
16526 --Kom binnen in de keuken, zei de baas.
16527
16528 Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in
16529 de oogen.
16530
16531 --Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw
16532 knipoogen? Wie zijt gij?
16533
16534 Uilenspiegel antwoordde:
16535
16536 --Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van
16537 den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.
16538
16539 --Is 't Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.
16540
16541 --Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle
16542 dooden en gij zult mij helpen.
16543
16544 --Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?
16545
16546 Uilenspiegel antwoordde:
16547
16548 --Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van
16549 Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok,
16550 met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschen
16551 den Valk en het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw
16552 blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult
16553 gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant
16554 een wagen zal komen aanrijden.
16555
16556 ... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij
16557 slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze
16558 opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.
16559
16560 --Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.
16561
16562 En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:
16563
16564 --Ik drink op de koorde van Spelle!
16565
16566 --Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.
16567
16568 Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige
16569 Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de
16570 Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver-
16571 en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden,
16572 dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten
16573 onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.
16574
16575 En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald
16576 hadden.
16577
16578 Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder
16579 't drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden, dat Joost
16580 bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar
16581 van zoovele onschuldige slachtofferen.
16582
16583 Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.
16584
16585 's Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd
16586 waren, bijeen bij Joost Lansaem in de Blauwe Gans, alwaar zij, als naar
16587 gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.
16588
16589 Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende
16590 wegen, naar de Evergemsche baan.
16591
16592 Zij waren zeventien in getal.
16593
16594 Op slag van tien uren kwam Spelle uit den Valk, gevolgd door zijne
16595 twee beulsknechten en door Pieter de Roose.
16596
16597 Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson
16598 Boone, een vriend van Michielken.
16599
16600 Spelle kon hen niet zien.
16601
16602 De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook
16603 Pieter de Roose en de beide beulsknechten.
16604
16605 Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:
16606
16607 --Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven;
16608 komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch
16609 een beetje!
16610
16611 Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op
16612 eens het gebalk van een ezel en 't geklap eener zweep.
16613
16614 --Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet
16615 vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.
16616
16617 Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die
16618 onstuimig over den steenweg stormde.
16619
16620 --Houdt hem tegen! riep Spelle.
16621
16622 Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee
16623 beulsknechten naar den kop van den ezel.
16624
16625 --In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van
16626 de beulsknechten.
16627
16628 --Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens 's nachts
16629 heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt;
16630 spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.
16631
16632 De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met
16633 zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij
16634 slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:
16635
16636 --Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!
16637
16638 In een hoek van den wagen stond een man, die in 't wit gekleed was,
16639 lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten
16640 vasthield.
16641
16642 Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen
16643 beschenen was, riep hij als waanzinnig:
16644
16645 --Michielken! Michielken!
16646
16647 En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:
16648
16649 --Michielken! Heer, ontferm u onzer!
16650
16651 Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel
16652 te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van
16653 de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.
16654
16655 En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.
16656
16657 Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den
16658 dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin
16659 waren reeds de wormen aan 't knagen.
16660
16661 Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle
16662 stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:
16663
16664 --Spelle! provoost Spelle, word wakker!
16665
16666 Maar Spelle verroerde zich niet.
16667
16668 --Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker,
16669 of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.
16670
16671 Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge
16672 van schrik:
16673
16674 --Michielken! Michielken! heb medelijden!
16675
16676 De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de
16677 lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo,
16678 ten minste, bekende hij later.
16679
16680 --Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven
16681 bereid?
16682
16683 --Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken,
16684 daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen,
16685 beladen met zoo menigvuldige zonden.
16686
16687 --Herkent gij mij? vroeg het spook.
16688
16689 --God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt
16690 het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf
16691 in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee
16692 bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van
16693 vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk
16694 mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mij in bekoring gebracht;
16695 hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in
16696 het doodenboek te schrijven.
16697
16698 --Wilt gij biechten? vroeg het spook.
16699
16700 --Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie
16701 doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar
16702 staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder
16703 die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf
16704 onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne
16705 namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt;
16706 elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen
16707 zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.
16708
16709 ... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten
16710 weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder,
16711 onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik
16712 heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen
16713 weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster;
16714 verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de
16715 arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.
16716
16717 Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid
16718 was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van
16719 Spelle en wilde hem verworgen.
16720
16721 Maar de pastoor kwam bij.
16722
16723 --Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden
16724 sterve dan door die van een spook.
16725
16726 --Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.
16727
16728 --Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen,
16729 antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.
16730
16731 --Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een
16732 arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor
16733 de Spaansche jagers.
16734
16735 Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.
16736
16737 En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen
16738 verbeurdverklaard.
16739
16740 En de koning erfde.
16741
16742
16743
16744
16745 XXXIII.
16746
16747 's Anderen daags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord
16748 van de Leie, met heur helder gouden water.
16749
16750 Jammerend volgde Lamme zijn vriend.
16751
16752 Uilenspiegel zei tot hem:
16753
16754 --Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een
16755 hoornen kroon op het hoofd zette?
16756
16757 --Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw,
16758 en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete
16759 Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal
16760 veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij
16761 mij tot antwoord:
16762
16763 --Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.
16764
16765 --Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:
16766
16767 --Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet
16768 alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen
16769 wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande
16770 de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche
16771 kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?
16772
16773 --Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de
16774 heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een
16775 deugdzame gezellin voor u wezen.
16776
16777 --Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het,
16778 die ik hebben wil, u, mijne vrouw!
16779
16780 --Zij schudde het hoofd en vervolgde:
16781
16782 --Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in
16783 ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt
16784 gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen;
16785 gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur,
16786 om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe
16787 plaats, doch verder niets, mijn vriend.
16788
16789 --Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe
16790 kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw
16791 onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen,
16792 die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die
16793 ons zoo innig verbindt.
16794
16795 --Het moet, antwoordde zij.
16796
16797 --Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt
16798 genomen?
16799
16800 Zij antwoordde:
16801
16802 --Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.
16803
16804 --Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke
16805 plichten niet meer te volbrengen?
16806
16807 --Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder
16808 't getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.
16809
16810 --Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de
16811 trouwe gezellin van een ander was.
16812
16813 --Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch
16814 tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik
16815 gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen,
16816 vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht;
16817 ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of
16818 droevig om mijn verdriet.
16819
16820 --Waar mag zij nu wezen?
16821
16822 En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in
16823 zijne handen, en keek naar het water.
16824
16825 --Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en
16826 lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van
16827 liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig
16828 als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte,
16829 als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die
16830 mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem
16831 en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar
16832 liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die
16833 uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in 't gouden licht van de zon?
16834
16835
16836
16837
16838 XXXIV.
16839
16840 De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was
16841 snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:
16842
16843 --Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.
16844
16845 --'t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.
16846
16847 Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep
16848 herten voorbijrennen.
16849
16850 --Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche
16851 bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen
16852 takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen
16853 zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met
16854 hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe
16855 bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is
16856 getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het
16857 valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....
16858
16859 --Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten
16860 te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen,
16861 't is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige
16862 gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend;
16863 ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt,
16864 wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon,
16865 gij kunt ze toch niet krijgen.
16866
16867 --Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in
16868 de bladeren? 't Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze
16869 gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt
16870 is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.
16871
16872 --Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar
16873 loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij
16874 vallen om nimmermeer op te staan.
16875
16876 Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen,
16877 te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden
16878 de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme
16879 en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in
16880 het dichtst begroeide deel van het woud.
16881
16882 Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en
16883 ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend
16884 met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen,
16885 met ruiterspistolen.
16886
16887 Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:
16888
16889 --Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te
16890 ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?
16891
16892 --Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij
16893 het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij,
16894 wie zijt gij?
16895
16896 --Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde
16897 Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te
16898 gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone
16899 te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas
16900 en verkeerd is.
16901
16902 --Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gij
16903 Schild en Vriend kunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo
16904 niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.
16905
16906 Uilenspiegel sprak:
16907
16908 --Schild en Vriend.
16909
16910 --En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert
16911 gij uit?
16912
16913 Lamme antwoordde:
16914
16915 --Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn
16916 echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden
16917 en plaatsen opvolgen.
16918
16919 --Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten
16920 hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?
16921
16922 --Ik weet het niet, was 't antwoord van Lamme, maar kunt gij mij
16923 den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw
16924 overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga
16925 ik hem vermoorden.
16926
16927 De oude man antwoordde:
16928
16929 --In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens
16930 dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig
16931 geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.
16932
16933 Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook
16934 deze vraag:
16935
16936 --En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?
16937
16938 --De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.
16939
16940 --Kunt gij ook zeggen waarom?
16941
16942 --Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag
16943 zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den
16944 duivel namen. "Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de
16945 rog te verbannen", zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze
16946 mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht
16947 het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!
16948
16949 Intusschen hoorde men, in het bosch, 't geblaf van de honden
16950 weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen
16951 luidkeels om het wild schrik aan te jagen.
16952
16953 --Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.
16954
16955 --Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe
16956 noemt men die van Eindhoven, in Limburg?
16957
16958 --De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de
16959 poort hunner stede, en zij grendelden die vast met eenen wortel. De
16960 ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de
16961 vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen,
16962 die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije
16963 geweten wil kerkeren.
16964
16965 --Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.
16966
16967 Uilenspiegel sprak:
16968
16969 --Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in
16970 het woud.
16971
16972 --Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de
16973 stoverije bekeek.
16974
16975 --Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot
16976 Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit
16977 den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken
16978 vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren,
16979 ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en
16980 meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?
16981
16982 --Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij
16983 met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze
16984 is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije
16985 ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch
16986 mee besmeurd is.
16987
16988 --Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid
16989 gered, antwoordde Uilenspiegel.
16990
16991 --Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch
16992 ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede
16993 mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig
16994 te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als
16995 een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het
16996 heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?
16997
16998 --Wees gerust, 't is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde,
16999 het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar
17000 weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet,
17001 mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet
17002 meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren
17003 ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor
17004 vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar
17005 de Spaansche bokken, hun vleesch stinkt als de pest, maar hun vel is
17006 goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook
17007 al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij
17008 hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het
17009 oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen
17010 Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn,
17011 want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en
17012 stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort
17013 vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den
17014 soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met
17015 de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik
17016 zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden
17017 gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de
17018 stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de
17019 klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk
17020 ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine
17021 in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten
17022 gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de
17023 gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake
17024 van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui
17025 van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene
17026 nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik
17027 boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij
17028 luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die
17029 van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins
17030 in de afspanning de Wapens van Vlaanderen moest komen vernachten,
17031 de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had
17032 geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die,
17033 zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de
17034 prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe
17035 dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken,
17036 tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.
17037
17038 --Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen,
17039 met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul,
17040 die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.
17041
17042 --Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt
17043 dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas
17044 op voor het hert.
17045
17046 Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog
17047 achterna:
17048
17049 --Hoort gij de jachthorens?
17050
17051 --'t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude
17052 man. 't Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert
17053 is dood.
17054
17055 --Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop
17056 wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij
17057 geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze
17058 kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen
17059 zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij
17060 kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken
17061 trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?
17062
17063 --Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en
17064 verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters
17065 laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne,
17066 want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd
17067 leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht
17068 dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen,
17069 dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever
17070 nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de
17071 hand van den bloedigen hertog.
17072
17073 Uilenspiegel sprak:
17074
17075 De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. 't
17076 Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van
17077 de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.
17078
17079 --Wij bezitten geen duit, spraken zij.
17080
17081 Uilenspiegel antwoordde:
17082
17083 --Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen
17084 de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met
17085 het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een
17086 hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij
17087 soldaten van 't vrije geweten.
17088
17089 --Wij zullen het doen, zeiden de mannen.
17090
17091 De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met
17092 koorden het doode hert achter zich.
17093
17094 Toen zetten allen zich neer rond het vuur.
17095
17096 Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.
17097
17098 Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden
17099 getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd,
17100 en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.
17101
17102 En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken,
17103 met het hoofd op de borst.
17104
17105 Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen
17106 onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.
17107
17108 Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel
17109 hoorde de droge bladeren onder hunne voeten kraken.
17110
17111 En 's anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die
17112 van het kamp zeiden tot hem:
17113
17114 --God zegene u; wij gaan naar de zee.
17115
17116
17117
17118
17119 XXXV.
17120
17121 Te Harelbeke vernieuwde Lamme zijnen voorraad oliekoeken. Hij vond
17122 ze zoo lekker, dat hij er zeven en twintig zelf opat en dertig in
17123 zijnen korf stak.
17124
17125 Uilenspiegel droeg zijne vogelkooien in de hand.
17126
17127 Rond den avond kwamen zij te Kortrijk, alwaar zij afstapten in de
17128 afspanning de Bie, bij Gillis Vanden Ende, die aan zijne deur kwam,
17129 zoodra hij het gezang des leeuweriks hoorde.
17130
17131 Daar leefden zij als vischjes in 't water. Toen de weerd de brieven
17132 des prinsen gezien had, stelde hij Uilenspiegel vijftig karolussen ter
17133 hand voor den Zwijger; bovendien wilde hij niets voor den kalkoen,
17134 dien hij opgediend had, noch voor den dubbelen klauwaard, waarmede
17135 hij hem rijkelijk besproeide. Ook verwittigde hij hem, dat er spionnen
17136 van den Bloedraad in Kortrijk rondliepen, weshalve hij en zijn gezel
17137 goed op hunne tong moesten letten.
17138
17139 --Wij zullen ze wel herkennen, zeiden Lamme en Uilenspiegel.
17140
17141 De zonne neigde ten Westen en vergulde de gevelspitsen der huizen;
17142 de vogelen zongen hun avondgebed; de vrouwen praatten op de zulle
17143 harer deuren; de kinderen stoeiden in het stof en Uilenspiegel en
17144 Lamme dwaalden op goed-valle-'t-uit door straten en stegen.
17145
17146 Eensklaps sprak Lamme:
17147
17148 --Ik heb aan Gillis Vanden Ende gevraagd of hij geene vrouw gezien had,
17149 die op de mijne geleek--ik gaf hem zoo goed als ik kon de beschrijving
17150 van heur bekoorlijk gezicht--en hij zei mij dat, bij Stevenijne, op
17151 den Brugschen steenweg, in den Regenboog, buiten de stad, alle avonden
17152 een groot getal vrouwen bijeenkomen. Ik trek er aanstonds naar toe.
17153
17154 --Ik zal u daar komen vinden, sprak Uilenspiegel. Ik wil de stad
17155 eens afzien; als ik uwe vrouw tegenkom, zal ik ze dadelijk bij u
17156 zenden. Vergeet niet, dat de baas u voor raad heeft gegeven op uwe
17157 tong te passen, zoo gij aan uw leven houdt.
17158
17159 --Wees gerust, sprak Lamme.
17160
17161 Uilenspiegel wandelde op zijn gemak rond de stad; de zonne ging onder
17162 en de avond viel snel.
17163
17164 Uilenspiegel kwam in een eenzame steeg. Daar hoorde hij kunstig op de
17165 vedel spelen; toen hij nadergekomen was, zag hij van verre een witte
17166 gedaante, die hem riep, doch wegvluchtte en steeds op de vedel speelde.
17167
17168 Maar Uilenspiegel liep sneller dan zij; hij haalde heur in, greep ze
17169 vast en wilde heur aanspreken; maar zij legde heure hand, die naar
17170 benzoë rook, op zijnen mond.
17171
17172 --Zijt gij gemeene burger of edelman? vroeg zij.
17173
17174 --Ik ben Uilenspiegel.
17175
17176 --Zijt gij rijk?
17177
17178 --Rijk genoeg om een hemelsch genot te betalen, niet genoeg om mijne
17179 ziel af te koopen.
17180
17181 --Hebt gij geen peerd, dat gij te voet gaat?
17182
17183 --Ik had een ezel, antwoordde Uilenspiegel, maar ik heb hem op stal
17184 gelaten.
17185
17186 --Hoe komt het dat gij alleen, zonder vrienden of dienaren, rondzwerft
17187 in een vreemde stede?
17188
17189 --Omdat mijn vriend zijnerzijds ergens ronddwaalt lijk ik mijnerzijds,
17190 nieuwsgierige schoone.
17191
17192 --Ik ben geenszins nieuwsgierig, antwoordde zij. Is hij rijk,
17193 uw vriend?
17194
17195 --Ja, hij is rijk, doch in vet, sprak Uilenspiegel. Maar hebt gij
17196 haast gedaan met mij te ondervragen?
17197
17198 --Ik heb gedaan, zeide zij, laat mij nu.
17199
17200 --U laten? sprak hij, 't was precies alsof men tot Lamme, als hij
17201 honger heeft, zou zeggen eene pateel ortolanen te laten staan. Van
17202 u wil ik eten.
17203
17204 --Maar gij hebt mij nog niet gezien, zeide zij.
17205
17206 En zij opende eene lanteerne, die plotseling heur aangezicht
17207 verlichtte.
17208
17209 --Hoe schoon! sprak Uilenspiegel. Ho! wat schoone lichtbruine huid, wat
17210 zachte oogen, wat roode mond, wat liefelijk lichaam! Alles zij mijn!
17211
17212 --Alles, sprak zij.
17213
17214 En zij bracht hem bij Stevenijne, op den Brugschen steenweg, in
17215 den Regenboog.
17216
17217 Uilenspiegel zag daar een groot getal meidekens, die aan den arm
17218 schijfjes droegen van een andere kleur dan die van heur bombazijnen
17219 kleed.
17220
17221 De gezellinne van Uilenspiegel had een zilverlakensch schijfje op
17222 een goudlinnen kleed. En al de meidekens bezagen heur met afgunst.
17223
17224 Bij het binnenkomen had zij de bazinne eenen wenk gegeven, maar
17225 Uilenspiegel had het niet bemerkt: zij zetten zich getweeën neder
17226 en dronken.
17227
17228 --Weet gij, sprak zij, dat wie mij eens beminde, voor eeuwig mijn is?
17229
17230 --Schoone, welriekende deerne, sprak Uilenspiegel, het ware mij een
17231 heerlijk festijn eeuwig uwe genuchten te smaken.
17232
17233 Eensklaps zag hij Lamme in eenen hoek zitten, met een tafeltje voor
17234 zich, waarop eene keers, eene hesp en een pot bier stonden; hij had
17235 het zeer druk om zijne hesp en zijn bier te verdedigen tegen twee
17236 meidekens, die met alle geweld met hem wilden eten en drinken.
17237
17238 Toen Lamme zijn vriend Uilenspiegel gewaar werd, kwam hij voor hem
17239 staan en sprong wel drie voet hoog van blijdschap.
17240
17241 --God zij geloofd, sprak hij, omdat Hij mij mijnen vriend Uilenspiegel
17242 teruggeeft! Bazinne, breng ons te drinken!
17243
17244 Uilenspiegel trok zijne tasch uit en sprak:
17245
17246 --Te drinken tot dit op is!
17247
17248 En hij deed zijne karolussen rinkelen.
17249
17250 --Leve God! sprak Lamme, die hem gezwind de tassche uit de hand trok,
17251 ik ben 't die betaal, maar gij niet! Deze tassche is mijn!
17252
17253 Uilenspiegel wilde met geweld zijne tassche terugnemen, doch Lamme
17254 hield ze stevig vast. Terwijl zij met elkander vochten, de een om de
17255 tassche te houden, de andere om ze terug te nemen, sprak Lamme stille
17256 tot Uilenspiegel:
17257
17258 --Luister: serjanten in huis ... ze zijn gevieren ... in een kleine
17259 kamer met drie meidekens.... Twee buiten voor u, voor mij.... Heb
17260 willen weggaan ... ben belet geworden.... De deerne met heur goudlinnen
17261 kleed is eene verklikster ... Stevenijne, ook verklikster!
17262
17263 Terwijl zij met elkander vochten, luisterde Uilenspiegel goed naar
17264 Lamme en riep hij:
17265
17266 --Mijne tasch terug, dieper!
17267
17268 --Gij zult ze niet hebben, sprak Lamme.
17269
17270 En zij vatten elkander bij den nek, bij de schouderen en rolden ten
17271 gronde, terwijl Lamme stille alles zeide tot Uilenspiegel wat deze
17272 diende te weten.
17273
17274 Maar de baas uit de Bie kwam eensklaps binnen met zeven mannen, die
17275 hij niet scheen te kennen. Hij kraaide als de haan en Uilenspiegel
17276 floot als de leeuwerik.
17277
17278 Toen de baas Uilenspiegel en Lamme samen aan 't vechten zag, vroeg
17279 hij tot Stevenijne:
17280
17281 --Wat zijn dat voor twee rabauwen?
17282
17283 Stevenijne antwoordde:
17284
17285 --Truwanten, die men niet slecht zou doen van elkander te scheiden,
17286 in stede van hen hier al dat gedruisch te laten maken, vóór zij naar
17287 't galgeveld trekken.
17288
17289 --Als hij zich vermeet ons te scheiden, sprak Uilenspiegel, hameren
17290 wij met zijnen kop op de vloersteenen.
17291
17292 --Ja, op de vloersteenen, bevestigde Lamme.
17293
17294 --De baas komt ons redden, fluisterde Uilenspiegel tot Lamme.
17295
17296 De baas, die eene of andere geheimenis ried, wierp zich tusschen
17297 de vechters.
17298
17299 Lamme zei hem in der haast deze woorden in 't oor:
17300
17301 --Komt gij ons redden? Hoe dat?
17302
17303 De baas gebaarde dat hij Uilenspiegel duchtig bij de ooren trok,
17304 en fluisterde hem toe:
17305
17306 --Zeven voor u ... sterke mannen, beenhouwers.... Ik ga weg ... te
17307 zeer gekend in de stad.... Als ik weg ben, is 't tijd van te beven
17308 den klinkaard.... Alles aan stukken slaan....
17309
17310 --Goed, zeide Uilenspiegel, die zich oprichtte en den baas eenen
17311 schop gaf.
17312
17313 Maar de baas gaf hem eenen schop terug en eenen slag daarbij. En
17314 Uilenspiegel zei hem:
17315
17316 --Gij slaat dapper, kameraad.
17317
17318 --Ja, ze vallen als hagelsteenen, niet waar, antwoordde de baas, die
17319 meteen vlug de tassche uit Lamme's handen rukte en ze aan Uilenspiegel
17320 teruggaf.
17321
17322 --Daar, rabauw, sprak hij, trakteer mij, nu gij terug in 't bezit
17323 van uw goed zijt.
17324
17325 --Zuip maar op, schandalige dieper, antwoordde Uilenspiegel.
17326
17327 --Hoor eens hoe stout hij is, sprak Stevenijne.
17328
17329 --Zoo stout als gij schoon zijt, lievelinge, antwoordde Uilenspiegel
17330 met een spottenden glimlach.
17331
17332 Nu, Stevenijne was diep in de zestig en had een gezicht als eene
17333 mispel, doch 't was nu geel van toorn en gramschap. In 't midden
17334 stond een neus, die geleek op den bek van een uil. Zij had oogen
17335 lijk die van een vrek, zonder glans van min of van vriendschap. Twee
17336 lange, puntige tanden staken uit haren mageren mond met zijn dunne,
17337 kleurlooze lippen. En een groote roode vlek bemorste hare linkerwang.
17338
17339 De meidekens lachten, spotten met haar en zeiden:
17340
17341 --Lievelinge, lievelinge, geef hem te drinken!--Hij zal u kussen en
17342 streelen.--Hoelang is het geleden, dat gij samen voor de eerste maal
17343 paardet?--Pas op, Uilenspiegel, zij gaat u verscheuren.--Bezie hare
17344 oogen, zij flikkeren, maar 't is van haat en niet van liefde.--Zou men
17345 niet zeggen, dat zij lust heeft tot bijten?--Wees niet bevreesd.--Al
17346 de vrouwen, die oprecht beminnen, doen zooals zij.--Zij wil slechts
17347 uw goed.--Zie eens hoe 't lachen haar in goede luim heeft gebracht!
17348
17349 En, inderdaad, Stevenijne lachte, doch knipoogde intusschen tot
17350 Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed.
17351
17352 De baas dronk, betaalde en vertrok.
17353
17354 De zeven beenhouwers deden teeken van verstandhouding tot de serjanten
17355 en tot Stevenijne.
17356
17357 Een van de zeven maakte een gebaar om te bedieden, dat hij Uilenspiegel
17358 voor een onnoozele hield en dat hij hem leelijk ging beethebben.
17359
17360 En in Uilenspiegel's oor zeide hij, terwijl hij spottend de tong
17361 uitstak naar Stevenijne, die lachte en heure tanden liet zien:
17362
17363 --'t Is van te beven den klinkaard!
17364
17365 Vervolgens, naar de serjanten wijzend, sprak hij luidop:
17366
17367 --Lieve hervormde, wij zijn allen met u, trakteer ons met eten
17368 en drinken.
17369
17370 En Stevenijne lachte van plezier en stak ook heure tong uit naar
17371 Uilenspiegel, toen deze met zijnen rug naar heur was gekeerd.
17372
17373 En Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed, stak insgelijks
17374 heure tong uit naar Uilenspiegel.
17375
17376 En de meidekens zeiden tot elkander:
17377
17378 --Ziet die verklikster, die den Spanjaard aanhangt en die, door
17379 heure schoonheid, meer dan zeven en twintig hervormden naar de wreede
17380 pijnbank en naar den nog wreederen marteldood bracht. Zie, Gilline
17381 is buiten zich zelve van vreugde; zeker denkt ze aan het geld, dat
17382 zij als aanbrengster krijgt,--de eerste honderd karolusgulden op de
17383 nalatenschap der slachtofferen. Maar zij lacht niet, want zij denkt
17384 er aan, dat zij met Stevenijne moet deelen.
17385
17386 En allen, serjanten, beenhouwers en meidekens, staken hunne tong uit
17387 om te spotten met Uilenspiegel.
17388
17389 En Lamme zweette water en bloed; hij was van gramschap zoo rood als
17390 de kam van een haan, doch hij wilde niet spreken.
17391
17392 --Komaan, trakteer ons met eten en drinken, zeiden de beenhouwers en
17393 de serjanten.
17394
17395 --Wel, sprak Uilenspiegel, terwijl hij zijne karolussen opnieuw deed
17396 rinkelen, geef ons te eten en te drinken, beminnelijke Stevenijne,
17397 geef ons te drinken in glazen, die klinken.
17398
17399 Op die rede lachten de meidekens opnieuw en stak Stevenijne heure
17400 scherpe tanden weer uit.
17401
17402 Maar ze ging toch naar de keuken en naar den kelder, en ze kwam
17403 terug met hesp, met worsten, met pannekoeken van zwarte pensen en
17404 met klinkaards: dat zijn glazen met een voet, aldus geheeten omdat
17405 zij klinken lijk de beiaard, als men ze tegeneen stoot.
17406
17407 Uilenspiegel zei toen:
17408
17409 --Dat zij eten, die honger hebben, en drinken, die dorst hebben!
17410
17411 En serjanten, meidekens, beenhouwers, Gilline en Stevenijne klapten
17412 in de handen en trapten met de voeten. Ieder zette zich neer waar
17413 hij plaats vond: Uilenspiegel, Lamme en de zeven beenhouwers aan de
17414 groote eeretafel, de serjanten en de meidekens aan twee kleine tafelen.
17415
17416 En men at en men dronk met een luidruchtig geknauw, tot zelfs de
17417 twee serjanten, die buiten stonden en die door hunne gezellen werden
17418 binnengeroepen om deel te nemen aan het festijn.
17419
17420 En uit hunne gordeltasschen zag men koorden en kettingen steken.
17421
17422 Stevenijne liet hare tanden zien, en grinnikend sprak zij:
17423
17424 --Niemand zal hier uitgaan, vóór ik betaald ben.
17425
17426 En al de deuren ging zij vast doen; en de sleutelen stak zij in
17427 heure tassche.
17428
17429 Gilline stak heur glas omhoog en sprak:
17430
17431 --Laat ons drinken, de vogel is gevangen!
17432
17433 Bij die rede zeiden twee meidekens, Gena en Greta, tot heur:
17434
17435 --Gaat gij dien ook al ter dood brengen, wreedaardige beulin?
17436
17437 --Laat mij gerust, zei Gilline, laat ons drinken!
17438
17439 Maar de twee meidekens wilden niet klinken met heur.
17440
17441 En Gilline nam heure vedel en zong:
17442
17443
17444 Op de vedel zing ik geerne,
17445 Op de vedel nacht en dag.
17446 Ik ben de dartele deerne
17447 Die leef van minnegelag.
17448
17449 Venus mijn heupen maakte,
17450 Vlammend als van een elf;
17451 Wit zijn mijn schouders, de naakte,
17452 Mijn lijf is de godheid zelf.
17453
17454 Laat uit den buidel klinkelen
17455 Kronen met hellen klank.
17456 Laat een goudstroom ruischen en rinkelen
17457 Geel om mijn voeten blank.
17458
17459 Ik ben van Eva's geslachte,
17460 Door Satan, den feilen held.
17461 Geen vreugdbron lokt uw gedachte
17462 Die niet in mijn herte welt.
17463
17464 'k Ben koud en gloeiend samen,
17465 Teeder, wankel, of stil,
17466 Flauw, lauw, heet in 't verzamen,
17467 Willig, man, naar uw wil.
17468
17469 Zie mijn schoonheid veil, mijn blikken,
17470 Mijn oogen, blauw en rood,
17471 Mijn lachjes, tranen en snikken,
17472 En zoo ge 't zoekt, den Dood.
17473
17474 Op de vedel zing ik geerne,
17475 Op de vedel nacht en dag.
17476 Ik ben de dartele deerne
17477 Die leef van minnegelag.
17478
17479
17480 En terwijl Gilline zong, was ze zóó bevallig, zóó betooverend schoon,
17481 dat al de mannen, serjanten, beenhouwers, Lamme en Uilenspiegel,
17482 verteederd, glimlachend, als overwonnen, sprakeloos bleven zitten.
17483
17484 Eensklaps schoot Gilline in een luiden schaterlach en, Uilenspiegel
17485 beziende, sprak ze:
17486
17487 --Zóó is 't dat men vogelen vangt!
17488
17489 En heure tooverkracht was verdwenen....
17490
17491 Uilenspiegel, Lamme en de zeven sterke beenhouwers bezagen malkander.
17492
17493 --Nu, gaat ge mij betalen? sprak Stevenijne, gaat ge mij betalen,
17494 messire Uilenspiegel, die teert en smeert met het geld van de
17495 predikantjes?
17496
17497 Lamme wilde spreken, doch Uilenspiegel deed hem zwijgen en zei tot
17498 Stevenijne:
17499
17500 --Ik ben niet gewoon op voorhand te betalen.
17501
17502 --Dan zal ik mij naderhand doen betalen op uwe nalatenschap, zeide
17503 Stevenijne.
17504
17505 --Hyena's leven van lijken, antwoordde Uilenspiegel.
17506
17507 --Ja, sprak een van de serjanten, die twee diepers hebben 't geld van
17508 de predikanten genomen: meer dan driehonderd karolusgulden. Daar zal
17509 een goede stuiver voor Gilline afmogen.
17510
17511 Deze zong:
17512
17513
17514 Zoek elders zoeter blikken,
17515 Neem alles, mijn lief genoot,
17516 Vreugden, kussen, en snikken,
17517 En, zoo ge 't wilt, den Dood.
17518
17519
17520 En toen riep ze, grijnslachend:
17521
17522 --Laat ons drinken!
17523
17524 De serjanten antwoordden:
17525
17526 --Laat ons drinken!
17527
17528 --Bij God! zei Stevenijne, laat ons drinken! De deuren zijn vast,
17529 de vensteren zijn van stevige ijzeren staven voorzien: de vogelen
17530 zijn gevangen; laat ons drinken!
17531
17532 --Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
17533
17534 --Laat ons drinken! zei Lamme.
17535
17536 --Laat ons drinken! zeiden de zeven beenhouwers.
17537
17538 --Laat ons drinken! zeiden de serjanten.
17539
17540 --Laat ons drinken! zei Gilline, die de snaren heurer vedel
17541 tokkelde. Ik ben schoon, laat ons drinken! Den aartsengel Gabriël
17542 zou ik vangen in de netten van mijn lied!
17543
17544 --Laat ons dan maar drinken, riep Uilenspiegel. Breng wijn op, om het
17545 feest te bekronen, en wèl van den besten! Dat onze dorstige lichamen
17546 van het hoofd tot de voeten doortrokken wezen van het vurige sap van
17547 den wijngaard!
17548
17549 --Laat ons drinken! sprak Gilline, een grondeling, als gij, is den
17550 heekt wel een hap weerd.
17551
17552 Stevenijne bracht bottels wijn op.
17553
17554 De serjanten en de meidekens zaten samen, en dronken en zwolgen. De
17555 zeven beenhouwers, die aan de tafel van Lamme en Uilenspiegel zaten,
17556 smeten van hunne tafel naar die van de meidekens hespen, worsten,
17557 pannekoeken en bottels, die zij vingen in de vlucht, gelijk de karpers
17558 boven het water naar de vliegen snappen. En Stevenijne liet heure
17559 scherpe tanden zien en grijnslachte, en wees naar de pakken keersen
17560 van vijf in het pond, die boven den toog hingen. Het waren de keersen
17561 van de meidekens.
17562
17563 Vervolgens sprak zij tot Uilenspiegel:
17564
17565 --Men gaat naar den brandstapel met eene vetkeers in de hand; wilt
17566 gij er reeds eene hebben?
17567
17568 --Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
17569
17570 --Laat ons drinken! zeiden de zeven.
17571
17572 Gilline sprak:
17573
17574 --Evenals die van eenen zwaan, dien de dood nabij is, flikkeren
17575 Uilenspiegel's oogen lijk perelen.
17576
17577 --Perelen, die wij voor de verkens zullen smijten, sprak Stevenijne
17578 met wrok in het herte.
17579
17580 --Nu, dit ware zoo ongewoon niet: er zijn meer zeugen, die perelen
17581 dragen; laat ons drinken! antwoordde Uilenspiegel.
17582
17583 --Wat zoudt gij zeggen, vervolgde Stevenijne, als men u op de pijnbank
17584 legde en daarna uwe tong met een gloeiend ijzer doorboorde?
17585
17586 --Dat ik dan beter zou kunnen schuifelen: Laat ons drinken! antwoordde
17587 Uilenspiegel opnieuw.
17588
17589 --Ge zoudt zooveel praat niet maken als gij gehangen werdt, sprak
17590 Stevenijne, en uwe lievelinge zou komen zien hoe gij het stelt.
17591
17592 --Ja, sprak Uilenspiegel, maar ik weeg nogal zwaar, en licht kon het
17593 gebeuren, dat ik op uw goddelijk wipneusje bonsde: laat ons drinken!
17594
17595 --Wat zoudt gij zeggen zoo gij gekortoord werd, en op het voorhoofd
17596 en op den schouder met eenen sleutel gebrandmerkt?
17597
17598 --Ik zou zeggen, dat men een verkeerd beest heeft genomen, antwoordde
17599 Uilenspiegel, en dat men, in stee van met de zeug Stevenijne, met
17600 den beer Uilenspiegel bezig is: laat ons drinken!
17601
17602 --Mits gij van al die lieve dingen niet houdt, sprak Stevenijne, zult
17603 gij gebracht worden op de galeien des konings, en daar gevierendeeld
17604 worden.
17605
17606 --Wel, sprak Uilenspiegel, dan zullen mijne vier deelen in de zee
17607 gesmeten worden om den haaien te dienen tot voedsel, en wat zij
17608 overlaten is voor u, mijn hertje: laat ons drinken!
17609
17610 --Eet liever, sprak zij, eet liever deze keersen, zij zullen u dienstig
17611 zijn in de helle, om uw eeuwige verdoemenis te verlichten.
17612
17613 --Ik zie klaar genoeg om uw lichtenden snoet te onderscheiden,
17614 o slecht gebrande zeug, hernam Uilenspiegel.
17615
17616 Eensklaps sloeg hij met den voet van zijn glas op de tafel, daarbij
17617 bootste hij, met de handen, 't gerucht na, dat de tapijtsiers maken
17618 als zij wolle op eene horde uitkloppen, doch hij deed het stilletjes
17619 en zei op de maat:
17620
17621 --'t Is van te beven den klinkaard!
