PluginProbe ʕ •ᴥ•ʔ
GiveWP – Donation Plugin and Fundraising Platform / 2.33.4
GiveWP – Donation Plugin and Fundraising Platform v2.33.4
4.16.3 4.16.2 4.16.1 4.16.0 4.15.5 4.15.4 4.15.3 4.15.2 4.15.1 4.15.0 2.3.0 2.3.1 2.3.2 2.30.0 2.31.0 2.31.1 2.32.0 2.33.0 2.33.1 2.33.2 2.33.3 2.33.4 2.33.5 2.4.0 2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.5.0 2.5.1 2.5.10 2.5.11 2.5.12 2.5.13 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.5.6 2.5.7 2.5.8 2.5.9 2.6.0 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.7.0 2.7.1 2.7.2 2.7.3 2.7.4 2.7.5 2.8.0 2.8.1 2.9.0 2.9.1 2.9.2 2.9.3 2.9.4 2.9.5 2.9.6 2.9.7 3.0.0 3.0.1 3.0.2 3.0.3 3.0.4 3.1.0 3.1.1 3.1.2 3.10.0 3.11.0 3.12.0 3.12.1 3.12.2 3.12.3 3.13.0 3.14.0 3.14.1 3.14.2 3.15.0 3.15.1 3.16.0 3.16.1 3.16.2 3.16.3 3.16.4 3.16.5 3.17.0 3.17.1 3.17.2 3.18.0 3.19.0 3.19.1 3.19.2 3.19.3 3.19.4 3.2.0 3.2.1 3.2.2 3.20.0 3.21.0 3.21.1 3.22.0 3.22.1 3.22.2 3.3.0 3.3.1 3.4.0 3.4.1 3.4.2 3.5.0 3.5.1 3.6.0 3.6.1 3.6.2 3.7.0 3.8.0 3.9.0 4.0.0 4.1.0 4.1.1 4.10.0 4.10.1 4.11.0 4.12.0 4.13.0 4.13.1 4.13.2 4.14.0 4.14.1 4.14.2 4.14.3 4.14.4 4.14.5 4.14.6 4.2.0 4.2.1 4.3.0 4.3.1 4.3.2 4.4.0 4.5.0 4.6.1 4.7.0 4.7.1 4.8.0 4.8.1 4.9.0 trunk 1.9.0 2.0.0 2.0.1 2.0.2 2.0.3 2.0.4 2.0.5 2.0.6 2.0.7 2.1.0 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.1.7 2.1.8 2.10.0 2.10.1 2.10.2 2.10.3 2.10.4 2.11.0 2.11.1 2.11.2 2.11.3 2.12.0 2.12.1 2.12.2 2.12.3 2.13.0 2.13.1 2.13.2 2.13.3 2.13.4 2.14.0 2.15.0 2.16.0 2.16.1 2.17.0 2.17.1 2.17.3 2.18.0 2.18.1 2.19.1 2.19.2 2.19.3 2.19.4 2.19.5 2.19.6 2.19.7 2.19.8 2.2.0 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5 2.2.6 2.20.0 2.20.1 2.20.2 2.21.0 2.21.1 2.21.2 2.21.3 2.21.4 2.22.0 2.22.1 2.22.2 2.22.3 2.23.0 2.23.1 2.23.2 2.24.0 2.24.1 2.24.2 2.25.0 2.25.1 2.25.2 2.25.3 2.26.0 2.27.0 2.27.1 2.27.2 2.27.3 2.28.0 2.29.0 2.29.1 2.29.2
give / vendor / fakerphp / faker / src / Faker / Provider / nl_NL / Text.php
give / vendor / fakerphp / faker / src / Faker / Provider / nl_NL Last commit date
Address.php 5 years ago Color.php 5 years ago Company.php 5 years ago Internet.php 5 years ago Payment.php 5 years ago Person.php 5 years ago PhoneNumber.php 5 years ago Text.php 5 years ago
Text.php
3933 lines
1 <?php
2
3 namespace Faker\Provider\nl_NL;
4
5 class Text extends \Faker\Provider\Text
6 {
7 /**
8 * Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
9 *
10 * This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
11 * almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
12 * re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
13 * with this eBook or online at www.gutenberg.org
14 *
15 * Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
16 *
17 * Author: Nescio
18 *
19 * Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]
20 *
21 * Language: Dutch
22 *
23 * *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
24 *
25 * Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
26 * Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
27 *
28 * Nescio
29 *
30 * Dichtertje
31 *
32 * De Uitvreter
33 *
34 * Titaantjes
35 *
36 * J. H. de Bois - Haarlem.
37 *
38 * "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd.
39 * "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari
40 * 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.
41 *
42 * @see http://www.gutenberg.org/cache/epub/29719/pg29719.txt
43 * @var string
44 */
45 protected static $baseText = <<<'EOT'
46 DICHTERTJE.
47
48 In 't derde oorlogsjaar.
49 Bellum transit, amor manet.
50
51
52 I.
53
54
55 Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en
56 tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer
57 over z'n vest.
58
59 't Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens
60 haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van
61 Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan
62 had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.
63
64 "Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."
65
66 God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je
67 had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.
68
69 Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk
70 welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere
71 meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté
72 rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had
73 lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken
74 alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet
75 goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu
76 hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen
77 zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat
78 ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden
79 helpen. Nooit had God er over nagedacht.
80
81 Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch
82 zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had
83 't nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".
84
85 Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er
86 zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde,
87 duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer
88 dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien
89 of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes
90 geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"
91
92 Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,
93 zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een
94 paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet
95 iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte
96 haren.
97
98 Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want
99 God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer
100 verachttenem.
101
102 En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen
103 mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak
104 dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat
105 was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,
106 fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet
107 op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen
108 had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo
109 lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo
110 iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't
111 terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want
112 hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al
113 als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van
114 burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan
115 moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni
116 zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd
117 en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren
118 slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag
119 keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."
120
121 Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet
122 Hein........
123
124 Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van
125 Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer
126 groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit
127 een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op
128 't plein voor 't Centraalstation.
129
130 Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed,
131 z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed
132 en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos,
133 z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op
134 z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i
135 bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom
136 de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.
137
138 "Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en
139 de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak
140 niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je
141 baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De
142 God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't
143 huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer,
144 ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante,
145 die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De
146 God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet
147 gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:
148 "Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je
149 later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's
150 Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in
151 't boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel
152 naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben
153 dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland,
154 van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van
155 hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van
156 gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen."
157
158 "De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent.
159
160 Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te
161 wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen,
162 vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte
163 schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar
164 beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje.
165
166 "Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte
167 ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.
168
169 Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde
170 wat die gezegd had.
171
172 "Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."
173
174 De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de
175 stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n
176 hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel
177 dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?
178
179 't Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde
180 wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de
181 westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen
182 wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar
183 't nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe
184 lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de
185 booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven
186 't wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op
187 een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken
188 en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter
189 zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer,
190 maar een dichtertje niet.
191
192 Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar
193 Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij
194 nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.
195
196 De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:
197
198 "Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel
199 niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft.
200
201 "Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde.
202
203 "Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op
204 de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."
205
206 Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti
207 nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het
208 "ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend
209 optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar
210 's gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen
211 van een dik boek over 't Taylor systeem.
212
213
214
215
216 II.
217
218
219 't Dichtertje was nooit gevallen.
220
221 Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over
222 dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De
223 wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een
224 dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.
225
226 't Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,
227 natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,
228 toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar
229 kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in
230 't beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting
231 kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een
232 roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.
233
234 En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon
235 bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat
236 i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog
237 niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd
238 langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,
239 de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook
240 giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag
241 hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze
242 allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar
243 schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en
244 hield haar hoofd achterover.
245
246 En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek
247 i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en
248 's morgens half negen. En hij dichtte.
249
250 Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar
251 Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":
252
253
254 "Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".
255
256
257 "Die Kreuzfahrer":
258
259
260 "Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".
261
262
263 Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom
264 hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.
265
266
267 "Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"
268
269
270 En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over
271 negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En
272 van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu
273 is de wereld een groot zomerland".
274
275
276 "God gooide de poorten des hemels open,
277 Mijn zoete lief zat op een gouden troon".
278
279
280 Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti
281 buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu
282 nog praten over dien mallen kerel.
283
284 Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje
285 datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze
286 kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze
287 hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,
288 "als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar
289 geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij
290 zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,
291 zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat
292 ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat
293 op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je
294 kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder
295 wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,
296 zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger
297 bij Nijmegen.
298
299 En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun
300 ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,
301 heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een
302 vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten
303 woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over
304 kwam, dan moest je thuis blijven.
305
306 Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij
307 had maar twee dagen vrij.