17622
17623 In Vlaanderen was dit het teeken, dat de drinkers kwaad werden. Op
17624 dit teeken werd gemeenlijk alles kort en klein geslagen in de huizen
17625 met roode lanteerne.
17626
17627 Uilenspiegel dronk, tikte met zijn glas op de tafel en sprak:
17628
17629 --'t Is van te beven den klinkaard!
17630
17631 En de zeven deden als hij.
17632
17633 Allen hielden zich stille: Gilline verbleekte, Stevenijne scheen
17634 verrast en onthutst.
17635
17636 De serjanten vroegen tot elkaar:
17637
17638 --Zouden die zeven met hen zijn?
17639
17640 Maar de beenhouwers knipoogden om hen gerust te stellen, terwijl zij
17641 gedurig luider en luider zeiden met Uilenspiegel:
17642
17643 't Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17644
17645 Stevenijne dronk mee, om zich een hert onder den riem te steken.
17646
17647 Toen sloeg Uilenspiegel met de vuist op de tafel, op de maat van
17648 de tapijtsiers, die wolle kloppen; de zeven deden als hij: glazen,
17649 kruiken, schalen, pinten en bekers begonnen te dansen, stieten tegen
17650 elkander, braken, sprongen van den eenen kant weder recht om van den
17651 anderen weer neder te vallen.
17652
17653 En altijd weerklonk meer en meer dreigend en vervaarlijk, het
17654 krijgszuchtig en eentonig referein:
17655
17656 --'t Is van te beven den klinkaard!
17657
17658 --Laas! zuchtte Stevenijne, zij gaan hier alles aan stukken slaan!
17659
17660 En de schrik deed heure scherpe tanden nog langer uitsteken dan
17661 gewoonte.
17662
17663 En, van woede en grammoedigheid begon het bloed van de zeven en van
17664 Lamme en Uilenspiegel meer en meer te koken.
17665
17666 En, zonder hun eentonig en dreigend gezang te staken, namen al die
17667 van Uilenspiegel's tafel hunne glazen en bekers en braken zij dezelve
17668 op de tafel, op de maat der tapijtsiers. Vervolgens zetten zij zich
17669 te peerd op hunne stoelen en trokken zij hunne kruismessen uit.
17670
17671 En zij maakten zulk een gedruisch met hun lied, dat al de ruiten van
17672 het huis aan 't rinkelen gingen.
17673
17674 Vervolgens stormden zij, als uitzinnige duivelen, op hunne stoelen,
17675 rond de kamer en om de tafelen, terwijl zij aanhoudend riepen:
17676
17677 --'t Is van te beven den klinkaard!
17678
17679 En bevend van schrik stonden de serjanten toen recht en haalden
17680 zij hunne koorden en kettingen uit. Maar de beenhouwers en Lamme en
17681 Uilenspiegel staken hunne kruismessen in de scheeden, grepen hunne
17682 stoelen in de hand, zwaaiden ermede als knuppels, liepen aldus de kamer
17683 rond en sloegen, in't wilde, alles aan stukken en brokken. Alleen de
17684 meidekens werden ontzien, doch huisraad, schapraaien, ruiten en pinten,
17685 glazen en schalen, bottels en flesschen werden aan stukken geslagen,
17686 ook de serjanten kregen ruimschoots hun deel, altijd op de maat van
17687 de tapijtsiers, die wolle kloppen:
17688
17689 --'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17690
17691 Intusschen had Uilenspiegel eenen vuistslag gegeven op Stevenijne's
17692 neus en hare sleutels uit heure tassche genomen, en nu wilde hij met
17693 alle geweld haar heure keersen doen eten.
17694
17695 De schoone Gilline krabde, als eene verschrikte kattin, met heure
17696 nagelen aan deuren, ramen, ruiten en vensteren, om ergens een uitweg
17697 te vinden. Vervolgens ging zij, bleek als de dood, in eenen hoek op
17698 heure hurken zitten, met heure vedel vóór zich, alsof deze heur had
17699 moeten beschermen.
17700
17701 De zeven en Lamme zeiden tot de verschrikte meidekens:
17702
17703 --U zullen wij geenerlei leed doen.
17704
17705 En, geholpen door heur, bonden zij, met koorden en kettingen,
17706 de serjanten, die beefden als riet en niet dorsten wederstaan,
17707 daar zij wel voelden, dat de beenhouwers--die de weerd uit de Bie
17708 onder de sterksten gekozen had--hen met hunne kruismessen in stukken
17709 hadden gekapt.
17710
17711 En, naarmate Uilenspiegel met geweld Stevenijne keersen deed eten,
17712 sprak hij:
17713
17714 --Deze is voor de pijne der galge; deze voor de kortooring; nog eene
17715 voor de brandmerking; deze hier voor de tongboring; kom, hier nog twee
17716 dikke vette voor de galeien des konings en voor de vierendeeling;
17717 deze is voor uwe spelonk van spionnen; deze is voor uwe deerne met
17718 heur goudlinnen kleed; en al deze hier voor mijn eigen rekening.
17719
17720 En de meidekens proestten van 't lachen, als ze Stevenijne hoorden
17721 niezen van gramschap en zagen hoe zij bovenmatige pogingen inspande om
17722 de keersen uit te spuwen. Maar te vergeefs, want heur mond was te vol.
17723
17724 Uilenspiegel, Lamme en de zeven anderen hielden niet op met zingen
17725 op maat:
17726
17727 --'t Is van te beven den klinkaard!
17728
17729 Vervolgens scheidde Uilenspiegel uit, en deed hij hun teeken het
17730 referein zachtjes te mompelen. Zulks deden zij, terwijl hij tot de
17731 serjanten en meidekens sprak:
17732
17733 --Als een uwer zich vermeet om hulp te roepen, wordt hij onmiddellijk
17734 gekeeld.
17735
17736 --Gekeeld! bevestigden de beenhouwers,
17737
17738 --Wij zullen zwijgen, maar doe ons geen leed, Uilenspiegel, zeiden
17739 de meidekens.
17740
17741 Doch Gilline, die met uitpuilende oogen, met toegebeten tanden,
17742 op de hurken in heuren hoek zat, kon niet spreken en prangde heure
17743 vedel tegen heure borst.
17744
17745 En de zeven murmelden altijd op maat:
17746
17747 --'t Is van te beven den klinkaard!
17748
17749 Stevenijne wees met den vinger naar de keersen, die in haren mond
17750 staken, om te bedieden dat zij ook zwijgen zou. De serjanten beloofden
17751 zulks insgelijks.
17752
17753 Uilenspiegel vervolgde zijne rede en sprak:
17754
17755 --Gij zijt hier allen in onze macht; 't is donker, de nacht is
17756 gevallen, wij zijn hier dicht bij de Leie, in dewelke men lichtelijk
17757 verdrinkt, vooral als men daartoe door flinke gasten wordt geholpen.
17758
17759 --De poorten van Kortrijk zijn lang reeds gesloten. Als de nachtwacht
17760 het gedruisch gehoord heeft, zal zij zich niet verroeren, want zij
17761 is er te lui voor. Ook meent zij, dat het goede Vlamingen zijn, die
17762 blijde drinken en zingen bij 't gerinkel van bottels en glazen. Houdt
17763 u dus koest en luistert naar de bevelen van uwe meesters.
17764
17765 Toen vroeg hij tot de zeven:
17766
17767 --Gaat gij naar Petegem bij de Geuzen?
17768
17769 --Ja; wij hebben onze toebereidselen gemaakt, zoodra wij hoorden,
17770 dat gij naar de stad kwaamt.
17771
17772 --Van daar gaat gij naar de zee?
17773
17774 --Ja, zeiden zij.
17775
17776 --Kent gij onder die serjanten een of twee, die men zou mogen loslaten,
17777 om ons te dienen?
17778
17779 --Ja, zeiden ze, twee, Nicolaas en Judocus, die nimmer de arme
17780 hervormden hebben vervolgd.
17781
17782 --Wij zijn getrouw! riepen Nicolaas en Judocus.
17783
17784 Toen sprak Uilenspiegel:
17785
17786 --Hier hebt gij twintig karolusgulden, tweemaal meer dan gij hadt
17787 ontvangen als eerloozen prijs uwer aanklacht.
17788
17789 Plotseling riepen de vijf andere:
17790
17791 --Twintig gulden! Voor twintig gulden willen wij ook den prins
17792 dienen. De koning betaalt slecht. Geef ons enkel de helft van die som,
17793 en wij vertellen aan den rechter al wat gij wilt.
17794
17795 De beenhouwers en Lamme herhaalden gezamenlijk, met een dof gemurmel:
17796
17797 --'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17798
17799 --Opdat gij uwe tong niet zoudt voorbijklappen, sprak Uilenspiegel,
17800 zullen de zeven u gekneveld en gebonden naar Petegem brengen, bij de
17801 Geuzen. Gij zult tien gulden hebben als gij op zee zult zijn; op die
17802 manier zijn wij zeker, dat de keuken van 't kamp u bijhoudt. Als gij
17803 dient als dappere soldaten, krijgt gij uw deel van de buit. Als gij
17804 beproeft te ontsnappen wordt gij gehangen. Als gij ontsnapt, om de
17805 koorde te ontloopen, valt gij gewis op het mes.
17806
17807 --Wij dienen, die ons betaalt, zeiden zij.
17808
17809 Lamme en de zeven sloegen op de tafels met scherven van potten en
17810 pinten en bekers, en spraken:
17811
17812 --'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17813
17814 --Gilline, Stevenijne en drie deernen zult gij insgelijks medenemen,
17815 vervolgde Uilenspiegel. Als een van heur poogt te ontsnappen, naait
17816 gij ze in eenen zak en smijt ze in de Leie.
17817
17818 --Hij heeft mij niet gedood, kreet Gilline, uit heuren hoek springend
17819 en met heure vedel zwaaiend.
17820
17821 En zij zong:
17822
17823
17824 Bloedig was de gedachte
17825 Die nog mijn hart ontstelt.
17826 Ik ben van Eva's geslachte
17827 Door Satan, den fellen held.
17828
17829
17830 Stevenijne en de anderen zetten een gezicht alsof zij in tranen
17831 gingen uitbarsten.
17832
17833 --Vreest niets, mijne liefsten, sprak Uilenspiegel, gij zijt zoo zoet
17834 en zoo zacht, dat men u overal zal minnen, vieren en streelen. Bij
17835 elke bemachtiging, door onze legers gedaan, krijgt gij ook uw deel
17836 van den buit.
17837
17838 --Ik, ik zal niemendal krijgen, ik ben reeds te oud, sprak Stevenijne
17839 krijtend.
17840
17841 --Eén stuiver daags zult gij krijgen, sprak Uilenspiegel, want gij
17842 zult de dienaresse dezer vier schoone deernen wezen. Gij zult heure
17843 rokken, kleeren en hemden wasschen.
17844
17845 --Ik, Heere God? riep zij.
17846
17847 Uilenspiegel antwoordde:
17848
17849 --Lang genoeg hebt gij heure meesteresse gespeeld, lang genoeg
17850 hebt gij rijkelijk geleefd op heur lijf, terwijl gij ze in armoede
17851 en ontbering liet sukkelen. Nu moogt gij schreeuwen en ruchelen,
17852 't is vergeefs. Zooals ik zeg, zal geschieden.
17853
17854 Daarop schoten de vier meidekens in eenen schaterlach; ze begonnen
17855 met Stevenijne te lachen en zeiden, terwijl zij spottend de tong naar
17856 heur uitstaken:
17857
17858 --Elk zijne beurt op de wereld. Wie had dat gedacht van de gierige
17859 Stevenijne? Zij zal voor ons werken als onze dienstmeid. Gezegend
17860 zij onze heer, gezegend zij Uilenspiegel!
17861
17862 Vervolgens zei Uilenspiegel tot de zeven beenhouwers en tot Lamme
17863 Goedzak:
17864
17865 --Ledigt de wijnkelders, neemt al het geld; het zal dienen tot het
17866 onderhoud van Stevenijne en de vier meidekens.
17867
17868 --Zij knarsetandt, de gierige Stevenijne, zeiden de meidekens. Gij
17869 waart hard jegens ons, nu is men het ook jegens U. Gezegend zij onze
17870 heer, gezegend zij Uilenspiegel!
17871
17872 En de drie deernen wendden zich tot Gilline:
17873
17874 --Gij waart heure dochter, heure broodwinster, zeiden zij, met heur
17875 deeldet gij de vruchten van uw eerloos spionbedrijf. Zoudt gij ons
17876 nog durven slaan en beleedigen, met uwe goudlinnen kleeren? Voor
17877 ons koesterdet gij niets dan verachting, omdat wij maar bombazijn
17878 droegen. Als gij zoo schoon gekleed waart, was het alleen met den
17879 prijs van het bloed uwer slachtofferen. Wij zullen heur kleed van
17880 heur lijf rukken, opdat zij onze gelijke zou wezen.
17881
17882 --Dat zal ik niet dulden, sprak Uilenspiegel.
17883
17884 En Gilline vloog hem om den hals en sprak blijde:
17885
17886 --Gezegend zijt gij, die mij spaart van den dood en niet duldt dat
17887 ik leelijk weze!
17888
17889 En de afgunstige meidekens bezagen Uilenspiegel en spraken tot
17890 elkander:
17891
17892 --Hij is zot van haar, evenals de anderen.
17893
17894 Gilline nam heure vedel en zong een liedeken van vurige minne.
17895
17896 De zeven vertrokken naar Petegem, langsheen de Leie, en leidden de
17897 serjanten en de meidekens mede.
17898
17899 Onderweg murmelden zij:
17900
17901 --'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17902
17903 Met den dageraad kwamen zij nabij het kamp. Zij zongen als de
17904 leeuwerik en het gekraai van den haan antwoordde hun. De meidekens
17905 en de serjanten werden van dichtbij bewaakt.
17906
17907 Edoch, den derden morgen werd Gilline dood gevonden: in heur hert
17908 stak een groote naald.
17909
17910 Stevenijne werd door de drie meidekens beschuldigd en gebracht voor den
17911 bentkapitein, zijne tiendeniers en serjanten, in verschaar vergaderd.
17912
17913 Daar bekende zij, zonder dat men heur op de pijnbank moest leggen, dat
17914 zij Gilline gedood had uit afgunst op heure schoonheid en uit woede,
17915 omdat de deerne heur zonder mededoogen als eene dienstmeid behandelde.
17916
17917 En Stevenijne werd gehangen en vervolgens begraven in het bosch.
17918
17919 Gilline werd ook begraven, en men las de gebeden der dooden over heur
17920 liefelijk lichaam.
17921
17922 Doch de twee serjanten Judocus en Nikolaas, dien Uilenspiegel de
17923 les had gespeld, waren vóór den kastelein van Kortrijk verschenen,
17924 want het gedruisch, het geweld en de plundering moesten door hem
17925 gestraft worden, daar het huis van Stevenijne in de kasselrij, buiten
17926 den bijvang der stad Kortrijk lag. Nadat zij aan den kastelein het
17927 gebeurde hadden verteld, zeiden zij hem met de innigste overtuiging
17928 en de nederigste oprechtheid:
17929
17930 --De moordenaars van de predikanten zijn geenszins Uilenspiegel
17931 en zijn trouwe vriend Lamme Goedzak, die maar naar den Regenboog
17932 gekomen waren om zich te vermaken. Zij hebben zelfs reispassen van den
17933 hertog en wij hebben die met eigen oogen gezien. De twee schuldigen
17934 zijn twee kooplieden van Gent, een magere en een heel dikke, die naar
17935 Frankrijk getogen zijn, nadat zij alles aan stukken hebben geslagen bij
17936 Stevenijne, dewelke zij medegenomen hebben met heure vier meidekens,
17937 voor hun pleizier. Wij hadden ze wel bij den kraag gepakt, doch daar
17938 waren zeven beenhouwers in het kot, van de sterksten der stad, die
17939 voor de booswichten aantrokken. Zij hebben ons allen gekneveld en ons
17940 maar losgelaten als zij verre in Frankrijk waren. Hier ziet gij nog
17941 het merk van de koorden. De vier andere serjanten zijn achter hunne
17942 hielen, en wachten op versterking, om de hand op hen te leggen.
17943
17944 De kastelein gaf hun elk twee karolussen en een nieuw kleed, als
17945 belooning voor hun trouwe en eerlijke diensten.
17946
17947 Vervolgens schreef hij naar den raad van Vlaanderen, naar de
17948 schepenbank van Kortrijk en naar andere vierscharen om hun kond te
17949 doen, dat de ware moordenaars ontdekt geweest waren.
17950
17951 En hij legde de zaak uiteen van 't begin tot het einde.
17952
17953 Dat deed al die van den Raad van Vlaanderen en van de smalle
17954 vierscharen sidderen en beven.
17955
17956 En de kastelein werd om zijne scherpzinnigheid geloofd en geprezen.
17957
17958 En Uilenspiegel en Lamme gingen ongehinderd op den weg van Petegem
17959 naar Gent, langsheen den oever der Leie; van deze laatste stede zouden
17960 zij zich begeven naar Brugge, alwaar Lamme zijn vrouw hoopte weder
17961 te vinden, en naar Damme, alwaar Uilenspiegel reeds had willen zijn,
17962 om Nele te zien, die treurig leefde bij de uitzinnige Katelijne.
17963
17964
17965
17966
17967 XXXVI.
17968
17969 Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken,
17970 afschuwelijke gruweldaden gepleegd.
17971
17972 Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge
17973 of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood
17974 gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke
17975 lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.
17976
17977 De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het
17978 tanden waren van een grooten wolf.
17979
17980 --Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den
17981 slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.
17982
17983 Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder
17984 geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij
17985 geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die
17986 's morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter,
17987 terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig,
17988 naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de
17989 tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd
17990 van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.
17991
17992 De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige
17993 vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen
17994 en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des
17995 vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun
17996 soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand,
17997 zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.
17998
17999 Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger
18000 slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had
18001 gebeten.
18002
18003 En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten 's nachts zonder
18004 goed geleide niet meer uitgaan.
18005
18006 Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om
18007 den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht,
18008 in het duin, langsheen de zee.
18009
18010 Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht was
18011 gevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen
18012 verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen
18013 lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig
18014 en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst
18015 laten zien.
18016
18017 Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij
18018 hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn
18019 te drinken.
18020
18021 En van tijd tot tijd riepen zij luide:
18022
18023 --Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink
18024 eenen slok.
18025
18026 Doch hij antwoordde niet.
18027
18028 Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als 't gereutel van een
18029 man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van
18030 denwelken het geschreeuw kwam.
18031
18032 En zij riepen:
18033
18034 --Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!
18035
18036 Maar 't duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want
18037 sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van
18038 de hoogste duin was gekomen.
18039
18040 Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden,
18041 vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm
18042 en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.
18043
18044 Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus
18045 lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne
18046 niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.
18047
18048 Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink
18049 zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig
18050 en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de
18051 baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door
18052 twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.
18053
18054 De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van
18055 eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren
18056 dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.
18057
18058 's Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de
18059 chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten
18060 was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen
18061 tot aan de zee, waar zij ophielden.
18062
18063
18064
18065
18066 XXXVII.
18067
18068 Het was in den tijd der rijpe druiven, de vierde dag van de Wijnmaand,
18069 als wanneer men te Brussel, na de hoogmis, van op Sint-Nicolaastoren,
18070 zakken okkernoten te grabbel smijt.
18071
18072 Des nachts werd Nele gewekt door kreten, die kwamen van de straat. Zij
18073 zocht Katelijne in de kamer, maar vond ze niet. Zij liep naar beneden
18074 en opende de deur, en Katelijne kwam haastiglijk binnen en sprak:
18075
18076 --Red mij! red mij! De wolf! de wolf!
18077
18078 En Nele hoorde, van verre in het veld, een akelig, schor
18079 gehuil. Sidderend stak zij al de lampen en keersen aan, die zij vond.
18080
18081 --Wat is er gebeurd, Katelijne? vroeg zij, heur in de armen drukkend.
18082
18083 Katelijne zette zich neer op eenen stoel, en, met verwilderde oogen,
18084 zeide zij, terwijl zij de keersen aanstaarde:
18085
18086 --Dat is de zonne, die de booze geesten verdrijft. De wolf, de wolf
18087 huilt in de verte.
18088
18089 --Maar, zeide Nele, waarom zijt gij uit uw bed gekomen, waar gij warm
18090 laagt, om koorts op te doen in de vochtige najaarsnachten?
18091
18092 En Katelijne sprak:
18093
18094 --Hansken schreeuwde daar even als de nachtuil; en ik heb de deur
18095 opengedaan. En hij zei tot mij: "Drink den tooverdrank"; en ik
18096 dronk. Hansken is schoon. Doe het vuur weg. Toen bracht hij mij dicht
18097 bij de vaart en zeide hij mij: "Katelijne, ik zal u de zevenhonderd
18098 karolussen teruggeven, gij zult ze geven aan Uilenspiegel, zoon
18099 van Klaas. Hier zijn twee karolussen voor u, koop er een kleed mee,
18100 weldra zult gij er duizend hebben".--"Duizend, sprak ik, mijn beminde,
18101 dan zal ik rijk zijn".--"Gij zult ze hebben, sprak hij. Maar zijn er
18102 in Damme geene vrouwen of meidekens, die nu zoo rijk zijn als gij dan
18103 zult wezen?"--"Ik weet het niet", antwoordde ik. Ik wilde heure namen
18104 niet zeggen, uit vreeze dat hij ze zou beminnen. Toen zeide hij mij:
18105 "Tracht dit te weten te komen en zeg mij heure namen als ik terugkom".
18106
18107 ...Het was koud, de mist hing over de weide, droge takjes vielen van
18108 de boomen op den weg. En de maan glom, en er waren lichtjes op het
18109 water van de vaart. Hansken zeide mij: "'t Is nacht van de weerwolven;
18110 dezen nacht mogen alle schuldige zielen uit de helle komen om op de
18111 wereld te wandelen. Gij moet driemaal het teeken des kruises met de
18112 linkerhand maken en roepen: "Zout! zout! zout!" dat het zinnebeeld is
18113 van onsterfelijkheid; en zij zullen u geenerlei leed doen". En ik zei:
18114 "Ik zal doen wat gij wilt, Hansken, mijn geliefde".--Hij omhelsde mij
18115 en sprak: "Gij zijt mijn gade".--"Ja", sprak ik. En bij zijn zoete
18116 woorden viel een hemelsch geluk als een balsem over mijn lichaam. Hij
18117 kroonde mij met rozen en sprak: "Gij zijt schoon". En ik zeide hem:
18118 "Gij ook zijt schoon, Hansken, mijn geliefde, met uw fijne kleederen
18119 van groene panne met gouden belegsels, met uw lange struisveeren, die
18120 wuiven op uw toque en met uw bleek gezicht, dat lijkt op de branding
18121 der zee. En als de meidekens van Damme u zagen, zouden allen achter u
18122 loopen, om u uw herte te vragen; maar gij moogt het slechts geven aan
18123 mij, Hansken".--Hij sprak: "Tracht te weten te komen wie de rijksten
18124 zijn, haar fortuin is voor u". Toen vertrok hij, na mij verboden te
18125 hebben hem te volgen of te vergezelschappen. Bibberend van koude,
18126 nat van den mist, bleef ik staan, terwijl ik de twee karolussen in
18127 mijne hand deed rammelen, toen eensklaps een wolf met groenen muil
18128 en lange lischblaren in zijn wit haar, den oever van de vaart opklom
18129 en naar mij kwam. Ik riep: "Zout! zout! zout!" en maakte driemaal
18130 het teeken des kruises, doch daar scheen hij geenszins schrik voor
18131 te hebben. En ik liep uit al mijne macht, al schreeuwend, terwijl
18132 hij achter mij huilde, en ik hoorde het klapperend geluid zijner
18133 tanden achter mij, en eenmaal dit zóó dicht tegen mijne schouderen,
18134 dat ik dacht dat hij mij vastgrijpen ging. Maar ik liep gauwer dan
18135 hij. Tot mijn groot geluk kwam ik aan den hoek van de Reigerstraat
18136 den nachtwacht met zijne lanteerne tegen. "De wolf! de wolf!" riep
18137 ik. "Wees niet bevreesd, sprak de nachtwacht tot mij, ik zal u naar
18138 huis leiden, uitzinnige Katelijne". En ik voelde dat zijne hand,
18139 die de mijne vasthield, insgelijks beefde. En hij ook was bevreesd.
18140
18141 --Maar reeds heeft hij weer moed gevat, sprak Nele. Hoor, daar zingt
18142 hij met slepende stemme: "De klok slaat tien, tien slaat de klok!" En
18143 hij draait met zijnen ratel.
18144
18145 --Doe het vuur weg, sprak Katelijne; mijn hoofd brandt. Kom terug,
18146 Hansken, mijn liefste!
18147
18148 En Nele keek droevig naar Katelijne; en zij bad Onze-Lieve-Vrouwe,
18149 de Heilige Moeder Gods, dat zij het vuur der uitzinnigheid uit heur
18150 hoofd zou wegnemen; en zij weende over heur.
18151
18152
18153
18154
18155 XXXVIII.
18156
18157 Te Bellem, aan den oever van de Brugsche vaart, kwamen Uilenspiegel
18158 en Lamme eenen ruiter tegen, met drie haneveeren op zijn vilten hoed,
18159 en die spoorslags naar Gent reed. Uilenspiegel zong als de leeuwerik
18160 en de ruiter hield zijn peerd in, en antwoordde met Kanteklaar's
18161 helder gekraai.
18162
18163 --Brengt gij tijdingen mede, onstuimige ruiter? vroeg Uilenspiegel.
18164
18165 --Gewichtige tijdingen, antwoordde de ruiter. Op raadgeving van
18166 mijnheer de Châtillon, die in Frankrijk admiraal is, heeft de
18167 prins kaperbrieven uitgegeven; buiten de vaartuigen van Emden en
18168 Oost-Friesland, worden allerwegen oorlogsschepen uitgerust. De dappere
18169 mannen, die de brieven ontvingen, zijn: Adriaan van Bergen, heer van
18170 Dolhain; de baron de Montfaucon, Lodewijk van Brederode; Albrecht van
18171 Egmond, zoon van den gehalsrechte en geen verrader lijk zijn broeder;
18172 Berthold Enthens van Mentheda, de Fries; Adriaan Menningh, Hembyse,
18173 de trotsche, vurige Gentenaar, alsmede Jan Brock.
18174
18175 ... De prins heeft heel zijn vermogen gegeven, over de vijftigduizend
18176 gulden.
18177
18178 --Ik heb er vijfhonderd voor hem, sprak Uilenspiegel.
18179
18180 --Draag ze naar de zee, sprak de ruiter.
18181
18182 En hij reed weg op een draf.
18183
18184 --Hij geeft heel zijn vermogen, zeide Uilenspiegel. Wij, wij hebben
18185 slechts ons lijf en geven het geerne.
18186
18187 --En heet gij dat niets, vroeg Lamme, en zullen wij altijd leven
18188 tusschen rooven en moorden? Oranje is ten gronde.
18189
18190 --Ja, sprak Uilenspiegel, ten gronde evenals de eik; maar met eikenhout
18191 bouwt men schepen voor de vrijheid!
18192
18193 --Tot zijn profijt, sprak Lamme. Maar, nu alle gevaar verdwenen is,
18194 konden wij ezelen koopen, dunkt mij. Ik zit nog al geerne op mijn gemak
18195 als ik reis, en ben geen liefhebber van veeren op mijne voetzolen.
18196
18197 --Wij zullen langooren koopen, zeide Uilenspiegel; die kunnen wij
18198 steeds verkoopen zonder verlies.
18199
18200 Zij trokken naar de merkt en kochten er twee schoone ezelen met het
18201 noodige tuig.
18202
18203
18204
18205
18206 XXXIX.
18207
18208 Schrijlings op hunne rijdieren gezeten, kwamen zij te Oostkamp,
18209 alwaar een groot bosch is, hetwelk aan de vaart paalt.
18210
18211 Op zoek naar lommer en naar liefelijke geuren, traden zij er in,
18212 zonder iets anders te zien dan lange dreven, die in alle richtingen
18213 naar Gent, Brugge, Zuid- en Noord-Vlaanderen liepen.
18214
18215 Eensklaps sprong Uilenspiegel van zijnen ezel.
18216
18217 --Ziet gij daar niets?
18218
18219 Lamme sprak:
18220
18221 --Ja, ik zie iets.
18222
18223 En bevend vervolgde hij:
18224
18225 --Mijne vrouw, mijn goede vrouw! Zij is het, mijn vriend. Ha! ik zal
18226 naar heur niet kunnen loopen. Wie had ooit gedacht, dat ik heur aldus
18227 zou terugvinden?
18228
18229 --Waarover klaagt gij? sprak Uilenspiegel. Zij is schoon, zoo
18230 half naakt, in dat uitgebekt neteldoeksch wambuis, dat heur vel
18231 zoo liefelijk doet uitkomen. Die vrouw is te jong, zij kan de uwe
18232 niet wezen.
18233
18234 --Mijn vriend, sprak Lamme, zij is het, mijn vriend; ik herken
18235 ze. Draag mij, ik kan niet meer gaan. Wie had dit van heur
18236 gedacht? Alzoo dansen, in Egyptische deerne verkleed, zonder
18237 schaamte! Ja, zij is het; zie maar heur schoone beenen, heur tot den
18238 schouder ontbloote armen, heur ronde lichtbruine borsten, die half
18239 uitkomen uit heur neteldoeksch wambuis. Zie eens hoe zij dien grooten
18240 hond plaagt met een rood vlaggetje, en hoe hij er naar toe springt.
18241
18242 --'t Is een Egyptische hond, zeide Uilenspiegel; die soort hoort niet
18243 te huis in de Nederlanden.
18244
18245 --Of het een Egyptische hond is, weet ik niet juist.... Maar zij
18246 is het.... Ha! mijn vriend, ik sta het niet langer uit. Zij licht
18247 heur kleed nog hooger op, om heur ronde beenen nog hooger te laten
18248 zien. Zij lacht om heur witte tanden te toonen, en schatert om den
18249 klank heurer zoete stem te laten hooren. Zij opent heur wambuis
18250 van boven en werpt zich achterover. Ha! die zwanenhals, die bloote
18251 schouderen, die heldere en stoutmoedige oogen! Ik loop er naar toe!
18252
18253 En hij sprong van zijnen ezel.
18254
18255 Doch Uilenspiegel hield hem tegen en sprak:
18256
18257 --Dat meideken is uwe vrouw niet. Wij zijn omtrent een kamp
18258 van Egyptenaren. Pas op. Ziet gij den rook tusschen de boomen
18259 opstijgen? Hoort gij 't geblaf van de honden? Zie maar: hier zijn
18260 er eenigen, die ons bezien en misschien lust gevoelen om ons te
18261 bijten. Laat ons terugkeeren, Lamme.
18262
18263 --Ik wil niet terugkeeren, sprak Lamme, die vrouw is de mijne; zij
18264 is uit Vlaanderen vandaan lijk wij.
18265
18266 --Waanzinnige blinde! zei Uilenspiegel.
18267
18268 --Maar ik ben niet blind, sprak Lamme. Ik zie ze, half naakt, dansen,
18269 lachen en joelen met dien hond. Zij gebaart mij niet te zien. Maar
18270 ik verzeker u dat zij ons ziet. Thijl! Thijl! zie, de hond werpt zich
18271 op heur en smijt ze ten gronde, om het roode vlaggetje te hebben. En
18272 zij valt met een smertvollen kreet.
18273
18274 En eensklaps vloog Lamme er naar toe, zeggende:
18275
18276 --Mijne vrouw, mijne vrouw! Waar hebt gij zeer, mijne liefste? Waarom
18277 berst gij in eenen schaterlach uit? Uw oogen staan verwilderd in
18278 uw hoofd.
18279
18280 En hij kuste, streelde heur, en sprak:
18281
18282 --Dat geboortevlekje, dat gij onder den linkerboezem hadt, zie ik
18283 niet! Waar is het? Zoudt gij mijne vrouw niet wezen? God van den
18284 hoogen hemel!
18285
18286 En zij hield op met lachen.
18287
18288 Eensklaps riep Uilenspiegel:
18289
18290 --Pas op, Lamme.
18291
18292 En Lamme keerde zich om, en zag een grooten duivel van een Egyptenaar
18293 met een mager gezicht vóór zich staan, die bruin was als peperkoek.
18294
18295 Lamme raapte zijnen stok op, stelde zich te weer en riep:
18296
18297 --Ter hulp, Uilenspiegel!
18298
18299 Uilenspiegel was daar met zijn kruismes.
18300
18301 De Egyptenaar zei hem in het Hoogduitsch:
18302
18303 --Gieb mir Geld, einige Thaler.
18304
18305 --Zie, sprak Uilenspiegel, het meideken gaat schaterlachend henen en
18306 keert zich gedurig om, opdat men heur volge.
18307
18308 --Gieb mir Geld, sprak de man. Betaal uwe minnarijen. Wij zijn arm
18309 en willen u geen kwaad.
18310
18311 Lamme gaf hem eenen karolus.
18312
18313 --Welk bedrijf voert gij uit? vroeg Uilenspiegel.
18314
18315 --Alle bedrijven, antwoordde de Egyptenaar: zeer bedreven in de
18316 goochelkunst, doen wij wonderbare en bovennatuurlijke toeren. Wij
18317 spelen op de tamboerijn en dansen Hongaarsche dansen. Onder ons zijn
18318 er, die schoone vogelkooien maken en anderen die roosters verveerdigen
18319 om vleesch op te braden. Doch allen, Vlamingen als Walen, zijn bevreesd
18320 voor ons en jagen ons weg. Daar wij niets kunnen verdienen, zijn wij
18321 wel gedwongen, groenten, vleesch en kiekens bij de boeren te stelen,
18322 vermits zij ons die niet willen geven of laten verdienen.
18323
18324 Lamme vroeg hem:
18325
18326 --Van waar komt dat meideken, dat zoo goed op mijne vrouw trekt?
18327
18328 --Dat is de dochter van onzen hoofdman, antwoordde de zwerver.
18329
18330 Vervolgens zeide hij stiller, als iemand, die vreest dat men hem
18331 zou afluisteren:
18332
18333 --Zij werd door God getroffen met minnekwaal en kent niets van
18334 de vrouwelijke eerbaarheid. Zoodra zij eenen man ziet, wordt zij
18335 blijgeestig en minziek, en lacht zij gedurig. Zij is weinig van
18336 zeggen; langen tijd meenden wij dat zij doof was. 's Nachts blijft
18337 zij in alleenigheid vóór het vuur; soms zit zij te weenen, of zonder
18338 reden te lachen, en wijst zij naar heuren buik, waar zij zeer heeft,
18339 naar zij zegt. 's Zomers, rond het middaguur, na het eten, is ze 't
18340 ergst gefolterd door heure kwaal. Dan gaat ze, schier teenemaal naakt,
18341 dansen omtrent het kamp. Zij wil niets anders dragen dan kleederen
18342 van gaas of van neteldoek, en 's winters hebben wij alle moeite om
18343 heur een opperste kleed van geitenlaken te doen omslaan.
18344
18345 --Maar, sprak Lamme, heeft zij dan geen enkelen vriend om haar te
18346 beletten aldus aan een iegelijk heur lichaam ten beste te geven?
18347
18348 --Neen, sprak de man, zij geeft geenerlei vriend, want als de
18349 wandelaars, die zij tot zich lokt, heur waanzinnige oogen zien,
18350 krijgen zij meer schrik dan liefde voor heur. Die dikke man was
18351 tamelijk stout, sprak hij, naar Lamme wijzend.
18352
18353 Lamme fronste de wenkbrauwen, bij die toespeling op zijne dikte.
18354
18355 --Laat hem maar zeggen, Lamme; 't is de sprot, die kwaad spreekt van
18356 den walvisch.
18357
18358 --Gij zijt spotziek, dezen morgen, sprak Lamme.
18359
18360 Doch zonder te luisteren, vervolgde Uilenspiegel tot den zwerver:
18361
18362 --Wat doet zij, als anderen zoo stout zijn als mijn vriend Lamme?
18363
18364 De Egyptenaar antwoordde droefgeestig:
18365
18366 --Dan heeft zij genot en profijt. Zij die heur krijgen, betalen hun
18367 pleizier, en het geld dient om heur te kleeden en ook tot de behoeften
18368 der grijsaards en vrouwen.
18369
18370 --Zij gehoorzaamt dus aan niemand? vroeg Lamme.
18371
18372 De bruine man antwoordde:
18373
18374 --Laat hen, die God treft, hun zin doen. Aldus beduidt hij zijnen
18375 wil. En zijn wil is onze wet.
18376
18377 Uilenspiegel en Lamme vervolgden hunnen weg naar Brugge. En de
18378 Egyptenaar ging ernstig en fier terug naar het kamp. En het meideken
18379 danste, schaterlachend, in een opene plaats van het bosch.
18380
18381
18382
18383
18384 XL.
18385
18386 Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:
18387
18388 --Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben
18389 huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven,
18390 een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de
18391 ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten,
18392 liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van
18393 uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef
18394 mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.
18395
18396 --Ik wil wel, sprak Lamme.
18397
18398 Hem de beurs langend, sprak hij:
18399
18400 --Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en
18401 struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat
18402 is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven,
18403 onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien,
18404 die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen
18405 hongerig maken, ik hoef andere festijnen.
18406
18407 --Gij zult ze hebben, die festijnen, maar 't zullen festijnen zijn
18408 van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet
18409 bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen
18410 als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend,
18411 genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,
18412
18413 --Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten
18414 wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.
18415
18416 De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden
18417 hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers
18418 voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.
18419
18420 Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep
18421 nedergeslagen.
18422
18423 --Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.
18424
18425 --Ja, antwoordde Uilenspiegel.
18426
18427 Zij stapten af in de Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was
18428 door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel
18429 stond.
18430
18431 De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel
18432 bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.
18433
18434 De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen
18435 maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar
18436 Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas
18437 binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier
18438 zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem
18439 zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het
18440 binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor
18441 het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die
18442 heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd
18443 was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar
18444 Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was
18445 ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en
18446 dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een
18447 pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander
18448 warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk
18449 sprak, met zijne muts in de hand:
18450
18451 --Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten
18452 zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.
18453
18454 Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag
18455 Uilenspiegel met angstige onrust.
18456
18457 Deze antwoordde:
18458
18459 --Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.
18460
18461 --Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat
18462 zij bezitten....
18463
18464 En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:
18465
18466 --Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige
18467 heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere
18468 hesp? Soezels?--wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen,
18469 een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige
18470 karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche
18471 dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar
18472 de wijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.
18473
18474 --Breng dan maar alles op, sprak Lamme.
18475
18476 Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht
18477 vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit,
18478 beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels,
18479 den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol,
18480 dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië,
18481 door zijn keelgat zond.
18482
18483 Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen;
18484 en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te
18485 peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.
18486
18487 Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het
18488 binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen
18489 wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de
18490 beide vrienden dronken en zongen.
18491
18492 Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone
18493 kamer wilden gaan.
18494
18495 Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun
18496 tweeën.
18497
18498 De baas antwoordde:
18499
18500 --Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben,
18501 zonder een duit te betalen.
18502
18503 En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met
18504 prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.
18505
18506 Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem
18507 slapen gaan en deed als hij.
18508
18509 's Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends
18510 en vond hem nog in zijne koets aan 't ronken. Naast hem lag een fijn
18511 geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden
18512 karolussen en zilveren oortjes gevuld was.
18513
18514 Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap,
18515 wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:
18516
18517 --Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
18518
18519 En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:
18520
18521 --Straks was ze daar nog.
18522
18523 Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in
18524 alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.
18525
18526 Stampvoetend herhaalde hij:
18527
18528 --Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
18529
18530 De baas kwam boven, op 't gerucht dat hij maakte.
18531
18532 --Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet,
18533 waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?
18534
18535 --Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt
18536 hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.
18537
18538 --Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw
18539 al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed,
18540 was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja,
18541 waar zijt ge, mijn hertje?
18542
18543 En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:
18544
18545 --'t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; 't is u, 't is uw liefelijk
18546 lichaam, uw schoonen boezem, 't is uw hert, mijne welbeminde! O,
18547 genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij
18548 aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn
18549 hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen
18550 te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar
18551 is mijne vrouw?
18552
18553 En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de
18554 deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door,
18555 tot op de straat, al roepend:
18556
18557 --Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?
18558
18559 Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit
18560 en smeten met steenen naar hem.
18561
18562 En Uilenspiegel zeide tot hem:
18563
18564 --Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien,
18565 vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits
18566 zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is,
18567 die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald,
18568 en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij,
18569 dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer,
18570 en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.
18571
18572 --Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen,
18573 en zal ze wel vinden.
18574
18575 --Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak
18576 Uilenspiegel.
18577
18578 Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.
18579
18580 En zij togen naar Damme.
18581
18582 Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:
18583
18584 --Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt
18585 en hoe zij u verliet?
18586
18587 --Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond
18588 gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met
18589 moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te
18590 lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand,
18591 en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur
18592 was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij
18593 ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak;
18594 de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht
18595 lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik,
18596 liet ik mij vallen in 't bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem,
18597 heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: "Heeft het
18598 avondmaal gesmaakt, Lamme?" en heure stem was dicht tegen mij en heur
18599 aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.
18600
18601
18602
18603
18604 XLI.
18605
18606 Dien dag had koning Philippus te veel lekkernijen gegeten en was
18607 hij naargeestiger dan gewoonte. Hij had op zijn levende klavecimbel
18608 gespeeld, eene kist waar katten in waren, dewelke heuren kop door
18609 ronde gaten staken, boven de toetsen. Telkens dat de koning op eene
18610 toets sloeg, sloeg deze op hare beurt de kat met eenen schicht; en het
18611 dier mauwde erbarmelijk, ter oorzake van de smert, die het uitstond.
18612
18613 Doch Phillippus lachte niet.
18614
18615 Gedurig zocht hij in zijnen geest hoe hij Elisabeth, de groote
18616 koningin, zou kunnen overwinnen om Maria Stuart terug op den troon
18617 van Engeland te plaatsen. Met dat doel had hij eenen brief geschreven
18618 aan den Paus, dewelke diep in schulden stak; de Paus had geantwoord
18619 dat hij, voor die onderneming, geerne de heilige vaten der tempels
18620 en de schatten van het Vatikaan zou verkocht hebben.
18621
18622 Maar Philippus lachte niet.
18623
18624 Ridolfi, de lieveling van koningin Maria, die heur wilde verlossen
18625 in de heimelijke hoop naderhand met heur te trouwen en koning van
18626 Engeland te worden, kwam bij Philippus om met hem Elisabeth's dood
18627 te beramen. Maar hij had zulke lange tong, lijk de koning naderhand
18628 schreef, dat men ter Beurze van Antwerpen openlijk van zijn voornemen
18629 gesproken had; en de moord werd niet bedreven.
18630
18631 En Philippus lachte niet.
18632
18633 Later zond de bloedige hertog, op bevel van den koning, vier
18634 moordenaars naar Engeland. Zij slaagden er slechts in, zich te
18635 doen hangen.
18636
18637 En Philippus lachte niet.
18638
18639 En aldus verijdelde God de heerschzuchtige plannen van dien
18640 bloedzuiger, wiens voornemen was Maria Stuart heuren zoon te ontnemen
18641 en in zijne plaats, samen met den Paus, over Engeland te regeeren. En
18642 de moordenaar was verbitterd, omdat dit edele land zoo groot en zoo
18643 machtig was. Gedurig wendde hij zijn bleeke oogen naar hetzelve,
18644 en zocht hij het middel om het te verpletten, om vervolgens over de
18645 wereld te regeeren, de hervormden uit te roeien, en liefst nog de
18646 rijke, en have en goed te erven van de slachtofferen.
18647
18648 Maar hij lachte niet.
18649
18650 En men bracht hem ratten en muizen in een ijzeren doos met hooge
18651 randen, open van boven; en hij stelde de doos met den bodem op een
18652 gloeiende stoof en hij schepte er vermaak in, de arme diertjes te
18653 zien en te hooren springen, schreeuwen, zuchten en sterven....
18654
18655 Maar hij lachte niet.
18656
18657 Vervolgens ging hij, met bleek gezicht en bevende handen, in de
18658 armen van mevrouw van Eboli, zijn vuur van geilheid blusschen, dat
18659 aangestoken was met de toorts van de wreedheid.
18660
18661 En hij lachte niet.
18662
18663 En mevrouw van Eboli ontving hem, uit vrees en geenszins uit liefde.
18664
18665
18666
18667
18668 XLII.
18669
18670 De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste
18671 windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van
18672 Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden,
18673 de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten
18674 ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den
18675 vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk
18676 met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een
18677 dartel meideken, dat trilt onder de kussen van beuren geliefde. De
18678 karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als
18679 een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote
18680 vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme,
18681 vochtige damp omhoog, die schitterde in 't licht. Van op den toren
18682 van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk
18683 als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om
18684 te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze
18685 aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter,
18686 Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.
18687
18688 Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten,
18689 zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.
18690
18691 Lamme sprak:
18692
18693 --Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.
18694
18695 Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
18696
18697 --Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie
18698 weet of ik daar mijne vrouw niet zie.
18699
18700 Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
18701
18702 --Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen,
18703 noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de
18704 dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide
18705 martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan
18706 heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de
18707 angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.
18708
18709 Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht,
18710 met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.
18711
18712 En hij zweeg.
18713
18714 Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme;
18715 zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen
18716 niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde,
18717 met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel
18718 gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand
18719 werd; Uilenspiegel's lippen beefden heviger, doch hij weende niet
18720 meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond
18721 was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:
18722
18723 --Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.
18724
18725 De meester-koolbrander sprak:
18726
18727 --Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij
18728 thuis waart in deze halle.
18729
18730 Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en
18731 van Soetkin en weende.
18732
18733 Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:
18734
18735 --Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij
18736 dorst hebt.
18737
18738 Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.
18739
18740 Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef,
18741 terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.
18742
18743 Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen
18744 vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene
18745 pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne
18746 was aan 't eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand,
18747 gereed om saus te gieten in Katelijne's teil.
18748
18749 Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan,
18750 dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne
18751 liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de
18752 boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd
18753 en sprak:
18754
18755 --Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.
18756
18757 De reuk van de azijnsaus streelde Lamme's neus; de dikke man was in
18758 verzoeking gebracht.
18759
18760 Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele
18761 met een teederen, liefderijken glimlach.
18762
18763 En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij
18764 ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk,
18765 blozend van zoet en innig genoegen:
18766
18767 --Thijl! Thijl!
18768
18769 Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde,
18770 die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek,
18771 om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en
18772 drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig
18773 van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden,
18774 totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en
18775 zonder verlegenheid zeide zij:
18776
18777 --Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!
18778
18779 Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele's aandoening een
18780 weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:
18781
18782 --Waar heb ik dien dikzak nog gezien?
18783
18784 --Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap
18785 zoekt hij zijn wettige vrouw.
18786
18787 --Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de
18788 Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar
18789 zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij
18790 zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord:
18791 "Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet
18792 meer wonen".
18793
18794 Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de
18795 prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven
18796 zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door
18797 het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de
18798 sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.
18799
18800
18801
18802
18803 XLIII.
18804
18805 Omtrent dien tijd ging een meideken van vijftien jaar alleen in vollen
18806 dag van Heist naar Knokke, langs het duin. Niemand koesterde de minste
18807 vrees voor heur, want men wist, dat weerwolven en verdoemde zielen
18808 alleen uitgaan en bijten des nachts. Zij droeg, in eene tassche,
18809 acht en veertig zilveren stuivers, wat vier karolusgulden uitmaakt,
18810 die heure moeder Tonia Pietersen, woonachtig te Heist, schuldig was,
18811 wegens eene verkooping, aan heuren oom Jan Rapen, woonachtig te
18812 Knokke. Het meideken, Betkin genaamd, had heure beste kleederen aan,
18813 en was blij te moede vertrokken.
18814
18815 's Avonds was Betkin nog niet thuis en heure moeder werd ongerust;
18816 doch daar zij ten slotte onderstelde, dat ze bij heuren oom was
18817 gebleven, bedaarde zij.
18818
18819 Visschers die, met een goede vangst van de zee kwamen, trokken 's
18820 anderen daags hunne boot op het strand, en losten hunne visch in
18821 karren om ze aan de meestbiedenden te doen verkoopen te Heist, in de
18822 mijn. Zij klommen den weg in het schelpzand op, en vonden, in het duin,
18823 een naakt meideken liggen, dat gansch uitgeschud was, tot zelfs van
18824 heur hemde ontdaan, en rondom heur lag bloed. Nader gekomen, zagen zij,
18825 in heuren armen gebroken nek, het merk van lange, scherpe tanden. Het
18826 slachtoffer lag op den rug, met de oogen wijd open naar den hemel,
18827 met den mond insgelijks open, alsof het nog om hulp wou roepen.
18828
18829 Zij bedekten het lichaam van het meideken met een opperste kleed en
18830 droegen het naar Heist, naar het Schepenhuis. Weldra kwamen aldaar
18831 de schepenen en de chirurgijn-baardemaker bijeen, dewelke laatste
18832 verklaarde, dat die lange tanden geenszins wolfstanden waren, zooals
18833 de Natuur die gemaakt heeft, maar wèl die van een boozen, helschen
18834 weerwolf, en dat men God diende te bidden om Vlaanderenland van dat
18835 gedrocht te verlossen.
18836
18837 En, heel het graafschap door, en vooral te Damme, Heist en Knokke,
18838 werden openbare gebeden bevolen.
18839
18840 En men zag het volk jammerend de kerken afloopen.
18841
18842 En in de kerk van Heist, in dewelke het lijk van het meideken ten
18843 toon gesteld was, schreiden mannen en vrouwen, als zij den bloedigen,
18844 verscheurden nek van het slachtoffer zagen.
18845
18846 En de moeder zei in de kerk zelve:
18847
18848 --Ik wil naar den weerwolf gaan en hem vaneenscheuren met mijne tanden.
18849
18850 En weenend hitsten de vrouwen heur in heur voornemen op. Sommigen
18851 zeiden nochtans:
18852
18853 --Gij zoudt niet levend terugkomen.
18854
18855 En zij ging met heuren man en heure beide broeders--alle vier goed
18856 gewapend--den wolf zoeken langs strand, duin en dal, maar zij vonden
18857 hem niet. En heur man moest heur terugbrengen naar huis, want door
18858 de nachtelijke koude had zij de koorts gekregen; en zij waakten bij
18859 heur bed terwijl zij hunne netten herstelden.
18860
18861 Overwegende, dat de weerwolf een beest is dat leeft van bloed, doch
18862 geenszins de dooden besteelt, meende de baljuw van Damme, dat het
18863 ondier zekerlijk moest gevolgd zijn door diepers, die, voor hun snood
18864 gewin, rondzwierven langs het strand. Dienvolgens liet hij uitbellen,
18865 dat hij een iegelijk gelastte en beval, goed gewapend met bussen,
18866 stokken en anderszins, op zoek te gaan, en alle schooiers en diepers
18867 te vatten en af te tasten, om te zien of in hunne gordeltasschen
18868 geen gouden karolussen staken of geenerlei stuk van de kleeding van
18869 de slachtofferen. En nadien zouden de gezonde en sterke schooiers
18870 en diepers op de galeien des konings worden gebracht. En de oude en
18871 gebrekkelijke zou men laten gaan.
18872
18873 Doch men vond niets, dat licht in de zaak bracht.
18874
18875 Uilenspiegel ging tot den baljuw en sprak:
18876
18877 --Ik wil den weerwolf dooden.
18878
18879 --Wat geeft u vertrouwen? vroeg de baljuw.
18880
18881 --De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. Geef mij de
18882 toelating in de gemeentesmidse te werken.
18883
18884 --Gij moogt, sprak de baljuw.
18885
18886 Zonder tot een man of eene vrouw van Damme een woord over zijn ontwerp
18887 te spreken, trok Uilenspiegel naar de smidse en verveerdigde daar,
18888 in 't geheim, eene schoone en groote val om wilde dieren te vangen.
18889
18890 Den volgenden dag, een Zaterdag, de geliefkoosde dag van de weerwolven,
18891 toog Uilenspiegel henen met eenen brief van den baljuw voor den
18892 parochiepaap van Heist, en met de val onder zijnen mantel; overigens
18893 was hij gewapend met een goede bus en een scherp, versch aangezet
18894 kruismes; in 't heengaan zei hij tot die van Damme:
18895
18896 --Ik ga op jacht naar de meeuwen en zal met haar dons oorkussens
18897 maken voor mevrouw van den baljuw.
18898
18899 Naar Heist stappend, langs het duin, hoorde hij de woedende baren
18900 der zee, die schuimend kwamen botsen op de kust, met een gedruisch
18901 als van den donder, en den wind, die uit Engeland woei en die huilde
18902 in het want van de gestrande schuiten.
18903
18904 Een schipper zei tot hem:
18905
18906 --Die kwade wind doet ons nadeel. Verleden nacht was de zee kalm,
18907 doch na zonsopgang rees zij eensklaps woedend omhoog. Wij zullen niet
18908 kunnen in zee steken.
18909
18910 Uilenspiegel was er blijde om, want aldus was hij zeker des nachts
18911 hulp te krijgen, als zulks noodig mocht zijn.
18912
18913 Te Heist ging hij naar den pastoor, denwelken hij den brief van den
18914 baljuw bestelde.
18915
18916 De parochiepaap zeide tot hem:
18917
18918 --Gij zijt een moedige kerel; edoch ik moet u zeggen, dat niemand
18919 's Zaterdagavonds langs het duin gaat, zonder gebeten, en dood in
18920 het zand gevonden te worden. De dijkwerkers en andere arbeidslieden
18921 wachten steeds op elkaar en begeven zich maar bij troepen op weg. De
18922 avond valt. Hoort gij in het duin den weerwolf huilen? Zal men weeral,
18923 lijk gisteren, heel den nacht door, zijn schor gehuil hooren weergalmen
18924 op den akker der dooden? God zij met u, mijn zoon, maar doe het niet.
18925
18926 En de paap maakte het teeken des kruises, en zegende hem.
18927
18928 --De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
18929
18930 De pastoor sprak:
18931
18932 --Mits gij zoo'n kloekmoedige wilskracht hebt, zal ik u helpen.
18933
18934 --Heer pastoor, sprak Uilenspiegel, gij zoudt mij en het arme
18935 geteisterde land grootelijks van dienst zijn, zoo gij bij Tonia, de
18936 moeder van het slachtoffer, en ook bij heure twee broeders wildet
18937 gaan, en hun zeggen, dat de wolf in de nabijheid is en dat ik hem
18938 wil afwachten om hem te dooden.
18939
18940 De parochiepaap sprak:
18941
18942 --Als gij niet weet welken weg gij moet nemen, begeef u op dien, welke
18943 leidt naar het kerkhof. Hij loopt tusschen twee groene hagen. Twee
18944 mannen zouden er naast elkander niet kunnen gaan.
18945
18946 --Daar zal ik zijn, antwoordde Uilenspiegel. En gij, messire dappere
18947 pastoor, gelast en beveel aan de moeder van het meideken, aan heuren
18948 man en aan heure broeders zich, vóór de slaapklok, goed gewapend
18949 in de kerk te bevinden. Als zij mij hooren fluiten lijk de meeuw,
18950 is dit het teeken, dat ik den weerwolf gezien heb. Dan moeten zij
18951 de wacharmklok luiden en mij ter hulp snellen. Hebt gij ook eenige
18952 andere wakkere mannen?
18953
18954 --Neen, mijn zoon, antwoordde de pastoor. De visschers vreezen den
18955 weerwolf meer dan pest en dan dood. Maar doe het niet....
18956
18957 Uilenspiegel antwoordde:
18958
18959 --De assche van Klaas klopt op mijn hert.
18960
18961 Toen zei de paap:
18962
18963 --Ik zal doen wat gij vraagt, wees gezegend. Hebt gij soms honger
18964 of dorst?
18965
18966 --Beide, antwoordde Uilenspiegel.
18967
18968 De pastoor gaf hem bier, brood en kaas.
18969
18970 Uilenspiegel at en dronk; en hij toog henen.
18971
18972 Onderwege hief hij de oogen op; hij zag Klaas, zijn vader, in
18973 glorie naast God in den hemel, in denwelken de heldere maan glom,
18974 en vervolgens zag hij naar de zee en de wolken, en hoorde hij den
18975 loeienden wind, die uit Engeland blies.
18976
18977 --Laas! sprak hij, zwarte wolken, die voorbijrennen in het nachtelijk
18978 duister, weest als de Wrake die den Moord achternazet. Loeiende zee,
18979 pikdonkere hemel; bruisend water, dat driftig, grammoedig rolt of
18980 woest omhoog slaat, of in branding schuimend en spattend breekt op
18981 het strand; zwarte zee, in rouw gehulde hemel, komt mij ter hulp in
18982 mijnen strijd tegen den weerwolf, den vuigen moordenaar van onschuldige
18983 meidekens. En gij, wind, die klagend huilt in de bremstruiken van
18984 het duin en in het want van de schepen, gij zijt de stem van de
18985 slachtofferen, die roepen om wrake bij den Heer, dewelke mij helpe
18986 in mijne onderneming!
18987
18988 En waggelend op zijne beenen, alsof zijn hoofd honderd pond woog en
18989 zijne maag overlast was, daalde hij neer van het duin.
18990
18991 Wankelend stapte hij voort met een slepend lied op de lippen, dat
18992 hij elk oogenblik onderbrak om te hikken, te geeuwen, te spuwen. Van
18993 tijd tot tijd bleef hij staan en gebaarde hij over te geven, doch
18994 in werkelijkheid opende hij goed de oogen, om rondom zich alles
18995 oplettend gade te slaan. Eensklaps hoorde hij een schor geluid; hij
18996 bleef staan om te spugen als een hond, en, bij het licht der rijzende
18997 maan, onderscheidde hij de gedaante van eenen wolf, die sloop naar
18998 het kerkhof.
18999
19000 Waggelend sloeg Uilenspiegel het pad in, tusschen de groene hagen. Daar
19001 gebaarde hij neder te vallen, doch 't was om de val te plaatsen langs
19002 den kant, van denwelken de wolf kwam: hij wapende vervolgens zijne
19003 bus en ging tien stappen verder staan in de houding eens dronkaards,
19004 en gedurig veinsde hij te waggelen, te hikken, te braken, doch
19005 werkelijk spande hij zijnen geest als een boog, opende de oogen en
19006 spitste de ooren.
19007
19008 En niets zag hij dan de zwarte wolken, die als waanzinnig renden
19009 door 't luchtruim, en een dikke korte en zwarte gedaante, die op hem
19010 afkwam; en niets hoorde hij dan de wind, die kreunend huilde, de zee,
19011 die als de donder rolde, en den weg van schelpzand, die kraakte onder
19012 een zwaren, huppelenden stap.
19013
19014 Uilenspiegel veinsde zich te willen nederzetten en liet zich, als
19015 een dronkaard, zwaar op den weg vallen. En hij braakte.
19016
19017 Daar hoorde hij ijzerwerk knarsen, op een paar stappen van zich,
19018 dadelijk daarna het gerucht van de val, die toesloeg, en den gil van
19019 een mensch.
19020
19021 --De weerwolf, sprak hij bij zich zelven, is met de voorpooten gevangen
19022 in de val. Huilend richt hij zich op; hij schudt de val heen en weer
19023 om te ontvluchten. Maar ontsnappen zal hij niet. En hij schoot zijne
19024 bus af naar zijne beenen.
19025
19026 --Getroffen, sprak hij, want gekwetst valt hij neder!
19027
19028 En hij floot als de zeemeeuw.
19029
19030 Plotseling begon de klok van de kerk wacharm te luiden, en riep de
19031 schelle stem van een knaapje in 't dorp:
19032
19033 --Wordt wakker, gij allen, die slaapt; de weerwolf is gevangen!
19034
19035 --Hoezee! God zij gedankt! sprak Uilenspiegel.
19036
19037 Tonia, de moeder van Betkin, Lansaem, heur man, Judocus en Michiel,
19038 heure broeders, kwamen het eerst met hunne lanteernen.
19039
19040 --Hebt gij hem vast? vroegen zij.
19041
19042 --Ziet maar, daar ligt hij op den weg, antwoordde Uilenspiegel.
19043
19044 --God zij gedankt! spraken zij.
19045
19046 En zij maakten het teeken des kruises.
19047
19048 --Wie is daar aan 't luiden? vroeg Uilenspiegel.
19049
19050 Lansaem antwoordde:
19051
19052 --Mijn oudste zoon; de jongste loopt het dorp rond, om de menschen
19053 op te kloppen en te roepen, dat de wolf gevangen is. Heil U!
19054
19055 --De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
19056
19057 Plotseling begon de weerwolf te spreken en zeide hij:
19058
19059 --Heb medelijden met mij, Uilenspiegel, heb medelijden.
19060
19061 --De wolf spreekt, zeiden allen een kruis slaande. Hij is de duivel,
19062 want reeds kent hij Uilenspiegel's naam.
19063
19064 --Heb medelijden, medelijden, smeekte de stem, zeg aan die klok van
19065 te zwijgen; zij klept als de doodklok; medelijden, ik ben de wolf
19066 niet. Mijne polsen zijn doorgesneden in de val; ik ben oud en ik
19067 bloed, medelijden! Welk schelle kinderstem hoor ik daar het dorp
19068 wakker maken? Medelijden!
19069
19070 --Ik herken uwe stem, ik heb ze vroeger gehoord, sprak Uilenspiegel
19071 onstuimig. Gij zijt de vischverkooper, de moordenaar van Klaas, de
19072 bloedzuiger der arme meidekens. Mannen en vrouwlieden, weest zonder
19073 vrees; 't is de deken, die Soetkin deed sterven van smerte.
19074
19075 En met eene hand hield hij hem bij den nek, onder de kin, terwijl
19076 hij met de andere zijn kruismes trok.
19077
19078 Maar Tonia, de moeder van Betkin, hield hem tegen en riep:
19079
19080 --Neem hem levend gevangen.
19081
19082 En met klissen trok zij zijn grijze haren uit, terwijl zij zijn
19083 aangezicht met heure nagelen doorwoelde.
19084
19085 En zij huilde van droefheid en woede.
19086
19087 Met de handen gevat in de val, en kronkelend ter oorzake van de hevige
19088 smert, riep de weerwolf:
19089
19090 --Hebt medelijden, hebt toch medelijden; o, die vrouw, doet ze
19091 weggaan. Ik zal twee gouden karolussen geven. Breekt die klokken! Waar
19092 zijn die tierende kinderen?
19093
19094 --Houdt hem levend! schreeuwde Tonia, houdt hem levend, hij moet het
19095 betalen. De doodklokken kleppen voor u, moordenaar. Met zacht vuur,
19096 met gloeiende tangen! Houdt hem levend! dat hij betale!
19097
19098 Intusschen stiet Tonia tegen een voorwerp, dat op den grond lag;
19099 zij bukte zich en raapte een wafelijzer op. Toen zij het bekeek
19100 bij den gloed van de toortsen, zag zij, naar de Brabantsche wijs,
19101 diepe ruitjes in de ijzeren platen, maar daarenboven was het bezet met
19102 lange en scherpe tanden, als een ijzeren muil. En als zij het toedeed,
19103 was het als de muil van een wolfshond.
19104
19105 Tonia hield toen het wafelijzer vast, opende het en sloot het
19106 beurtelings, en deed daarbij het ijzerwerk knarsen. En ze scheen
19107 waanzinnig en, razend en knarsetandend, reutelend als eene zieltogende,
19108 zuchtend van de bittere smert, die dorstte naar weerwraak, beet zij
19109 met het ijzer den gevangene in zijne armen, in zijne beenen, in zijn
19110 lijf, overal, doch vooral in den nek; en telkens dat zij het ijzer
19111 toedrukte, sprak zij:
19112
19113 --Zoo deed hij met Betkin, met de ijzeren tanden. Hij betale. Bloedt
19114 gij, moordenaar? God is rechtveerdig. Hoor maar de doodklok. Betkin
19115 roept om gewroken te worden. Voelt gij de tanden? 't Zijn de tanden
19116 van God!
19117
19118 En zij beet zonder ophouden of medelijden, en sloeg met het wafelijzer,
19119 als zij er hem niet mee kon bijten. Maar gedreven door heur groote
19120 begeerte naar wraak, doodde zij hem niet.
19121
19122 --Genade, schreeuwde de vischverkooper, Uilenspiegel, steek mij dood
19123 met uw kruismes, stel aan mijn lijden een einde. Smijt die vrouw
19124 weg. Breek de klokken. Dood de kinderen, die schreeuwen!
19125
19126 En Tonia folterde hem zonder ophouden, totdat een oud man medelijden
19127 kreeg en heur het wafelijzer ontnam.
19128
19129 Maar toen spugde Tonia den weerwolf in het gezicht en trok ze zijne
19130 haren uit, zeggende:
19131
19132 --Gij zult betalen, met zacht vuur, met gloeiende tangen: uwe oogen
19133 zal ik met mijne nagelen uitrukken!
19134
19135 Intusschen waren al de visschers, boeren en vrouwlieden van Heist
19136 bijgekomen, als zij vernomen hadden, dat de weerwolf geen duivel,
19137 maar een man was.
19138
19139 Eenigen droegen lanteernen en toortsen. En allen riepen:
19140
19141 --Dief en moordenaar, waar hebt gij het goud weggestoken, dat gij
19142 den armen slachtofferen ontroofdet? Hij moet alles teruggeven!
19143
19144 --Ik heb geen goud; hebt medelijden! smeekte de vischverkooper.
19145
19146 En de vrouwlieden smeten zand en steenen naar hem.
19147
19148 --Hij betale! hij betale! schreeuwde Tonia.
19149
19150 --Medelijden, zuchtte hij, ik ben druipend van het bloed, dat gutst
19151 uit mijn wonden.
19152
19153 --Uw bloed, sprak Tonia. O, gij moet er houden voor de hand van den
19154 beul. Hij moet sterven met zacht vuur, zijne hand afgekapt worden,
19155 met gloeiende tangen genepen! Hij zal betalen, hij zal betalen.
19156
19157 En zij wilde hem slaan; doch zij viel buiten kennis op het zand als
19158 eene doode; en men liet heur daar liggen totdat zij terug tot zich
19159 zelve kwam.
19160
19161 Intusschen had Uilenspiegel de handen van den gevangene uit de val
19162 verlost, en toen zag hij, dat drie vingeren ontbraken aan zijne
19163 rechterhand.
19164
19165 En hij beval hem stevig te knevelen en in eene vischmand te
19166 binden. Mannen, vrouwlieden en kinderen togen toen henen naar Damme,
19167 en droegen onderwege beurtelings de benne met haar verachtelijke
19168 vracht. En anderen droegen lanteernen en toortsen.
19169
19170 En de vischverkooper zei gedurig:
19171
19172 --Breekt de klokken, doodt de kinderen, die schreeuwen.
19173
19174 En Tonia sprak:
19175
19176 --Hij betale, met zacht vuurken, met gloeiende tangen, hij betale!
19177
19178 En dan weer zwegen beiden. En Uilenspiegel hoorde niets meer dan den
19179 jagenden adem van Tonia, den zwaren stap van de mannen op het krakende
19180 zand en de zee, die rolde als de donder.
19181
19182 En, met treurig hert, zag hij naar de wolken, die, als waanzinnigen,
19183 elkander achternazetten in den hemel; naar de zee, waar de branding
19184 zich als lichtende schaapkens vertoonde, en, bij den gloed van
19185 lanteernen en toortsen, naar het doodsbleeke gelaat van den
19186 vischverkooper, dewelke hem bezag met valschheid en wraaklust.
19187
19188 En de assche klopte op zijn hert.
19189
19190 En in vier uren gingen zij naar Damme, alwaar het gemeen reeds te
19191 hoop geloopen was, daar het de tijding reeds kende. Allen wilden
19192 den vischverkooper zien en volgden de visschers al dansend, zingend
19193 en roepend:
19194
19195 --De weerwolf is gevangen; hij is gepakt, de moordenaar! Gezegend
19196 zij Uilenspiegel! Lang leve onze broeder Uilenspiegel!
19197
19198 En er was veel beweging onder het gemeeen.
19199
19200 Toen zij aan 't huis van den baljuw waren, kwam deze vóór op het
19201 gerucht en zei tot Uilenspiegel:
19202
19203 --Gij zijt overwinnaar! Heil u!
19204
19205 --De assche van Klaas klopte op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
19206
19207 Toen sprak de baljuw:
19208
19209 --Gij krijgt de helft van de nalatenschap des moordenaars.
19210
19211 --Geef dat aan de slachtofferen, antwoordde Uilenspiegel.
19212
19213 Lamme en Nele kwamen nader; lachend en weenend van geluk, kuste Nele
19214 heuren vriend Uilenspiegel; Lamme sprong log als een beer omhoog en
19215 klopte op den buik van zijn vriend, zeggende:
19216
19217 --Dat is een brave, koene en trouwe gezel; 't is mijn vriend,
19218 mijn spitsbroeder: zulke vrienden hebt gij niet, gijlieden van
19219 't platteland.
19220
19221 Maar de visschers lachten en spotten met hem.
19222
19223
19224
19225
19226 XLIV.
19227
19228 De burgstorm luidde 's anderen daags, om den baljuw, de schepenen
19229 en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden,
19230 rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.
19231
19232 En rondom stond het gemeen.
19233
19234 De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet
19235 wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had,
19236 en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:
19237
19238 --Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!
19239
19240 Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:
19241
19242 --Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen
19243 medelijden, heeren rechters!
19244
19245 De vrouwlieden spraken:
19246
19247 --Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en
19248 geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan
19249 eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme
19250 meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven
19251 te slijten.
19252
19253 --Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen,
19254 riep Tonia.
19255
19256 En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten
19257 de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar
19258 den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag,
19259 jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:
19260
19261 --Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!
19262
19263 En gedurig riep Tonia:
19264
19265 --Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!
19266
19267 En het volk morde.
19268
19269 --Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder
19270 de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of
19271 zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.
19272
19273 --Hij siddert van smerte!
19274
19275 --'t Is de rechtveerdigheid Gods!
19276
19277 --Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!
19278
19279 --En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge
19280 van het prangen der val.
19281
19282 --Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.
19283
19284 En jammerend zuchtte hij:
19285
19286 --Ik ben arm, laat mij gaan.
19287
19288 En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen
19289 veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen
19290 lachten.
19291
19292 Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op
19293 de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde,
19294 van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren,
19295 en de plaats, waar hij zijn geld verborg.
19296
19297 Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten,
19298 in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem
19299 beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:
19300
19301 --Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer
19302 klein was,--ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen
19303 en lichaamsoefeningen,--aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele,
19304 en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden
19305 met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij,
19306 zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een
19307 iegelijk wezen, dat komt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien
19308 een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of
19309 goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en
19310 plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf,
19311 en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de
19312 wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk
19313 ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij
19314 den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de
19315 folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen
19316 dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in
19317 de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen,
19318 maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te
19319 oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.
19320
19321 De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:
19322
19323 --Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist,
19324 ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer,
19325 wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed
19326 gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten
19327 zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe
19328 het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn
19329 aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft,
19330 dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt
19331 van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en
19332 Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te
19333 bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook
19334 zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij
19335 een goede gelegenheid.
19336
19337 --Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.
19338
19339 De beul gehoorzaamde.
19340
19341 --Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.
19342
19343 --De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.
19344
19345 --Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de
19346 baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.
19347
19348 De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:
19349
19350 --Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij
19351 verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het
19352 vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden. Ik zal niets
19353 zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden;
19354 die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn
19355 eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het
19356 is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan;
19357 genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de
19358 keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos
19359 met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het
19360 niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd,
19361 breng mij weg van het vuur!
19362
19363 Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.
19364
19365 De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.
19366
19367 --Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.