308
309 Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti
310 bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een
311 grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar
312 bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een
313 nette jongen".
314
315 's Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar
316 was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene
317 hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst
318 voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.
319
320 "Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,
321 van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met
322 een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te
323 zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo
324 één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er
325 niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God
326 de poorten des hemels open gooide? Wat raar.
327
328 Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet
329 op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in
330 den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar
331 teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van
332 'm houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.
333
334 Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i
335 getrouwd was.
336
337 En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van
338 vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had
339 een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam
340 een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren
341 ten naaste bij gelukkig.
342
343 Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is
344 voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,
345 dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een
346 heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar
347 man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend
348 nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan
349 en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan
350 blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.
351
352
353
354
355 III.
356
357
358 Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat
359 van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes
360 altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven
361 één gedicht, wat ook vervelend wordt.
362
363 In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
364 z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en
365 onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen
366 had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November
367 tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een
368 jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in
369 haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant
370 van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,
371 afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,
372 klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt
373 lijn 2, Museumkwartier.
374
375 't Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen
376 't leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter
377 haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed
378 op z'n grijzend, kort geknipt haar.
379
380 Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de
381 zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
382
383 Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en
384 zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze
385 waren ongetwijfeld getrouwd.
386
387 't Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen
388 om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar
389 man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,
390 dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele
391 hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet
392 mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende
393 haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i
394 niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier
395 geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk
396 Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen
397 haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten
398 van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n
399 gedicht zonder eind.
400
401 Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De
402 huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je
403 dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
404
405 En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de
406 peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
407 heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
408 oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,
409 want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n
410 eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont
411 en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij
412 met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn
413 was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling
414 heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren
415 geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen
416 en groentenwinkel.
417
418 Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
419 voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
420 oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik
421 wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even
422 wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't
423 Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,
424 moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn
425 gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd
426 en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels
427 gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan
428 mijn gedachten door mijn oogen."
429
430 En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare
431 in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
432
433 En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit
434 den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar
435 zagen ze.
436
437 Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste
438 vrouw kan dat meedichten.
439
440 Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
441 't mooie.
442
443 Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct
444 ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar
445 man door de tram, correct en statig en zag niemand.
446
447 Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor
448 den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna
449 gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't
450 Museumkwartier en keek.
451
452 "Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn
453 lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
454
455 En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een
456 somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
457
458 Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
459 's middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm
460 voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel
461 schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij
462 zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens
463 in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er
464 om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't
465 zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En
466 hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende
467 struik noemde hij "Clara".
468
469 Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem
470 en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
471
472 Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?
473
474
475
476
477 IV.
478
479
480 De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
481 die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
482 zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
483 ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze
484 niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat
485 missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren
486 open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,
487 c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun
488 kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
489
490 Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n
491 tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den
492 kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje
493 met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een
494 taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar
495 lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje
496 is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar
497 't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt
498 haar zachtjes, maar zegt niet veel.
499
500 In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een
501 vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt
502 zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i
503 zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te
504 veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.
505
506 Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te
507 warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze
508 aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste
509 van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't
510 met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar
511 bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt
512 met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en
513 't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en
514 verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief
515 met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een
516 sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,
517 om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den
518 buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't
519 eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden
520 en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan
521 het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't
522 kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt
523 ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar
524 kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten
525 rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen
526 en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't
527 kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:
528 "Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent
529 je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
530 je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken
531 voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,
532 haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen
533 en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit
534 de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel
535 draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens
536 aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je
537 helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in
538 't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft
539 't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe
540 je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel
541 en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot
542 't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is
543 te lang getrouwd.
544
545 Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik
546 moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de
547 kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,
548 ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen
549 van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou
550 vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel
551 dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een
552 hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een
553 oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
554
555 Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer
556 in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al
557 die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,
558 "als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die
559 vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij
560 is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
561 lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
562
563
564
565
566 V.
567
568
569 Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed
570 en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor
571 't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood
572 en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend
573 bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan
574 heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel
575 wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk
576 vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
577
578 Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't
579 God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen
580 opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een
581 van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst
582 boven mocht komen.
583
584 Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang
585 gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer
586 dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
587 licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje
588 met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
589 Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
590 neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't
591 land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
592 weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
593 kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu
594 loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden
595 over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen
596 smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit
597 hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje
598 met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't
599 Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend
600 in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor
601 't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
602
603 't Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van
604 't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een
605 bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode
606 bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er
607 van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en
608 de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden
609 wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen
610 en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan
611 den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van
612 den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,
613 stond alom de groene rog manshoog.
614
615 Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij
616 viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
617
618 "Dag Dora, ken je me niet meer?"
619
620 Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en
621 de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was
622 pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar
623 zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf
624 naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende
625 'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die
626 bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
627
628 "Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
629
630 "Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n
631 schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de
632 kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis
633 binnen. "Daar is Ee."
634
635 De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij
636 raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de
637 hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op
638 de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
639 vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar
640 zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en
641 stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,
642 nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten
643 groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen
644 en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
645 gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's
646 en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de
647 rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw
648 en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht
649 was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't
650 licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om
651 haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich
652 heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En
653 ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
654
655 Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol
656 licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij
657 te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging
658 op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als
659 vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader
660 over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet
661 doen, hij zei enkel:
662
663 "Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op
664 te tillen."
665
666 En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat
667 ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
668
669 "Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug
670 naar de keuken om 't stel uit te draaien.
671
672
673
674
675 VI.
676
677
678 Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door
679 m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal
680 niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam
681 doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had
682 een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,
683 in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat
684 't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten
685 te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De
686 situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,
687 toch ga ik door.
688
689 Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende
690 asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed
691 op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n
692 boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind
693 van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
694
695 God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij
696 weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer
697 op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en
698 verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar
699 ik nooit kom.
700
701 Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
702 gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
703 klagelijk loeit.
704
705 En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
706 wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
707 Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
708 een meisje, zoolang de genade duurt.
709
710 En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
711 maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,
712 ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich
713 zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't
714 koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge
715 garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
716
717 En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was
718 ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met
719 duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk
720 afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag
721 je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,
722 die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen
723 zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren
724 Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar
725 lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op
726 haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,
727 dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,
728 als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,
729 die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet
730 ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan
731 keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie
732 der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,
733 die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs
734 zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die
735 een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en
736 glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn
737 Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer
738 toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
739
740 En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien
741 boven z'n rechten sterken neus.
742
743 Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar
744 zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch
745 haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter
746 dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
747
748 Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
749 chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
750
751 Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge
752 liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds
753 aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een
754 grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,
755 waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap
756 viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel
757 week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en
758 zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng
759 van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken
760 en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat
761 opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in
762 haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet
763 ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
764
765 Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde
766 en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den
767 kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
768 grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,
769 't water hield nog wat licht.
770
771 Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen
772 wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
773 fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den
774 Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo
775 keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,
776 voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk
777 wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde
778 gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen
779 stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
780
781 Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen
782 warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,
783 zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,
784 en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte
785 waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
786
787 En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,
788 't water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,
789 de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de
790 avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich
791 daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,
792 die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water
793 was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van
794 den zwaren wagen over den grindweg.
795
796 "God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
797
798 En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
799 in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
800 omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
801 schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
802 mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
803 dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals
804 sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben
805 je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
806 bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."
807
808
809
810
811 VII.
812
813
814 Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net
815 burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op
816 't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,
817 alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
818
819 Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,
820 veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook
821 dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats
822 van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne
823 overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen
824 voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,
825 alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet
826 van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
827 conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
828 begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds
829 terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge
830 respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs
831 zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte
832 goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf
833 sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad
834 en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond
835 van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar
836 als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een
837 uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk
838 een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze
839 en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en
840 trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en
841 had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad
842 en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur
843 open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat
844 z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
845
846 En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
847 vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,
848 en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad
849 uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
850
851 Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter
852 en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven
853 had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten
854 verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet
855 meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at
856 en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti
857 koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze
858 mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat
859 je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die
860 moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar
861 't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal
862 nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
863
864 Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als
865 kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un
866 jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er
867 moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine
868 steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was
869 druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te
870 klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't
871 Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien
872 om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man
873 geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur
874 uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je
875 een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch
876 al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
877 heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
878 spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En
879 dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies
880 weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal
881 zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een
882 groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je
883 vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een
884 blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen
885 nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,
886 zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
887
888 En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i
889 't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was
890 gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf
891 al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i
892 z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,
893 nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar
894 nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch
895 een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die
896 'm droefgeestig maakte.
897
898 Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
899 iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood
900 wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,
901 om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan
902 al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
903 was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en
904 alleen over was met 't niet.
905
906 Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
907 van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten
908 in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar
909 dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
910 noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een
911 enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,
912 die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen
913 langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens
914 gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij
915 schreef trouwens toch onder een anderen naam.
916
917 Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te
918 kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
919 rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter
920 en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,
921 zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen
922 onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet
923 kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie
924 je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien
925 waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden
926 en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
927
928
929 "Ik kijk van terzij in je groote oogen.
930 En zie een blauw' en een gouden vonk"
931
932
933 en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."
934
935 Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven
936 in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan
937 't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam
938 ophalen voor de muziek.
939
940 Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
941 merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n
942 dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
943
944 't Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
945
946 "Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't
947 keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
948
949 En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n
950 eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in
951 eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
952
953 Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar
954 en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter
955 worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt
956 en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw
957 beneden van schrikte.
958
959
960
961
962 VIII.
963
964 Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver
965 datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot
966 tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week
967 zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,
968 waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij
969 kon niet weg, als een heusche heer.
970
971 's Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken
972 en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't
973 niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire
974 waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van
975 1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur
976 hebben benoemd."
977
978 Maar 't kwam even anders.
979
980 Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
981 kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,
982 die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes
983 centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de
984 keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,
985 vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
986
987 En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
988 laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,
989 alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de
990 Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de
991 trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar
992 ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En
993 de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen
994 langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo
995 echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op
996 Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de
997 van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,
998 in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
999
1000 Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de
1001 Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en
1002 kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit
1003 licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie
1004 en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel
1005 's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die
1006 zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot
1007 een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,
1008 had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,
1009 met bruine schoenen aan.
1010
1011 En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
1012 haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat
1013 ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik
1014 de tram hoorde bellen."
1015
1016 Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
1017 dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand
1018 was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden
1019 weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
1020 alleen was en niemand er van wist.
1021
1022 Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar
1023 huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n
1024 vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe
1025 plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd
1026 hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in
1027 steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde
1028 op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige
1029 zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had
1030 gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze
1031 gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar
1032 ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had
1033 erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften
1034 hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een
1035 zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een
1036 heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis
1037 tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij
1038 leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat
1039 beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van
1040 wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
1041 witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
1042 flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
1043 die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
1044
1045 Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
1046 Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar
1047 trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't
1048 huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix
1049 doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een
1050 vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid
1051 en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
1052
1053 Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
1054 weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
1055
1056 Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
1057
1058 In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
1059 stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
1060 groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,
1061 de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna
1062 zat ze en staarde.
1063
1064 En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,
1065 om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar
1066 zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,
1067 en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar
1068 lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even
1069 gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,
1070 die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks
1071 wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,
1072 en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en
1073 losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits
1074 kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer
1075 kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
1076
1077 Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,
1078 de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,
1079 voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was
1080 al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een
1081 degelijk heer hielden.
1082
1083 "Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij
1084 knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't
1085 dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt
1086 je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij
1087 dan willen?"
1088
1089 "Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel
1090 even... "ten minste als je dat kunt."
1091
1092 Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix
1093 beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk
1094 een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille
1095 ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,
1096 je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals
1097 't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in
1098 eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat
1099 nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen
1100 in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje
1101 op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en
1102 staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"
1103 en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
1104
1105 Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om
1106 ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn
1107 lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
1108
1109 Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
1110 nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
1111
1112 Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den
1113 Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,
1114 stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de
1115 voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig
1116 met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:
1117 "Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit
1118 't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de
1119 rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en
1120 boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den
1121 trein over de brug.
1122
1123
1124
1125
1126 IX.
1127
1128
1129 Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
1130
1131 't Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured
1132 satteens te vergeten.
1133
1134 Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
1135 moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
1136 niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
1137 die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te
1138 vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
1139
1140 Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,
1141 in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,
1142 zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele
1143 vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde
1144 en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,
1145 die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,
1146 alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n
1147 stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij
1148 streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en
1149 wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
1150
1151 En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de
1152 huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
1153 vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God
1154 om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig
1155 zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier
1156 zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien
1157 komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even
1158 lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van
1159 heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,
1160 nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
1161
1162 Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en
1163 recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den
1164 rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren
1165 hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand
1166 zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,
1167 dat even de zon fel weerkaatste.
1168
1169 En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,
1170 een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
1171
1172 Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
1173 gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"
1174 blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van
1175 de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
1176
1177 "Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,
1178 geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,
1179 je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of
1180 niet netjes?
1181
1182 Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele
1183 geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en
1184 had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des
1185 jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
1186
1187 En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën
1188 en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval
1189 uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij
1190 wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar
1191 huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,
1192 haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in
1193 zwarte glacétjes elkaar vast.
1194
1195 Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
1196 hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een
1197 lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar
1198 zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,
1199 maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze
1200 stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar
1201 in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte
1202 een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,
1203 aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
1204 schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al
1205 goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas
1206 van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
1207
1208 Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
1209 door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon
1210 ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun
1211 naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat
1212 en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is
1213 een vrouw, die zichzelf begrijpt.
1214
1215 Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
1216 er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
1217 haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
1218 aanraken.
1219
1220 En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den
1221 sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in
1222 onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen
1223 en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo
1224 dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen
1225 zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te
1226 genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op
1227 haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat
1228 zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
1229
1230 Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
1231 in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie
1232 winkel?"
1233
1234 Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
1235 't zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om
1236 te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje
1237 bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een
1238 gilletje geven van plezier.
1239
1240 En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
1241 dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep
1242 er niets van.
1243
1244 Maar wat een dag der dagen.
1245
1246 Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
1247 steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor
1248 een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar
1249 hoofd in den Waal gooien, datti siste.
1250
1251 De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
1252 gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,
1253 een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
1254
1255 Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
1256 de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
1257 worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
1258 scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
1259 keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
1260 rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen
1261 op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets
1262 markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen
1263 wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,
1264 de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en
1265 toch verloren in de wijdte.
1266
1267 Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
1268 weggaan.
1269
1270 Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de
1271 helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en
1272 zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel
1273 als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God
1274 sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
1275
1276 Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant
1277 en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"
1278 maar de helderheid was geweken.
1279
1280 Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes
1281 en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
1282
1283 "Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten
1284 en schiftte de post.
1285
1286
1287
1288
1289 X.
1290
1291
1292 't Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.
1293
1294 Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog
1295 en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht
1296 uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.
1297
1298 Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even
1299 teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren
1300 ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,
1301 er moesten alleen nog maar postzegels op.
1302
1303 't Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er
1304 was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora
1305 zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in
1306 't vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar
1307 heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den
1308 haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,
1309 en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar
1310 't roode schijnsel van den haard op de vloer.
1311
1312 Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar
1313 dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't
1314 land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was
1315 't reeds donker.
1316
1317 't Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht
1318 zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een
1319 farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou
1320 hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van
1321 z'n tante in Velp.
1322
1323 't Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde
1324 nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,
1325 maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.
1326
1327 De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En
1328 als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,
1329 stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat
1330 om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.
1331
1332 En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun
1333 neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden
1334 konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,
1335 "Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie
1336 't niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij
1337 vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde
1338 ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die
1339 hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.
1340
1341 De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden
1342 zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er
1343 heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand
1344 waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang
1345 weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.
1346
1347 De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal
1348 is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.
1349
1350 De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden
1351 gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora
1352 dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag
1353 boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,
1354 zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de
1355 menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer
1356 eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou
1357 opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?
1358
1359 Ze spraken nog altijd niet.
1360
1361 Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard
1362 gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te
1363 worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en
1364 dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van
1365 droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des
1366 levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,
1367 wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,
1368 maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij
1369 zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel
1370 de moeite waard.
1371
1372 "En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en
1373 de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de
1374 hooge boomen alom bruin.
1375
1376 Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met
1377 haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen
1378 op haar stoel.
1379
1380 De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den
1381 gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken
1382 hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen
1383 ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige
1384 witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,
1385 maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege
1386 lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog
1387 zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den
1388 hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt
1389 naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar
1390 je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een
1391 klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:
1392 "Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't
1393 vroege voorjaar.
1394
1395 't Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,
1396 vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.
1397
1398 "Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook
1399 een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist
1400 alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm
1401 ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren
1402 met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij
1403 was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken
1404 en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld
1405 datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou
1406 vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of
1407 iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar
1408 z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield
1409 niet vannem.