19368
19369 De baljuw zeide tot hem:
19370
19371 --Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?
19372
19373 De vischverkooper antwoordde:
19374
19375 --Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen,
19376 behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik's nachts de ijzeren tanden
19377 vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen
19378 mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze "wafelen
19379 met Brabantsche knoopen", ter oorzake van de ledige holten,--waarin
19380 de tanden geschroefd werden,--en dewelke kleine halfronden, die op
19381 knoopen geleken, op de wafelen maakten.
19382
19383 Maar de baljuw vervolgde.
19384
19385 --Wanneer beet gij de arme slachtofferen?
19386
19387 's Nachts, en ook 's daags. 's Daags dwaalde ik langs het duin
19388 en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar
19389 voornamelijk 's Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een
19390 boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan,
19391 want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat
19392 zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede
19393 scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in
19394 den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in
19395 het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van 't platteland.
19396
19397 Toen sprak de baljuw:
19398
19399 --Heb berouw en bid God.
19400
19401 Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:
19402
19403 --'t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles
19404 ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige
19405 tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij
19406 niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden,
19407 ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij
19408 toch niet!
19409
19410 Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom,
19411 om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.
19412
19413 En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij
19414 veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden,
19415 de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de
19416 dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.
19417
19418 En Tonia riep:
19419
19420 --'t Is rechtveerdig, hij betale!
19421
19422 En het volk riep:
19423
19424 --Lang leven de Heeren van de Wet!
19425
19426 En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en
19427 wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan
19428 toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne
19429 goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.
19430
19431 En hij grijnslachte.
19432
19433 's Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht,
19434 zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep,
19435 met den vinger naar hem wijzend:
19436
19437 --Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven;
19438 tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn
19439 vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan,
19440 Zijne Katholieke Majesteit.
19441
19442 De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
19443
19444 --Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij
19445 zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!
19446
19447 --De vischverkooper liegt, riepen die van 't gemeen; hij liegt,
19448 de beul, de moordenaar!
19449
19450 En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste
19451 aan 't voorhoofd. En ze riep:
19452
19453 --Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm
19454 dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!
19455
19456 Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:
19457
19458 --Heeft iemand den vischverkooper in 't water zien smijten?
19459
19460 Uilenspiegel antwoordde niet.
19461
19462 --Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!
19463
19464 --Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij
19465 wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon
19466 er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever
19467 vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar
19468 mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij
19469 oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.
19470
19471 --Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.
19472
19473 --Neen, niemand, riep Tonia. In 't vuur, met den beul! Alvorens te
19474 sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in 't vuur,
19475 hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht
19476 het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur,
19477 met gloeiende tangen!
19478
19479 --Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.
19480
19481 Uilenspiegel antwoordde:
19482
19483 --Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in
19484 't water. De assche klopte op mijn hert.
19485
19486 --Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar
19487 is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der
19488 justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een
19489 armen grijsaard.
19490
19491 Uilenspiegel sprak:
19492
19493 --Ik smeet u in 't water om u te dooden: de assche van mijn vader
19494 klopt op mijn hert.
19495
19496 En in het volk spraken de vrouwen:
19497
19498 --Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien;
19499 nu zult gij sterven.
19500
19501 En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met
19502 zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.
19503
19504 --Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop
19505 om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God
19506 is rechtveerdig!
19507
19508 --Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in
19509 Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een
19510 lakensweerdige daad, maar 't was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel
19511 zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.
19512
19513 --Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!
19514
19515 De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper
19516 knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.
19517
19518 En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een
19519 gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór
19520 de pui van het Schepenhuis.
19521
19522 Als hij den dood nabij was, riep hij:
19523
19524 --De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige
19525 tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.
19526
19527 En Tonia riep:
19528
19529 --Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den
19530 moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt;
19531 zijn wit haar, hyena's haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale,
19532 hij betale!
19533
19534 En de vischverkooper huilde als een wolf.
19535
19536 En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
19537
19538 En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.
19539
19540 En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:
19541
19542 --Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
19543
19544
19545
19546
19547
19548
19549
19550 VIERDE BOEK.
19551
19552
19553 I.
19554
19555 Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende,
19556 Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen,
19557 vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen,
19558 een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever
19559 den Turc als den Paus.
19560
19561 Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen
19562 antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.
19563
19564 De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de
19565 eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van
19566 Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.
19567
19568 Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong,
19569 de booten der Geuzen weder in zee staken.
19570
19571 Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij
19572 stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een
19573 geketende beer.
19574
19575 Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een
19576 heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en
19577 druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel
19578 van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed
19579 zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen
19580 rug een hond aan een been knaagde.
19581
19582 Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn
19583 been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit:
19584 de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.
19585
19586 De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:
19587
19588 --Waarom moet gij dien hond plagen?
19589
19590 --Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?
19591
19592 --Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,
19593
19594 --Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de
19595 hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien
19596 ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen
19597 stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat
19598 niet met rust laten.
19599
19600 Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.
19601
19602 --Wie zijt gij? vroeg de heer.
19603
19604 --Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om
19605 het geloof.
19606
19607 En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.
19608
19609 --Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?
19610
19611 Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd
19612 karolussen.
19613
19614 --Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.
19615
19616 --Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals
19617 ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het
19618 lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.
19619
19620 --Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne
19621 boot inschepen.
19622
19623 Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de
19624 vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong's ongeduld uit
19625 en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok
19626 hij van 't Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen,
19627 alwaar zijn vaartuig omringd werd door 't ijs.
19628
19629 Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip:
19630 schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen
19631 en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels;
19632 gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter
19633 elkander, of bij paren, terwijl zij op 't ijs een minnelied zongen:
19634 ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om
19635 brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten,
19636 heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden
19637 arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.
19638
19639 Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in 't rond,
19640 gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op
19641 zijn achterste.
19642
19643 Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleine taveerne
19644 op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij
19645 bleef geerne praten met de oude bazinne.
19646
19647 Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij
19648 zijn eetmaal.
19649
19650 --Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te
19651 dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn
19652 witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is
19653 hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?
19654
19655 --Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?
19656
19657 --U, sprak hij.
19658
19659 De vrouw antwoordde:
19660
19661 --Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?
19662
19663 Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:
19664
19665 --Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden,
19666 dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?
19667
19668 --Lamme? vroeg hij.
19669
19670 --Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.
19671
19672 Uilenspiegel antwoordde:
19673
19674 --Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch,
19675 zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles
19676 om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij
19677 vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?
19678
19679 Maar zij maakte het teeken des kruises.
19680
19681 --Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.
19682
19683 --Bemint gij niemand? vroeg hij.
19684
19685 --Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen
19686 Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in
19687 kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten,
19688 doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die
19689 bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?
19690
19691 Uilenspiegel antwoordde:
19692
19693 --Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd
19694 zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig
19695 of vroolijk?
19696
19697 --Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.
19698
19699 --Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.
19700
19701 --Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.
19702
19703 --Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.
19704
19705 Zuchtend antwoordde zij:
19706
19707 Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij
19708 weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; 't is droef
19709 voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem
19710 aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij
19711 u die bede te doen.
19712
19713 --Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.
19714
19715 --Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot
19716 onzer Moeder, de Heilige Kerk!
19717
19718 --Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.
19719
19720 En hij toog henen.
19721
19722 Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker
19723 maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en
19724 de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.
19725
19726 Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de
19727 lieftallige gastvrouw tot hem:
19728
19729 --Arme Lamme! arme Uilenspiegel!
19730
19731 --Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.
19732
19733 --Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de
19734 misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik
19735 vermogen u te redden.
19736
19737 Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde,
19738 vroeg Uilenspiegel:
19739
19740 --Is 't de sneeuw niet, die gij hoort vallen?
19741
19742 --Neen, sprak zij.
19743
19744 --Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?
19745
19746 --Neen, sprak zij nogmaals.
19747
19748 --Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige
19749 herberg?
19750
19751 --De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.
19752
19753 --De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.
19754
19755 --Daar zijn ze, sprak zij.
19756
19757 --Wie?
19758
19759 --Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van
19760 den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt,
19761 is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha,
19762 waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?
19763
19764 --Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf
19765 hier!
19766
19767 --Verraad mij niet, sprak zij.
19768
19769 Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen,
19770 en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:
19771
19772 --De Spanjool komt!
19773
19774 Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde
19775 voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.
19776
19777 Uilenspiegel zeide tot Lamme:
19778
19779 --Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten
19780 rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte
19781 huik verbergt?
19782
19783 --'t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen
19784 slapen.
19785
19786 En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde
19787 hij niet meer dan een doove.
19788
19789 Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip,
19790 riep hij heur toe:
19791
19792 --Wilt gij ons volgen?
19793
19794 --Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....
19795
19796 --Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de
19797 nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar
19798 als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van
19799 de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.
19800
19801 --Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik
19802 maar mocht.
19803
19804 Vervolgens het schip naderend, sprak zij:
19805
19806 --Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die
19807 slaapt als hij diende te waken.
19808
19809 En henen gaande, riep zij:
19810
19811 --Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!
19812
19813 En zij liet heur gezicht zien.
19814
19815 --Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.
19816
19817 En hij wilde op het ijs springen.
19818
19819 --Uw trouwe vrouw! zeide zij.
19820
19821 En zij liep heen.
19822
19823 Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield
19824 hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide,
19825 smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:
19826
19827 --Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.
19828
19829 Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield
19830 hem en sprak:
19831
19832 --De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.
19833
19834 En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:
19835
19836 --Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!
19837
19838 --Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar
19839 ziet God liever dan u.
19840
19841 --'t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan
19842 heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne
19843 oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?
19844
19845 --Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!
19846
19847 --Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!
19848
19849 En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.
19850
19851 Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.
19852
19853 Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken
19854 het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.
19855
19856 De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en
19857 hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en
19858 neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het
19859 schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen
19860 vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije
19861 zee stevende.
19862
19863 Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de
19864 Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne
19865 omhoog in de mast van zijn schip voerde.
19866
19867 --Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen,
19868 als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem
19869 bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge
19870 gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn
19871 ronde koele oogen: 't zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard,
19872 denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen
19873 en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens,
19874 hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat
19875 met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!
19876
19877 --Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreekt voor zijn
19878 evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.
19879
19880 --Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch,
19881 sprak Uilenspiegel.
19882
19883 --Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken,
19884 antwoordde Lamme.
19885
19886 En de beide vrienden proestten van 't lachen.
19887
19888 Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die
19889 geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip
19890 werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel
19891 onder den tand van den leeuw.
19892
19893 Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede,
19894 afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of
19895 have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend
19896 gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en
19897 verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom
19898 betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst
19899 dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.
19900
19901 En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.
19902
19903 En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee,
19904 die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
19905
19906
19907
19908
19909 II.
19910
19911 Men was in het begin van de Bloeimaand; de hemel was helder en het
19912 vaartuig dobberde statig op de wateren. Uilenspiegel zong:
19913
19914
19915 De asch klopt op mijn hart.
19916 De beulen kwamen, sloegen
19917 Met dolk en vuur, geweld en zwaard.
19918 Vuil geld betaalt den vuigen spioen.
19919 In stêe van deugden, liefde en geloof,
19920 Heerschen verklikking en wantrouwen.
19921 De slachters dienen geslacht.
19922 Slaat op de krijgstrom.
19923
19924 Leve de Geus! Slaat op de trom.
19925 De Briel is aan ons.
19926 Vlissingen ook, de sleutel der Schelde.
19927 De Heer is goed. Campveere is aan ons,
19928 Met Zeelands schutterij.
19929 We hebben kruit en lood en kogels,
19930 IJzeren kogels, gegoten kogels.
19931 De Heer is met ons, wie tegen?
19932
19933 Slaat op den trommel. Zege en roem!
19934 Leve de Geus! Slaat op de trom.
19935
19936 Het zwaard is getogen, harten hoog,
19937 Vuisten vast; het zwaard is getogen.
19938 Weg met den Tienden Penning, den nood, den dood!
19939 Ter galge de beul, ter galge de roover!
19940 Meineedig vorst wil het volk in oproer.
19941 Het zwaard is getogen voor ons rechten,
19942 Voor huis en have, voor vrouw en kinderen.
19943 Het zwaard is getogen. Slaat op de trom.
19944
19945 Harten hoog, vuisten vast.
19946 Weg met den Tienden Penning, weg met snood pardoen.
19947 Slaat op de krijgstrom. Slaat op de trom.
19948
19949
19950 ... Ja, spitsbroeders en vrienden, ja, te Antwerpen, noesch over het
19951 Schepenhuis, hebben zij een groot schavot opgericht, dat met rood
19952 laken bekleed is; de hertog troont er op als een koning te midden van
19953 staffieren en soldeniers. Hij wil goedgunstig glimlachen, doch trekt
19954 slechts een afgrijselijk gezicht. Slaat op de trommel! Leve de Geus!
19955
19956 ... Hij heeft kwijtschelding geschonken; zwijgt stille: zijn gulden
19957 harnas flikkert in de zonne, de grootprovoost zit te peerd naast
19958 den baldakijn; daar komt de heraut met zijn trommelaars; hij leest
19959 algemeene kwijtschelding af voor al degenen, die niets misdeden;
19960 de anderen zullen wreedelijk worden gestraft.
19961
19962 ... Luistert spitsbroeders, hij leest het plakkaat, hetwelk, onder
19963 straffe van beschuldiging van muitmakerij, de betaling van den tienden
19964 en den twinstigsten penning beveelt.
19965
19966 En Uilenspiegel zong:
19967
19968
19969 Hertog, hoort ge de stem van het volk,
19970 't Geweldig rumoer? 't Is de zee die zwelt
19971 In 't zware gezwoeg der stormen.
19972 Geld genoeg, bloed genoeg,
19973 Nood genoeg. Slaat op de trom.
19974
19975 't Is de klauw in de bloedende wonde,
19976 De diefstal na den moord. Moet ge ons goud
19977 Mengen met ons bloed om het te drinken?
19978 Wij stapten in de baan des plichts,
19979 Den koning getrouw. De koning is meineedig.
19980 Wij zijn van den eed ontslagen. Slaat op de krijgstrom.
19981
19982 Hertog van Alva, bloedhertog,
19983 Zie kramen, en winkels gesloten,
19984 Zie brouwers, bakkers, kruideniers,
19985 Weigrend te venten om niet te betalen.
19986 Wie groet u langs den weg?
19987 Niemand. Voelt ge als een mist van pest
19988 Haat en smaad u omringen?
19989
19990 De schoone grond van Vlaanderen,
19991 Het lustig land Brabánt,
19992 Treuren als kerkhoven.
19993 Waar vroeger, in tijden van vrijheid,
19994 Vedels zongen, pijpen schalden,
19995 Zijn stilte en dood.
19996 Slaat op de krijgstrom.
19997
19998 Geen vrooe gezichten meer
19999 Van zingende vrijers en drinkebroers,
20000 Maar bleeke gelaten
20001 Van wie gelaten
20002 Wachten op 't zwaard van het onrecht.
20003 Slaat op de krijgstrom.
20004
20005 Wie hoort nog in de taveernen
20006 Het lustig klinken der glazen,
20007 Of de helle stemmen der deernen,
20008 Bij benden zingend op straat?
20009 Brabánt en Vlaanderen, vreugdelanden,
20010 Zijn tranenlanden.
20011 Slaat op de rouwtrom.
20012
20013 Grond der vaadren, verdrukte geliefde,
20014 Plooi niet onder den voet des moorders.
20015 Nijvere bijen, zwiert in zwermen
20016 Neer op de wespen van Spanje,
20017 Levend begravene vrouwen en dochters,
20018 Roept tot Christus: wraak!
20019
20020 Dwaalt bij nacht in de velden; arme zielen,
20021 Roept tot God. De vuist trilt om te slaan.
20022 Het zwaard is getogen, hertog, we rukken uw ingewand uit
20023 Om u in 't aangezicht te zweepen.
20024 Slaat op den trommel. Het zwaard is getogen.
20025 Slaat op den trommel. Leve de Geus!
20026
20027
20028 En al de matrozen en soldaten van het vaartuig van Uilenspiegel,
20029 en ook van de andere vaartuigen, zongen in koor:
20030
20031
20032 Slaat op den trommel, leve de Geus!
20033
20034
20035 En hunne stemmen rommelden als de donder der verlossing.
20036
20037
20038
20039
20040 III.
20041
20042 Men was in Louwe, de wreede maand, die het kalf in den buik van de
20043 koe doet vervriezen. Het had gesneeuwd en daarboven gevrozen. De
20044 knapen vingen, met vogelteer, de musschen, die op de harde sneeuw
20045 een schamel stuksken brood kwamen zoeken, en brachten dat wild naar
20046 de hutten hunner ouders. Op den grijzen hemel staken, onbeweeglijk,
20047 de geraamten der boomen af, welker takken met sneeuwen kussens waren
20048 versierd, die insgelijks de daken der hutten en de nok van de muren
20049 bedekten, en in dewelke men pooten van katten zag, want die dieren
20050 maakten in de sneeuw insgelijks jacht op de musschen. Heinde en ver
20051 waren de weiden verborgen onder die wonderbare vacht, die de aarde
20052 tegen de gure winterkoude beschut. De rook uit de schoorsteenen van
20053 hutten en huizen stak somber af tegen den helderen hemel, en men
20054 hoorde niet het minste gerucht.
20055
20056 En Katelijne en Nele zaten alleen in hare woning; en Katelijne schudde
20057 het hoofd en sprak:
20058
20059 --Hans, mijn hart trekt naar u. Gij moet de zevenhonderd karolussen
20060 teruggeven aan Uilenspiegel, den zoon van Soetkin. Zijt gij nooddruftig
20061 en kunt gij ze thans niet teruggeven, kom dan toch maar, dat ik uw
20062 glanzend gelaat zie. Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt. Laas! waar
20063 zijn uw sneeuwen kussen? waar is uw ijskoud lichaam, Hans, mijn
20064 geliefde?
20065
20066 En troosteloos bleef ze vóór 't venster staan. Eensklaps kwam een
20067 koerier, met belletjes aan den gordel, voorbijgeloopen.
20068
20069 --Daar komt de baljuw, de hoogbaljuw van Damme! riep de voetlooper.
20070
20071 En aldus liep hij tot aan het Schepenhuis, om er de burgemeesteren
20072 en schepenen samen te roepen.
20073
20074 Toen hoorde Nele, in de volslagen stilte, twee klaroenen schallen. Die
20075 van Damme kwamen allen aan hunne deur, in de meening dat het Zijne
20076 Koninklijke Majesteit was, die zich door zulk een trompetgeschal
20077 liet aankondigen.
20078
20079 En Katelijne ging ook aan de deur met Nele. In de verte zagen zij
20080 schitterende ruiters in groepen bijeen en aan hunne spits reed een
20081 personage, bedekt met een zwart pannen opperste kleed met marter
20082 afgelegd, gekleed in een pannen wambuis met fijngouden belegsels
20083 en met roode kalfsleerzen, gevoerd met martervel. En zij herkenden
20084 den hoogbaljuw.
20085
20086 Achter hem reden jonge heeren, die, niettegenstaande de ordonnantie
20087 van wijlen Zijne Keizerlijke Majestijt, aan hunne pannen kleederen,
20088 gouden, zilveren en zijden borduursels, belegsels, banden,
20089 boordsels droegen. En hun opperste kleederen waren, gelijk die van
20090 den hoogbaljuw, met pels afgelegd. Zij reden vroolijk voort, met
20091 fladderende lange struisvederen op hunne met goud afgelegde toques.
20092
20093 En zij zagen er allen als goede vrienden en kameraden van den
20094 hoogbaljuw uit; en onder hen was een heer met een zure tronie,
20095 gekleed in groene panne, met goud afgeleid; en zijn opperste kleed
20096 was van zwarte panne, evenals zijne toque, die met lange pluimen
20097 versierd was. En hij had een krommen neus als de bek van een gier,
20098 een dunnen mond, ros haar, een bleek gezicht, en hij zat met fiere
20099 houding te peerd.
20100
20101 Terwijl die heeren voorbij de woning reden van Katelijne, sprong
20102 deze eensklaps naar den teugel van 't peerd van den bleeken ruiter,
20103 en riep zij vol blijdschap:
20104
20105 --Hans, mijn geliefde, ik wist wel dat gij zoudt terugkomen. Zoo
20106 zijt gij schoon, ganschelijk in de panne en in het goud, lijk eene
20107 zon op de sneeuw! Brengt gij de zevenhonderd karolussen? Zult gij
20108 nog schreeuwen lijk de nachtuil?
20109
20110 De hoogbaljuw deed den troep edellieden stilstaan en de bleeke
20111 ruiter sprak:
20112
20113 --Wat wil die schooister van mij?
20114
20115 Maar Katelijne hield altoos het peerd bij den teugel en sprak:
20116
20117 --Verlaat mij niet; ik heb zoo bitter geweend om uwentwille. Zoete
20118 nachten, mijn welbeminde, sneeuwen kussen en ijskoud lichaam.
20119
20120 Hier is het kind.
20121
20122 En zij wees naar Nele, die hem grammoedig bezag, want dreigend had
20123 hij de karwats naar Katelijne opgeheven.
20124
20125 Maar Katelijne sprak schreiend:
20126
20127 --Ha? zoudt gij u niet meer herinneren? Neem uwe dienares in
20128 genade. Breng mij met u waar gij wilt. Doe het vuur weg. Hans,
20129 erbarming!
20130
20131 --Ga heen! sprak hij.
20132
20133 En hij stiet zijn peerd zoo geweldig vooruit, dat Katelijne den teugel
20134 losliet en ten gronde viel; en het peerd trapte op heur en sloeg,
20135 met zijn hoef, op heur voorhoofd, zoodat zij bloedde.
20136
20137 Toen zeide de baljuw tot den bleeken ruiter:
20138
20139 --Messire, kent gij die vrouwe?
20140
20141 --Ik ken ze niet, zeide hij, 't is zeker een krankzinnige.
20142
20143 Maar Nele, die Katelijne weder opgericht had, sprak luide:
20144
20145 --Is die vrouw krankzinnig, ik ben het niet, en wil hier sterven
20146 van dit brokje sneeuw, dat ik eet--en zij nam een greepje sneeuw en
20147 stak het in den mond--als die man mijne moeder niet heeft gekend,
20148 als hij heur al heur geld niet ontnam, als hij den hond van Klaas
20149 niet doodde, om, tegen den muur van den steenput onzer lochting,
20150 de zevenhonderd karolussen te stelen van den armen aflijvige.
20151
20152 Het bloed vloeide uit de wonden van Katelijne, dewelke knielend
20153 smeekte:
20154
20155 --Hans, mijn liefste, Hans, mijn welbeminde, geef mij den vredekus;
20156 bezie mij, het bloed vloeit uit mijn voorhoofd; de ziel heeft een
20157 gat gemaakt en nu wil zij buiten; fluks ga ik sterven: laat mij toch
20158 niet alleen!
20159
20160 Vervolgens zeide zij met stillere stem:
20161
20162 --Eertijds hebt gij uwen vriend gedood uit jaloerschheid, langs
20163 den dijk.
20164
20165 En met den vinger wees zij naar den kant van Dudzele.
20166
20167 --Toen bemindet gij mij meerder dan nu.
20168
20169 En zij nam de knie van den edelman vast en omhelsde ze, en zij greep
20170 zijnen schoen vast en kuste dien.
20171
20172 --Wie is die man, die gedood werd? vroeg de hoogbaljuw.
20173
20174 --Ik weet het niet, genadige heer, antwoordde de bleeke ruiter. Wij
20175 hebben geene zaken met hetgeen die schooister vertelt. Laat ons
20176 voortgaan.
20177
20178 Het volk kwam te hoop rond hen; hoogpoorters en gemeen, werklieden
20179 en boeren trokken partij voor Katelijne, en alle riepen:
20180
20181 --Gerechtigheid, heer baljuw, gerechtigheid!
20182
20183 En de baljuw sprak tot Nele:
20184
20185 --Wie is de man, die gedood werd? spreek volgens God en waarheid.
20186
20187 Nele zeide, naar den bleeken jonker wijzend:
20188
20189 --Deze hier kwam alle Zaterdagen in de keet om mijne moeder te zien en
20190 heur geld af te doen: hij heeft eenen vriend van hem, Hilbert genoemd,
20191 gedood in den akker van Servaas Vander Vichte, niet uit jaloerschheid,
20192 maar om de zevenhonderd karolussen niet te moeten deelen met hem.
20193
20194 En Nele verhaalde de minnarijen van Katelijne en wat deze 's nachts
20195 hoorde, toen zij verborgen was achter den dijk, die liep door den
20196 kouter van Servaas Vander Vichte.
20197
20198 --Nele is stout, zeide Katelijne, zij is wel hard jegens Hans, jegens
20199 heuren vader.
20200
20201 --Ik zweer, zeide Nele, dat hij schreeuwde als de nachtuil, om van
20202 zijne tegenwoordigheid miede te geven.
20203
20204 --Gij liegt, zeide de edelman.
20205
20206 --Ho, neen! sprak Nele, en mijnheer de baljuw en al die heeren, hier
20207 tegenwoordig, zien het wel: gij zijt bleek geenszins van koude, maar
20208 van schrik. Hoe komt het dat uw gezicht niet meer blinkt? Bezigt gij
20209 de tooverzalve niet meer, met dewelke gij u streekt, opdat gij helder
20210 zoudt zien als de baren der zee, 's zomers, als 't donkert? Maar,
20211 vermaledijde tooveraar, verbrand zult gij worden voor de pui van 't
20212 Schepenhuis. Gij zijt de oorzaak van Soetkin's dood, gij bracht heuren
20213 zoon, eenen wees, tot ellende; gij, die ongetwijfeld een edelman zijt,
20214 kwaamt bij ons, werklieden, om mijne moeder een enkele maal een weinig
20215 geld te brengen en er heur al de andere keeren veel te ontnemen.
20216
20217 --Hans, sprak Katelijne, zult gij mij nog bestrijken met de zalve,
20218 zult gij mij nog naar den Sabbat leiden? Luister naar Nele niet:
20219 zij is stout; gij ziet het bloed, de ziel heeft een gat gemaakt en
20220 wil buiten; fluks zal ik sterven en dan ga ik naar 't voorgeborchte
20221 der helle, alwaar geen vuur is.
20222
20223 --Zwijg, krankzinnige tooveres, zeide de edelman, ik weet niet wat
20224 gij zeggen wilt.
20225
20226 --En nochtans, zeide Nele, zijt gij het, die kwaamt met eenen vriend,
20227 dien gij mij tot man wildet geven; gij weet dat ik van hem niet wilde
20228 weten; wat heeft hij gedaan, uw vriend Hilbert, wat heeft hij gedaan
20229 voor zijne oogen, nadat ik er in krabde met mijne nagelen?
20230
20231 --Nele is stout, zeide Katelijne, geloof ze niet, Hans, mijn geliefde:
20232 zij is grammoedig op Hilbert, die heur met geweld wilde nemen; maar nu
20233 kan Hilbert dat nimmermeer doen, de wormen hebben hem opgegeten. En
20234 Hilbert was leelijk; Hansken, mijn liefste, gij alleen zijt schoon;
20235 Nele is stout!
20236
20237 Daarop sprak de baljuw:
20238
20239 --Vrouwen, gaat henen in vrede.
20240
20241 Maar Katelijne wilde niet weggaan van de plaats waar heur geliefde
20242 was. En men moest ze met geweld naar heure woonstede brengen.
20243
20244 En al het te hoop gestroomde volk riep:
20245
20246 --Gerechtigheid, heer, gerechtigheid!
20247
20248 De serjanten van de gemeente waren bijeengekomen op het gerucht:
20249 de baljuw gebood hun te blijven, en sprak tot de heeren en edellieden:
20250
20251 --Heeren en edellieden, niettegenstaande alle privileges, die
20252 de doorluchtige orde van den adel in Vlaanderenland beschermen,
20253 moet ik, op de beschuldigingen en hoofdzakelijk op die van hekserij,
20254 uitgebracht tegen messire Joost Damman, denzelven apprehendeeren totdat
20255 hij geoordeeld en gevonnist worde volgens de wetten en ordonnantiën
20256 des Rijks. Geef mij uw zweerd af, messire Joost.
20257
20258 --Heer baljuw, zeide Joost Damman, met grooten hoogmoed en
20259 adellijke fierheid, als gij mij aanhoudt, overtreedt gij de wetten
20260 van Vlaanderen, want gij zelf zijt geen rechter. Nu, gij weet, dat
20261 alleen valsche munters, struikroovers, brandstichters, verkrachters
20262 van vrouwen en meidekens, soldeniers die hunnen hoofdman ontliepen,
20263 tooveraars die de wateren vergiftigden, monniken en begijnen die hunne
20264 kloosters ontliepen, mitsgaders gebannenen, zonder lastgeving van
20265 den rechter, mogen geapprehendeerd worden. Nu, heeren, verdedigt mij!
20266
20267 Eenigen wilden bijspringen, maar de baljuw zeide tot hen:
20268
20269 --Heeren, ik vertegenwoordig hier onzen koning, grave en heer,
20270 aan denwelke de beslissing van moeilijke gevallen is voorbehouden;
20271 en ik gelast en beveel u, op peine als rebellen te worden beschouwd,
20272 uw zweerd terug in de scheede te steken.
20273
20274 De edellieden gehoorzaamden; doch dewijl messire Joost Damman nog
20275 aarzelde, riep het gemeen:
20276
20277 --Gerechtigheid, heer, gerechtigheid, hij geve zijn zweerd af.
20278
20279 Toen deed hij het tegen zijn dank, en, van zijn peerd gestegen zijnde,
20280 werd hij door twee serjanten van de gemeente naar het Steen gebracht.
20281
20282 Doch hij werd niet in de kelders gestoken, maar wel in een getraliede
20283 kamer, alwaar hij, mits betaling, een goed bed en een goed vuur kreeg
20284 en ook goed eten mocht laten halen, van hetwelk de cipier minstens
20285 de helft nam.
20286
20287
20288
20289
20290 IV.
20291
20292 's Anderen daags gingen de baljuw, de beide griffiers-crimineel, twee
20293 schepenen en een chirurgijn-baardemaker langs den kant van Dudzele, om
20294 te zien of zij in den akker van Servaas Vander Vichte het lijk van een
20295 man zouden vinden, langsheen den dijk, dewelke liep door dien kouter.
20296
20297 Nele had tot Katelijne gezeid:
20298
20299 --Hans, uw lieveling, vraagt een afgesneden hand van Hilbert: dezen
20300 avond zal hij schreeuwen als de nachtuil, in onze hut komen en u de
20301 zevenhonderd karolusgulden brengen.
20302
20303 Katelijne had geantwoord:
20304
20305 --De hand zal ik afsnijden.
20306
20307 En, inderdaad, zij nam een mes en ging heen, vergezelschapt door Nele
20308 en gevolgd door de officieren van justitie.
20309
20310 Zij stapte gauw en fier vooruit met Nele, wier liefelijk gezichtje
20311 bloosde van de vinnige koude.
20312
20313 Bibberend en kuchend, volgden heur de officieren van justitie, die
20314 reeds bedaagd waren, en zij allen geleken zwarte schimmen op het
20315 witte veld, en Nele droeg eene spade.
20316
20317 Toen zij bij den akker van Servaas Vander Vichte, op den dijk, gekomen
20318 waren, ging Katelijne naar het midden: daar wees zij naar de meersch,
20319 die op heure rechterhand lag en sprak:
20320
20321 --Hansken, gij wist niet dat ik daar huiverend verborgen was bij 't
20322 wapengekletter. En Hilbert schreeuwde: Dit ijzer is koud. Hilbert is
20323 leelijk. Hans is schoon. Gij zult zijne hand hebben, laat mij alleen!
20324
20325 Zij dwaalde toen links af, zette zich in de sneeuw op de knieën en
20326 schreeuwde driemaal in de lucht, om de geesten aan te roepen.
20327
20328 Nele langde heur toen de spade, op dewelke Katelijne drie kruiskens
20329 maakte; vervolgens teekende zij op de bevroren sneeuw de beeltenis van
20330 eene doodkist, alsmede drie kruisen, één naar het Oosten, één naar het
20331 Westen en één naar het Noorden, en sprak: Drij, dat is Mars omtrent
20332 Saturnus, en drij is ontdekking onder Venus, de heldere sterre. En
20333 vervolgens trok zij rondom de doodkist een grooten kring, zeggende:
20334
20335 --Ga heen, booze duivel, die de lijken bewaart!
20336
20337 Vervolgens knielde zij neder en bad:
20338
20339 --Duivel Hilbert, mijn vriend, zeide zij, Hans, mijn heer en meester,
20340 beveelt mij hier uwe hand af te snijden: ik ben hem gehoorzaamheid
20341 verschuldigd: doe mij niet treffen met het aardsche vuur, omdat ik
20342 uw edele grafstee kom storen, en vergeef het mij in name van God en
20343 zijne santen.
20344
20345 Toen kapte zij in het ijs, naarvolgens het figuur van de doodkist;
20346 zij maakte de natte graszode bloot, vervolgens het zand, en weldra
20347 zagen de heer baljuw, zijne officieren, Nele en Katelijne het lijk
20348 van een jongen man te voorschijn komen, dat wit geworden was als kalk,
20349 ter oorzake van het zand. Hij was gekleed in grijs lakensch wambuis en
20350 een eender opperste kleed; zijn zweerd lag aan zijne zijde. Aan zijnen
20351 gordel had hij eene maliënbeurs, en een breede dolk stak nog in zijn
20352 lichaam, onder het hert; en er was bloed op het laken van het wambuis,
20353 en dat bloed was geloopen tot onder den rug. En de man was nog jong.
20354
20355 Katelijne sneed zijne hand af en stak ze in heure gordeltasch. En de
20356 baljuw liet heur begaan, beval heur vervolgens het lijk te ontdoen
20357 van alle kleederen en kenteekenen. Katelijne vroeg, of Hans zulks
20358 had geheeten, maar de baljuw antwoordde, dat hij slechts handelde
20359 naar zijne bevelen; toen deed Katelijne alles wat hij gebood.
20360
20361 Toen het lijk uitgekleed was, zag men dat het droog lijk hout was:
20362 en de baljuw en de officieren van de gemeente deden het bedekken met
20363 zand en de serjanten droegen de kleederen en de wapenen mede.
20364
20365 En toen zij voorbij het Steen kwamen, zeide de baljuw tot Katelijne,
20366 dat Hans dáár op heur wachtte; en blijde ging zij er binnen.
20367
20368 Nele wilde heur tegenhouden, doch Katelijne antwoordde:
20369
20370 --Ik wil Hans zien, mijn heer en meester.
20371
20372 En Nele weende aan de poort, want zij wist, dat Katelijne als tooveres
20373 aangehouden was om de bezweringen en teekenen, die zij gemaakt had
20374 op de sneeuw.
20375
20376 En men zeide te Damme, dat er voor heur geene ontferming zou zijn.
20377
20378 En Katelijne werd gestoken in een onderaardschen kerker van het Steen.
20379
20380
20381
20382
20383 V.
20384
20385 's Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de
20386 meerschen werden overstroomd.
20387
20388 En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaar te roepen,
20389 onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.
20390
20391 En het volk stond rond de vierschaar.
20392
20393 Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige
20394 kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen
20395 van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk
20396 de dos der gevangenen was.
20397
20398 Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood
20399 had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood
20400 was met een dolk, antwoordde Joos Damman:
20401
20402 --Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord
20403 beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten
20404 van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord
20405 niet meer vervolgd wordt.
20406
20407 De baljuw vroeg hem:
20408
20409 --Zijt gij geen tooveraar?
20410
20411 --Neen, antwoordde Damman.
20412
20413 --Bewijs het, zeide de baljuw.
20414
20415 --Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past
20416 het mij niet.
20417
20418 Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg,
20419 doch keek gedurig naar Hans en sprak:
20420
20421 --Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur
20422 weg, mijn liefste!
20423
20424 Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:
20425
20426 --Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet
20427 bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.
20428
20429 Toen sprak de baljuw:
20430
20431 --Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche
20432 middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn
20433 tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve
20434 gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten
20435 einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem
20436 aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat
20437 zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij
20438 is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben,
20439 en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van 't
20440 gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij
20441 gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal
20442 mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen
20443 genezen, maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft
20444 heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur
20445 jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had
20446 zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde,
20447 insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de
20448 vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?