1410
1411 "Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In
1412 't schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen
1413 van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.
1414
1415 "Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,
1416 hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.
1417
1418 Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor
1419 zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,
1420 maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en
1421 gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was
1422 't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,
1423 z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit
1424 door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.
1425
1426 En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat
1427 anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de
1428 zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe
1429 lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,
1430 in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er
1431 boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,
1432 van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't
1433 Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,
1434 't licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar
1435 de zee, die ze niet zag.
1436
1437 Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor
1438 dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.
1439
1440 "Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,
1441 trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."
1442
1443 Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat
1444 hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens
1445 enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een
1446 van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze
1447 begreep niet.
1448
1449 Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten
1450 de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen
1451 uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren
1452 haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één
1453 hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't
1454 alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij
1455 niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien
1456 sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen
1457 bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij
1458 moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k
1459 Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."
1460
1461 "Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar
1462 de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan
1463 nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak
1464 aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij
1465 de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit
1466 "Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.
1467
1468 Hij bracht haar tot de trap.
1469
1470 "Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,
1471 au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was
1472 als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag
1473 hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen
1474 sloeg de deur dicht.
1475
1476
1477
1478
1479 XI.
1480
1481
1482 Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het
1483 sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen
1484 warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,
1485 dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke
1486 knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met
1487 glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.
1488
1489 Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.
1490
1491 Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met
1492 de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster
1493 pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van
1494 worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende
1495 een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"
1496 was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,
1497 der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze
1498 wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?
1499
1500 Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten
1501 komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde
1502 ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een
1503 andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."
1504
1505 De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep
1506 adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel
1507 aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich
1508 dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck
1509 gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch
1510 bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",
1511 die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,
1512 dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat
1513 al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen
1514 branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.
1515
1516 "Dag moe, ik kom direct beneden".
1517
1518 Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen
1519 werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van
1520 verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar
1521 hoofd. Ze begreep zichzelf niet.
1522
1523 Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom
1524 wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger
1525 dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze
1526 ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze
1527 gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor
1528 den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en
1529 hield ze op haar beide handen.
1530
1531 Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote
1532 verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"
1533
1534 Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een
1535 gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van
1536 haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte
1537 ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,
1538 over een half uurtje ben ik weer terug."
1539
1540 Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze
1541 schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel
1542 open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,
1543 haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van
1544 de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't
1545 plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben
1546 je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen
1547 ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam
1548 licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en
1549 vluchten zou.
1550
1551 "Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen
1552 zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In
1553 dat eene woord was alles en ze hoorde 't.
1554
1555 Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun
1556 lijven als zingende zonnen.
1557
1558 Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:
1559 "Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...
1560
1561 De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde
1562 z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels
1563 op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.
1564
1565 "Kwart over achten. Consummatum est."
1566
1567 Iemand tikte op z'n schouder.
1568
1569 De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee
1570 en zie."
1571
1572
1573
1574
1575 XII.
1576
1577
1578 Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
1579 bij z'n schoonmoeder gehaald.
1580
1581 Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing
1582 langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees
1583 met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van
1584 dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.
1585
1586 "Eduard" riepen ze beiden tegelijk.
1587
1588 "Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de
1589 onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik
1590 doe is goed."
1591
1592 Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.
1593
1594 "Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.
1595
1596 Bonger bleef staan.
1597
1598 "Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de
1599 vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".
1600
1601 Weer stapte hij achteruit.
1602
1603 "Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,
1604 alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
1605 die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
1606 moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
1607 anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
1608 en jij ook, Graafland".
1609
1610 Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".
1611
1612 De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel
1613 zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,
1614 van 't bed, van de stoelen, van den grond.
1615
1616 "Kleed je aan".
1617
1618 Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.
1619
1620
1621
1622 't Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben
1623 schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd
1624 geweest.
1625
1626 Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven
1627 met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't
1628 gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche
1629 en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest
1630 is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet
1631 i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje
1632 en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast
1633 'm heeft gezeten op school.
1634
1635 Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
1636 altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext
1637 en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
1638 Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
1639 met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig
1640 en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van
1641 den afgrond is gegaan.
1642
1643 Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar
1644 baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat
1645 iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.
1646
1647 En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog
1648 gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.
1649
1650 Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
1651 en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
1652 rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral
1653 niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,
1654 dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief
1655 heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.
1656
1657
1658 Juni-Juli 1917.
1659
1660
1661
1662
1663
1664
1665 DE UITVRETER.
1666
1667
1668 I.
1669
1670
1671 Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
1672 heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
1673
1674 Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,
1675 als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
1676 oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
1677 kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een
1678 jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,
1679 die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een
1680 vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de
1681 centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die
1682 een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
1683 boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
1684 buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,
1685 en pakken droeg, die hij nooit betaalde.
1686
1687
1688
1689 Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam
1690 met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
1691
1692 Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi
1693 voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen
1694 gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond
1695 je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,
1696 onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar
1697 binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of
1698 drie; toen zag Bavink hem niet meer.
1699
1700 Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
1701 behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele
1702 dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan
1703 genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,
1704 daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink
1705 koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte
1706 't op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't
1707 voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,
1708 tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,
1709 "daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De
1710 boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en
1711 liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er
1712 iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek
1713 'm aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen
1714 kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.
1715
1716 "Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer
1717 en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen
1718 salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",
1719 zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."
1720
1721 't Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de
1722 grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In
1723 eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't
1724 water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens
1725 keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
1726 spraakzaam.
1727
1728 "Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet
1729 altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.
1730
1731 "Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.
1732
1733 "Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",
1734 zei Japi, "is u daar gelogeerd?"
1735
1736 "Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die
1737 altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:
1738 "Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's
1739 Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden
1740 en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet
1741 ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom
1742 ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar
1743 Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."
1744
1745 "Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik
1746 ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een
1747 rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat
1748 toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook
1749 niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank
1750 heelemaal niks."
1751
1752 Dat kon Bavink wel bekoren.
1753
1754 Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte
1755 en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te
1756 bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
1757 schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
1758 voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,
1759 "de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van
1760 de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en
1761 schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en
1762 geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de
1763 wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje
1764 sleepte een aak en twee tjalken.
1765
1766 "Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog
1767 veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar
1768 stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook
1769 niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en
1770 nacht blijven doorzitten."
1771
1772 Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog
1773 altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm
1774 steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand
1775 opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,
1776 alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele
1777 weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.
1778
1779 Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en
1780 daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als
1781 je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk
1782 te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote
1783 vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je
1784 weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft
1785 't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor
1786 anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.
1787
1788 Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en
1789 knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes
1790 weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek
1791 op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze
1792 allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want
1793 Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in
1794 Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat
1795 Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En
1796 boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen
1797 wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die
1798 heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die
1799 oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,
1800 hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en
1801 toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden
1802 en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen
1803 op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar
1804 bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch
1805 verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok
1806 en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
1807 niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer
1808 koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,
1809 mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."
1810
1811 En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.
1812
1813 Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
1814 voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor
1815 zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij
1816 was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel
1817 goud waard was.
1818
1819 En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet
1820 'm driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n
1821 wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,
1822 dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze
1823 wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen
1824 hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde
1825 Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens
1826 even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je
1827 praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees
1828 en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als
1829 een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een
1830 bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover
1831 kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi
1832 placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren
1833 niet eens af en toe een relletje hebt."
1834
1835
1836
1837
1838 II.
1839
1840
1841 Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden
1842 en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't
1843 Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den
1844 ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had
1845 je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En
1846 daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van
1847 Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;
1848 't water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en
1849 maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;
1850 en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan
1851 zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
1852 klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan
1853 zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:
1854 "Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen
1855 keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg
1856 naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste
1857 en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag
1858 door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't
1859 Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte
1860 de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
1861
1862 Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n
1863 as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar
1864 de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door
1865 de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen
1866 avond zou worden.
1867
1868 Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche
1869 duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.
1870
1871 Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten
1872 dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i
1873 niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd
1874 ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er
1875 pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de
1876 dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,
1877 om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink
1878 had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes
1879 de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de
1880 boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn
1881 schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan
1882 zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i
1883 als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er
1884 wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden
1885 genomen en door elkaar geschud zooals hem.
1886
1887 Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar
1888 zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling
1889 weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er
1890 over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu
1891 goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan
1892 enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook
1893 op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome
1894 wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die
1895 kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met
1896 hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was
1897 't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet
1898 een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een
1899 paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was
1900 i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"
1901 zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen
1902 noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht
1903 i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",
1904 en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij
1905 was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk
1906 bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in
1907 zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i
1908 in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met
1909 zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.