20449
20450 De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van
20451 dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.
20452
20453 Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:
20454
20455 --Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en
20456 medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den
20457 duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had
20458 bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes,
20459 zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op
20460 aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had
20461 bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen
20462 doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in
20463 lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen,
20464 heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij
20465 geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er
20466 pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker
20467 van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen
20468 afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide
20469 een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan
20470 de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen,
20471 ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben
20472 gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits
20473 Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en
20474 Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks
20475 te handelen naarvolgens mijn voorstel.
20476
20477 En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later,
20478 des Vrijdags, zou plaats hebben.
20479
20480 En Nele schreeuwde:
20481
20482 --Genade, mijne heeren!
20483
20484 En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.
20485
20486 En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:
20487
20488 --Ik heb Hilbert's hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.
20489
20490 En zij werden terug naar het Steen gebracht.
20491
20492 Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee
20493 bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen
20494 slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht
20495 slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk
20496 telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.
20497
20498 Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den
20499 Donderdag, tot 's avonds, als men hun vleesch te eten en water te
20500 drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin
20501 der torture. En 's morgens brachten de serjanten de beide gevangenen,
20502 die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.
20503
20504 Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene
20505 bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.
20506
20507 En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.
20508
20509 Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen
20510 hem wakker.
20511
20512 En Katelijne zeide:
20513
20514 --Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm
20515 lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij
20516 Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem
20517 eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem,
20518 ik zal sterven voor hem! Drinken!
20519
20520 Hans zeide tot haar:
20521
20522 --Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in 't
20523 vuur. Ik heb dorst!
20524
20525 De griffiers schreven al zijne woorden op.
20526
20527 Toen zei de baljuw:
20528
20529 --Hebt gij niets te belijden?
20530
20531 --Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.
20532
20533 --Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot
20534 verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en
20535 zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.
20536
20537 --Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres
20538 te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij 't huwelijksbed, nichtje?
20539
20540 En zuchtend antwoordde Katelijne:
20541
20542 --Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst,
20543 mijn hoofd brandt!
20544
20545 --En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?
20546
20547 --Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van
20548 beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon,
20549 waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans,
20550 mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur
20551 en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten,
20552 met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder
20553 Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!
20554
20555 --Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de
20556 schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.
20557
20558 --Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, 't is gehuichel
20559 en gemaakt spel.
20560
20561 En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:
20562
20563 --Ik zal u zien branden in 't vuur, u, die zoo goed de uitzinnige
20564 speelt.
20565
20566 En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.
20567
20568 --Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans
20569 mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat
20570 mij tot hem gaan, heeren rechters!
20571
20572 En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:
20573
20574 --Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden
20575 mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij,
20576 die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!
20577
20578 --Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in
20579 den mond steken om heur, eene vrouw uit 't gemeen, te beletten op te
20580 komen tegen mij, die van adel ben.
20581
20582 Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:
20583
20584 --Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den
20585 lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want
20586 zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens
20587 hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde,
20588 veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil,
20589 om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.
20590
20591 --Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn
20592 liefste.
20593
20594 --Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al
20595 mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nog andere smerten
20596 verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en
20597 tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten
20598 op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan
20599 zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres,
20600 door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!
20601
20602 --Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig
20603 jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en
20604 meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te
20605 drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is 't reeds
20606 het uur van den nachtuil?
20607
20608 Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:
20609
20610 --Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?
20611
20612 Joost antwoordde:
20613
20614 --Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.
20615
20616 --Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de
20617 bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche
20618 verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk,
20619 toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld
20620 was van Klaas? 't Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik,
20621 die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En
20622 alles voor eene andere! Wees gevloekt!
20623
20624 Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren
20625 op de folterbank:
20626
20627 --Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de
20628 aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden;
20629 ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje,
20630 hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal
20631 hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult
20632 rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die
20633 daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne
20634 heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar
20635 hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.
20636
20637 --Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt
20638 gij genomen voor mij: hij is 't die boven bij u kwam. En, met uw
20639 helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar
20640 Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilbert en ik; 't was Hilbert,
20641 waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn
20642 vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die
20643 vrouw ken ik niet!
20644
20645 --Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat
20646 hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den
20647 rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij
20648 bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn
20649 geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?
20650
20651 --Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene
20652 mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij
20653 die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!
20654
20655 --Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik
20656 zestien jaar jonger was.
20657
20658 Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:
20659
20660 --'t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht
20661 verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van
20662 zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is
20663 al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt
20664 wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het
20665 heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt,
20666 het verbrandt mij! 't Is water uit de helle!
20667
20668 En Katelijne weende en zij sprak:
20669
20670 --Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in 't
20671 vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene
20672 vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij
20673 toch te drinken!
20674
20675 Toen sprak een schepen:
20676
20677 --Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat
20678 brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen
20679 is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den
20680 verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek
20681 heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te
20682 doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd
20683 was. Beul, toon ons het merk op den rug.
20684
20685 De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine,
20686 harige vlek.
20687
20688 --Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat
20689 het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn
20690 beminde! Drinken!
20691
20692 Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen
20693 bloed uit.
20694
20695 En de schepenen zeiden tot elkander:
20696
20697 --Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en
20698 zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen
20699 bedriegen.
20700
20701 En de baljuw en de schepenen schrikten:
20702
20703 --Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.
20704
20705 En Joost Damman sprak:
20706
20707 --Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige
20708 uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij
20709 bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,--want tooveres is
20710 zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen--zoo deed hij het
20711 met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman,
20712 om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de
20713 meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen,
20714 de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?
20715
20716 De schepenen zeiden tot elkaar:
20717
20718 --Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat
20719 heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk
20720 de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden
20721 te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar
20722 lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn
20723 gezicht is.--Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek
20724 op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn
20725 natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.--Om hem rood te
20726 krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.
20727
20728 Toen sprak Katelijne:
20729
20730 --Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige
20731 Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te
20732 verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar
20733 zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar
20734 Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult
20735 gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet,
20736 zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat,
20737 uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk,
20738 in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.
20739
20740 En Joost Damman sprak:
20741
20742 --Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!
20743
20744 Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:
20745
20746 --Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en
20747 water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is
20748 gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit,
20749 want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.
20750
20751 De hangman deed het, niet zonder schrik.
20752
20753 --Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat
20754 gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft,
20755 is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder
20756 ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en
20757 heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld,
20758 dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij
20759 hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige
20760 edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide
20761 vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde,
20762 wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de
20763 gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe,
20764 kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel
20765 in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden
20766 zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.
20767
20768 --Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?
20769
20770 Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:
20771
20772 --'t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de
20773 hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen
20774 zult teruggeven.
20775
20776 ... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij
20777 vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen
20778 eten appelsienen in 't hemelrijk.
20779
20780 En zij viel in bezwijming.
20781
20782 --Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.
20783
20784 De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen,
20785 met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.
20786
20787 --Geef heur te drinken, beval de baljuw.
20788
20789 Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker
20790 tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te
20791 willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er
20792 van dragen aan Joost Damman, maar de beul rukte heur den beker uit
20793 de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.
20794
20795 Toen riep Joost Damman met woede:
20796
20797 --Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?
20798
20799 --Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de
20800 baljuw.
20801
20802 --Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene
20803 tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!
20804
20805 En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het
20806 gezicht.
20807
20808 --Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en
20809 burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het
20810 gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet,
20811 die de zevenhonderd karolussen stal: 't is Hilbert. Drinken! Nooit
20812 bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij
20813 gaan. Drinken!
20814
20815 Toen vroeg de baljuw:
20816
20817 --Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?
20818
20819 --Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij
20820 ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet
20821 u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert
20822 alles gedaan heeft.
20823
20824 --Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar
20825 hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering
20826 bekend heeft.
20827
20828 En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker
20829 schreeuwde hij zoo luide: "Drinken! Drinken!" dat het volk het
20830 hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne
20831 bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger
20832 en riep hij:
20833
20834 --Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij
20835 den koning, onzen hoofdman. Drinken!
20836
20837 Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
20838
20839
20840
20841
20842 VI.
20843
20844 Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen,
20845 insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters
20846 waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest
20847 het vonnis uitgesproken worden.
20848
20849 En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond
20850 de vierschaar; en de zonne scheen helder.
20851
20852 Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en
20853 Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den
20854 dorst en van de slapelooze nachten.
20855
20856 Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon,
20857 wees naar de zonne en sprak:
20858
20859 --Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!
20860
20861 En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.
20862
20863 En deze bekeek heur met haat en verachting.
20864
20865 En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden,
20866 waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.
20867
20868 Toen sprak de baljuw:
20869
20870 --Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel
20871 genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok
20872 derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend "Hansken". In de
20873 beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een
20874 andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier
20875 tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste
20876 oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over
20877 de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen,
20878 naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de
20879 beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het
20880 leesbaar is of niet.
20881
20882 Toen waren de rechters in groote verlegenheid.
20883
20884 De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te
20885 vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.
20886
20887 Toen sprak een schepen:
20888
20889 --Laat ons het bolleken in 't water leggen en vervolgens voor
20890 't vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is,
20891 zullen water en vuur het wel losmaken.
20892
20893 Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan;
20894 de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de
20895 groene takken van den boom der justitie.
20896
20897 --Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij
20898 geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.
20899
20900 --Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet
20901 verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit
20902 tooverbolleken toeplakt, weeker maken.
20903
20904 Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was,
20905 werd het geopend.
20906
20907 --Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.
20908
20909 --Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire
20910 chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt,
20911 en siddert over heel zijn lichaam.
20912
20913 Daarop sprak Joost Damman:
20914
20915 --Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit 't gemeen, die op den
20916 dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier
20917 moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.
20918
20919 --Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch
20920 was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen
20921 hebben het perkament niet opgegeten.
20922
20923 Het perkament werd voor 't vuur gebracht.
20924
20925 --Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen
20926 reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.
20927
20928 De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost
20929 Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind
20930 hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:
20931
20932 --Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van
20933 Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het
20934 onze reeds vijftien jaar lang bloedt; 't is vijftien jaar dat Katelijne
20935 lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; 't
20936 is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; 't is
20937 vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het
20938 hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters
20939 zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!
20940
20941 --Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is
20942 moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.
20943
20944 En de griffier las:
20945
20946 "Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman,
20947 schildknaap, Heil!
20948
20949 ... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen
20950 en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is
20951 altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen,
20952 bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden
20953 zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur
20954 genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes
20955 maanden, vijfduizend rijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden
20956 voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met
20957 tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en
20958 een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met 't gekras
20959 van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om
20960 u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf
20961 het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij
20962 stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der
20963 helle. Dood al wie u hindert: 't zij man, 't zij vrouw of 't zij beest.
20964
20965 ... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige
20966 loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij
20967 trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult
20968 gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men
20969 kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder
20970 gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure
20971 have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb,
20972 het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand
20973 werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust;
20974 doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed
20975 verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen
20976 niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne;
20977 Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij
20978 moet mij 't grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de
20979 vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde
20980 slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar
20981 zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen
20982 door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen
20983 daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne,
20984 zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van
20985 onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen,
20986 en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn
20987 zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur
20988 doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en
20989 Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles
20990 gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen
20991 vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk
20992 vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help
20993 mij, mijne getrouwe. De fortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne
20994 Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in
20995 zaken van liefde en van oorlog".
20996
20997 En de griffier hield op met lezen en sprak:
20998
20999 --Zoo luidt de brief en hij is geteekend: "Joost Damman, schildknaap".
21000
21001 En het volk riep:
21002
21003 --Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In 't vuur, de
21004 schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!
21005
21006 Toen sprak de baljuw:
21007
21008 --Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.
21009
21010 En tot de schepenen zeide hij:
21011
21012 --Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van
21013 Katelijne's besten rok; hij luidt als volgt:
21014
21015 "Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van
21016 Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in
21017 de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die
21018 aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen,
21019 rivieren, beemden van 't gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp
21020 ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum,
21021 bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.
21022
21023 ... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der
21024 geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet
21025 zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder
21026 voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt
21027 en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?
21028
21029 "Uw koude duivel,
21030
21031 "Hansken".
21032
21033 --Ter dood, de tooveraar! riep het volk.
21034
21035 De baljuw sprak:
21036
21037 --Wij moeten de twee schriften vergelijken.
21038
21039 Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.
21040
21041 Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:
21042
21043 --Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den
21044 schepene van de keure van Gent?
21045
21046 --Ja, zeiden zij.
21047
21048 --Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch,
21049 schildknaap?
21050
21051 Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:
21052
21053 --Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem
21054 Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een
21055 vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol,
21056 een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den
21057 wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand
21058 miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche
21059 van den verslagene te zien.
21060
21061 Toen hij die voor zich had, sprak hij:
21062
21063 --Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de
21064 wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie
21065 zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild
21066 tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?
21067
21068 De baljuw sprak:
21069
21070 --Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.
21071
21072 --Daarop herken ik de wapens der Damman's: in zilver, een roode toren.
21073
21074 --Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!
21075
21076 De andere edellieden zeiden insgelijks:
21077
21078 --Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo
21079 helpen ons God en al zijne santen!
21080
21081 Toen zei de baljuw:
21082
21083 --Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen
21084 en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost
21085 Damman, "gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag,
21086 zotmaking van vrouwlieden, diefte van 's konings goedingen, wezende
21087 de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig
21088 is aan crimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder
21089 exemplaire pugnitie".
21090
21091 --Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan
21092 genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik
21093 niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat
21094 mijn helder gezicht betreft, nu weet gij het middel, dat ik daartoe
21095 gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant,
21096 bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres
21097 is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat
21098 zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts
21099 van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van
21100 eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde
21101 zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de
21102 tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt,
21103 koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd
21104 en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk
21105 des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid
21106 en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk
21107 gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in
21108 heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad
21109 tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet,
21110 die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als
21111 een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan,
21112 ten einde heure boosaardigheid te verbergen.
21113
21114 Doch Nele riep:
21115
21116 --Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke
21117 een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort
21118 gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke
21119 hem alles gaf.
21120
21121 --Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar
21122 heur niet.
21123
21124 --Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige,
21125 wreedaardige duivel!
21126
21127 En, Katelijne in de armen nemend:
21128
21129 --Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht;
21130 hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden,
21131 hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid
21132 getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te
21133 aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze
21134 niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven
21135 eindigen in vrede.
21136
21137 En Katelijne sprak:
21138
21139 --Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.
21140
21141 En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:
21142
21143 --Genade voor Katelijne!
21144
21145 Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten
21146 de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit:
21147 hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met
21148 zacht vuur, totdat de dood er op volgde.
21149
21150 's Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het
21151 Schepenhuis, gedurig roepend:
21152
21153 --Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze
21154 God! mijn vader zal de rechters vermoorden!
21155
21156 En hij gaf den geest.
21157
21158 En het volk zeide:
21159
21160 --Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.
21161
21162 's Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit
21163 ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef
21164 te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als
21165 tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd
21166 worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op 't kerkhof
21167 begraven.
21168
21169 's Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart
21170 linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs
21171 gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen,
21172 de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk,
21173 zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw
21174 van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente,
21175 de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers
21176 stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden,
21177 uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet
21178 leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:
21179
21180 --Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?
21181
21182 Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:
21183
21184 --Ik wil met heur in 't water worden gesmeten!
21185
21186 Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.
21187
21188 Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit
21189 den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar
21190 vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner
21191 Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul
21192 stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van
21193 den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij
21194 spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:
21195
21196 --Hans! Hans! help mij!
21197
21198 En het volk zeide:
21199
21200 --Die vrouw is geene tooveres.
21201
21202 Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke
21203 van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne
21204 gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd
21205 uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde
21206 zij bibberend en klappertandend:
21207
21208 --Hans, geef mij een wollen mantel.
21209
21210 En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En
21211 zij werd op 't kerkhof begraven, in gewijde aarde.
21212
21213 En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
21214
21215
21216
21217
21218 VII.
21219
21220 Op de hulken, op de boeiers, de poonen der Geuzen, vaart Thijl Klaas
21221 Uilenspiegel.
21222
21223 De vrije zee draagt de wakkere vliebooten, op dewelke acht, tien,
21224 tot twintig ijzeren stukken staan: zij braken dood en vernieling naar
21225 de verraderlijke Spanjolen.
21226
21227 Hij is een ervaren kanonnier, Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas:
21228 het is een lust te zien hoe juist hij het stuk richt, hoe goed hij
21229 mikt, en, als in boter, een gat boort in de schepen der beulen.
21230
21231 Op den vilten hoed draagt hij de zilveren halvemaan met het opschrift:
21232 Liever den Turc als den Paus.
21233
21234 De matrozen, die hem, vlug als eene kat, met een referein op de lippen,
21235 op hunne boot zagen springen, ondervroegen hem nieuwsgieriglijk:
21236
21237 --Hoe komt het, maat, dat gij er nog zoo jeugdig uitziet, want men
21238 zegt, dat het reeds lang geleden is dat gij te Damme ter wereld kwaamt?
21239
21240 --Ik ben geen lichaam, maar een geest, zei hij, en Nele, mijne
21241 vriendinne, gelijkt mij. Geest van Vlaanderen, Liefde van Vlaanderen,
21242 zullen wij beiden nooit sterven.
21243
21244 --Maar, zeiden zij, als men u snijdt, bloedt gij toch?
21245
21246 --Schijn bedriegt, antwoordde Uilenspiegel, het is wijn, maar geen
21247 bloed.
21248
21249 En de geborduurde banieren uit de ommegangen der Roomschen wapperden
21250 aan de masten der schepen. En gekleed in panne, in brocaat, in zijde,
21251 in goud- en zilverlaken, met mijter en staf, den wijn der monniken
21252 drinkend, hielden de Geuzen de wacht op hunne schepen.
21253
21254 En 't was een vreemdsoortig schouwspel, uit de mouwen der rijke
21255 kleederen die ruwe handen te zien steken, dewelke bogen of bussen,
21256 hellebaarden of pieken droegen, en al die mannen met stuursche
21257 tronie, met flikkerende pistolen en kruismessen in den gordelriem,
21258 uit gouden kelken den wijn der abten te zien drinken, die nu de wijn
21259 der vrijheid was.
21260
21261 En zij zongen en riepen: "Vive le Geus!" en dobberden aldus op het
21262 ruime sop.
21263
21264
21265
21266
21267 VIII.
21268
21269 Te dien tijde namen de Geuzen, onder dewelke Lamme en Uilenspiegel
21270 waren, het stedeken Gorkum. En zij waren aangevoerd door kapitein
21271 Marinus. Deze Marinus, die vroeger dijkwerker was, was weergaloos
21272 trotsch en verwaand en teekende met Gaspard Turk, de verdediger van
21273 Gorkum, eene capitulatie, bij dewelke Turk, de monniken, poorters en
21274 soldaten, die binnen de vesting waren, vrijelijk zouden mogen uitgaan
21275 met den kogel in den mond, het musket op den schouder, met alles
21276 wat zij zouden kunnen dragen, uitgenomen de goedingen van kerken en
21277 kloosters, die aan de belegeraars moesten komen.
21278
21279 Maar, op bevel van messire Lumey, wederhield kapitein Marinus negentien
21280 monniken; alleen de soldaten en poorters liet hij gaan.
21281
21282 En Uilenspiegel sprak:
21283
21284 --Soldatenwoord moet gulden woord wezen. Waarom breekt hij het zijne?
21285
21286 Een oude Geus antwoordde hem:
21287
21288 --De monniken zijn de zonen Satans, de melaatschheid der landen, de
21289 schande der volken. Sedert de komst van den bloedigen hertog, spelen
21290 dezen hier den baas in Gorkum. Onder hen is er een, paap Nicolaas,
21291 dewelke fier is als een pauw en wreed als een tijger. Telkenmale dat
21292 hij over de straat ging met zijn monstrans, waarin zijn met hondevet
21293 gebakken ouwel stak, keek hij met grammoedige oogen naar de huizen, uit
21294 dewelke de vrouwen niet kwamen om neder te knielen, en kloeg hij bij
21295 den rechter al degenen aan, die de knie niet bogen voor zijnen afgod
21296 van water en bloem. De andere monniken volgden zijn voorbeeld. Dat
21297 was de oorzaak van vele gruweldaden, verbrandingen en andere wreede
21298 folteringen in het stedeken Gorkum. Kapitein Marinus deed wèl van die
21299 monniken gevangen te houden, die anderszins, met hunne gelijken, in
21300 vlekken, steden en gehuchten zouden gaan, om te preeken tegen ons, het
21301 volk op te hitsen en de arme hervormden te doen verbranden. Bloedhonden
21302 legt men aan de keten totdat zij verrekken; aan de keten, de monniken;
21303 aan de keten, de bloedhonden van den hertog van Alva; in den kerker,
21304 de beulen! Vive le Geus!
21305
21306 --Maar, sprak Uilenspiegel, Oranje, onze prins van de vrijheid, wil
21307 dat men, bij elke overgave, de goedingen der menschen en het vrije
21308 geweten eerbiedige.
21309
21310 De oude geuzen antwoordden:
21311
21312 --De admiraal wil dat niet voor de monniken: hij is de meester:
21313 hij nam den Briel. In den kerker, de monniken!
21314
21315 --Soldatenwoord is gulden woord! Waarom schendt hij zijn
21316 woord? antwoordde Uilenspiegel. De monniken, die in den kerker worden
21317 gehouden, zijn aan de grofste beleedigingen blootgesteld.
21318
21319 --De assche klopt niet meer op uw hert, spraken zij: ten gevolge van
21320 de edicten, hebben honderdduizend gezinnen de ambachten, de nijverheid
21321 onzer landen, overgebracht naar het Noordwesten, naar Engeland; betoon
21322 maar medelijden voor de bewerkers van onzen ondergang! Sedert Keizer
21323 Karel V, Beul I, en, onder den huidigen, bloedigen koning, Beul II,
21324 stierven honderd achttien duizend menschen den marteldood. Wie droeg de
21325 keersen bij de begrafenissen, in den moorden in de tranen? Monniken en
21326 Spaansche soldeniers! Hoort gij, hoort gij de zielen der slachtoffers
21327 niet klagen en kermen in het kille graf?
21328
21329 --De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Soldatenwoord is
21330 gulden woord!
21331
21332 --Wie dan, zeiden zij, wilde door excommunicatie ons in den ban van
21333 alle landen sluiten? Wie had hemel en aarde, God en duivel en hunne
21334 dichte gelederen santen en santinnen tegen ons afgezonden? Wie spatte
21335 er droppelen ossenbloed op de ouwels, wie deed de houten heiligen
21336 weenen? Wie deed het de Profundis zingen over den grond onzer vaderen,
21337 anders dan die gevloekte geestelijkheid, die hoop ledige, vadsige
21338 monniken? En dit alles om hunnen rijkdom te behouden, alsmede hunnen
21339 invloed op de afgodendienaars, en door ondergang, bloed en vuur te
21340 heerschen over het arme land. In de kooi, de wolven, die de menschen
21341 beloeren; in de kooi, de hyena's. Vive le Geus!
21342
21343 --Soldatenwoord is gulden woord!
21344
21345 's Anderen daags, kwam een bode vanwege messire Lumey, met bevel de
21346 negentien gevangen monniken te doen overbrengen van Gorkum naar den
21347 Briel, alwaar de admiraal zich bevond.
21348
21349 --Zij zullen gehangen worden, zei kapitein Marinus tot Uilenspiegel.
21350
21351 --Toch niet zoolang ik zal leven, antwoordde hij.
21352
21353 --Mijn vriend, zeide Lamme, spreek zóó niet tot messire Lumey. Hij is
21354 wreedaardig en zal u doen hangen in het weinig vereerend gezelschap
21355 der monniken.
21356
21357 --Ik zal spreken naarvolgens de waarheid, antwoordde Uilenspiegel:
21358 soldatenwoord is gulden woord!
21359
21360 --Als gij ze kunt redden, zeide Marinus, breng hunne boot naar den
21361 Briel. Neem Rochus den loods mee, en uwen vriend Lamme, als gij wilt.
21362
21363 --Ik wil, antwoordde Uilenspiegel.
21364
21365 De boot werd gemeerd aan de Groene Kade, de negentien monniken namen er
21366 plaats in; de vreesachtige Rochus werd gezet aan het roer, Uilenspiegel
21367 en Lamme, beiden goed gewapend, gingen staan op de voorplecht. Eenige
21368 schavuiten, die met het oog op de plundering als soldaten bij de Geuzen
21369 waren gekomen, zaten bij de monniken, die honger hadden. Uilenspiegel
21370 gaf hun te eten en te drinken. "Die zal verraden!" zeiden de slechte
21371 soldaten. De negentien monniken zaten in het midden, schijnheilig
21372 vroom en bibberend, hoewel men in de Hooimaand was en de zon helder
21373 en warm scheen, en een zachte zeewind de zeilen der boot deed zwellen,
21374 die log en zwaar over de groene golven gleed.
21375
21376 Pater Nicolaas sprak toen en zeide tot den loods:
21377
21378 --Rochus, leidt men ons naar het Galgeveld?
21379
21380 Vervolgens wendde hij zich in de richting van Gorkum en sprak,
21381 terwijl hij rechtstond en de hand uitstak:
21382
21383 --O, stede van Gorkum, o stede van Gorkum! Hoevele kwalen hebt gij
21384 te lijden: gevloekt zult gij wezen onder al de steden, want binnen
21385 uwe muren hebt gij het zaad der ketterij laten kiemen! O, stede van
21386 Gorkum! En de engel des Heeren zal bij uwe poorten de wacht niet
21387 meer houden. Hij zal niet meer zorgen voor de eer uwer maagden, den
21388 moed uwer mannen, het fortuin uwer kooplieden! O stede van Gorkum,
21389 gevloekt zijt gij, rampzalige!
21390
21391 --Gevloekt, gevloekt, antwoordde Uilenspiegel, gevloekt zeker als
21392 de kam, die al de Spaansche luizen afgekamd heeft! Gevloekt als
21393 de hond, die zijne keten verbreekt, als het trotsche peerd, dat
21394 een wreedaardigen ruiter ontzadelt! Maar gij zelf zijt gevloekt,
21395 dompelaar van een predikant, die slecht vindt dat men de roede,
21396 al ware zij van ijzer, aan stukken slaat op den rug der tirannen!
21397
21398 De monnik zweeg en sloeg de oogen neer; hij scheen ganschelijk
21399 overgeleverd aan zijn godvruchtigen haat.
21400
21401 De schavuiten, die met het oog op plundering als soldaten bij de
21402 Geuzen waren gekomen, waren nabij de monniken, dewelke weldra weer
21403 honger kregen. Uilenspiegel vroeg voor hen haring en beschuit. De
21404 schipper van de boot antwoordde:
21405
21406 --Smijt ze in de Maas, daar zullen zij versche haring vinden.
21407
21408 Uilenspiegel gaf toen aan de monniken al het brood en al de worst,
21409 die hij overhad voor zich en voor Lamme.
21410
21411 De schipper en de schavuiten zeiden tot elkander:
21412
21413 --Die is een verrader, hij spijst de monniken. Wij moeten hem
21414 aanklagen.
21415
21416 Te Dordrecht hield de boot stil in de haven, aan de Bloemenkade;
21417 mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens kwamen in groote menigte
21418 toeloopen om de monniken te zien en zeiden tot elkander, terwijl zij
21419 hen met den vinger toonden of met de vuisten bedreigden:
21420
21421 --Beziet die schoften daar, die godmakers, die de lichamen naar de
21422 brandstapels brengen en de zielen naar 't eeuwige vuur; beziet die
21423 vetgemeste tijgeren, die dikbuikige jakhalzen.
21424
21425 De monniken lieten het hoofd zakken en dorsten niet spreken. Weer
21426 zag Uilenspiegel hen zitten bibberen.
21427
21428 --Wij hebben nog honger, medelijdende soldaat, zeiden zij.
21429
21430 Maar de schipper sprak:
21431
21432 --Wie drinkt altijd? Droog zand. Wie eet altijd? Monniken.
21433
21434 Uilenspiegel ging hun in de stad brood, hesp en een grooten pot
21435 bier koopen.
21436
21437 --Eet en drinkt, zeide hij; gij zijt onze gevangenen, doch als ik kan,
21438 zal ik u redden. Soldatenwoord is gulden woord!
21439
21440 --Waarom geeft gij hun dat eten en drinken? Nooit zullen zij u betalen,
21441 zeiden de schavuiten.
21442
21443 En stille spekend, fluisterden zij elkander in 't oor:
21444
21445 --Hij heeft beloofd hen te redden, wij moeten hem gadeslaan.
21446
21447 Met den dageraad kwamen zij aan den Briel. Toen de poorten hun geopend
21448 waren, ging een voetlooper messire Lumey verwittigen van hunne komst.
21449
21450 Zoodra deze de miede ontving, sprong hij te peerd en, nauwelijks
21451 gekleed en vergezelschapt door eenige gewapende ruiters en
21452 voetknechten, kwam hij aan de boot.
21453
21454 En nog eens kon Uilenspiegel den wreeden admiraal zien, gekleed als
21455 een heer, die in overvloed baadt.
21456
21457 --Goeden dag, heeren monniken, sprak hij. De handen op! Waar is het
21458 bloed der heeren van Egmond en Hoorn? Gij toont mij uwe pootjes,
21459 dat is wel van u....
21460
21461 Een monnik, Leonard genoemd, antwoordde:
21462
21463 --Doe met ons wat gij wilt. Wij zijn monniken, niemand zal ons
21464 opeischen.
21465
21466 --Hij heeft goed gesproken, zeide Uilenspiegel; want vermits de
21467 monnik afgebroken heeft met de wereld, dewelke vader en moeder,
21468 broeder en zuster, gade en vriendin is, vindt hij op Gods uur
21469 niemand, die hem opeischt. Nochtans, Excellentie, wil ik het doen:
21470 Bij het teekenen van de overgave van Gorkum, bepaalde kapitein
21471 Marinus dat die monniken vrij zouden wezen, gelijk al degenen,
21472 die genomen werden in de citadel en die er uitkwamen. Zij werden er
21473 echter zonder reden gevangen gehouden; ik hoor zeggen, dat zij zullen
21474 gehangen worden. Heer, ootmoediglijk richt ik mij tot u, om hen voor
21475 te spreken, want ik weet, dat soldatenwoord gulden woord is.
21476
21477 --Wie zijt gij? vroeg messire Lumey.
21478
21479 --Heer, antwoordde Uilenspiegel, ik ben Vlaming uit het schoone
21480 Vlaanderenland, boer, edelman, alles te zamen, en door de wereld ga
21481 ik aldus, om het goede en schoone te prijzen en volmondig te spotten
21482 met alles wat dwaas en verkeerd is. En u zal ik prijzen, als gij de
21483 belofte houdt, dewelke de kapitein heeft gesteld: Soldatenwoord is
21484 gulden woord!
21485
21486 Maar de schavuiten, die met het oog op plundering bij de Geuzen waren
21487 gekomen, zeiden:
21488
21489 --Heer, die is een verrader: hij heeft beloofd hen te redden; hij
21490 heeft hun brood, hesp, worst en bier gegeven, en ons niets.
21491
21492 Messire Lumey zeide toen tot Uilenspiegel:
21493
21494 --Vlaming, die het goede prijst en monniken spijst, gij zult met
21495 henzelven worden gehangen.
21496
21497 --Ik ben zonder vrees, antwoordde Uilenspiegel, soldatenwoord is
21498 gulden woord!
21499
21500 --Daar hebt gij u iets moois op den hals gehaald, sprak Lamme.
21501
21502 --De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
21503
21504 De monniken werden naar eene schuur gebracht, en Uilenspiegel met
21505 hen; daar wilden zij hem bekeeren met godgeleerde bewijsvoeringen;
21506 maar hij viel in slaap bij hunne reden.
21507
21508 Terwijl messire Lumey aan tafel zat, welke vol wijn en vol vleesch
21509 stond, kwam een bode van Gorkum, vanwege kapitein Marinus, met het
21510 afschrift van de brieven des Prinsen van Oranje, "lastende en bevelende
21511 aan al de voogden van steden en andere plaatsen, de geestelijken in
21512 gelijke veiligheid, zekerheid en privilege te houden als de andere
21513 standen des volks".
21514
21515 De bode vroeg om bij Lumey toegelaten te worden, ten einde hem,
21516 eigenhandig, het opschrift der brieven te geven.
21517
21518 --Waar is 't origineel? vroeg Lumey.
21519
21520 --Bij mijn meester Marinus, zeide de bode.
21521
21522 --En die boer zendt mij het afschrift! zeide Lumey. Waar is uw pas?
21523
21524 --Hier, heer, sprak de bode.
21525
21526 Messire Lumey las:
21527
21528 --"Mijnheer en meester Marinus Brand last al den ministers, stadhouders
21529 en officieren der Vereenigde Provinciën, vrijelijk door te laten enz."
21530
21531 Lumey sloeg met de vuisten op de tafel en scheurde den brief aan
21532 stukken; hij riep woedend uit:
21533
21534 --Verdoemd, waarmede bemoeit hij zich, die Marinus, die schooier,
21535 die vóór de inneming van den Briel nog geene graat van een haring te
21536 vreten had? Hij heet zich mijnheer en meester, en zendt bevelen aan
21537 mij! Hij last en beveelt! Zeg aan uw meester, dat, mits hij zulk een
21538 mijnheer en zulk een meester is, welk zoo goed lasten en bevelen kan,
21539 de monniken op staanden voet zullen opgeknoopt worden, en gij daarbij,
21540 als gij niet dadelijk opkraamt!
21541
21542 En met een schop onder de broek, smeet hij hem buiten de kamer.
21543
21544 --Drinken! riep hij. Hebt gij de verwatenheid van dien Marinus
21545 gezien? Ik ben woedend! Dat men de monniken dadelijk opknoope in
21546 hunne schuur, en dat men dien Vlaming voor mij brenge, nadat hij hun
21547 halsrecht bijgewoond heeft. We zullen eens zien of hij mij zal durven
21548 zeggen, dat ik slecht deed. Alle duivels! waarom zijn hier nog potten
21549 en glazen van doen?
21550
21551 En met groot gerucht sloeg hij de bekers en het vaatwerk kapot, en
21552 niemand durfde hem aanspreken. De knechten wilden de stukken oprapen,
21553 maar hij liet het niet toe; onmatig ledigde hij de eene flesch na de
21554 andere, en hij werd nog woedender, want hij liep met groote stappen
21555 de kamer op en neer, razend de scherven onder de voeten vertrappend.
21556
21557 Uilenspiegel werd vóór hem gebracht.
21558
21559 --Hewel, zeide hij hem, brengt gij mij miede van uwe vrienden,
21560 de monniken?
21561
21562 --Zij zijn gehangen, sprak Uilenspiegel, en een lafhertige beul,
21563 door baatzucht gedreven, heeft een hunner, na zijnen dood,
21564 den buik en de zijden geopend, om aan een apotheker het vet te
21565 verkoopen. Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21566
21567 Lumey, voort de scherven vertrappend, bulderde:
21568
21569 --Gij trotseert mij, armzalige nietdeug, maar gij ook zult gehangen
21570 worden, niet in eene schuur, maar schandelijk op de Markt, in het
21571 aanschijn van elkeen.
21572
21573 --Schande over u, sprak Uilenspiegel, schande over ons: soldatenwoord
21574 is geen gulden woord meer!
21575
21576 --Wilt gij zwijgen, ijzeren kop! riep messire Lumey.
21577
21578 --Schande over u, sprak Uilenspiegel, soldatenwoord is geen guldenwoord
21579 meer! Straf liever de nietdeugen, verkoopers van menschenvet!
21580
21581 Messire Lumey vloog naar hem toe en hief de hand op om hem te slaan.
21582
21583 --Sla, sprak Uilenspiegel, ik ben uw gevangene, maar ik heb geen
21584 schrik van u: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21585
21586 Toen trok messire Lumey zijn degen en zeker had hij Uilenspiegel
21587 gedood, zoo Treslong zijn arm niet weerhouden had, zeggende:
21588
21589 --Medelijden! hij is moedig en dapper, en heeft geenerlei misdaad
21590 bedreven.