1910
1911 Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"
1912 zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit
1913 aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,
1914 en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."
1915
1916 Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende
1917 in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
1918 leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,
1919 zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten
1920 wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo
1921 "verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen
1922 om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond
1923 en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods
1924 aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,
1925 en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich
1926 stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en
1927 't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:
1928 "ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur
1929 kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste
1930 in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,
1931 hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at
1932 en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood
1933 zoo lekker smaken kon."
1934
1935 En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,
1936 omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi
1937 een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe
1938 de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand
1939 anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.
1940
1941 "Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat
1942 je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt
1943 't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou
1944 niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen
1945 er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou
1946 niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te
1947 zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder
1948 van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch
1949 wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat
1950 't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"
1951
1952 Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink
1953 heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem
1954 kwam aanzetten.
1955
1956 Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
1957 wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"
1958 gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo
1959 gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en
1960 toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was
1961 de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;
1962 als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,
1963 naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze
1964 in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki
1965 van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België
1966 klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand
1967 anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar
1968 niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals
1969 Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti
1970 voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn
1971 van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,
1972 elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,
1973 elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi
1974 had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker
1975 en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i
1976 goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't
1977 rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam
1978 't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de
1979 schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel
1980 en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen
1981 je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje
1982 in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets
1983 zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
1984 "Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb
1985 ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond
1986 de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links
1987 er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en
1988 we zijn ook 10 minuten te laat."
1989
1990
1991
1992
1993 III.
1994
1995
1996 En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
1997 avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
1998 't wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.
1999
2000 Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van
2001 Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en
2002 over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige
2003 jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge
2004 dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap
2005 gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo
2006 maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.
2007
2008 Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik
2009 ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd
2010 een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,
2011 Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond
2012 Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,
2013 kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.
2014
2015 "Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te
2016 maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je
2017 plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,
2018 hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met
2019 een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje
2020 maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een
2021 schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",
2022 zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag
2023 Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,
2024 daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie
2025 zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",
2026 zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En
2027 Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag
2028 "Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,
2029 die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,
2030 Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,
2031 kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome
2032 ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie
2033 is die heer?"
2034
2035 En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
2036 grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
2037 werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei
2038 Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van
2039 Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.
2040
2041 "'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t
2042 ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond
2043 op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we
2044 daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
2045 je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis
2046 in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;
2047 ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."
2048
2049 "Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en
2050 ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."
2051
2052 Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper
2053 aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan
2054 't applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en
2055 applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren
2056 opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;
2057 een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't
2058 heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig
2059 vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein
2060 meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje
2061 ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",
2062 zei Hoyer.
2063
2064 En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
2065 druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg
2066 Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O
2067 ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden
2068 avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier
2069 nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden
2070 van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat
2071 wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie
2072 kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner
2073 ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
2074 uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner
2075 kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein
2076 vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;
2077 hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval
2078 kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet
2079 zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich
2080 te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij
2081 "Le Lys dans la Vallée" te pakken.
2082
2083
2084
2085
2086 IV.
2087
2088
2089 Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
2090 maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En
2091 nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna
2092 zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs
2093 mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had
2094 geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb
2095 ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je
2096 naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij
2097 Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over
2098 dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had
2099 ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen
2100 hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren
2101 naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,
2102 hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste
2103 bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:
2104 vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele
2105 centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en
2106 in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n
2107 theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee
2108 was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
2109 met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en
2110 keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van
2111 mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar
2112 de regen en was tevreden.
2113
2114 't Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,
2115 't klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft
2116 voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer
2117 in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,
2118 omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.
2119
2120 Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet
2121 bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
2122 aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
2123 die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
2124 toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik
2125 had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en
2126 keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,
2127 dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik
2128 een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,
2129 twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een
2130 kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert
2131 mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
2132 boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden
2133 een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem
2134 alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
2135 dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
2136 geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.
2137
2138 En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
2139 vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,
2140 't deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den
2141 stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te
2142 halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:
2143 biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik
2144 bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje
2145 drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd
2146 door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn
2147 deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een
2148 paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de
2149 lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak
2150 zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de
2151 reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,
2152 te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit
2153 dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond
2154 op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",
2155 zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep
2156 van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.
2157
2158 "'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,
2159 dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i
2160 een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette
2161 't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en
2162 gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.
2163
2164 "Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing
2165 de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die
2166 toen plat op den grond in den hoek.
2167
2168 Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat
2169 verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't
2170 pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,
2171 burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,
2172 "boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"
2173 zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie
2174 in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van
2175 den ouwen heer gekregen."
2176
2177 ""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,
2178 druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie
2179 en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren
2180 (let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat
2181 genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder
2182 No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de
2183 stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben
2184 ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel
2185 er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300
2186 à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"
2187
2188 "Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei
2189 Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo
2190 niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last
2191 van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen
2192 cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag
2193 een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken
2194 ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van
2195 't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van
2196 Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop
2197 rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een
2198 fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik
2199 wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,
2200 ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel
2201 gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,
2202 in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."
2203
2204 Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi
2205 nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft
2206 hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.
2207
2208 Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette
2209 't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.
2210
2211 "Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n
2212 stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad
2213 met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al
2214 gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze
2215 in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze
2216 om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink
2217 nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."
2218
2219 In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en
2220 zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp
2221 gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd
2222 hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den
2223 pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij
2224 was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook
2225 't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't
2226 uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
2227 had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan
2228 naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van
2229 z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert
2230 was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden
2231 middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die
2232 later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te
2233 komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink
2234 ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,
2235 En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende
2236 plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n
2237 drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi
2238 dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met
2239 hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw
2240 kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk
2241 model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.
2242
2243 Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
2244 kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard
2245 neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet
2246 kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de
2247 gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik
2248 't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair
2249 volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van
2250 mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde
2251 bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,
2252 hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi
2253 at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en
2254 hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet
2255 Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,
2256 "vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo
2257 moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed
2258 voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens
2259 iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n
2260 handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik
2261 zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."
2262
2263 En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,
2264 op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een
2265 artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er
2266 geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam
2267 nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en
2268 Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"
2269 ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en
2270 wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik
2271 altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de
2272 kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik
2273 er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk
2274 naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de
2275 lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde
2276 vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik
2277 aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe
2278 ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,
2279 wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond
2280 te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en
2281 't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor
2282 mij? Die paar centen kunnen ze houden."
2283
2284 't Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet
2285 geloofde dat 't van hem was.
2286
2287 "Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde
2288 achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,
2289 geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,
2290 maar steek een sigaar op."
2291
2292 De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren
2293 wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij
2294 stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die
2295 Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden
2296 't niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning
2297 en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral
2298 maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."
2299
2300 Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en
2301 toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar
2302 huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
2303 die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
2304 gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
2305 had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
2306 was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi
2307 vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman
2308 moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij
2309 Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist
2310 wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft
2311 zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft
2312 die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar
2313 veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij
2314 er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er
2315 een mouw uitgetrokken.
2316
2317 "Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen
2318 eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt
2319 niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën
2320 zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij
2321 was nog zwaar van 't water.
2322
2323 "Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe
2324 gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,
2325 hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en
2326 gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen
2327 moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal
2328 't je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas
2329 over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;
2330 m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi
2331 z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo
2332 ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks
2333 te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi
2334 te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en
2335 schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij
2336 keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie
2337 't al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,
2338 "kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en
2339 vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den
2340 grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",
2341 zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,
2342 dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de
2343 leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;
2344 in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,
2345 z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
2346 dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en
2347 zei: "Wel te rusten."
2348
2349 En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte
2350 in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in
2351 mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.
2352
2353 Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde
2354 ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
2355 water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij
2356 uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij
2357 hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i
2358 "ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij
2359 wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur
2360 of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij
2361 't raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en
2362 keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn
2363 jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich
2364 nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."
2365
2366 Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel
2367 lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,
2368 dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.
2369
2370
2371
2372
2373 V.
2374
2375
2376 "Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op
2377 een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was
2378 uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een
2379 pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."
2380
2381 "Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.
2382
2383 "Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn
2384 ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,
2385 Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,
2386 Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand
2387 oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't
2388 Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684
2389 Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg
2390 ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui
2391 nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat
2392 is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij
2393 doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",
2394 zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,
2395 ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik
2396 deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks
2397 van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We
2398 zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde
2399 't zorgvuldig onder tafel.