21591
21592 Lumey veranderde toen van gedachte en sprak:
21593
21594 --Dat hij vergiffenis vrage!
21595
21596 Maar Uilenspiegel bleef rechtstaan en sprak:
21597
21598 --Ik zal het niet doen.
21599
21600 --Dat hij ten minste zegge, dat ik geen ongelijk had, riep Lumey nog
21601 blakend van woede.
21602
21603 Uilenspiegel antwoordde:
21604
21605 --Ik lik de hielen der heeren niet: soldatenwoord is geen gulden
21606 woord meer!
21607
21608 --Dat men de galge oprichte, sprak Lumey, en dat men hem wegbrenge,
21609 dat zal woord van kemp voor hem wezen.
21610
21611 --Ja, antwoordde Uilenspiegel, en voor het vergaderde volk zal ik u
21612 toeroepen: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21613
21614 De galge werd opgericht op de Groote Markt. De mare liep weldra door
21615 de stad, dat men Uilenspiegel ging hangen, den dapperen Geus. En het
21616 gemeen was tot weenens toe bewogen. En in groote menigte snelde het
21617 naar de Groote Markt; messire Lumey, te peerd, kwam er ook, daar hij
21618 zelf het teeken van de terechtstelling wilde geven.
21619
21620 Wrokkig keek hij naar Uilenspiegel op de ladder, gekleed voor den
21621 dood, in zijn hemd, de armen op zijn lichaam gebonden, de handen
21622 samengevouwen, het strop om den hals, met den hangman naast zich,
21623 welke gereed was om de straf te volbrengen.
21624
21625 Treslong zeide tot Lumey:
21626
21627 --Heer, schenk hem genade; hij is geen verrader, en nimmer zag men
21628 een man hangen omdat hij openhertig en meewarig was.
21629
21630 Toen de mannen en vrouwlieden uit 't volk de woorden van Treslong
21631 hoorden, riepen zij:
21632
21633 --Genade heer, genade, heb medelijden met Uilenspiegel.
21634
21635 --Die ijzeren kop heeft mij getrotseerd, sprak Lumey: dat hij berouw
21636 hebbe en zegge, dat ik wel gedaan heb.
21637
21638 --Wilt gij berouw hebben en zeggen, dat hij wel gedaan heeft? vroeg
21639 Treslong tot Uilenspiegel.
21640
21641 --Soldatenwoord is geen gulden woord meer, zeide Uilenspiegel.
21642
21643 --Steek het strop over zijnen hals, beval Lumey.
21644
21645 De hangman wilde gehoorzamen, doch een meideken, heel in 't wit
21646 gekleed, met een kroontje op 't hoofd, beklom als waanzinnig de
21647 trappen van het schavot, vloog Uilenspiegel om den hals en zeide:
21648
21649 --Die man is de mijne, ik neem hem tot echtgenoot!
21650
21651 En het volk juichte toe, en de vrouwlieden riepen:
21652
21653 --Leve, leve het meideken, dat Uilenspiegel redt van den dood!
21654
21655 --Wat beteekent die zotternij? vroeg messire Lumey.
21656
21657 Treslong antwoordde:
21658
21659 --Volgens de costumen en gebruiken van de stede, is het recht en wet,
21660 dat een jonge dochter, maagd of ongehuwd, een man van de koord redt,
21661 als zij hem aan den voet van de galge tot echtgenoot neemt.
21662
21663 --God is met hem, zeide Lumey; maak hem los!
21664
21665 Hij reed tot omtrent het schavot en zag het meideken druk bezig met
21666 Uilenspiegel's koorden door te snijden, terwijl de beul het heur
21667 wilde beletten, zeggende:
21668
21669 --Als gij ze doorsnijdt, wie zal ze betalen?
21670
21671 Maar het meideken luisterde niet.
21672
21673 Als hij heur zoo vlug en ijverig en liefdevol bezig zag, was hij
21674 verteederd.
21675
21676 --Wie zijt gij? vroeg hij.
21677
21678 --Ik ben Nele, zijne bruid, zeide zij, en kom uit Vlaanderen om hem
21679 te halen.
21680
21681 --Gij kwaamt in tijds, zeide Lumey op barschen toon.
21682
21683 En hij toog henen.
21684
21685 Treslong naderde toen en sprak:
21686
21687 --Brave Vlaming, wilt gij op onze schepen nog dienen, als gij
21688 getrouwd zijt?
21689
21690 --Ja, messire, antwoordde Uilenspiegel.
21691
21692 --En gij, meideken, wat zult gij doen zonder uwen man?
21693
21694 Nele antwoordde:
21695
21696 --Als gij wel wilt, messire, zal ik bij hem blijven op zijn schip en
21697 op de pijp spelen.
21698
21699 --Zeker, wil ik, antwoordde Treslong.
21700
21701 En hij gaf heur twee gulden voor de bruiloft.
21702
21703 En Lamme, die weende en lachte van blijdschap, zei:
21704
21705 --Hier zijn nog drie gulden: wij zullen lekker gastreeren; ik
21706 trakteer. Komt, we gaan naar den Gouden Kam. Hij is niet dood, mijn
21707 vriend! Vive le Geus!
21708
21709 En het volk juichte toe, en zij trokken naar den Gouden Kam, alwaar
21710 een groot feestmaal besteld werd, en Lamme smeet, door het venster,
21711 oortjes te grabbel naar 't volk.
21712
21713 En Uilenspiegel zeide tot Nele:
21714
21715 --Liefste, nu zijt ge bij mij. Hoezee! zij is hier, in levenden
21716 lijve, met hart en met ziel, mijn zoete vriendin. Ho! die zachte
21717 oogen en die schoone roode lippen, over dewelke nooit anders dan
21718 goede woorden kwamen! Zij redde mij 't leven, de welbeminde! Op onze
21719 schepen zult gij de pijp der verlossing bespelen. Herinnert gij u nog
21720 ... doch neen.... Voor ons is thans blijdschap en vreugde, voor mij
21721 uw gezichtje, dat zoet is als de bloemen in de Zomermaand. Ik ben in
21722 het hemelrijk! Maar, zeide hij, gij weent....
21723
21724 --Zij hebben heur gedood, zeide zij.
21725
21726 En zij vertelde hem de rouwvolle mare.
21727
21728 En zij staarden elkander aan, en weenden van minne en van smerte.
21729
21730 En op het festijn aten en dronken zij, en Lamme keek hen jammerlijk
21731 aan.
21732
21733 --Laas, zuchtte hij, waar zijt gij, mijne vrouw?
21734
21735 En de priester kwam en trouwde Nele en Uilenspiegel.
21736
21737 En de morgenzon vond hen bij elkander in 't huwelijksbed.
21738
21739 En Nele rustte met heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel. En
21740 als zij ontwaakte in de zonne, zeide hij:
21741
21742 --Frisch gezichtje en zoet hertje, wij zullen de wrekers van Vlaanderen
21743 wezen!
21744
21745 Zij kuste hem op den mond en zeide:
21746
21747 --Dolle kop en sterke arm, God zegene de pijp en het zweerd!
21748
21749 --Ik zal u een soldatendos maken.
21750
21751 --Dadelijk? vroeg zij.
21752
21753 --Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel; maar wie dan zegt, dat aardbeziën
21754 lekker zijn, 's morgens? Uw mond is veel zoeter!
21755
21756
21757
21758
21759 IX.
21760
21761 Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en
21762 Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden,
21763 door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche
21764 mommerijen, ten koste van 't onnoozele volk. Dit was in strijd met
21765 de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het
21766 geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde
21767 zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen,
21768 worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met
21769 eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens
21770 op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter
21771 zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.
21772
21773 Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het
21774 vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn
21775 beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van
21776 koken en braden.
21777
21778 Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken,
21779 en ze zeiden tot Uilenspiegel:
21780
21781 --Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het
21782 vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons
21783 eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal
21784 naar de maat van het lied spelen.
21785
21786 En Uilenspiegel zeide:
21787
21788 --Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau
21789 dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne
21790 ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend
21791 en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar
21792 de poorters bemachtigden de brug en de poort. Waar zijn de soldaten
21793 van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk
21794 blaast op den horen.
21795
21796 En Uilenspiegel zong:
21797
21798
21799 Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?
21800 Verdwaald in het bosch, alles vertredend,
21801 Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.
21802 Vrouw Zon doet blinken
21803 Roode strijdlustige wezens
21804 En glansende manen van rossen.
21805 Graaf Lodewijk steekt den hoorn.
21806 Ze hooren 't. Slaat zacht de trom.
21807
21808 In gestrekte vaart, met schuimend gebit,
21809 Bliksemren, wolkenren,
21810 Een hoos van kletterend staal!
21811 Zij vliegen, de zware ruiters!
21812 Spoed, spoed! Ter hulp!
21813 De brug gaat op.... De spoor
21814 In den bloedenden buik der paarden.
21815 De brug gaat op: verloren stad.
21816
21817 Er vóór reeds. Is het te laat?
21818 Te vierklauw, met schuimend gebit!
21819 Chaumont, op zijn gelen vos,
21820 Springt op de brug die terugvalt.
21821 Gewonnen stad! Hoort gij
21822 Op Bergens plaveien,
21823 Bliksemren, wolkenren,
21824 Een hoos van kletterend staal?
21825
21826 Leve Chaumont en de gele vos!
21827 Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;
21828 Hooimaand is 't, de weiden geuren.
21829 De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:
21830 Leve de vrije vogel!
21831 Slaat op de trom der glorie.
21832 Leve Chaumont en de vos!
21833 Alhier, te drinken!
21834 Gewonnen stad. Leve de Geus!
21835
21836
21837 En de Geuzen zongen op de schepen:
21838
21839 Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.
21840
21841 En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme
21842 sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods,
21843 verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren,
21844 helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,
21845
21846
21847
21848
21849 X.
21850
21851 Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme
21852 droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken
21853 staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en
21854 Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de
21855 matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar
21856 de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder
21857 zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!
21858
21859 En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:
21860
21861 --Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?
21862
21863 En Uilenspiegel zei hem:
21864
21865 --Gij wordt mager, mijn jongen.
21866
21867 --ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne
21868 vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met
21869 mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar
21870 met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar,
21871 terwijl deze hier--zeide hij, naar Nele wijzend--heuren man moest
21872 ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste
21873 minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze
21874 niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen
21875 Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen
21876 zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig,
21877 het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het
21878 kunnen versterken, dan zij.
21879
21880 --Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.
21881
21882 --Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op
21883 de bodems des konings hebben zij viermaal vleesch in de week--als er
21884 geene vasten in valt--en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag
21885 verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos
21886 mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De
21887 Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne
21888 magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter,
21889 gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout,
21890 boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men
21891 verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, 't zij poorter,
21892 abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb
21893 ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier,
21894 noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?
21895
21896 --Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand
21897 om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend
21898 vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn
21899 volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt
21900 onze vreugde. Tref de vijanden, 't zij Roomschen of Spanjaards, overal
21901 waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen,
21902 doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom
21903 en met gansche karrevrachten in 't water gestort. Hoort gij, Lamme,
21904 dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood
21905 van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te
21906 La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was
21907 de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden
21908 liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de
21909 raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de
21910 slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten
21911 naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof
21912 niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog
21913 steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen,
21914 dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met
21915 heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot,
21916 die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe
21917 visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog
21918 is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu;
21919 en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette
21920 ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden
21921 aan schoone freules van Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar
21922 ander vleesch, naar koud vleesch!
21923
21924 --Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm,
21925 kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!
21926
21927 En Uilenspiegel sprak:
21928
21929
21930 Leve de Geus! Niet weenen broeders.
21931 In puinen en bloed
21932 Bloeit de roos der vrijheid.
21933 Is God met ons, wie tegen?
21934
21935 Zegeviert de hyena,
21936 Dra komt de leeuw.
21937 Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.
21938 Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
21939
21940
21941 En de Geuzen op de schepen zongen:
21942
21943
21944 De hertog bescheert ons het eigenst lot.
21945 Oog voor oog, tand voor tand,
21946 Wond voor wond. Leve de Geus!
21947
21948
21949
21950
21951 XI.
21952
21953 Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere
21954 wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak
21955 tot heur:
21956
21957 --Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts
21958 azen op Spaansch wild, 't is te zeggen op hunne twee en twintig
21959 bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen
21960 ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.
21961
21962 Nele sprak:
21963
21964 --Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding
21965 der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de
21966 verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle
21967 kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren
21968 slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem
21969 het tooverpoeder!
21970
21971 --Zal ik de Zeven zien, liefste?
21972
21973 En zij aten het tooverpoeder.
21974
21975 En Nele sloot Uilenspiegel's oogen, en Uilenspiegel sloot Nele's
21976 oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.
21977
21978 Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die
21979 wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de
21980 aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.
21981
21982 Op tronen in 't midden van den hemel, zaten zeven mannen en
21983 vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren
21984 zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren
21985 onderscheiden konden.
21986
21987 De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare
21988 menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten,
21989 braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der
21990 golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne
21991 buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal,
21992 scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het
21993 doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip,
21994 met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke
21995 hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige,
21996 magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een
21997 schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met
21998 vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten,
21999 heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig
22000 uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke,
22001 opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp,
22002 terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw,
22003 noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat
22004 een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als
22005 eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake
22006 van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had,
22007 de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen,
22008 den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren
22009 schepter. En allen vochten weldra met elkander.
22010
22011 Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee,
22012 in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden
22013 geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in
22014 de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten
22015 de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten
22016 brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen,
22017 wierpen hunne schaduwen op het midden van 't vuur en vielen neder,
22018 als gevelde eiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte
22019 ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in
22020 de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden
22021 en kinderen. Eenigen kapten bijten in 't ijs en smeten de grijsaards
22022 levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en
22023 strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen
22024 in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten
22025 een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels
22026 goudstukken--vrucht van de plundering--met hunne handen, waaraan nog
22027 bloed kleefde.
22028
22029 De met sterren gekroonde zeven riepen: "Genade voor de arme wereld!"
22030
22031 En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden
22032 nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.
22033
22034 --Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der
22035 arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en
22036 eenvoudigen zijn.
22037
22038 En de met sterren gekroonde Zeven riepen: "Liefde, gerechtigheid,
22039 goedertierenheid!"
22040
22041 En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van
22042 duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen
22043 met zijne zweep.
22044
22045 En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten,
22046 vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het
22047 gejammer der slachtofferen, die riepen: "Genade!"
22048
22049 En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende
22050 spoken krasten als nachtuilen.
22051
22052 En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.
22053
22054 En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op
22055 en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.
22056
22057 En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten
22058 hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd
22059 werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.
22060
22061 Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De
22062 zee en de donder lieten een dof gerol hooren.
22063
22064 En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:--De
22065 Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!
22066
22067 En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.
22068
22069 En Uilenspiegel zeide tot Nele:
22070
22071 --Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren
22072 nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt
22073 frisscher, de baren werpen heur schuim over 't dek van de schepen, een
22074 felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor
22075 en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als
22076 het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.
22077
22078 De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen
22079 hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: "In name des Prinsen,
22080 op jacht!" Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: "In name
22081 van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op
22082 jacht!" Op al de schepen: op de Johanna, den Zwaan, de Anne-Mie den
22083 Geus, het Eedverbond, den Egmond, den Hoorn, den Willem de Zwijger,
22084 roepen al de kapiteins: "In name van Zijne Hoogheid, den Prins van
22085 Oranje en messire den admiraal, op jacht!"
22086
22087 --Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.
22088
22089 De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, en den-Briel
22090 genaamd, van dichtbij gevolgd door de Johanna, den Zwaan en den
22091 Geus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat
22092 Spaansch is in 't water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen
22093 de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen,
22094 dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere
22095 bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur
22096 der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder 't
22097 gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks
22098 bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel;
22099 de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het
22100 vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen,
22101 met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen,
22102 welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het
22103 gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar
22104 hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: "Vive le Geus", nemen
22105 zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als
22106 de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar
22107 Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.
22108
22109 Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken
22110 zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken, en namelijk de
22111 vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren
22112 stukken voeren.
22113
22114
22115
22116
22117 XII.
22118
22119 Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder
22120 ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk
22121 zij smelt.
22122
22123 Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen
22124 der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het
22125 verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den
22126 blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.
22127
22128 Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet,
22129 beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij
22130 komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe
22131 doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels
22132 Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig
22133 geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend
22134 ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles
22135 is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet
22136 meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.
22137
22138 --Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn
22139 stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de
22140 stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte
22141 heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen,
22142 als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel,
22143 Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot
22144 kruist op het meer.
22145
22146 --Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers,
22147 zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij
22148 zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne
22149 donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter
22150 zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de
22151 met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!
22152
22153 ... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar
22154 de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders
22155 naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De
22156 nacht komt, een ieder werkt, 't is alsof het kanon zich hier nimmer
22157 hooren liet. Naar de Kruispoort hebben zij zeshonderd tachtig bommen
22158 geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die
22159 sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw
22160 bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de
22161 bezwangerde lucht!
22162
22163 ... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er
22164 af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie
22165 in front door te laten. Zij schreeuwen: "Bestorming! doodt! doodt!" Zij
22166 wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over
22167 de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is
22168 de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij
22169 groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen
22170 vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die
22171 nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen
22172 de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen
22173 in de bezwangerde lucht!
22174
22175 ... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw
22176 te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de
22177 mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen
22178 een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de
22179 lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde
22180 dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek
22181 van den beiaard!
22182
22183 ... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle
22184 dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit
22185 geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd
22186 Duitschers, die wij doodden en verdronken in 't Haarlemmermeer? Waar
22187 zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de
22188 vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De
22189 vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere
22190 zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen
22191 u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij,
22192 beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!
22193
22194 ... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt
22195 verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van
22196 Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert
22197 vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu
22198 moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling
22199 willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat
22200 ons een uitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een
22201 weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten,
22202 uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer,
22203 klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.
22204
22205 ... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren
22206 rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij
22207 honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de
22208 busschutters aan 't hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen
22209 en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de
22210 bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is
22211 't de dood, dien hij ons meldt? neen, 't is het leven aan allen,
22212 die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult
22213 ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....
22214
22215 Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten
22216 aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten
22217 waren in het Augustijnerklooster.
22218
22219 --Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan
22220 zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde
22221 van schrik.
22222
22223 --Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.
22224
22225 Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons 't leven?
22226
22227 Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene
22228 genade geloofde.
22229
22230 --Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.
22231
22232 Uilenspiegel antwoordde:
22233
22234 --Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en
22235 het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend
22236 gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in
22237 klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen
22238 werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de
22239 slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?
22240
22241 --Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.
22242
22243 --Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen
22244 hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de
22245 strafplaats zullen tiegen.
22246
22247 --Ik heb zoo'n honger! sprak Nele.
22248
22249 's Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.
22250
22251 --Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra
22252 is 't uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.
22253
22254 Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.
22255
22256 --Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht
22257 en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee
22258 gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede
22259 tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat
22260 zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij,
22261 Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.
22262
22263 --'t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij
22264 de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en
22265 confituur eischt; en melk om het lichaam van uwe muchachas te wasschen,
22266 en wijn om de pooten uwer peerden te baden?
22267
22268 Den 18n van Hooimaand zeide Nele:
22269
22270 --Mijne voeten zijn nat; wat is dit?
22271
22272 --'t Is bloed, zeide Uilenspiegel.
22273
22274 's Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.
22275
22276 --Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden
22277 zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede
22278 meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder
22279 hunnen arm.
22280
22281 's Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de
22282 soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen
22283 kijken en zeggen:
22284
22285 --De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd
22286 werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch
22287 wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?
22288
22289 En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts,
22290 stonden zij daar lijk spoken.
22291
22292 Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren's avonds, kwamen de soldaten
22293 lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:
22294
22295 --Dit is ons doodmaal.
22296
22297 Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden de poorten van
22298 vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de
22299 pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen
22300 stilstaan. Sommige straten waren rood van 't bloed; en zij stapten naar
22301 't Galgeveld.
22302
22303 Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er
22304 bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten;
22305 de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder,
22306 en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps
22307 hoorden zij een hertverscheurend gehuil.
22308
22309 De soldaten zeiden:
22310
22311 --Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de
22312 stad; men laat ze sterven van honger.
22313
22314 --Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.
22315
22316 En zij weende.
22317
22318 --De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
22319
22320 --Ha! zeide Lamme in 't Vlaamsch,--de soldaten van het geleide
22321 verstonden die mannelijke taal niet,--ha! zeide Lamme, had ik dien
22322 bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van
22323 berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten
22324 en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed,
22325 dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het
22326 hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen
22327 eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend,
22328 in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden
22329 gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid
22330 der eeuwigheden!
22331
22332 --Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.
22333
22334 --Maar ziet gij niets? vroeg zij.
22335
22336 --Neen, sprak Uilenspiegel.
22337
22338 --In 't Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen
22339 kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt
22340 een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen,
22341 die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een
22342 andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook
22343 gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan
22344 op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken;
22345 maar nu zie ik niets meer.
22346
22347 --De Zeven, zei Uilenspiegel.
22348
22349 --Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht
22350 als een ademtocht, neuren:
22351
22352
22353 Door den krijg en het vuur
22354 Door de lansen en zwaarden,
22355 Zoek;
22356 In den dood en het bloed
22357 In de puinen en tranen,
22358 Vind.
22359
22360
22361 --Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde
22362 Uilenspiegel. De nacht is zwart, en 'k zie de Spaansche huurlingen
22363 fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete
22364 vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets
22365 meer, Nele?
22366
22367 --'t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij,
22368 op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan,
22369 den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van
22370 de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen
22371 onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien
22372 donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort
22373 gij: "Vive le Geus!" Met de piek vooruit, stormen zij den
22374 wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende
22375 bijlen.... Vive le Geus!
22376
22377 --Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.
22378
22379 --Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan,
22380 Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!
22381
22382 --Vive le Geus! riepen al de gevangenen.
22383
22384 --De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen
22385 vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de
22386 toortsen. Vive le Geus!
22387
22388 --Vive le Geus! riepen de wakkere redders.
22389
22390 --Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen
22391 zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen
22392 enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu
22393 trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en
22394 lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?
22395
22396 --Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!
22397
22398 En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen
22399 verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.
22400
22401 En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En
22402 weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!
22403
22404 En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
22405
22406
22407
22408
22409 XIII.
22410
22411 Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land,
22412 en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken
22413 op hazen, herten en ortolanen.
22414
22415 En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de
22416 jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee
22417 trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich
22418 dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen
22419 droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.
22420
22421 En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:
22422
22423 --De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen
22424 verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.
22425
22426 Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van
22427 Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht
22428 der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot
22429 wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering;
22430 de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.
22431
22432 Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters,
22433 verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar
22434 voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen
22435 als vliegen.
22436
22437 --Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar
22438 zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten,
22439 kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden
22440 lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De
22441 Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij
22442 de misse der Geuzen, dat is het gevecht!
22443
22444 En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het
22445 bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de
22446 vloot werd genomen.
22447
22448 Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der
22449 Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond
22450 zich de kok van de vlieboot den Briel.
22451
22452 Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken, hetwelk
22453 Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:
22454
22455 --Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen
22456 geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat
22457 de arme doode, die dáár ligt,--God hebbe zijne ziel,--niet ervaren
22458 genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als
22459 kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke
22460 soezels bereiden.
22461
22462 --Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het
22463 schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens
22464 van zijne sausen te jagen.
22465
22466 --Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van
22467 geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits
22468 gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening
22469 aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere
22470 vlieboot den Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen
22471 belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat
22472 uw kok--dat ben ik,--bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne
22473 beletten eens andermans portie te komen eten.
22474
22475 Treslong en de anderen riepen:
22476
22477 --Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!
22478
22479 --Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet,
22480 groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme
22481 vrouw--God geve ze mij weder--placht mij altijd twee portiën te geven,
22482 in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.
22483
22484 Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:
22485
22486 --Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.
22487
22488 En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:
22489
22490 --Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze
22491 scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening,
22492 het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.
22493
22494 --Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge
22495 den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme
22496 moet zweren.
22497
22498 --Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan
22499 Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam
22500 des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan
22501 messire Lumey, admiraal-bevelhebber onzer edele vloot, en aan messire
22502 Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schip den Briel;
22503 ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de
22504 oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over
22505 de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is,
22506 de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die
22507 Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire
22508 kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel,
22509 en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers,
22510 keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn,
22511 hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw,
22512 heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een
22513 flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet
22514 de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens
22515 mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas,
22516 dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende
22517 langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in
22518 deze wereld en ook in de andere!
22519
22520 --Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der
22521 stoverije. 's Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!
22522
22523 En Lamme werd kok op den Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het
22524 vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene
22525 handwijl aan de keukendeur staan.
22526
22527 En 's Zondags kreeg hij zijne drij portiën.
22528
22529 Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne
22530 in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om
22531 eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer
22532 naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.
22533
22534 Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind
22535 door een iegelijk.
22536
22537 Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst
22538 grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op
22539 Geeraard.
22540
22541 En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.
22542
22543
22544
22545
22546 XIV.
22547
22548 Bij zonneschijn, bij regen, bij sneeuw, bij hagel, 's winters en
22549 's zomers, dobberen de schepen der Geuzen op het ruime sop.
22550
22551 Alle zeilen bijgezet, gelijk zwanen, blanke zwanen der vrijheid.
22552
22553 Wit voor de vrijheid, blauw voor de grootheid, oranje voor den Prins,
22554 is de standaard der fiere bodems.
22555
22556 Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen;
22557 de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.
22558
22559 Zij varen, zij wiegen, zij vliegen op den stroom, de fiere schepen
22560 der Geuzen, met de zeilen in 't water, snel als de wolken gejaagd
22561 door den Noordenwind. Hoort gij hoe hun voorsteven klieft door de
22562 baren? God der vrije mannen, vive le Geus!
22563
22564 Huiken, vliebooten, boeiers, poonen, vlug als de wind, die het orkaan
22565 met zich voert: als de wolk, die den bliksem met zich draagt. Vive
22566 le Geus!
22567
22568 Boeiers en poonen, platboomde vaartuigen glijden op den vloed. De
22569 golven zuchten onder hunne kiel, als zij recht vóór zich stevenen, met
22570 den moorddadigen muil hunner slang open op de voorplecht. Vive le Geus!
22571
22572 Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen;
22573 de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.
22574
22575 Bij dag en bij nacht, bij regen, bij hagel en sneeuw, varen zij
22576 op de wateren. Christus lacht hen toe in de wolk, in de zon, in de
22577 sterre. Vive le Geus!
22578
22579
22580
22581
22582 XV.
22583
22584 De bloedige koning kreeg tijding van hunne zegepralen. De dood beloerde
22585 dien beul, wiens lichaam opgevreten werd door de wormen. Door de gangen
22586 van 't kasteel van Valladolid sleepte hij, ziekelijk en terugstootend,
22587 zijn gezwollen voeten en zijn loodzware beenen. Nimmer neurde hij een
22588 liedeken, de wreedaardige beul; als de Oosterkim kleurde, lachte hij
22589 niet, en als de zonne zijn rijk verlichtte als met een glimlach des
22590 Heeren, voelde hij geen de minste vreugd in zijn hert.
22591
22592 Maar Uilenspiegel, Lamme en Nele zongen als lijsters, waagden bestendig
22593 hun leven; God schiep den dag en zij gingen er door, en zij vonden
22594 meer genoegen in het uitdooven van eenen brandstapel, dan de zwarte
22595 koning vreugde smaakte in het verbranden van gansch eene stad.
22596
22597 In dien tijd ook was Willem de Zwijger, Prins van Oranje, gedwongen
22598 messire Lumey, graaf van der Marck, zijnen graad van admiraal te
22599 ontnemen, uit oorzake van de ijselijke wreedheden, die hij bedreef. Hij
22600 benoemde messire Bouwen Ewoutsen Worst in zijne plaats. Hij zag mede
22601 naar middelen uit om den boeren het koren te betalen, dat de Geuzen
22602 hadden genomen; om de gedwongen schattingen terug te geven, die
22603 door dezen gelicht waren; om den Roomschen, gelijk een iegelijk, de
22604 vrije beoefening van hunnen godsdienst te schenken, zonder vervolging
22605 of nadeel.
22606
22607
22608
22609
22610 XVI.
22611
22612 Op de schepen der Geuzen, onder den helderen hemel, op de schuimende
22613 golven, weerklinken pijpen en doedelzakken, klokken de flesschen,
22614 rinkelen de klinkaards, flikkeren de bussen der geweren.
22615
22616 --Nu, sprak Uilenspiegel, slaat op de trom van de zege, slaat de
22617 trom van de vreugde! Vive le Geus! Spanje is verslagen, de vampier
22618 is getemd. Aan ons de zee, Brielle is genomen! Aan ons heel de kust
22619 van Nieuwpoort tot Helder, met Oostende, Blankenberge, de Zeeuwsche
22620 eilanden, de monden der Schelde, de monden der Maas, de monden van
22621 den Rijn! Aan ons Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Rottum en
22622 Borkum.... Vive le Geus!
22623
22624 ... Aan ons Delft, Dordrecht! 't Is een loopend vuur. God houdt de
22625 vuurlont. De beulen verlaten Rotterdam. Het vrije geweten, lijk een
22626 leeuw met klauwen en tanden van gerechtigheid, neemt het graafschap
22627 Zutfen, de steden Deutekom, Doesburg, Goor, Oldenzaal en, in de Veluwe,
22628 Hattem, Elburg en Harderwijk.... Vive le Geus!
22629
22630 ... 't Is klaar, 't is als de bliksem: Kampen, Zwolle, Hasselt,
22631 Steenwijk vallen in onze handen met Oudewater, Gouda en Leiden.... Vive
22632 le Geus!
22633
22634 ... Aan ons Buren, Enkhuizen! Ja, Amsterdam, Schoonhoven, Middelburg
22635 zijn nog in onze macht niet. Doch alles komt op tijd voor geduldige
22636 klingen.... Vive le Geus!
22637
22638 ... Laat ons Spaanschen wijn drinken! Laat ons drinken uit de
22639 kelken, uit dewelke zij het bloed van de slachtoffers dronken: Wij
22640 gaan langs de Zuiderzee, langs stroomen, rivieren en vaarten; wij
22641 hebben Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland; wij zullen ook Oost-
22642 en West-Friesland nemen; Brielle zal de wijkplaaats wezen voor onze
22643 vloot, de bakermat der vrijheid.... Vive le Geus!
22644
22645 ... Hoor, Vlaanderen, geliefde vadergrond, hoor den kreet van wrake
22646 weerklinken! Men slijpt de wapenen, men zet de zweerden aan op den
22647 steen. Allen bewegen zich, trillen als de snaren eener harp bij den
22648 warmen ademtocht, adem van de zielen, die stijgt uit de putten, uit
22649 de brandstapels, uit de bloedige lijken der slachtofferen. Allen:
22650 Henegouwen, Brabant, Luxemburg, Limburg, Namen, Luik, de vrije,
22651 vurige stede, allen! Het bloed kiemt en rijst. De oogst is rijp voor
22652 de zeis.... Vive le Geus!
22653
22654 ... Aan ons de Noordzee, de wijde zee van het Noorden! Aan ons de
22655 goede kanonnen, de slanke schepen, het stoutmoedige heir van de
22656 dappere zeelieden: edelen, poorters en arbeiders, die de vervolging
22657 ontvluchten. Aan ons, allen, die vereenigd opstaan voor het werk van
22658 de vrijheid.... Vive le Geus!
22659
22660 ... Waar zijt gij, Philippus, bloedige koning? Gedekt met den heiligen
22661 hoed,--geschenk van den paus,--vloekt en tiert gij. Slaat op de trom
22662 van vreugde!... Vive le Geus! Laat ons drinken!
22663
22664 ... De wijn stroomt in de gouden kelken. Drinkt blijde een
22665 heildronk. De priesterkleeren, dewelke die ruwe mannen bedekken,
22666 zijn nat van het roode druivensap; de Roomsche banieren wapperen in
22667 den wind. Eeuwige muziek! komaan, pijpen, doedelzakken, trommels,
22668 zingt nu de lofzang der zege.... Vive le Geus!
22669
22670
22671
22672
22673 XVII.
22674
22675 Toen was men in de Wintermaand, dat is de maand van de wolven. Een
22676 scherpe regen viel als naalden in den vloed neder. De Geuzen kruisten
22677 in de Zuiderzee. Bij trompetgeschal ontbood messire de admiraal op
22678 zijn schip de gezagvoerders der hulken en vliebooten, en samen met
22679 hen ook Uilenspiegel.
22680
22681 --Nu, zei de admiraal, eerst tot dezen sprekend, de Prins wil uw
22682 goede en trouwe diensten erkennen en benoemt u tot gezagvoerder op
22683 het vaartuig den Briel. Hier hebt gij uwe aanstelling op perkament.
22684
22685 --God zegene U, heer admiraal, antwoordde Uilenspiegel; ik zal zoo
22686 goed gezag voeren als mij mogelijk is, en aldus gezag voerende, hoop
22687 ik wel, met Gods hulp, Spanje het gezagvoerderschap te ontnemen over
22688 Vlaanderen en Holland: ik wil zeggen over Zuid- en Noord-Nederland.
22689
22690 --Goed zoo, zei de admiraal. En nu, voegde hij er bij, tot al de
22691 aanwezigen sprekend: moet ik u zeggen, dat die van het katholieke
22692 Amsterdam van zins zijn Enkhuizen te belegeren. Zij zijn nog het IJ
22693 niet uitgevaren: wij zullen kruisen vóór deze vaart, zoodat wij ze
22694 sluiten, en elken bodem overvallen, die zijnen romp in de Zuiderzee
22695 durft vertoonen.
22696
22697 Zij antwoordden:
22698
22699 --Wij zullen ze in den grond boren!... Vive le Geus!
22700
22701 Toen Uilenspiegel weder op zijn schip was gestegen, deed hij zijne
22702 matrozen en soldaten vergaderen op het dek en deed hun kond van de
22703 woorden des admiraals.
22704
22705 Zij antwoordden:
22706
22707 --Wij hebben vleugelen, dat zijn onze zeilen; schaatsen, dat zijn de
22708 kielen onzer schepen; reuzenhanden, dat zijn onze enterhaken. Vive
22709 le Geus!
22710
22711 De vloot vertrok en kruiste vóór Amsterdam, op eene mijl van het
22712 strand, zoodanig dat geen schip kon binnen- of buitenvaren, als zij
22713 het niet wilde.
22714
22715 Den vijfden dag hield het op met regenen; de wind woei scherper in
22716 den helderen hemel; die van Amsterdam verroerden zich niet.
22717
22718 Eensklaps zag Uilenspiegel zijn vriend den kok op het dek stormen
22719 en den scheepsjongen--een jongen snaak, ervaren in de Fransche en
22720 in de Vlaamsche taal, maar nog meer in het smullen--achternazetten,
22721 met zijn grooten houten pollepel in de hand.
22722
22723 --Nietdeug, zeide Lamme, duchtig met zijnen stoklepel slaande,
22724 dacht gij dan, zonder eenige straf, voorbarig mijne stoverije op te
22725 peuzelen? Klim hoog in den mast en zie of er nog geene beweging komt
22726 op de schepen van Amsterdam; wilt ge wèldoen?
22727
22728 Maar de jongen antwoordde:
22729
22730 --Wat zult ge mij geven?
22731
22732 --Meent gij, dat ik u zal betalen vóór dat gij gewerkt
22733 hebt? Dievengebroed, als gij niet omhoog klimt, laat ik u geeselen. En
22734 uw Fransch zal u niet redden.
22735
22736 --'t Is een schoone tale, zeide de knaap, tale van minne en van oorlog.
22737
22738 En hij klom in den mast.
22739
22740 --Wel luiaard? vroeg Lamme.
22741
22742 De scheepsjongen antwoordde:
22743
22744 --Ik zie niets in de stad noch op de schepen.
22745
22746 En beneden gekomen, sprak hij:
22747
22748 --Betaal mij nu.
22749
22750 --Houd het gestolene voor uwe moeite, antwoordde Lamme; maar het zal
22751 niet gedijen: voorzeker spuwt gij het uit.
22752
22753 De jongen, die weder in den mast was geklommen, riep eensklaps:
22754
22755 --Lamme! Lamme! daar sluipt een dief in uwe keuken!
22756
22757 --Daar is geen nood van, antwoordde Lamme, de sleutel steekt in
22758 mijne tassche.
22759
22760 Toen nam Uilenspiegel zijnen vriend ter zijde en sprak:
22761
22762 --Lamme, die groote kalmte van Amsterdam verontrust mij. Zij voeren
22763 iets in hun schild.
22764
22765 --Ik dacht er aan, zeide Lamme. Het water vervriest in de kruiken in de
22766 schapraai; de kiekens zijn hard als hout; de worsten gansch berijmd;
22767 de boter is als steen, de olie geklonterd, het zout droog als zand
22768 in de zonne.
22769
22770 --Vorst is op handen, zeide Uilenspiegel. Zij zullen, in grooten
22771 getale, ons komen beschieten met donderbussen.
22772
22773 Hij begaf zich naar het admiraalschip en zei daar wat hij vreesde;
22774 de vlootvoogd antwoordde:
22775
22776 --De wind blaast uit Engeland: we krijgen sneeuw, maar geen vorst:
22777 keer terug naar uw schip.
22778
22779 En Uilenspiegel ging henen.
22780
22781 's Nachts woedde een hevige sneeuwstorm; maar weldra blies de wind
22782 uit Noorwegen, de zee vroor toe, zij was effen als een vloer. De
22783 admiraal zag dit schouwspel.
22784
22785 In de vrees, dat die van Amsterdam de schepen in brand zouden steken,
22786 beval hij den soldaten hunne schaatsen in gereedheid te houden,
22787 voor het geval dat zij buiten en rondom de schepen moesten vechten,
22788 en den kanonniers de kogels bij hoopen naast de affuiten te leggen,
22789 de stukken te laden en de lonten gedurig in brand te houden.
22790
22791 Maar die van Amsterdam kwamen niet.
22792
22793 En aldus zeven dagen lang.
22794
22795 Tegen den avond van den zevenden dag beval Uilenspiegel, dat een goed
22796 festijn gegeven werd aan de matrozen en soldaten, om hen te wapenen
22797 tegen den scherpen wind, die woei uit het Noorden.
22798
22799 Maar Lamme zeide:
22800
22801 --Er blijft ons niets meer over dan beschuit en kort bier.
22802
22803 --Vive le Geus! zeiden zij. Dit zal ons een vastenfestijn zijn,
22804 in afwachting van het uur van 't gevecht.
22805
22806 --Dat nog zoo gauw niet zal slaan, zeide Lamme. Die van Amsterdam
22807 zullen komen om onze schepen te verbranden, maar dezen nacht nog
22808 niet. Eerst zullen ze te hoop moeten komen rondom het vuur, en daar
22809 menigen beker warmen wijn ledigen,--God verleene er u,--vervolgens,
22810 als zij tot middernacht zullen beraadslaagd hebben met kalmte,
22811 verstand en geduld, zullen zij beslissen morgen te besluiten of zij,
22812 al dan niet, ons de toekomende week zouden aanvallen. Morgen zullen
22813 zij, opnieuw onder het drinken van warmen wijn,--God verleene er
22814 u,--opnieuw met kalmte, geduld en volle kannen beslissen dat zij een
22815 anderen dag zullen vergaderen, ten einde uit te maken of het ijs, al
22816 dan niet, een groote menigte kan dragen. En zij zullen het ijs doen
22817 onderzoeken door deskundigen, dewelke hunne besluiten op perkament
22818 zullen neerschrijven. Als zij die ontvangen en gelezen hebben, zullen
22819 zij daarover verslag maken, waaruit zal blijken, dat het ijs een halve
22820 el dik is, dat het sterk genoeg is om eenige honderden soldaten met
22821 donderbussen en veldgeschut te dragen. Vervolgens opnieuw bijeenkomend,
22822 om met kalmte en geduld, onder het drinken van menigen beker warmen
22823 wijn te beraadslagen, zullen zij berekenen of het, om den wille van
22824 den schat van Lissabon, dien wij hebben gekaapt, raadzaam is onze
22825 schepen te bestormen of wel te verbranden. En, aldus besluiteloos,
22826 maar dralend, zullen zij nochtans beslissen dat zij onze schepen
22827 moeten nemen, en geenszins verbranden, niettegenstaande al het leed
22828 en de schade, die zij ons daarmee zouden doen.
22829
22830 --Gij spreekt goed, antwoordde Uilenspiegel; maar ziet eens die
22831 vuren aansteken in de stad en al die lieden haastig rondloopen met
22832 lanteernen in de hand?
22833
22834 --'t Is van groote koude, zei Lamme.
22835
22836 En, zuchtend, voegde hij er bij:
22837
22838 --Alles is opgegeten. Geen ossevleesch, geen pekelvleesch, geen
22839 gevogelte meer; geen wijn meer, laas! noch goed dobbel bier; niets
22840 dan beschuit en kort bier. Wie komt er mee?
22841
22842 --Waar gaat gij? vroeg Uilenspiegel. Niemand mag het schip verlaten.
22843
22844 --Mijn vriend, zeide Lamme, thans zijt gij kapitein en
22845 gezagvoerder. Zonder uwe toestemming zal ik het schip niet
22846 verlaten. Doch gelief te bedenken, dat onze laatste worst er
22847 eergisteren aan was; dat, in dezen harden tijd, keukenvuur de vreugd
22848 van de goede maats is. Wie onzer is niet bereid den geur van goede saus
22849 op te snuiven, of een lekker glaasje te drinken, hetwelk vroolijkheid
22850 en goeden wil voor een ieder baart? Nu, kapitein en trouwe vriend,
22851 ik durf het u zeggen: ik vreet mij het hert op, ik eet niet; ik, die
22852 voor de rust ben, die niet geerne moord, tenzij een malsche gansch,
22853 een vet kieken, een smakelijken kalkoen; ik volg u in de vermoeienissen
22854 des oorlogs. Zie gindsche lichten, 't zijn die eener rijke hoeve,
22855 goed voorzien van groot en klein vee. Weet gij wie daar woont? 't Is
22856 die schipper van Friesland, die messire Dandelot verried en achttien
22857 arme heeren en vrienden naar het nog Spaanschgezinde Enkhuizen
22858 bracht, dewelke door zijn toedoen op de Peerdenmarkt--dat is de
22859 Kleine Zavel--te Brussel, onthalsd werden. Die verrader, die Slosse
22860 heet, ontving van den hertog twee duizend florijnen als prijs zijns
22861 verraads. Met het geld van het bloed kocht hij, als een ware Judas,
22862 de hoeve, die gij daar ziet, en zijn groot vee, en de velden in 't
22863 ronde, dewelke gedijen en bloeien; ik zeg, dat hij schatrijk wordt
22864 met zijnen grond en zijn vee.
22865
22866 Uilenspiegel antwoordde:
22867
22868 --De assche klopt op mijn hert. Het uur van God is geslagen.
22869
22870 --En ook het uur van het eten, zeide Lamme. Geef mij twintig wakkere
22871 gasten, soldaten en matrozen, en ik breng u den verrader.
22872
22873 --Ik zelf wil hen aanvoeren, zeide Uilenspiegel. Wie voor de
22874 rechtveerdigheid is, volge mij. Doch allen niet, mijne vrienden;
22875 er zijn er maar twintig van doen; wie anders zou op het schip
22876 letten? Laat de dobbelsteenen beslissen. Goed, nu zijt gij twintig,
22877 komt mee. Riemt uwe schaatsen om en legt aan op Venus, de heldere
22878 sterre, die flikkert boven de hoeve van den verrader.
22879
22880 ... Komt dus, vrienden; rijdend en glijdend, met de akst op den
22881 schouder, worden wij geleid door het glimmend licht van de heldere
22882 maan.
22883
22884 ... De wind fluit en jaagt witte sneeuwvlagen vóór zich op het
22885 ijs. Komt, dappere mannen!
22886
22887 ... Gij zingt noch gij spreekt; gij gaat, stilzwijgend, recht voor
22888 u uit op de sterre; uwe schaatsen krassen op 't ijs.
22889
22890 ... Wie valt, sta aanstonds weer op. Wij naderen den oever: geen
22891 enkele menschelijke gedaante op de witte sneeuw, geen enkele vogel
22892 vertoont zich in de ijskoude lucht. Doet uwe schaatsen af.
22893
22894 ... Hier zijn wij op 't land, hier zijn wij in de weide, riemt uwe
22895 schaatsen weer om. Wij zijn rondom de hoeve, houdt uwen adem in.
22896
22897 Uilenspiegel klopt op de deur, de honden bassen. Hij klopt nogmaals;
22898 een venster wordt geopend en de boer, die het hoofd buitensteekt,
22899 vraagt:
22900
22901 --Wie zijt gij?
22902
22903 Hij ziet niemand dan Uilenspiegel: de anderen zijn verborgen achter
22904 de keet.
22905
22906 Uilenspiegel antwoordde:
22907
22908 --Messire Bossu gelast u oogenblikkelijk bij hem, naar Amsterdam,
22909 te komen.
22910
22911 --Waar is uwe vrijgeleide? vroeg de baas, toen hij beneden was en de
22912 deur had geopend.
22913
22914 --Hier, antwoordde Uilenspiegel, hem de twintig Geuzen toonend,
22915 die achter hem het huis binnenstormden.
22916
22917 Toen sprak Uilenspiegel tot hem:
22918
22919 --Gij zijt schipper Slosse, de verrader, die Dandelot, Battenburg
22920 en andere heeren in eene hinderlaag loktet. Waar is de prijs van
22921 het bloed?
22922
22923 Over al zijn ledematen bevend, antwoordde de hoevenaar:
22924
22925 --Gij zijt de Geuzen, schenkt mij vergiffenis; ik wist niet wat
22926 ik deed. Ik heb hier geen geld in mijn huis; alles wat ik heb, zal
22927 ik geven.
22928
22929 Lamme sprak:
22930
22931 --Het is donker, geef ons keersen.
22932
22933 De baas antwoordde:
22934
22935 --Dáár hangen vetkeersen.
22936
22937 Toen eene keers aangestoken was, zeide, in den heerd, een van de
22938 Geuzen:
22939
22940 --Het is koud, laat ons vuur maken. Hier zijn schoone, dikke mutsaards.
22941
22942 En hij wees naar eene plank, op dewelke bloempotten stonden, waarvan
22943 al de planten verdroogd waren. Hij nam er eene bij den kop en schudde
22944 ze; de pot viel ten gronde, gevolgd door dukaten, realen, florijnen.
22945
22946 Daar is de schat, zeide hij, naar de andere bloempotten wijzend.
22947
22948 En, inderdaad, toen zij geledigd waren, vonden zij er tien duizend
22949 florijnen.
22950
22951 Als de boer dat zag, begon hij te weenen en te huilen.
22952
22953 Op dat geroep kwamen de knechts en meiden der hoeve toegeloopen in
22954 hun hemde. Daar de mannen hunnen meester wilden verdedigen, werden
22955 zij gevat en gebonden. Maar de dienstmaagden waren beschaamd, en
22956 vooral de jonge, en zij verborgen zich achter de mannen.
22957
22958 Lamme kwam toen vooruit, en hij sprak:
22959
22960 --Verrader, waar zijn de sleutels van den kelder, den stal en de
22961 schaapskooi?
22962
22963 --Schaamtelooze diepers, zeide de baas, gij zult gehangen worden
22964 totdat de dood er op volge!
22965
22966 Uilenspiegel antwoordde.
22967
22968 --Het is het uur van God, geef de sleutels!
22969
22970 Toen de Geuzen de hoeve geledigd hadden, reden zij op hunne schaatsen
22971 terug naar de schepen, lichte hallen van vrijheid.
22972
22973 --Ik ben de kok, zeide Lamme hen leidend; ik ben de kok. Stoot de
22974 wakkere sleden vooruit, beladen met wijn en met bier; drijft vóór u,
22975 met zeelen of anderszins, ossen, varkens en schapen. De duiven kirren
22976 in de kevies; de volgepropte kapoenen kijken beteuterd in de houten
22977 kooien, in dewelke zij zich niet kunnen verroeren. Ik ben de kok. Het
22978 ijs kraakt onder de schaatsijzers. Wij zijn nabij de schepen. Morgen
22979 speelt er muziek in de keuken. Laat de katrollen beneden. Bindt de
22980 banden om de koeien en ossen. 't Is een schoon schouwspel, ze aldus
22981 bij den buik te zien hangen; morgen zullen wij hangen met de tong aan
22982 hun vette stoverije. De katrol hijscht ze op tot boven het ruim. Het
22983 zijn karbonaden. Smijt maar overhoop in het ruim, eenden, kapoenen,
22984 ganzen en hoenders. Wie zal hun den nek omwringen? de kok. De deur
22985 is gesloten, de sleutel steekt in mijne tassche. God zij geloofd in
22986 de keuken! Vive le Geus!
22987
22988 Vervolgens begaf Uilenspiegel zich naar het admiraalschip, met Diederik
22989 Slosse en de andere gevangenen, die zuchtten en weenden uit vrees
22990 voor de koorde.
22991
22992 Messire Worst kwam bij het gerucht: hij bemerkte Uilenspiegel en
22993 zijne gezellen, verlicht door den rooden gloed van de toortsen.
22994
22995 --Wat wilt gij? zeide hij.
22996
22997 Uilenspiegel antwoordde:
22998
22999 --Dezen nacht namen wij, in zijne hoeve, Diederik Slosse, die de
23000 achttien in een hinderlaag deed vallen. Hier is hij. De anderen zijn
23001 onschuldige knechten en meiden.
23002
23003 Vervolgens langde hij hem een tassche, en hij sprak:
23004
23005 --Deze guldens groeiden in bloempotten in het huis des verraders:
23006 er zijn er tienduizend.
23007
23008 Messire Worst zeide hun:
23009
23010 --Gij misdeedt de schepen te verlaten; doch gezien den goeden uitslag,
23011 zal u vergiffenis worden geschonken. Welkom zijn de gevangenen en de
23012 tassche vol guldens, en eere aan u, dappere lieden, aan dewelken ik,
23013 volgens de rechten en costumen ter zee, het derde deel van den buit
23014 schenk; het tweede deel zal zijn voor de vloot, en het andere derde
23015 voor onzen hoofdman, den Prins van Oranje; knoopt den verrader op
23016 staanden voet op.
23017
23018 De Geuzen gehoorzaamden; daarna kapten zij eene bijt in het ijs,
23019 waarin zij het lijk smeten van Diederik Slosse.
23020
23021 Toen zeide messire Worst:
23022
23023 --Groeit er gras rond de schepen? Me dunkt, ik hoor hoenders kakelen,
23024 schapen blaten en runderen loeien?
23025
23026 --Dat zijn de gevangenen voor onzen mond, antwoordde Uilenspiegel;
23027 zij zullen hun rantsoen in stoverije betalen. Messire admiraal krijgt
23028 het beste stuk van dezelve.
23029
23030 ... Wat deze knechten en meiden betreft, onder dewelken zich
23031 verscheidene lieftallige en poezele vrouwen bevinden, die ga ik weer
23032 op mijn schip brengen.
23033
23034 Toen zulks gedaan was, hield hij hun de volgende rede:
23035
23036 --Mannen en vrouwen, gij zijt hier op het beste schip van de
23037 wereld. Wij brengen er den tijd door met smullen; 't is een festijn
23038 zonder einde. Als 't u belieft van hier weg te gaan, kunt gij het
23039 doen, mits een rantsoen te betalen; verkiest gij te blijven, dan
23040 zult gij leven lijk wij: dapper werken en flink eten. Wat die lieve
23041 vrouwlieden betreft, ik geef haar bij gezagvoerderlijke macht de
23042 volle vrijheid van lijf: 't is te zeggen, dat het mij heel eender
23043 is of zij heure vrienden houden, die met haar op het schip kwamen,
23044 of eene keuze doen onder onze dappere Geuzen, hier tegenwoordig,
23045 om heur huwelijksch gezelschap te houden.
23046
23047 Maar al de lieftallige vrouwlieden bleven trouw aan heure vrienden,
23048 uitgenomen een enkele, dewelke glimlachend keek naar Lamme en hem
23049 vroeg of hij van heur wilde weten.
23050
23051 --God zegene u, liefste, zeide hij, maar ik ben reeds genomen.
23052
23053 --Hij is getrouwd, de dikzak, zeiden de Geuzen tot de spijtige schoone.
23054
23055 Maar zij keerde hen den rug toe en koos er een anderen, die, gelijk
23056 Lamme, een goede tronie en een dikken buik had.
23057
23058 Dien dag en den volgenden gastreerde men aan boord van de schepen
23059 met wijn, met vleesch en met gevogelte. En Uilenspiegel zeide:
23060
23061 --Vive le Geus! Blaas maar aan, scherpe Noordenwind, wij zullen de
23062 lucht met onzen adem verwarmen. Ons hert is van vuur voor het vrije
23063 geweten, van vuur onze maag voor het gebraad van den vijand. Laat
23064 ons wijn drinken, dat is de melk van de dapperen. Vive le Geus!
23065
23066 Nele dronk ook uit een grooten gouden beker; zij bloosde van koude,
23067 doch blijde bespeelde zij de pijp. En ondanks de koude, aten en
23068 dronken de Geuzen juichend en vroolijk op het dek van de schepen.
23069
23070
23071
23072
23073 XVIII.
23074
23075 Eensklaps zag heel de vloot op den oever zwarte drommen, onder
23076 dewelke toortsen flikkerden en wapens glinsterden; vervolgens werden
23077 de toortsen uitgedoofd, en heerschte volledigste duisternis.
23078
23079 De bevelen van den admiraal werden overgebracht, het sein tot
23080 waakzaamheid gegeven, en alle de vuren uitgedoofd; matrozen en soldaten
23081 gingen, met bijlen gewapend, op hun buik op het dek liggen. De wakkere
23082 kanonniers, met hunne lont in de hand, waakten omtrent de donderbussen,
23083 dewelke geladen waren met zakken kruit en met kettingkogels. Zoodra
23084 de admiraal en de kapiteins zouden roepen: "Honderd passen!"--wat
23085 de stelling van den vijand aanwees,--moesten zij vuren van voren,
23086 van achterboeg of van boord, naarvolgens hunne stelling op het ijs.
23087
23088 En men hoorde de stem van messire Worst, dewelke sprak:
23089
23090 --Ter dood, hij die luide durft spreken!
23091
23092 En de kapiteins zeiden hem na:
23093
23094 --Ter dood, hij die luide durft spreken!
23095
23096 Het uitspansel was vol sterren, doch zonder maan.
23097
23098 --Hoort gij, zeide Uilenspiegel tot Lamme stil als de adem van
23099 een spook. Hoort gij de stem van die van Amsterdam, en het ijzer
23100 hunner schaatsen krassen op 't ijs? Zij rijden snel. Men hoort hen
23101 spreken. Zij zeggen: "Die luie Geuzen liggen te slapen. Aan ons de
23102 schat van Lissabon". Zij steken hunne toortsen weer aan. Ziet gij
23103 hunne bestormingsladders en hunne leelijke tronies, en de breede
23104 linie van hun aanvalsfront? Zij zijn duizend en meer.
23105
23106 --Honderd passen! riep messire Worst.
23107
23108 En men hoorde een geluid als van een donder, en een jammerlijk gehuil
23109 op het ijs.
23110
23111 --Tachtig kanonnen bulderen tegelijk! zeide Uilenspiegel. Zij
23112 vluchten! Ziet gij de toortsen verwijderen?
23113
23114 --Achtervolgt ze! zeide admiraal Worst.
23115
23116 --Achtervolgt! zeiden de kapiteins.
23117
23118 Maar de vervolging duurde niet lang, daar de vluchtelingen honderd
23119 passen vóór waren en liepen als hazen.
23120
23121 En op de mannen, die kermden en reutelden op 't ijs, vond men goud,
23122 kleinoodiën, en ook koorden om de Geuzen te binden.
23123
23124 En, na deze zegepraal, zeiden de Geuzen tot elkaar: "Als God met ons
23125 is, wie zal tegen ons zijn?"
23126
23127 Nu, in den morgen van den derden dag, werd messire Worst ongerust,
23128 want hij verwachtte een nieuwen aanval. Lamme sprong op het dek en
23129 zeide tot Uilenspiegel:
23130
23131 --Breng mij bij dien admiraal, die u niet wilde gelooven toen gij
23132 vorst voorspeldet.
23133
23134 --Ga zonder dat men u leide, zeide Uilenspiegel.
23135
23136 Lamme toog henen, nadat hij de deur zijner keuken goed dichtgedaan
23137 had. De admiraal stond op het dek in de verte te turen, om te zien
23138 of hij geenerlei beweging bespeurde langs den kant van de stad.
23139
23140 Lamme naderde hem en sprak:
23141
23142 --Messire admiraal, mag een nederige kok u zijne meening laten kennen?
23143
23144 --Spreek, mijn jongen, zei de admiraal.
23145
23146 --Heer, zeide Lamme, het water ontdooit in de kruiken, het gevogelte
23147 wordt weder murw; de worst verliest hare schimmel van rijm; de boter
23148 wordt slap; de olie vloeibaar; het zout vochtig. Weldra valt de regen
23149 en zijn wij gered, heer admiraal.
23150
23151 --Wie zijt gij? vroeg messire Worst.
23152
23153 --Ik ben, zeide hij, Lamme Goedzak, kok op de vlieboot den Briel. En
23154 als al de groote geleerden, die sterrekijkers beweren te zijn, zoo
23155 goed in de sterren kunnen lezen als ik in mijne sausen, zouden zij
23156 ons kunnen zeggen, dat het dezen nacht zal dooien, met groot gedruisch
23157 van tempeest en van hagel; maar de dooi zal niet aanhouden.
23158
23159 En Lamme keerde terug bij Uilenspiegel, tot denwelken hij zei rond
23160 den middag:
23161
23162 --Wat heb ik voorspeld? De hemel wordt duister, de wind blaast
23163 geweldig; een warme regen valt; daar is reeds een voet water op 't ijs.
23164
23165 En 's avonds riep hij blijde uit:
23166
23167 --De Noordzee is gezwollen: het is het uur van den vloed; de hooge
23168 baren, die in de Zuiderzee komen, breken het ijs, hetwelk in groote
23169 stukken barst en springt op de schepen; het fonkelt en glinstert;
23170 daar is de hagel. De admiraal beveelt ons met onze vloot terug te
23171 trekken van vóór Amsterdam, en dit met zooveel water als ons grootste
23172 schip noodig heeft. Hier zijn wij in de haven van Enkhuizen. De zee
23173 vriest weer toe. Ik ben profeet, en 't is een gunst van den Heer.
23174
23175 En Uilenspiegel zeide:
23176
23177 --Wij zullen een glas drinken en Hem loven en danken.
23178
23179 En de winter verzwond en de zomer kwam.
23180
23181
23182
23183
23184 XIX.
23185
23186 In de Oogstmaand, als de volgepropte hennen doof blijven voor 't geroep
23187 van den haan, die heur zijne liefde toekraait, zeide Uilenspiegel
23188 tot zijne matrozen en soldaten:
23189
23190 --De bloedige hertog is te Utrecht; hij durft er een lieftallig
23191 plakkaat afkondigen, hetwelk onder meer genadige giften belooft:
23192 honger, dood, ondergang voor de inwoneren der Nederlanden, die zich
23193 niet onderwerpen. Alles wat nog recht staat, zegt hij, zal neergehaald
23194 worden, en Zijn Koninklijke Majesteit zal het land bevolken met
23195 vreemdelingen. Bijt, hertog, bijt! De vijl breekt de tanden der
23196 adderen; wij, wij zijn vijlen! Vive le Geus!
23197
23198 ... Alva, het bloed maakt u dronken! Meent gij, dat wij uwe
23199 bedreigingen vreezen of aan uwe goedertierenheid gelooven? Uw
23200 roemrijke regimenten, wier lof gij door heel de wereld verkondigdet,
23201 uwe schepen, wier naam alleen uwen overmoed schetsen, bleven zeven
23202 maanden lang Haarlem beschieten, een zwakke stede, door heure poorters
23203 verdedigd. Zij zijn als gewone stervelingen in de lucht gesprongen,
23204 bij 't ontploffen der mijnen; poorters begoten ze edelmoedig met pik;
23205 eindelijk behaalden zij een roemvolle zege: zij keelden ontwapende
23206 vijanden. Hoort gij Gods uur slaan, bloedige beul?
23207
23208 ... De stede verloor haar wakkere verdedigers, hare steenen zweetten
23209 bloed. Bij heure belegering verloor en verteerde zij twaalfhonderd
23210 tachtigduizend gulden. De bisschop is terug in de stede; met vlugge
23211 hand en vroolijke tronie herwijdt hij de kerken; don Frederik woont die
23212 wijdingen bij; de bisschop wascht hem de handen, dewelke voor God rood
23213 zullen blijven, en hij gebruikt het Avondmaal onder de beide gedaanten,
23214 wat aan het arme gemeen niet geoorloofd wordt. En de klokken luiden, en
23215 de beiaard werpt in de lucht zijn stille, welluidende tonen: 't is als
23216 een engelenkoor op een kerkhof. Oog om oog, tand om tand! Vive le Geus!
23217
23218
23219
23220
23221 XX.
23222
23223 Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen
23224 het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde,
23225 op de Turfkaai.
23226
23227 Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de
23228 Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker
23229 zou genezen.
23230
23231 En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol
23232 te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.
23233
23234 --Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?
23235
23236 --Neen, mijn zoon, zei Lamme.
23237
23238 --Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken,
23239 en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?
23240
23241 --Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne
23242 beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?
23243
23244 Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:
23245
23246 --Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem
23247 was zoo zoet als die van een engel.
23248
23249 --Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.
23250
23251 --Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.
23252
23253 --Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.
23254
23255 Uilenspiegel antwoordde:
23256
23257 --Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór
23258 Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar
23259 geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?
23260
23261 --Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van
23262 anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en
23263 andere uitroeiingen van 't arme menschdom? Wanneer zal de gezegende
23264 vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en,
23265 te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik
23266 eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.
23267
23268 --Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in
23269 Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars,
23270 in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard
23271 zien hangen.
23272
23273 --Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn
23274 teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want,
23275 weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor
23276 was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met
23277 andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen
23278 uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het
23279 volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester
23280 en echtgenoot.
23281
23282 --Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal
23283 roepen: "Licht de ankers!" en de kapiteins, die zijn commando
23284 herhalen? Wij moeten in zee steken.
23285
23286 --Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.
23287
23288 --Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.
23289
23290 --Zonder mij? sprak zij.
23291
23292 --Ja, zei Uilenspiegel.
23293
23294 --Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?
23295
23296 --Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.
23297
23298 --Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is,
23299 doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been
23300 is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet
23301 gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal
23302 met u gaan.
23303
23304 --Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers,
23305 mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug,
23306 dan doen op de wereld zonder u?
23307
23308 Maar Nele zeide:
23309
23310 --Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in
23311 de houten schansen, waar de busschutters staan.
23312
23313 --Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend
23314 Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:
23315
23316
23317 IJzeren is mijn harentuit,
23318 Daar schutte natuur mij mede.
23319 Lederen is mijn eersten huid,
23320 Stalen is mijn tweede.
23321
23322 Laat de dood, de leelijke, wreede,
23323 Loeren naar een ander buit.
23324 Lederen is mijn eerste huid,
23325 Stalen is mijn tweede.
23326
23327 "Leven" steekt op mijn vendel uit,
23328 Leven in 't licht der rede.
23329 Lederen is mijn eerste huid,
23330 Stalen is mijn tweede.
23331
23332
23333 En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de
23334 liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en
23335 weende te gelijk.
23336
23337 De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva's schepen tot in de
23338 haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en
23339 nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de
23340 poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen,
23341 onder doodsbedreiging.
23342
23343 Uilenspiegel zeide tot Lamme:
23344
23345 --De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten
23346 hem verlossen.
23347
23348 Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling,
23349 dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke
23350 hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in
23351 den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak
23352 vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met
23353 Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap,
23354 en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:
23355
23356 --Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat
23357 gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak,
23358 vleeschbank, soepketel!
23359
23360 De monnik antwoordde, in woede ontstoken:
23361
23362 --Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik
23363 uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij
23364 zoo dik zijt als ik.
23365
23366 Maar Lamme stiet hem voort en sprak:
23367
23368 --Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met
23369 mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis
23370 en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt
23371 van mijnen schoen.
23372
23373 Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme
23374 insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
23375
23376
23377
23378
23379 XXI.
23380
23381 Nadat de Geuzen, Rammekens, Geertruidenberg, Alkmaar hadden genomen,
23382 stevenden zij weder naar Vlissingen.
23383
23384 Nele, die genezen was, wachtte Uilenspiegel af aan de haven.
23385
23386 Hem ontwarend, riep zij:
23387
23388 --Thijl, mijn vriend Thijl, zijt ge niet gewond?
23389
23390 Uilenspiegel zong:
23391
23392
23393 "Leven" steekt op mijn vendel uit,
23394 Leven in 't licht der rede.
23395 Lederen is mijn eerste huid,
23396 Stalen is mijn tweede.
23397
23398
23399 --Laas! zeide Lamme, trekkebeenend: de kogels, granaten, kettingkogels
23400 regenen rondom hem, en hij voelt er niets van dan den wind. Gij zijt
23401 voorzeker een geest, Uilenspiegel, en gij ook Nele, want gij zijt
23402 beiden altijd jeugdig en luimig.
23403
23404 --Wat hebt gij aan uw been? vroeg Nele tot Lamme.
23405
23406 --Ik ben geen geest en zal het nooit wezen, sprak hij. Ik heb dan
23407 ook een bijlslag gekregen in mijne bil,--mijne vrouw had er zulke
23408 ronde en schoone!--zie, ik bloed. Laas! waarom is ze niet hier om
23409 mij te verzorgen?
23410
23411 Maar Nele antwoordde grammoedig:
23412
23413 --Waarom vraagt gij naar een meineedige vrouwe?
23414
23415 --Spreek geen kwaad van haar, antwoordde Lamme.
23416
23417 --Neem, zeide Nele, hier is balsem, dien ik meebracht voor
23418 Uilenspiegel; strijk hem op uwe wond.
23419
23420 Toen Lamme zijne wond verbonden had, werd hij blijgeestig, want de
23421 balsem stilde de bijtende smert; en zij klommen alle drie op het schip.
23422
23423 Toen Nele den monnik met gekluisterde handen op het dek zag wandelen,
23424 vroeg zij:
23425
23426 --Wie is die? Dien zag ik reeds; en ik meen hem te kennen.
23427
23428 --Gelijk hij waait en draait, is die honderd gulden rantsoen weerd,
23429 zeide Lamme.
23430
23431
23432
23433
23434 XXII.
23435
23436 Dien dag was 't kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande
23437 het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw,
23438 waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen
23439 flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.
23440
23441 En Uilenspiegel zong:
23442
23443
23444 Leiden is ontzet, de bloedhertog
23445 Wijkt uit de Nederlanden;
23446 Klare klokken, klinkt,
23447 Beiaards, schatert uw deuntjes uit;
23448 Rinkelt, roomers en bottels.
23449
23450 Kreeg de doghond slaag,
23451 Staartneder, met bloedend oog,
23452 Loopt hij de stokken weer in.
23453 Zijn gescheurde muil
23454 Hijgt en huivert.
23455 Weg is de bloedhertog:
23456 Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!
23457
23458 Bijten wou hij zijn eigen.
23459 De stokken brijzelden zijn gebit.
23460 Met hangenden suffen kop,
23461 Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.
23462 Weg is de bloedhertog:
23463 Slaat op de glorietrom,
23464 Slaat op de krijgstrom!
23465 Leve de Geus!
23466
23467 Thans schreeuwt hij den duivel toe: "Koop
23468 Mijn hondsche ziel voor één uur kracht".
23469 "Uw ziel, roept de duivel,
23470 Uw ziel of een boestring, dat 's eender."
23471 Geen tand past op een tand.
23472 De harde brokken moest ge maar laten.
23473 Weg is de bloedhertog:
23474 Leve de Geus!
23475
23476 De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,
23477 Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,
23478 Heffen hun poot op, beurt om beurt,
23479 Naar hem, die doodde uit moordzucht....
23480 Leve de Geus!
23481
23482 "Hij hield van vrouw noch vriend,
23483 Van vreugd, noch zon, noch meester,
23484 Slechts van de Dood, zijn bruid,
23485 Die hem de pooten knakte,
23486 Tot blijdans vóór de bruiloft;
23487 Want heele menschen lust ze niet.
23488 Slaat op de vreugdtrom.
23489 Leve de Geus!"
23490
23491 En de straathondjes mank,
23492 Scheef, schurftig en scheel,
23493 Heffen nog eens den poot op
23494 Dat het ziedt en zout,
23495 En met hen brakken en winden,
23496 Rekels van Hongarije,
23497 Van Brabant, Namen en Luxemburg.
23498 Leve de Geus!
23499
23500 En triestig, met schuimmuil,
23501 Krepeert hij vóór zijn meester,
23502 Die hem schopt met den voet,
23503 Wijl hij te weinig beet.
23504 Ter helle huwt hij Dood.
23505 Hem heet zij: Mijn hertog;
23506 Hij haar: Mijn inquisitie.
23507 Leve de Geus!
23508
23509 Klare klokken, klinkt,
23510 Beiaard, schater uw deuntjes uit;
23511 Rinkelt, roomers en bottels:
23512 Leve de Geus!
23513
23514
23515
23516
23517
23518
23519
23520 VIJFDE BOEK.
23521
23522
23523 I.
23524
23525 Als Lamme's monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood
23526 wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op
23527 te steken.
23528
23529 --Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en
23530 schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke
23531 gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip
23532 zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....
23533
23534 --Met hondenvet? vroegen de Geuzen.
23535
23536 --Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend,
23537 ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen,
23538 die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt
23539 verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te
23540 slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer,
23541 Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u,
23542 uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden
23543 kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste
23544 van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet
23545 zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude,
23546 de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus
23547 het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder,
23548 de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde
23549 bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk
23550 uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien,
23551 paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!
23552
23553 De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten,
23554 met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde
23555 hij zijn gelaat tegen die kogels.
23556
23557
23558
23559
23560 II.
23561
23562 De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi
23563 en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden
23564 de Staten-Generaal, in naam van den koning.
23565
23566 Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken,
23567 die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen,
23568 aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde
23569 beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van
23570 Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van
23571 een stadhouderlijk en koninklijk huis.
23572
23573 Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over
23574 de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest
23575 uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte
23576 rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne,
23577 in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee
23578 duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en
23579 sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen,
23580 en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de
23581 vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.
23582
23583 En die van het volk zeiden tot elkander: "Don Juan gaat komen
23584 met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne
23585 paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland,
23586 Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij
23587 geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning
23588 kunne worden van hetzelve".
23589
23590 Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. "De heeren
23591 der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen,
23592 met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche
23593 soldaten wederstaan".
23594
23595 Maar de omzichtigen spraken: "De Heeren der Staten hebben twintig
23596 duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene
23597 ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen
23598 door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl
23599 wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen
23600 met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men
23601 weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier
23602 maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en
23603 Brussel wapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te
23604 Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan
23605 de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige
23606 Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich
23607 te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.
23608
23609 "En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen
23610 moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij,
23611 poorters en die van 't gemeen, zijn treurig in ons hert als wij
23612 zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed
23613 te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond
23614 onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe
23615 hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege,
23616 met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden
23617 der vrijheid".
23618
23619 En de omzichtigen prevelden tot elkaar:
23620
23621 "In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België
23622 de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen
23623 de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de
23624 plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den
23625 vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde
23626 zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken,
23627 welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de
23628 herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken
23629 stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen
23630 geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen
23631 en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van
23632 verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen
23633 verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen
23634 niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van
23635 den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is
23636 in al de herten".