2400
2401 "Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
2402 Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga
2403 je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel
2404 schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,
2405 daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
2406 ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten
2407 leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der
2408 maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat
2409 duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk
2410 je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te
2411 maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur
2412 present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet
2413 opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,
2414 maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze
2415 zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan
2416 gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te
2417 werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin
2418 zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks
2419 lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke
2420 dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het
2421 leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden
2422 ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder
2423 wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet
2424 was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit
2425 hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;
2426 af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk
2427 gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon
2428 van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich
2429 een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een
2430 schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me
2431 aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest
2432 ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle
2433 monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden
2434 niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om
2435 erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit
2436 naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief
2437 verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief
2438 kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan
2439 i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep
2440 ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den
2441 baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de
2442 hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets
2443 aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,
2444 dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een
2445 effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de
2446 stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor
2447 bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er
2448 was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik
2449 zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.
2450
2451 "Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren
2452 wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel
2453 op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom
2454 duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje
2455 en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor
2456 den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van
2457 de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."
2458
2459 "Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik
2460 ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat
2461 doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels
2462 zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga
2463 naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin
2464 in heb."
2465
2466 Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein
2467 van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te
2468 wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan
2469 z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een
2470 papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen
2471 we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i
2472 terug met een vischhengel.
2473
2474 Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
2475 wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half
2476 uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
2477 portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
2478 voor hem had.
2479
2480 Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een
2481 paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle
2482 opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein
2483 laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei
2484 i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet
2485 laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht
2486 van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand
2487 rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet
2488 om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij
2489 ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam
2490 die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg
2491 geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag
2492 ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van
2493 Bavink natuurlijk.
2494
2495
2496
2497
2498 VI.
2499
2500
2501 Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den
2502 Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,
2503 een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,
2504 een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een
2505 witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine
2506 sokken met witte ruiten, lage schoenen.
2507
2508 Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
2509 Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
2510 amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
2511 lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op
2512 de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
2513 verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes
2514 op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op
2515 zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing
2516 over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat
2517 hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens
2518 komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in
2519 verbazing achter.
2520
2521 Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden
2522 hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd
2523 etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
2524 ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
2525 droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij
2526 was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als
2527 hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,
2528 dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn
2529 hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en
2530 had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte
2531 langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een
2532 tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit
2533 deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,
2534 dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet
2535 lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.
2536
2537 Toen gaven wij hem op.
2538
2539 En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
2540 Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,
2541 en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen
2542 begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden
2543 zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging
2544 roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
2545 want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in
2546 den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken
2547 naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in
2548 het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons
2549 uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden
2550 toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit
2551 voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind
2552 voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij
2553 't wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.
2554
2555 "Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met
2556 burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een
2557 Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die
2558 twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade
2559 gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar
2560 de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair
2561 uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook
2562 stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi
2563 en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.
2564
2565 't Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
2566 had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
2567 aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat
2568 i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien
2569 avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
2570 hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,
2571 kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
2572 als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
2573 hadden om te verstoken.
2574
2575 Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
2576 door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
2577 was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,
2578 de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten
2579 door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,
2580 verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te
2581 rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.
2582
2583 Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij
2584 Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal
2585 met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte
2586 de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,
2587 de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor
2588 tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God
2589 weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,
2590 meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water
2591 gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden
2592 daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren
2593 hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben
2594 zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien
2595 hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood
2596 zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000
2597 jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,
2598 duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog
2599 stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan
2600 was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,
2601 er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.
2602
2603 Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets
2604 meer te krijgen op de pof.
2605
2606 Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
2607 eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar
2608 handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden
2609 schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee
2610 te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met
2611 kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,
2612 over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.
2613
2614 Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden
2615 wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i
2616 uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden
2617 van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan
2618 zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op
2619 kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:
2620 "Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.
2621
2622 Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
2623 was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.
2624
2625 Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog
2626 in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal
2627 was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
2628 druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en
2629 zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek
2630 uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,
2631 zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,
2632 keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.
2633
2634 Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als
2635 je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg
2636 Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer
2637 herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek
2638 geopend in zijn handen.
2639
2640 "Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:
2641 "Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,
2642 "die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.
2643
2644
2645
2646
2647 VII.
2648
2649
2650 Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink
2651 zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half
2652 dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag
2653 zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij
2654 Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige
2655 moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die
2656 hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen
2657 en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan
2658 met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.
2659
2660 Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,
2661 wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk
2662 starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.
2663
2664 Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:
2665 "Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,
2666 zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen.
2667
2668 "Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje
2669 pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,
2670 achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd
2671 hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer
2672 eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede
2673 en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.
2674
2675 Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,
2676 last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer
2677 koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i
2678 van den zomer teruggekomen.
2679
2680 Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,
2681 sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een
2682 vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar
2683 gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar
2684 kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van
2685 haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er
2686 om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok
2687 had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras
2688 van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest
2689 en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had
2690 een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;
2691 maar loopen kon ze nog maar heel slecht.
2692
2693 En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i
2694 uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.
2695
2696 Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?
2697
2698 O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden
2699 was i in de laatste drie, vier jaar.
2700
2701 Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een
2702 dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje
2703 deed i er af.
2704
2705 Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts
2706 en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met
2707 Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was
2708 gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,
2709 het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen
2710 gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost
2711 lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien
2712 wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,
2713 anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had
2714 i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,
2715 voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al
2716 die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam
2717 van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,
2718 heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.
2719
2720 Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich
2721 gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,
2722 terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,
2723 hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die
2724 i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals
2725 altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich
2726 gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren
2727 kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel
2728 maakten, meer dan genoeg.
2729
2730 En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens
2731 over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een
2732 standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun
2733 plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak
2734 begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet
2735 doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was
2736 i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,
2737 wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in
2738 den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,
2739 niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.
2740
2741 Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet
2742 bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn
2743 ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het
2744 nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon
2745 je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich
2746 vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren
2747 te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In
2748 Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September
2749 had i in Nijmegen doorgebracht.
2750
2751 En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over
2752 't water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,
2753 dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe
2754 dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur
2755 dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde
2756 naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300
2757 maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende
2758 nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar
2759 dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar
2760 kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,
2761 tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er
2762 meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende
2763 boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien
2764 hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel
2765 langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water
2766 er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn
2767 de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent
2768 ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot
2769 God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze
2770 plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben
2771 willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,
2772 de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar
2773 ook een eind aan komt.
2774
2775 Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet
2776 meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien
2777 avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech
2778 af, staande op een stoel.
2779
2780 Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging
2781 het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den
2782 winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,
2783 mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,
2784 al tobbende.
2785
2786 In Mei trok i naar Nijmegen.
2787
2788 Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal
2789 gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.
2790
2791 Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is
2792 hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de
2793 gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen
2794 was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.
2795
2796 Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er
2797 afgestapt.
2798
2799 Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan
2800 de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".
2801
2802 De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen
2803 zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond
2804 krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.
2805
2806 Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.
2807
2808
2809
2810
2811
2812
2813 TITAANTJES.
2814
2815
2816 I.
2817
2818
2819 Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn
2820 nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal
2821 geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
2822 hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n
2823 vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten
2824 en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun
2825 warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen
2826 door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten
2827 onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je
2828 weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer
2829 vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor
2830 je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm
2831 op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer
2832 dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,
2833 alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg
2834 tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al
2835 te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,
2836 en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
2837
2838 Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets
2839 zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde
2840 afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken
2841 en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die
2842 kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we
2843 "eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan
2844 praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog
2845 met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest
2846 waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;
2847 alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep
2848 niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure
2849 jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren
2850 dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.
2851
2852 Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen
2853 en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan
2854 hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er
2855 wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
2856
2857 Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir
2858 zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
2859 waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar
2860 de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n
2861 baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
2862 opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
2863 zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan
2864 zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij
2865 't sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,
2866 dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat
2867 zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
2868
2869 En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,
2870 die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker
2871 wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk
2872 met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de
2873 dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal
2874 werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange
2875 schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch
2876 maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
2877 aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim
2878 stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:
2879 "God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in
2880 een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets
2881 zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
2882 slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
2883 beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer
2884 dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen
2885 te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.
2886
2887 Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
2888 den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes
2889 beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun
2890 groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon
2891 je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier
2892 moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En
2893 dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er
2894 vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna
2895 in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,
2896 die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je
2897 't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een
2898 paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij
2899 ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest
2900 't maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en
2901 luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets
2902 van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel
2903 beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na
2904 aan de waarheid was.
2905
2906 Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet
2907 al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,
2908 die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer
2909 naar die bazen toegingen.