23637
23638 En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den
23639 trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht
23640 voor de vrijheid.
23641
23642 En zij zeiden tot elkander: "Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren
23643 van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil
23644 des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo "heilig
23645 verbond", als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich
23646 met zooveel gezwets vereenigen, de gramschap des konings verwekken,
23647 om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd
23648 als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden
23649 zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België's
23650 heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.
23651
23652 ... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige
23653 vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze
23654 landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken
23655 plegen verraad".
23656
23657 En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en
23658 stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen
23659 der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden
23660 en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden:
23661 die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde
23662 tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don
23663 Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van
23664 Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing,
23665 stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol,
23666 afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy,
23667 den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den
23668 naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen
23669 de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen,
23670 die drie tonnen gouds--dat maakt twee millioen gulden--boden aan
23671 de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te
23672 behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die
23673 de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters
23674 om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te
23675 Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van 's Hertogenbosch
23676 stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen
23677 door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede
23678 aan don Juan over te leveren.
23679
23680 Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis
23681 niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen
23682 der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals
23683 aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van
23684 de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van
23685 Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen
23686 en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.
23687
23688 En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen
23689 van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats
23690 Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om
23691 naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel
23692 dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg
23693 overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien
23694 van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat
23695 van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren
23696 van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van
23697 verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des
23698 hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van
23699 den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van
23700 Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken
23701 hier kwamen plunderen.
23702
23703 --Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den
23704 voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij
23705 hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken
23706 neus, een gele tronie, een spottenden mond?
23707
23708 ... 't Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen;
23709 het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur
23710 en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.
23711
23712 Uilenspiegel was droomerig.
23713
23714 En hij zong:
23715
23716
23717 De lucht is blauw, de lucht is klaar,
23718 Rouwfloers over de vanen!
23719 Rouw om 't gevest der degens!
23720 Verbergt uw juweelen,
23721 Uw spiegels gekeerd:
23722 Ik zing het lied van den Dood,
23723 Het lied der verraders.
23724
23725 Ze hebben de fiere landen
23726 Op den buik en de keel getrapt,
23727 Brabant, Vlaanderen, Henegouw,
23728 Antwerpen, Artoois, Luxemburg.
23729 Adel en clerus verraden.
23730 Vuig loon verlokt, verleidt.
23731 Ik zing het lied der verraders.
23732
23733 Als de vijand overal plundert,
23734 Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,
23735 Trekken priesters, prelaten, legerhoofden
23736 De straten der stede door,
23737 Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,
23738 En tronies blinkend van goeden wijn,
23739 Stellend hun schande ten toon.
23740
23741 Door hen zal Inquisitie
23742 Herrijzen in triomf;
23743 En nieuwe titellui,
23744 Zullen doofstommen vastzetten
23745 Voor ketterij.
23746 Ik zing het lied der verraders.
23747
23748 Onderteekenaren van 't Eedverbond,
23749 Lafhartige onderteekenaren,
23750 Wezen uw namen gevloekt.
23751 Waar blijft gij in 't uur des strijds?
23752 Als raven volgt gij
23753 Den drijf der Spanjaards.
23754 Slaat op de rouwtrom.
23755
23756 Belgenland, eenmaal
23757 Veroordeelt u de toekomst,
23758 Daar ge, gewapend, u plunderen liet.
23759 Doch, toekomst, draal;
23760 Zie de verraders aan 't werk:
23761 Met twintig, met duizend,
23762 Bekleeden ze alle posten,
23763 De grooten stellen de kleinen aan.
23764
23765 Het eens zijn ze 't
23766 Om den weerstand te verhindren,
23767 Door verdeeldheid en traagheid:
23768 Hun verradersleus!
23769 Rouwfloers over de spiegels,
23770 Rouw om 't gevest der degens.
23771 't Is het lied der verraders.
23772
23773 Rebellen verklaren zij
23774 Spanjolen en malcontenten,
23775 Verbiedend hun bij te staan
23776 Met brood en bed,
23777 Met lood en kruit.
23778 En wordt er een gevangen,
23779 Om te hangen,
23780 Dadelijk laten zij hem los.
23781
23782 Staat op! roepen die van Brussel;
23783 Staat op! roepen die van Gent
23784 En het Belgische volk.
23785 Arme lui, men wil u verpletteren,
23786 Tusschen den koning en den paus,
23787 Die tegen Vlaanderen
23788 Een kruistocht predikt.
23789
23790 Ze komen, de veile knechten,
23791 Af op den reuk van het bloed;
23792 Benden honden,
23793 Slangen en hyena's,
23794 Hongerig, dorstig.
23795 Arme vadergrond,
23796 Rijp voor verval en dood!
23797
23798 Niet don Juan maakt het Farnese,
23799 Des pausen lieveling,
23800 Makkelijk in 't land,
23801 Maar wie gij overlaaddet
23802 Met goed en eere,
23803 Wie uw vrouwen de biecht afnamen,
23804 Uw dochters en uw kinderen!
23805
23806 Die wierpen u ter aarde,
23807 En de Spanjaard zet u
23808 Het mes op de keel.
23809 Een snoode spot was 't
23810 Dat ze te Brussel
23811 De komst van Oranje vierden!
23812
23813 Toen men op de vaart
23814 Die macht van vuurwerk zag,
23815 Waar de vreugd uit sprankte en knalde,
23816 En al die zegebooten,
23817 Tafreelen en tapijten,
23818 Arm België, dan vertoonde men
23819 Een oude historie:
23820 Joseph verkocht door zijn broeders.
23821
23822
23823
23824
23825 III.
23826
23827 Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog
23828 grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op
23829 te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de
23830 godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.
23831
23832 En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:
23833
23834 --Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja,
23835 dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt,
23836 dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken
23837 verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat
23838 gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning,
23839 die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat
23840 ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn
23841 vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van
23842 's morgens tot 's avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik,
23843 en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de
23844 koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer
23845 dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile,
23846 leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt
23847 geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te
23848 wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van
23849 ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij,
23850 in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja,
23851 en ik spuw op ulieden.
23852
23853 Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:
23854
23855 --Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan
23856 beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!
23857
23858 En dra brachten zij alles in gereedheid.
23859
23860 Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen
23861 den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op
23862 jammerenden toon:
23863
23864 --Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, 't is de duivel der
23865 grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige
23866 gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld;
23867 genadige heeren, weest bermhertig: 't was niet gemeend; sluit mijnen
23868 mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen,
23869 maar om Godswil, hangt mij niet op!
23870
23871 Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder,
23872 niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo
23873 schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de
23874 keuken was om hem op te passen:
23875
23876 --Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen
23877 en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!
23878
23879 Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze
23880 hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar
23881 hem uitgestoken:
23882
23883 --Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land
23884 en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met
23885 mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want
23886 dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen
23887 met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven;
23888 messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet
23889 verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee
23890 en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan
23891 verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen,
23892 die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne
23893 heeren, bidt voor mij.
23894
23895 Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:
23896
23897 --Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: 't was maar de monnik,
23898 dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel,
23899 mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van
23900 Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of
23901 hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem
23902 op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts
23903 kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen,
23904 en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.
23905
23906 --Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en
23907 de Geuzen.
23908
23909 --Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.
23910
23911 --Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.
23912
23913 En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi
23914 gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.
23915
23916 Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar
23917 en hoorde hem twisten met Nele:
23918
23919 --Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet;
23920 anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn
23921 bed niet liggen lijk een kalf!
23922
23923 --Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open,
23924 en gij sterft.
23925
23926 --Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne
23927 vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat
23928 gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor
23929 den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid
23930 baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.
23931
23932 --Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten
23933 genezen door ons.
23934
23935 --Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen
23936 weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw
23937 zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in
23938 mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen,
23939 of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van
23940 ijzer zou zijn.
23941
23942 --Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij
23943 zijt ziek....
23944
23945 --Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen,
23946 moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt
23947 vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij,
23948 uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne
23949 wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen
23950 bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om
23951 u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor
23952 te dienen?
23953
23954 --Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.
23955
23956 --Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn
23957 reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken, neen: arme vriend en
23958 kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben,
23959 ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten
23960 voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik
23961 verdroog als een stok.
23962
23963 --Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit
23964 ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.
23965
23966 --Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed
23967 als de Moeder Gods.
23968
23969
23970
23971
23972 IV.
23973
23974 Doch hij scheen aan de beterhand.
23975
23976 Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten,
23977 met een langen lederen riem.
23978
23979 Den eersten Zaterdag zeide hij:
23980
23981 --Vier voet.
23982
23983 Daarna mat hij zich zelven en sprak:
23984
23985 --Vier voet en half.
23986
23987 En hij scheen weemoedig.
23988
23989 Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol
23990 blijdschap:
23991
23992 --Vier voet en drij kwart.
23993
23994 En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:
23995
23996 --Wat wilt ge van mij, dikzak?
23997
23998 Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.
23999
24000 En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of
24001 ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:
24002
24003 --Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in
24004 uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op
24005 de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug
24006 groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te
24007 liggen.
24008
24009 Bij het tweede maal, zeide hij:
24010
24011 --Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar
24012 wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter
24013 afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.
24014
24015 --Ik heb geen eetlust, zei de monnik.
24016
24017 --Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het
24018 heetekoeken van boekweitbloem zijn? 't Is zuivere tarwe, eerweerde
24019 vader, dikke, vette vader, 't is bloem van tarwemeel, vader met
24020 vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is
24021 verblijd. Eet!
24022
24023 --Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.
24024
24025 Lamme, die grammoedig werd antwoordde:
24026
24027 --Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede
24028 teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk
24029 eene zal brengen?
24030
24031 En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:
24032
24033 --Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een
24034 schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes
24035 deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware
24036 kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet,
24037 hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen
24038 alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten
24039 dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt
24040 ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene
24041 hesp, die zoo dik is?
24042
24043 Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:
24044
24045 --Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk
24046 geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de
24047 schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje
24048 boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een
24049 koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch
24050 verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe;
24051 dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!
24052
24053 Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.
24054
24055 --Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u;
24056 meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja,
24057 ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer
24058 links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten,
24059 want de Heer heeft gezeid: "Weest rechtveerdig jegens elkeen". Waarin
24060 zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige
24061 verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen--die
24062 oesters der armen--zooals gij er nooit kreegt in 't convent; dommeriken
24063 laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der
24064 stoverije: als zij gekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen,
24065 heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten
24066 stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met
24067 bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd
24068 en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een
24069 zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat
24070 zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten
24071 gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder
24072 te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun:
24073 maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.
24074
24075 ... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met
24076 meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet
24077 doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u
24078 verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede
24079 zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw
24080 vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme,
24081 die ze u liefdevol zal geven.
24082
24083 --Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.
24084
24085 --Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork:
24086 bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!
24087
24088 En Lamme trok naar zijn bed.
24089
24090 En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:
24091
24092 --Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil,
24093 zoo rijkelijk spijzen?
24094
24095 --Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.
24096
24097
24098
24099
24100 V.
24101
24102 Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong
24103 Uilenspiegel:
24104
24105
24106 Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24107 Rukt zijn mom af,
24108 Willend heerschen over België.
24109 De verspaanschte staten,
24110 Doch niet verangevijnscht,
24111 Beschikken over de belastingen.
24112 Slaat op de trommel
24113 Der angevijnsche davering!
24114
24115 In hunne handen houden ze
24116 Domeinen, accijns en renten,
24117 't Benoemen der magistraten
24118 En de ambten meteen.
24119 Op de hervormden heeft hij 't gemunt,
24120 Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24121 Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.
24122 O, de angevijnsche davering!
24123
24124 Want koning wil hij worden
24125 Door het zwaard en 't geweld,
24126 Alleenheerschend koning voorgoed,
24127 Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.
24128 Innemen wil hij door verraad,
24129 Menig schoone stad en Antwerpen mee;
24130 Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,
24131 O, de angevijnsche davering!
24132
24133 Niet op u, Frankrijk,
24134 Werpt zich het volk, in blinde woede;
24135 Niet uw edel lichaam treffen
24136 Moorddadige wapenen;
24137 Niet uw kinderen zijn het,
24138 Wier lijken, hoop op hoop,
24139 De Kipdorppoorte vullen.
24140 O, de angevijnsche davering!
24141
24142 Neen, niet uw kinderen zijn het
24143 Die het volk van de schansen neergooit,
24144 Anjou is 't, Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24145 Anjou is 't, de lijdelijke wufteling,
24146 Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,
24147 En het onze wil drinken.
24148 Maar tusschen beker en lippen....
24149 O, de angevijnsche davering!
24150
24151 Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24152 Schreeuwt in een weerlooze stad:
24153 Tue, tue, vive la messe!
24154 Met zijn mooie lievelingen,
24155 Wier oogen blinken
24156 Van 't schandevuur, schaamteloos schuw,
24157 Der ontucht zonder liefde.
24158 O, de angevijnsche davering!
24159
24160 Hen velt men, niet u, arm volk,
24161 Op wien ze drukken met belasting,
24162 Zoutgeld, hoofdgeld, 't eerstenachtrecht,
24163 U misprijzend, daar ze u afpersen
24164 Koorn, paarden, wagens,
24165 Gij, die hun een vader zijt,
24166 O, de angevijnsche davering!
24167
24168 Gij, die hun een moeder zijt,
24169 Zogend de brooddronkendheid
24170 Dier moedermoorders, welke, in den vreemde
24171 Uw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaan
24172 Met den smook van hun glorie,
24173 Als ze hechten
24174 Door woeste wapenfeiten....
24175 O, de angevijnsche davering!
24176
24177 Een bloempjen aan uw krijgskroon,
24178 Een provincie aan uw grondgebied.
24179 Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,
24180 Den voet op den strot,
24181 Fransch volk, manhaftig volk,
24182 Den voet die verplet!
24183 En al de volkeren krijgen u lief
24184 Om de angevijnsche davering!
24185
24186
24187
24188
24189 VI.
24190
24191 In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen 's nachts
24192 langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om
24193 zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme's wond weder open;
24194 de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het
24195 dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.
24196
24197 Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend
24198 in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig
24199 binden op zijn bed.
24200
24201 Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men
24202 den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.
24203
24204 En de monnik zei:
24205
24206 --Gij beleedigt mij, dikzak.
24207
24208 --Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.
24209
24210 De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts,
24211 maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen
24212 van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich
24213 nog in de keuken en zei:
24214
24215 --Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen
24216 regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt
24217 gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw
24218 arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke
24219 fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige
24220 boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die
24221 zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes
24222 en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men
24223 koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?
24224
24225 Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:
24226
24227 --Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven
24228 dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!
24229
24230 Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde
24231 klotsen, sprak hij verder:
24232
24233 --De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan
24234 ik geen vuur krijgen.
24235
24236 Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.
24237
24238 --Waar is hij? Vet hij aan?
24239
24240 En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit,
24241 zeggende:
24242
24243 --Het groote werk wordt voltooid.
24244
24245 Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen,
24246 dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de
24247 andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk
24248 een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:
24249
24250 --Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen
24251 hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt
24252 er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem
24253 weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En
24254 ik? Tweehonderd twintig!
24255
24256
24257
24258
24259 VII.
24260
24261 In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering,
24262 werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:
24263
24264 --Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd
24265 de koorden door! snijd ze door!
24266
24267 Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:
24268
24269 --Waarom roept gij? ik zie niets.
24270
24271 --Zij is 't, antwoordde Lamme, zij is 't, mijne vrouw, daar in die
24272 sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die
24273 zangen en die vedeltonen kwamen.
24274
24275 Nele was ook op het dek geklommen.
24276
24277 --Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet,
24278 dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij,
24279 ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt
24280 nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer,
24281 die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.
24282
24283 Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.
24284
24285 --Hij heeft nog koorts, sprak zij.
24286
24287 --Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben
24288 levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!
24289
24290 Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen
24291 hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in
24292 zee laten.
24293
24294 --Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven
24295 van ongeduld.
24296
24297 Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in
24298 met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in
24299 de reede, op anker lag.
24300
24301 --Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld,
24302 de plaats van den roeier ingenomen had.
24303
24304 De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen
24305 morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende
24306 zonne.
24307
24308 Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:
24309
24310 --Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.
24311
24312 Lamme antwoordde met horten en stooten:
24313
24314 --Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout
24315 klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen:
24316 Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon, de heure antwoordt:
24317 "Vrienden". Vervolgens grovere stem: "Vive le Geus: bevelhebber van
24318 vlieboot Johanna moet Lamme Goedzak spreken". Matroos laat de ladder
24319 beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen:
24320 breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei
24321 ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak
24322 streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt
24323 gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend--vloeibaar vuur,
24324 dat als balsem nederviel op mijn gelaat--zij zelve zeide mij: "Ik weet,
24325 dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik
24326 verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen
24327 zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe:
24328 ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen,
24329 wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd,
24330 hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij
24331 verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!" Zij kuste mij nog,
24332 weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne
24333 tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....
24334
24335 Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen
24336 koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.
24337
24338 Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:
24339
24340 --Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke
24341 vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche
24342 koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den
24343 vloed, sloep!
24344
24345 Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een
24346 duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht
24347 bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in
24348 zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed;
24349 en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw,
24350 die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:
24351
24352 --Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen,
24353 maar ik bemin u. Ha! lieve man!
24354
24355 Nele riep:
24356
24357 --'t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!
24358
24359 --Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!
24360
24361 En zij zette een jammerlijk gezicht.
24362
24363 --Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom
24364 liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?
24365
24366 --Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen:
24367 wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan
24368 een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.
24369
24370 Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:
24371
24372 --Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol
24373 modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die
24374 verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! 't was die gemeene
24375 schavuit!
24376
24377 Kalleken sprak:
24378
24379 --Laster den man Gods niet!
24380
24381 --De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en
24382 vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen
24383 van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik,
24384 die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk
24385 heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij
24386 opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne
24387 oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...
24388
24389 Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:
24390
24391 --Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde
24392 nooit aan dien monnik.
24393
24394 --Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit
24395 was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid
24396 en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen,
24397 blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn
24398 mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met
24399 mij....
24400
24401 Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.
24402
24403 --Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij
24404 bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok
24405 eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om
24406 mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?
24407
24408 --Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden
24409 voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.
24410
24411 --Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!
24412
24413 --Luister, zeide zij.
24414
24415 --Spreek of zwijg, sprak Lamme, 't is mij eender.
24416
24417 --Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant;
24418 hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven
24419 den anderen, als best geschikt om de geloovigen in het hemelrijk te
24420 brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht
24421 hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke
24422 ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits
24423 de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te
24424 blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....
24425
24426 --Behalve door hem ... zei Lamme weenend.
24427
24428 --Zwijg toch, zeide zij grammoedig.
24429
24430 --Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag
24431 toegebracht, ik zal hem niet overleven.
24432
24433 --'t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.
24434
24435 Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.
24436
24437 --De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.
24438
24439 En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.
24440
24441 Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:
24442
24443 --Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone
24444 vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer
24445 parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed
24446 ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan
24447 hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen
24448 mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de
24449 Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei,
24450 omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw,
24451 genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht
24452 gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle
24453 de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen,
24454 het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij
24455 zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en
24456 vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten
24457 slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.
24458
24459 --Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw
24460 zoete biechte!
24461
24462 --Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de
24463 aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke
24464 wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen
24465 biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig
24466 zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.
24467
24468 Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn
24469 lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden
24470 te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in
24471 onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot
24472 mij zelve, door middel van fleschjes.--"'t Is goed voor deze reize,
24473 mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene
24474 roede mee". Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het
24475 voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk
24476 naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.
24477
24478 --Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!
24479
24480 --Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder,
24481 de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds,
24482 maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te
24483 onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het
24484 gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij
24485 op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som
24486 gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat
24487 gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!
24488
24489 --Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.
24490
24491 Kalleken antwoordde:
24492
24493 --Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing
24494 van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten,
24495 en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij,
24496 dat mijn man hem gevangen nam.
24497
24498 --Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....
24499
24500 --Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met
24501 heure handen bedekte.
24502
24503 --Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het
24504 vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het
24505 schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?
24506
24507 Nele sprak:
24508
24509 --Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te
24510 kwetsen.
24511
24512 --Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij
24513 beletten?
24514
24515 --Ja, zeide zij.
24516
24517 --Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem
24518 slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?
24519
24520 Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en
24521 schreide tegelijk.
24522
24523 --Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.
24524
24525 --Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?
24526
24527 --Nooit! zeide zij.
24528
24529 --Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken,
24530 ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van
24531 dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra
24532 ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding
24533 naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke
24534 geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem;
24535 de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe
24536 liefde begraven.
24537
24538 --Gij weent, zeide zij.
24539
24540 --Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.
24541
24542 Toen zei Nele:
24543
24544 --Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke
24545 woorden.
24546
24547 --Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.
24548
24549 --Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw;
24550 geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!
24551
24552 En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.
24553
24554 Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende;
24555 hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging
24556 niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging
24557 ook niet.
24558
24559 Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.
24560
24561 De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in
24562 het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn
24563 achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.
24564
24565 En Lamme zei tot den monnik:
24566
24567 --Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende
24568 u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij
24569 nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?
24570
24571 En, zijne rede vervolgend:
24572
24573 --Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit:
24574 bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt
24575 al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.
24576
24577 --Zwijg, dikzak, zeide de monnik.
24578
24579 --Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak;
24580 gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij
24581 hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer;
24582 Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die
24583 groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel
24584 om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte
24585 van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat
24586 gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten,
24587 als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid
24588 komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!
24589
24590 Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:
24591
24592 --Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis
24593 Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn
24594 vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert,
24595 gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten,
24596 Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen
24597 te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme
24598 wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat
24599 ik zou vragen....
24600
24601 --Dat is Geuzenwoord zeiden zij.
24602
24603 --Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen,
24604 Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet
24605 als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf
24606 eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en
24607 gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van,
24608 en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.
24609
24610 --Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.
24611
24612 --En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw,
24613 dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen,
24614 u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!
24615
24616 Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde
24617 hij er bij:
24618
24619 --Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult
24620 ze niet langer geeselen!
24621
24622 Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:
24623
24624 --Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke
24625 vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armen martelaar
24626 voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling
24627 leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis;
24628 de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch
24629 weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs,
24630 en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt;
24631 uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een
24632 verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot
24633 in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van
24634 zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet
24635 mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige
24636 Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark;
24637 de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en,
24638 in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en
24639 u te zeggen: "Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is
24640 de vermaledijde!"
24641
24642 En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:
24643
24644 --Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!
24645
24646 Doch zij, weenend en sidderend, zeide:
24647
24648 --O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem
24649 de verdoemenis weg!
24650
24651 --Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.
24652
24653 --Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.
24654
24655 En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer
24656 Adriaensen met de handen te zamen.
24657
24658 En Lamme zei tot den monnik:
24659
24660 --Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde,
24661 uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood
24662 er op volge.
24663
24664 --Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.
24665
24666 --Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige
24667 vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar
24668 God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!
24669
24670 En hij zweeg, blazend en zweetend.
24671
24672 Plotseling riep Lamme uit:
24673
24674 --Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin
24675 is de geraaktheid!
24676
24677 ... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u,
24678 Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God, Nele
24679 mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan
24680 niets meer voor haar....
24681
24682 Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw
24683 Kalleken:
24684
24685 --Kom, het is het uur van onze wettige liefde.
24686
24687 Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over
24688 het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens
24689 met hunnen hoed zwaaiend:
24690
24691 --Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en
24692 vriend!
24693
24694 En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog
24695 van Uilenspiegel en zeide tot hem:
24696
24697 --Gij zijt droef, mijn vriend?
24698
24699 --Hij was goed, zeide hij.
24700
24701 --Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen
24702 wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?
24703
24704 --Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend,
24705 het uur der verlossing....
24706
24707 Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de
24708 Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden
24709 zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij
24710 't gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen
24711 driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.
24712
24713 En hij stierf als prior van zijn convent.
24714
24715
24716
24717
24718 VIII.
24719
24720 Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te
24721 's-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen,
24722 van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende
24723 charters en privileges.
24724
24725 En de griffier sprak als volgt:
24726
24727 --Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door
24728 God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen
24729 en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals
24730 een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner
24731 kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door
24732 God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen
24733 in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos,
24734 rechtveerdig of onrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als
24735 slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen,
24736 zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren;
24737 om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als
24738 een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen;
24739 doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen
24740 vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten,
24741 door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning,
24742 vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen,
24743 overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?
24744
24745 --Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
24746
24747 --Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke
24748 wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen
24749 hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door
24750 die van den raad van Spanje.
24751
24752 --Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren
24753 der Staten.
24754
24755 --Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden
24756 des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met
24757 de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht
24758 hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.
24759
24760 --Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding,
24761 antwoordden de heeren der Staten.
24762
24763 --Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen
24764 ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen
24765 vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die
24766 op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.
24767
24768 --Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid,
24769 antwoordden de heeren der Staten.
24770
24771 De griffier vervolgde:
24772
24773 --Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad
24774 van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken
24775 te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en
24776 wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.
24777
24778 --Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren
24779 der Staten.
24780
24781 --Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche
24782 en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van
24783 Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aan zekeren Roda,
24784 een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te
24785 verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning,
24786 te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn
24787 landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke
24788 zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd
24789 met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest
24790 zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een
24791 uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen
24792 beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op
24793 dien roemvollen weg.
24794
24795 --Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar,
24796 antwoordden de heeren der Staten.
24797
24798 --Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken
24799 en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den
24800 godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus
24801 kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht
24802 moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te
24803 onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering,
24804 verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.
24805
24806 --Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen
24807 beraamt, antwoordden de heeren der Staten.
24808
24809 --Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne
24810 trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van
24811 State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij
24812 met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer
24813 blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins
24814 Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den
24815 vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten,
24816 deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend
24817 begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere
24818 heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon
24819 Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona
24820 Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard,
24821 die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde
24822 tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons
24823 lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende
24824 misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.
24825
24826 --Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij
24827 vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
24828
24829 En de zegels des konings werden gebroken.
24830
24831 En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren,
24832 rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende
24833 perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.
24834
24835 Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar
24836 met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne
24837 spreuk: "Rustig onder de wreede baren".
24838
24839 Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te
24840 bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke
24841 Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan
24842 monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins
24843 geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke
24844 niet houdt van buitensporige minnarijen.
24845
24846 En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.
24847
24848 En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld
24849 door de verraders.
24850
24851
24852
24853
24854 IX.
24855
24856 Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend,
24857 de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden
24858 maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij
24859 gezaaid hadden.
24860
24861 Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant,
24862 Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland
24863 en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee,
24864 van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland,
24865 Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems,
24866 het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette
24867 den oorlog voort.
24868
24869 Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne
24870 schoonheid,--want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer
24871 jong,--leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere,
24872 in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der
24873 vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.
24874
24875 Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren
24876 te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en
24877 hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet
24878 beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan
24879 wacharm zou luiden.
24880
24881 De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten,
24882 gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit,
24883 alsmede drie pond vleesch in de week.
24884
24885 Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen
24886 zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen,
24887 kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de
24888 kusten bewaakten.
24889
24890 's Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast
24891 elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone
24892 minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij
24893 de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten,
24894 en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt
24895 als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen
24896 van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.
24897
24898 De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen
24899 de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de
24900 lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.
24901
24902 Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:
24903
24904 --Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de
24905 lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt
24906 gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke
24907 dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.
24908
24909 Uilenspiegel antwoordde:
24910
24911 --Als 't die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb
24912 ik er geen vertrouwen meer in.
24913
24914 --Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.
24915
24916 's Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en
24917 scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te
24918 waken over het land.
24919
24920 En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.
24921
24922 Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine
24923 groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, op de
24924 begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote
24925 menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten
24926 en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen
24927 duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel,
24928 die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw
24929 fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien
24930 kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst
24931 en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen,
24932 doch zij durfden hem niet naderen.
24933
24934 --Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne
24935 eieren.
24936
24937 Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:
24938
24939 --Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren
24940 ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen
24941 rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is
24942 het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open
24943 doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul,
24944 uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen
24945 liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; 't is de nacht in denwelken
24946 de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het
24947 koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen
24948 in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles
24949 moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.
24950
24951 --De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar
24952 die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en
24953 heel de wereld gelukkig zou maken.
24954
24955 --Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.
24956
24957 --Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei
24958 Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.
24959
24960 Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde,
24961 zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken,
24962 hoe vaster het er aan bleef gehecht.
24963
24964 Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook
24965 haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.
24966
24967 Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:
24968
24969 --Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt
24970 gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die
24971 van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.
24972
24973 Nele zeide hem:
24974
24975 --Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.
24976
24977 En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed
24978 dansen, zeide zij:
24979
24980 --Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van
24981 de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond
24982 hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen
24983 zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?
24984
24985 --Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met
24986 te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te
24987 aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?
24988
24989 Maar zonder naar hem te luisteren;
24990
24991 --Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal
24992 ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige
24993 Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen
24994 God en de menschen.
24995
24996 Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.
24997
24998 --Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren
24999 doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.
25000
25001 --'t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.
25002
25003 Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich
25004 naast elkander op het gras.
25005
25006 De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een
25007 helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige
25008 wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele's en Uilenspiegel's
25009 dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.
25010
25011 Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand
25012 van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze
25013 weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met
25014 zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en
25015 ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens
25016 ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen
25017 der eilanden van schrik deed ontwaken:
25018
25019
25020 Lezen willen luizedwergen
25021 Met ziekelijk troebel oog,
25022 Wat wij zoo weigerlijk bergen:
25023 De teekenen heilig en hoog.
25024
25025 Lelie, luis, het eerwaarde,
25026 Lelie, vloo, de geheimenis,
25027 Die in hemel, lucht en aarde
25028 Met zeven nagels vernageld is.
25029
25030
25031 En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en
25032 in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel
25033 van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:
25034
25035
25036 Onder den mesthoop kiemt de plant.
25037 Is zeven slecht, zeven is goed.
25038 Kolen vormen diamant,
25039 Dwaze doctoren, leerlingen vroed.
25040 Is zeven slecht, zeven is goed.
25041
25042
25043 En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die,
25044 gonzend als krekelen, zeiden:
25045
25046
25047 Kijkt toe wie de macht hier torst,
25048 Der pausen paus, der vorsten vorst;
25049 Wie Caesar aan den leiband houdt,
25050 Kijkt toe, hij is van hout!
25051
25052
25053 Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger,
25054 grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een
25055 zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.
25056
25057 En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:
25058
25059 --Ik ben God!
25060
25061 En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige
25062 meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen:
25063 zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen
25064 van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke,
25065 vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met
25066 pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was
25067 de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek
25068 en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok
25069 voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van
25070 vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een
25071 slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdat zij te veel heur
25072 gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid
25073 omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was,
25074 de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat
25075 zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.
25076
25077 En de dwaallichtjes dansten rondom hen.
25078
25079 En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden,
25080 meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:
25081
25082 --Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der
25083 wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door
25084 marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet
25085 in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen
25086 van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud,
25087 het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van
25088 de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van
25089 den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje,
25090 verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de
25091 zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de
25092 wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.
25093
25094 En men hoorde eene stem zeggen:
25095
25096
25097 Onder den mesthoop kiemt de plant.
25098 Is zeven slecht, zeven is goed.
25099 Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;
25100 Om asch te krijgen en tevens kool
25101 Wat doet een vlooken op den dool?
25102
25103
25104 En de dwaallichtjes zeiden:
25105
25106 --Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van
25107 het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild;
25108 de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen
25109 vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven
25110 vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig
25111 verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!
25112
25113 Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden,
25114 waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.
25115
25116 En eene stem zeide:
25117
25118 --Uilenspiegel, verbrand het hout.
25119
25120 En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:
25121
25122 --Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.
25123
25124 En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke
25125 verbrandden tot assche.
25126
25127 En het bloed vloeide bij stroomen.
25128
25129 En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het
25130 eerste zeide:
25131
25132 --Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.
25133
25134 De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen
25135 uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid,
25136 Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En
25137 de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw,
25138 die Liefde hiet.
25139
25140 En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.
25141
25142 Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen
25143 van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:
25144
25145
25146 Als over land en wateren
25147 Die Zeven, hervormd, zullen heerschen,
25148 Menschen, hoofden hoog!
25149 't Is het heil der wereld.
25150
25151
25152 En Uilenspiegel zeide:
25153
25154 --Nele, die geesten spotten met ons.
25155
25156 Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het
25157 luchtruim.
25158
25159 En de geesten zongen:
25160
25161
25162 Raakt het Noorden,
25163 Kussend het Westen,
25164 Rampspoed is uit.
25165 Vind de Zeven
25166 En den Gordel.
25167
25168
25169 --Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt
25170 wel raadselachtig, heeren Geesten.
25171
25172 En grinnikend zongen zij:
25173
25174
25175 't Noorden is Nederland,
25176 België 't Westen.
25177 Gordel is vriendschap,
25178 Gordel verbond.
25179
25180
25181 --Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.
25182
25183 En grinnikend zongen zij nog:
25184
25185
25186 De gordel, arme,
25187 Om Neerland en België,
25188 Zal vriendschap wezen,
25189 Vroom verbond.
25190
25191 Met raad
25192 En daad,
25193 Met dood
25194 En bloed,
25195 Als 't moet,
25196 Was de Schelde daar niet,
25197 Arme, de Schelde.
25198
25199
25200 --Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van
25201 't menschdom en spotternij van 't lot.
25202
25203 Grinnikend hernamen de geesten:
25204
25205
25206 Verbond
25207 Met bloed
25208 En dood,
25209 Was de Schelde daar niet!
25210
25211
25212 En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.
25213
25214
25215
25216
25217 X.
25218
25219 Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan
25220 de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen
25221 der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den
25222 zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de
25223 meeuwen ontwaakten weldra.
25224
25225 Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze
25226 trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel,
25227 insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en
25228 zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode;
25229 zij werd van schrik bevangen.
25230
25231 --Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf? Ik
25232 wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!
25233
25234 Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij,
25235 en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.
25236
25237 In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel,
25238 en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem
25239 gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand,
25240 de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm
25241 hield boven het hoofd van den paap.
25242
25243 Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den
25244 dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het
25245 gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der
25246 Heilige Roomsche Kerke.
25247
25248 Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam
25249 van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.
25250
25251 Nele knielde neder.
25252
25253 --Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?
25254
25255 Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:
25256
25257 --Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem
25258 getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!
25259
25260 De parochiepaap blies van genoegen en zei:
25261
25262 --God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf
25263 een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.
25264
25265 --Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou
25266 koude hebben in den killen grond.
25267
25268 --Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade
25269 droeg.
25270
25271 --Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in
25272 het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.
25273
25274 En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel
25275 en kuste zij het met tranen en snikken.
25276
25277 De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de
25278 pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:
25279
25280 --De groote Geus is dood, God zij geloofd!
25281
25282 De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte
25283 hem met zand. En de parochiepaap las over het graf de gebeden der
25284 dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men
25285 onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich,
25286 niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij
25287 de keel en zeide:
25288
25289 --Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is
25290 Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?
25291
25292 De parochiepaap riep:
25293
25294 --De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne
25295 ziele genadig!
25296
25297 En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.
25298
25299 Nele kwam bij Uilenspiegel.
25300
25301 --Kus mij, liefste, zeide hij.
25302
25303 Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop
25304 gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade,
25305 waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en
25306 schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op
25307 't gras.
25308
25309 Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.
25310
25311 --Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert
25312 van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven,
25313 nooit! Kom, Nele.
25314
25315 En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand
25316 weet waar hij zijn laatste zingen zal....
25317
25318
25319 EINDE.
25320
25321
25322
25323
25324
25325
25326
25327 AANTEEKENINGEN
25328
25329
25330 [1] Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de
25331 eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.)
25332
25333 [2] Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den
25334 uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel,
25335 ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van
25336 zijn werk.
25337
25338 [3] Over afleiding en beteekenis van het woord "Uilenspiegel"
25339 verschillen wij--en zeker de meeste Vlamingen met ons--teenemaal met
25340 Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen
25341 wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij
25342 deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel
25343 met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en
25344 het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van
25345 den Vertaler.)
25346 EOT;
25347 }
25348