2910
2911 We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
2912 "Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd
2913 zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,
2914 dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen
2915 duidelijk en weidden er niet verder over uit.
2916
2917
2918
2919
2920 II.
2921
2922
2923 Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond
2924 bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't
2925 grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks
2926 leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er
2927 niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer
2928 Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.
2929
2930 Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop
2931 bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren
2932 tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had
2933 een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt
2934 naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,
2935 enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."
2936
2937 Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet
2938 lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker
2939 had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht
2940 van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,
2941 maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i
2942 metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,
2943 dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,
2944 maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever
2945 in de kroeg.
2946
2947 Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
2948 herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven
2949 en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,
2950 de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't
2951 Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op
2952 dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;
2953 als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,
2954 waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.
2955
2956 Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
2957 lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
2958 schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
2959 ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even
2960 breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan
2961 maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:
2962 No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:
2963 Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen
2964 't voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,
2965 waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."
2966
2967 Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette
2968 thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar
2969 dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want
2970 tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was
2971 niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een
2972 neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.
2973
2974 Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
2975 Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte
2976 met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst
2977 weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang
2978 zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We
2979 bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens
2980 wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees
2981 begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven
2982 zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster
2983 stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten
2984 te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.
2985
2986
2987
2988
2989 III.
2990
2991
2992 Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
2993 die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
2994 twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.
2995
2996 Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
2997 op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid
2998 en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,
2999 die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld
3000 hebben gebracht.
3001
3002 Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen
3003 tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme
3004 opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij
3005 zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
3006 dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest
3007 't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij
3008 de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij
3009 hadden niets te vertellen.
3010
3011 En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op
3012 de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
3013 aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.
3014
3015 O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
3016 gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
3017 wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's
3018 Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
3019 kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,
3020 die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,
3021 waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond
3022 de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal
3023 doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld
3024 had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En
3025 hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en
3026 Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit
3027 zouden kunnen beleven.
3028
3029 Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
3030 't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van
3031 de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
3032 onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar
3033 dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
3034 waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed
3035 waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",
3036 daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel
3037 knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,
3038 een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg
3039 me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat
3040 woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat
3041 zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht
3042 gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet
3043 niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden
3044 ons slecht de heeren.
3045
3046
3047
3048
3049 IV.
3050
3051
3052 En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over
3053 de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een
3054 schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter
3055 haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft
3056 nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In
3057 de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag
3058 vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't
3059 stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,
3060 met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op
3061 zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren
3062 ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i
3063 weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een
3064 vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,
3065
3066 Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon
3067 toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de
3068 zomervacantie kwam ze niet meer terug.
3069
3070 "Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze
3071 liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't
3072 boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een
3073 stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een
3074 lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is
3075 beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden
3076 je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."
3077
3078 Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar
3079 ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs
3080 me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren
3081 van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer
3082 en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,
3083 vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden
3084 en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van
3085 Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan
3086 er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij
3087 Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:
3088 "zoo is 't" en ging door met lezen.
3089
3090
3091
3092
3093 V.
3094
3095
3096 Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't
3097 beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
3098 alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
3099 door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden
3100 dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij
3101 waren armoedzaaiers.
3102
3103 Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
3104 rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,
3105 dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden
3106 laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden
3107 hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,
3108 nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven
3109 voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en
3110 omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want
3111 als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen
3112 gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen
3113 gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur
3114 gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele
3115 schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,
3116 in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en
3117 z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar
3118 weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder
3119 trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:
3120 "D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist
3121 jai d'r van?"
3122
3123
3124
3125
3126 VI.
3127
3128
3129 Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n
3130 eerste gedicht.
3131
3132 'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er
3133 iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de
3134 week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.
3135
3136 Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
3137 met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er
3138 meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden
3139 alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild
3140 en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
3141 anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.
3142
3143 't Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De
3144 tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,
3145 de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en
3146 de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En
3147 de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met
3148 riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon
3149 met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't
3150 licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
3151 flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.
3152
3153 Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,
3154 reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag
3155 is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te
3156 staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie
3157 moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te
3158 breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen
3159 kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds
3160 kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:
3161 "Wat moest ik toch op die tram?"
3162
3163 Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't
3164 aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken
3165 naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas
3166 wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht
3167 ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van
3168 nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er
3169 iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,
3170 die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,
3171 Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.
3172
3173 Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
3174 kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
3175 kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.
3176
3177 Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg
3178 mot met een kerel met een witte kiel aan.
3179
3180 't Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in
3181 slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht
3182 van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
3183
3184 Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes
3185 wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij
3186 was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En
3187 ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren
3188 lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei
3189 leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen
3190 zorg. Hij had niks noodig.
3191
3192 Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
3193 't groote verschil tusschen God en ons.
3194
3195 Er is dan ook niks van gekomen van die hei.
3196
3197
3198
3199
3200 VII.
3201
3202
3203 Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den
3204 voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in
3205 't laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,
3206 maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds
3207 in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op
3208 't water en scheen op onze gelaten.
3209
3210 Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
3211 daalde zag je enkel de stoompijp.
3212
3213 Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
3214 talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
3215 fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
3216
3217 Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje
3218 maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't
3219 gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest
3220 om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
3221 gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen
3222 gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de
3223 weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
3224 had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein
3225 gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't
3226 Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds
3227 een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,
3228 een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:
3229 "aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel
3230 meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet
3231 meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou
3232 hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de
3233 treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,
3234 vele malen.
3235
3236 Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een
3237 warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde
3238 langzaam en ruischte maar zacht.
3239
3240 Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei
3241 gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
3242 probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden
3243 ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is
3244 ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een
3245 paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half
3246 negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch
3247 heeft veel noodig.
3248
3249 Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg
3250 ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
3251 brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk
3252 als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om
3253 onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
3254 schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
3255 sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
3256 dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
3257 Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van
3258 de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou
3259 gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
3260
3261 Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik
3262 er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist
3263 't immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
3264
3265 Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving
3266 de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof
3267 rood, hij was bijna weg.
3268
3269 Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
3270 mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer
3271 schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even
3272 zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets
3273 leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
3274
3275 Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
3276 en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de
3277 roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een
3278 blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij
3279 't dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
3280
3281 "Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
3282
3283 Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die
3284 dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,
3285 Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
3286
3287 "Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen
3288 verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet
3289 schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg
3290 ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars
3291 waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat
3292 't dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik
3293 ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God
3294 is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
3295
3296 Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,
3297 in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,
3298 boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
3299
3300 "Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met
3301 uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in
3302 't land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen
3303 staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan
3304 en luister. Kan jij eruit blijven?"
3305
3306 "Waaruit?"
3307
3308 "Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
3309
3310 "Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid
3311 achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God
3312 ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En
3313 overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo
3314 dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet
3315 God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En
3316 zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is
3317 oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom
3318 hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te
3319 gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en
3320 verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan
3321 komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert
3322 dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
3323 gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n
3324 vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
3325
3326 Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
3327 gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
3328 verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer
3329 en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
3330
3331 Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er
3332 was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank
3333 had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
3334 aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis
3335 Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een
3336 groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een
3337 dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken
3338 aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde
3339 't allemaal te gelooven.
3340
3341 De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
3342 klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn
3343 gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
3344
3345 Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand
3346 brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.
3347
3348
3349
3350
3351 VIII.
3352
3353
3354 In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg
3355 en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den
3356 gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid
3357 met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek
3358 er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,
3359 overgingen in de vlakte.
3360
3361 Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de
3362 aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag
3363 't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,
3364 een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht
3365 was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.
3366
3367 Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,
3368 op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna
3369 iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker
3370 wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij
3371 in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop
3372 Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.
3373
3374 Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en
3375 verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En
3376 mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in
3377 mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.
3378
3379 In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de
3380 berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in
3381 't Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,
3382 omspoeld door de oneindigheid.
3383
3384 Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand
3385 vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,
3386 die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan
3387 was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle
3388 flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan
3389 de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die
3390 ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,
3391 terwijl de oceaan golfde.
3392
3393 En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het
3394 verlangen, zonder te weten waarnaar.
3395
3396 Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij
3397 waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,
3398 en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn
3399 verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt
3400 aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,
3401 de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes
3402 met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen
3403 in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in
3404 't villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag
3405 Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de
3406 wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat
3407 alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?
3408
3409 Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en
3410 mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't
3411 westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan
3412 zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden
3413 en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat
3414 mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven
3415 zal in eeuwigheid?
3416
3417 Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig
3418 was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en
3419 't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En
3420 ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden
3421 van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige
3422 weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had
3423 en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo
3424 vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen
3425 met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan
3426 blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?
3427
3428 En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de
3429 kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had
3430 ik dit alles weergezien.
3431
3432 En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.
3433
3434 God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen
3435 staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen
3436 wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en
3437 schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos
3438 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er
3439 door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht
3440 naar de zee.
3441
3442 En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk
3443 en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie
3444 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
3445
3446 En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de
3447 schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de
3448 wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,
3449 dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben
3450 dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan
3451 en voel mij God, de oneindigheid zelf.
3452
3453 Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
3454
3455
3456
3457 Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.
3458
3459
3460
3461
3462 IX.
3463
3464
3465 Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op
3466 't plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische
3467 trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van
3468 politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog
3469 niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat
3470 weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind
3471 er boven uit. Dat was dus nog in orde.
3472
3473 En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even
3474 netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder
3475 op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog
3476 altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in
3477 't leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun
3478 kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar
3479 nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in
3480 't reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,
3481 en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een
3482 meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies
3483 wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook
3484 't Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.
3485
3486 Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar
3487 goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar
3488 allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den
3489 eenen kant naar den anderen oversteken.
3490
3491 Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige
3492 heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets
3493 was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,
3494 't groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van
3495 de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En
3496 ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei
3497 dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen
3498 winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de
3499 schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de
3500 straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon
3501 voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was
3502 nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen
3503 ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,
3504 dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,
3505 er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.
3506
3507 En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden
3508 aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En
3509 dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun
3510 stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder
3511 hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen
3512 in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van
3513 meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou
3514 zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,
3515 die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?
3516
3517 En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven
3518 en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept
3519 zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden
3520 misschien, en ook vergeten.
3521
3522 Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar
3523 zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar
3524 de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.
3525
3526
3527
3528
3529 X.
3530
3531
3532 Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van
3533 den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een
3534 zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn
3535 gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,
3536 op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik
3537 meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
3538 dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al
3539 dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer
3540 daar iets van gesnapt heeft.
3541
3542 Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald
3543 een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame
3544 genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een
3545 fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel
3546 duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,
3547 waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident
3548 met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe
3549 was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
3550
3551 En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar
3552 de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den
3553 spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van
3554 mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde
3555 als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in
3556 de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat
3557 ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder
3558 al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen
3559 zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,
3560 hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik
3561 van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van
3562 't zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat
3563 van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van
3564 't nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
3565 praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik
3566 zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,
3567 ik hoorde 't duidelijk.
3568
3569 Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even
3570 voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker
3571 't privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een
3572 heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een
3573 kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een
3574 kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
3575
3576 De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
3577 met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,
3578 keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
3579
3580 Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende
3581 licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,
3582 een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel
3583 gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,
3584 allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret
3585 van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had
3586 Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"
3587 overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd
3588 vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,
3589 toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van
3590 een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En
3591 de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als
3592 lid van "Arti".
3593
3594 Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
3595 of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
3596 tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
3597 in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
3598 werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
3599 'm gevonden bij de gasfabriek.
3600
3601 "Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven
3602 z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met
3603 een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet
3604 de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die
3605 dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben
3606 gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer
3607 in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was
3608 een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand
3609 geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
3610
3611 Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en
3612 zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den
3613 hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen
3614 elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons
3615 daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en
3616 mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen
3617 was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde
3618 Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En
3619 nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer
3620 modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik
3621 een conferentie."
3622
3623 Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
3624 kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen
3625 zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.
3626
3627
3628
3629
3630 XI.
3631
3632
3633 Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:
3634 "P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't
3635 Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en
3636 ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op
3637 kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite
3638 de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur
3639 werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo
3640 Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.
3641
3642 In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik
3643 zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge
3644 mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.
3645
3646 Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In
3647 't schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"
3648 lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik
3649 zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,
3650 mijnheer." Hij klopte.
3651
3652 Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,
3653 de deur ging weer dicht en daar stond ik.
3654
3655 Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein
3656 achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan
3657 den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier
3658 hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch
3659 ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te
3660 tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk
3661 papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den
3662 breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en
3663 naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen
3664 donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.
3665
3666 De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,
3667 hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,
3668 ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik
3669 niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella
3670 città dolente."
3671
3672 Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig
3673 en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem
3674 vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was
3675 speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat
3676 hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel
3677 wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep
3678 't volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,
3679 kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld
3680 was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een
3681 vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog
3682 wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i
3683 dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,
3684 waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.
3685
3686 Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek
3687 naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar
3688 z'n oogen.
3689
3690 En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,
3691 die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je
3692 hoorde en niet zag.
3693
3694 Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,
3695 Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand
3696 op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"
3697
3698 Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n
3699 zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd
3700 zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette
3701 terug, beleefd en minzaam.
3702
3703
3704
3705
3706 XII.
3707
3708
3709 Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand
3710 zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar
3711 loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn
3712 jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens
3713 iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn
3714 we nooit. En later....
3715
3716 Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit
3717 flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
3718
3719 's Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner
3720 Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
3721 meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is
3722 in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan
3723 het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
3724 "wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring
3725 "Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
3726
3727 Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt
3728 't interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",
3729 sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke
3730 ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm
3731 gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
3732
3733 Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't
3734 woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele
3735 leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er
3736 zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine
3737 moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje
3738 twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén
3739 geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,
3740 hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel
3741 gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
3742
3743 Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die
3744 commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
3745 zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
3746 gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent
3747 van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
3748 Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond
3749 ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n
3750 hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De
3751 prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,
3752 ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,
3753 opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden
3754 geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar
3755 zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,
3756 waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer
3757 uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,
3758 een prachtuitgave van de Divina Commedia.
3759
3760 Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste
3761 daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls
3762 gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
3763
3764 Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,
3765 die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen
3766 stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje
3767 wandelen.
3768
3769 Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
3770 slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
3771 zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i
3772 met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er
3773 dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij
3774 tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger
3775 "een geestelijk leven geleid heeft."
3776
3777 Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog
3778 eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat
3779 schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op
3780 geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om
3781 in een deftige apotheek op te hangen.
3782
3783 Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
3784 luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar
3785 't volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,
3786 maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan
3787 en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij
3788 tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van
3789 den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags
3790 moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had
3791 kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
3792
3793 Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone
3794 zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet
3795 aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
3796
3797 En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu
3798 de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.
3799
3800
3801
3802
3803 XIII.
3804
3805
3806 En Bavink?
3807
3808 Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die
3809 geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar
3810 gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,
3811 toen de strijd al op 't eind liep.
3812
3813 Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,
3814 dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was
3815 't. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de
3816 roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,
3817 de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,
3818 rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van
3819 gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.
3820
3821 't Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van
3822 mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij
3823 stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg
3824 met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,
3825 maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.
3826
3827 Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de
3828 Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een
3829 haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan
3830 mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon
3831 stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,
3832 er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de
3833 spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de
3834 kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde
3835 't licht fel op de wagens.
3836
3837 Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht
3838 kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een
3839 conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging
3840 maakte van drinken met de hand aan den mond.
3841
3842 Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die
3843 zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht
3844 voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit
3845 geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen
3846 flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van
3847 den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
3848
3849 "Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt
3850 geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch
3851 ook niks van."
3852
3853 "Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande
3854 zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch
3855 staat-i daar weer iederen avond."
3856
3857 "Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.
3858
3859 "Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou
3860 al--hoe lang al?"
3861
3862 "Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je
3863 wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"
3864
3865 Ik zweeg.
3866
3867 "Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil
3868 met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire
3869 hoedendoos. Hij verdient niet beter."
3870
3871 Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in
3872 een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak
3873 mij aan.
3874
3875 "Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis
3876 brengt."
3877
3878 Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de
3879 huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even
3880 wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos
3881 beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.
3882
3883 Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste
3884 zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons
3885 niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,
3886 die in wolken onderging.
3887
3888 "Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van
3889 elkaar moeten." Verder kwam-i niet.
3890
3891 Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij
3892 kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of
3893 zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,
3894 maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet
3895 krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.
3896
3897 En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft
3898 maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.
3899
3900 Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af
3901 en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat
3902 ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine
3903 rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan
3904 de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:
3905 "Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan
3906 die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat
3907 ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo
3908 gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?
3909
3910
3911
3912
3913
3914
3915 EEN WOORD NA.
3916
3917
3918 Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik
3919 nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie
3920 van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een
3921 oud man voelde.
3922
3923 Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar
3924 antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet
3925 uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.
3926
3927
3928 NESCIO.
3929
3930 5 Jan. 1918.
3931 EOT;
3932 }
3933